Vakantie in Frankrijk – Het goede leven

In de auto op weg naar een Romaans kerkje uit de 11e eeuw, zaten we uit te rekenen hoelang we tijdens de zomer al in Frankrijk komen. Het bleek ruim veertig jaar te zijn. Hebben we nu veel zien veranderen, was de volgende vraag. (Wij houden altijd zinnige gesprekken onderweg.)  De meest opvallende verandering is natuurlijk de euro, die alles veel makkelijker maakte. Hoewel het ook iets van de magie van vakantie in het buitenland wegnam. Het voortdurend omrekenen in het begin van de vakantie, tot je dat de keel uit ging hangen en je gewoon kocht wat je nodig had. Zonder vermoeiende omrekeningen.  Later zag je thuis op je papieren bankafschrift wel hoeveel duurder je uit was geweest, vergeleken met de Nederlandse supers. Tussendoor even checken (zoals je nu direct al ziet dat je je budget al overschreden hebt) ging niet, want er bestond nog helemaal niks digitaals. Zeker geen bankapps. Dat gaf toch een zekere rust.

En dan de telefoon. Die sleepte je niet in je broekzak overal mee naar toe. Dat was een toestel met een hoorn, aan een snoer, dat aan de wand van een telefooncel hing. Je stopte muntjes in een gleuf om even contact te hebben met je thuisbasis. Niet te lang, want de telefooncel was stikbenauwd en er stonden meer mensen te wachten…

Wat hetzelfde bleef

Wat echter in al die tijd hetzelfde bleef, in deze streken tenminste, is de ijzeren wet, dat om twaalf uur de winkels dichtgaan. Zonder pardon gaan de rolluiken naar beneden, de deur op slot en het zojuist nog levendige dorp is opeens een spookstad. Want, geen mens zal er aan tornen, het is Tijd voor de Lunch. En dat doe je niet met een meegebrachte boterham, die je in een half uurtje pauze weg hapt. Nee, daar neem je rustig twee uur de tijd voor. Mijn indruk is dat de Fransen werken om te leven en niet andersom. En eten is een belangrijk onderdeel van dat goede leven. Is het de zon die maakt dat fruit en groente hier lekkerder smaken dan in Nederland? Of zijn het de Franse consumenten die kwaliteit eisen? Het vlees, de vis, de groentes, de smaak is beter, voller. Of ben ik bevooroordeeld omdat ik op vakantie ben?

Super of buurtwinkel

We bezochten in St.Andre een oeroud kerkje. Het is erg warm, dus op koele plekken als kerken en musea is het goed toeven. En natuurlijk in de grote supermarkten, die niet om twaalf uur de deur voor je neus dichtgooien. Handig, maar helaas ook de oorzaak dat de bakkers en slagers hun deuren steeds vaker voorgoed moeten sluiten. Zelf zoek ik liever anoniem in de super naar mijn spulletjes om lastig Frans spreken te vermijden. En ook omdat ik het bijvoorbeeld in de kaaswinkeltjes moeilijk vind uit de ontelbare hoeveelheid soorten kazen iets te kiezen. Maar als ik beter Frans kon spreken zou ik fan van de buurtwinkel zijn! Je ziet in dit soort winkels hoe ze een buurt bij elkaar houden. Een praatje, begroeting. Het is persoonlijk.

Postkantoren en toiletten

Nog iets wat ik zo leuk vind in Frankrijk. Er zijn hier in elk dorp nog echte postkantoren! Met beperkte openingstijden weliswaar, maar ze bestaan!

De laatste die me opvalt: Openbare toiletten. Wat is Nederland een achterlijk land op dat gebied. Iedere super hier heeft een toilet. Zo niet, is er altijd wel eentje in de buurt. En schoon dat ze zijn! Echt, Nederland leeft in de middeleeuwen waar het toiletten betreft. Zoek het maar uit, is meestal de boodschap. Al is de nood nog zo hoog. Het lijkt triviaal maar bij het ouder worden is voor sommige mannen de nood niet alleen hoog, maar ook direct. Ik lees ook over mensen met darmproblemen die niet weg durven, uit angst dat er geen WC’s in de buurt zijn. Petje af voor de Franse overheden die hier goeie zorg leveren.

Nog wat plaatjes van het zeer oude Romaanse kerkje dat we bezochten. Gebouwd als de abdijkerk voor een Benedictijns klooster tussen de tiende en de twaalfde eeuw. De latei (die balk boven de ingang) is van marmer en je ziet Jezus als koning afgebeeld, met apostelen en engelen. Zulke oude kunstwerken maken me stil. Duizend jaar…

Elne en La Maternité: Een Vergeten Geschiedenis

Elne

We bezoeken Elne. Een stadje wat verder landinwaarts dan de kustplaats Argeles, met een oeroude geschiedenis. Wie mij kent weet dat ik enthousiast word van geschiedenis! Er wordt gezegd dat Hannibal, 3 eeuwen voor Christus, na zijn tocht over de Pyreneeën op weg naar Rome, hier zijn tenten opsloeg en onderhandelde met Gallische leiders over een doortocht over hun grondgebied. Het heeft een kathedraal en een oud klooster uit de 12e tot de 14e eeuw, met een prachtige kloosterhof. Wij hebben iets met middeleeuwse kunst. Het is zo puur, vaak met een vleugje humor (gekke bekken en koppen) of ontroerende scenes. Uitgehakt in steen, maar met zoveel gevoeligheid.


Ik kan nog veel meer plaatjes tonen. Maar ik wilde iets anders vertellen over Elne. Terwijl we rondliepen en een en ander bekeken, kwam ik steeds het woord ‘Maternité’ of ‘La Maternité Suisse’ tegen. Boeken in het museum Terrus (lokale schilder) en folders. Het maakte me nieuwsgierig en ik begon wat te bladeren in de boeken. En wat blijkt, aan het eind van de jaren dertig, toen Franco Noord-Spanje innam, waren ruim een half miljoen Republikeinen gedwongen om naar Zuid-Frankrijk te vluchten. Over verschillende bergpassen van de Pyreneeën (hoog en koud!) kwamen ze berooid aan in o.a Elne. Mannnen, vrouwen en kinderen. Ze werden opgevangen in de meest miserabele tentenkampen. Ik schreef eerder een blog over de opvang van diezelfde vluchtelingen in Argeles, waar op een gegeven moment ook honderdduizend mensen gedwongen werden op het strand te bivakkeren, in de open lucht, met zandstormen, met nauwelijks sanitaire voorzieningen (en het was geen zomer!) Ik realiseerde me toen niet hoe enorm de vluchtelingenstroom was, verdeeld over de verschillende overgangspassen in de bergen. Begin veertiger jaren kwamen daar ook steeds meer Joodse vluchtelingen bij. Opeens kwam het heel dichtbij. De vluchtelingenkampen van nu. Gaza, Jemen, Soedan. De misere.

Tachtig jaar geleden was er ook in Elne dus een grote populatie vluchtelingen, die nergens heen mocht en afgesloten werd van het stadje. Een Zwitserse verpleegkundige, Elizabeth Eidenbenz, was aanvankelijk naar Spanje gekomen om daar voor een organisatie te werken die zich richtte op kinderen in oorlogssituaties. Toen ze hoorde over de vreselijke situatie in de kampen en hoe vrouwen en kinderen daar crepeerden, vertrok ze naar Elne. In 1939 vestigde ze, in een leegstaande villa, een opvanghuis voor zwangere vrouwen en de kinderen van vluchtelingen, Republikeinen, en inmiddels ook Roma en Joodse vrouwen die op de vlucht waren voor de Nazi’s. Als je leest in welke omstandigheden ze moesten leven, rijzen je de haren te bergen

In zo’n afgelegen stadje kom je dan onverwacht zo’n heldenverhaal tegen. En grijpt de realiteit van de miljoenen vluchtelingen in de wereld je aan. En het geeft ook moed. Er zijn altijd weer moedige mensen die opstaan voor degenen die in de hoek zitten waar de klappen vallen.

Terwijl ik hier ben, lopen er moedige mensen door mijn woonplaats. Met een spandoek en vlaggetjes. En ze zingen: Warm Welkom, vluchtelingen en asielzoekers! Steeds meer mensen doen mee. We laten ons niet wegduwen. Toen niet en nu niet. Het blijft helaas nodig.


Vakantie in Frankrijk – Perpignan en meer

Juni temperaturen

Het weer is tot nu toe perfect geweest. Warme dagen, wat koelere dagen en een nacht stortbuien. Alles rook heerlijk toen we ’s ochtends buiten kwamen. De geur van nat gras, dennenbomen, mimosa’s…zelfs de houten planken van ons terras roken lekker na een opfrisbeurt. We hebben onze eerste echte wandeling gemaakt op de wat koelere dag, in zee gezwommen op de warme dagen en Perpignan bezocht op een dag dat het 24 graden was en wat bewolkt. Ideaal om door de stad te struinen.

Perpignan

We parkeren in het centrum van de stad. 8 euro voor de hele dag. Bij de auto eten we eerst onze pizzabroodjes, gezeten op een muurtje met uitzicht op een cactustuin. Het klimaat hier is subtropisch en de cactussen in deze omgeving groeien uit tot enorme planten. Ik denk aan mijn cactussen thuis. Ook niet onaardig, maar mini naast deze giganten. En bloeien, ho maar. Misschien eens in de zoveel jaar…Daarom geniet ik er hier zo van.

Wijk St.Jaques

We lopen langs een statige avenue met rechts herenhuizen en villa’s, verrezen nadat de oude stadsmuren waren afgebroken aan het einde van de 19e eeuw, om de stad meer ruimte te geven. En links een lang, mooi park met oude bomen, speeltuinen en een (in onze ogen niet zo’n mooi) gedenkteken voor de Grand Guerre, hier de naam voor de eerste Wereldoorlog. In het hele park mag trouwens niet gerookt worden. Hoera! Er loopt zelfs een handhaver.
We volgen aanwijzingen naar de Sint Johannes de Doperkathedraal, ongeveer 15 minuten lopen. We beklimmen een steile trap en komen terecht in een wijk waar we nog niet eerder geweest zijn, een oude, op sommige plekken nog Middeleeuwse wijk. Hier blijken eeuwenlang Joden gewoond te hebben. Gescheiden van de stad, leefden die in deze ommuurde wijk. De Vichy regering verdreef de Joodse bewoners. En waarschijnlijk vluchtten velen al eerder.
De wijk wordt ook bewoond door Gitanes (spreek uit Zjitanes), zoals de Roma of zigeuners hier genoemd worden. Je stapt werkelijk een andere wereld binnen. Ongelofelijk veel rotzooi op straat en je ruikt de armoede. Het blijkt een zeer moeilijk te bereiken bevolkingsgroep te zijn. Later las ik dat bedroevend weinig kinderen naar school gaan en dat de gemiddelde levensverwachting, schrik niet, onder de 50 jaar ligt! (voor wie meer info wil, dit artikel in de New York Times is interessant)
Maar, ik kwam een oudere vrouw tegen, duidelijk een Gitane, en in een flits zag ik dat ze iets zachts en pluizigs onder haar vest droeg. Ik sprak haar aan met mijn steenkolen Frans en ze liet me een pup zien, drie weken oud…Warm en beschermd op haar (omvangrijke) boezem. Een dierenliefhebber, heerlijk.

Procession de Sanche

Even ongepland als een bezoek aan deze wijk, liepen we later langs een klein museum. Ik ben gek op kleine musea. Ze hebben vaak iets heel authentieks. Dus even naar binnen. Het is het Katholiek Bisschops Museum. Niet heel bijzonder. Wat schilderijen van de verschillende bisschoppen die er gewoond hadden, een mooie tuin, en het was er lekker koel.
Een onderdeel intrigeerde me echter wel en was nieuw voor me. In een van de zaaltjes stond een pop aangekleed met een kostuum dat ons aan de Ku-Klux-clan deed denken, maar dan in het zwart. Een lange habijt en zo’n griezelige puntmuts waar alleen de ogen doorheen kunnen kijken. Het blijkt onderdeel te zijn van een heel oude Catalaanse traditie uit de Middeleeuwen. In de week voor Pasen, op Goede Vrijdag, loopt er een processie door de stad van boetelingen, gekleed zoals in de foto. Ze dragen een loodzwaar beeld van Jezus met zich mee. Er is stilte en alleen het geluid van een doffe trommelslag is te horen. Voorop lopen in het rood geklede mannen. Alles verwijst naar het bloed dat Jezus vergoot aan het kruis. Het lijkt me indrukwekkend om mee te maken, maar ook enigszins macaber. Volgens Wiki (dus niet helemaal betrouwbaar :))is op de een of andere wijze een andere processie met deze latere verbonden geraakt. In de middeleeuwen werden gevangenen blijkbaar naar het schavot geleid met bedekt gezicht om wraak van slachtoffers en hun familie te voorkomen. Een geestelijke leidde de stoet. Je kunt je er iets bij voorstellen. Geen vrolijk verhaal dus.

Kathedraal en Catalaans linnen

Uiteindelijk bereiken we de kathedraal waar we even een kijkje nemen. Tegenwoordig brand ik kaarsjes voor de gebeden die ik altijd meedraag in mijn hart. Ik heb ook geprobeerd te bidden op zo’n houten knielbank, maar dat viel tegen. De knobbelbotjes op mijn knieën deden zo’n pijn, dat ik blij was niet iedere zondag hier mezelf te hoeven kwellen. Maar knielend bidden vind ik wel mooi!

Cathedral St. Jean Baptiste Perpignan

Op het allerlaatst deden we nog een winkel (Les Toils du Soleil) aan met textiel dat volgens Catalaanse traditie geweven wordt. Wat dat precies inhoud kwam ik zo gauw niet achter, maar het was prachtig. Veelkleurige streeppatronen in de aller vrolijkste kleuren.

Van de prijs werd ik minder vrolijk. Dus, helaas, zonder aankopen terug naar de auto, terug naar Laroque.

Korea april – augustus 2025 

I

Thuiskomen in een vreemd land

Zo gauw ik naar buiten loop vanuit de aankomsthal op de luchthaven in Incheon, Zuid-Korea, voel ik me weer thuis. Het geroezemoes van de mensen om me heen, hun begroetingen, het geschreeuw naar kinderen die weglopen, taxichauffeurs die klanten proberen te krijgen. De Koreaanse taal klinkt me nog steeds zo vertrouwd in de oren. Ik versta het meeste niet meer, maar af en toe een paar zinnen is al genoeg. 

Het begint te schemeren, ook al is het pas vijf uur in de middag. Korea ligt een stuk zuidelijker dan Nederland, daarom gaat de zon hier eerder onder in dit seizoen. Tegen acht uur is het aardedonker. 

In het licht van de naderende avond tekenen de contouren van de bergen in de verte mooi af. Verder zie je op deze plek alleen hypermoderne gebouwen en is er een kluwen aan druk bezette wegen. 

We worden opgehaald door een privé-taxi, voor ons een ongekende luxe. De vorige keer dat we hier waren hebben we ons een breuk gesjouwd toen we vanaf het vliegveld, met de bagage, de metro naar Seoul namen. Naar Seoul was goed te doen met het OV, maar de overstap daar naar het hotel was net te veel van het goede. We konden geen lift vinden en moesten dus onze koffers de trap op zeulen. Dat niet weer, hadden we elkaar beloofd. De taxi was nu gereserveerd door onze Koreaanse vriendin en zo stapten we na twaalf uur vliegen in de auto, om nog eens twee uur naar Cheonan te rijden. Daar wonen onze vrienden met wie we twee maanden van huis geruild hebben. Zij in ons huis en wij in het hunne. 

Rond half negen arriveren we. Het huis is een vrijstaande villa, aan het einde van een doodstil straatje, pal aan de voet van een berg. De plaats voor de villa is letterlijk uit de berg gehakt. De huizenruil is niet helemaal gelijk wat betreft ruimte en comfort, ben ik bang. Dit huis is vrij nieuw, (het onze uit de jaren zeventig), van alle gemakken voorzien als airco, droger, en elektronica. Het is ook heel netjes en overzichtelijk ingericht. Begrippen die niet helemaal van toepassing zijn op ons huis. Maar goed, het grote voordeel is dat beide partijen kosteloos een verblijf hebben voor twee maanden. Inclusief gebruik van auto’s. 

Huizenruil is altijd even wennen. Dit huis stond al een maand leeg en dat voel je direct wanneer je binnenstapt. Het is zielloos. Huizen hebben voor mij een eigen geur, een eigen gevoel. Daarom voelt het in het begin alsof je vadertje en moedertje speelt met de spullen van een een ander. Het duurt even voor het eigen is.

Pas de volgende ochtend zien we hoe uitbundig en prachtig hier overal de azalea bloeit in alle kleuren wit, oranje en vooral fel roze!

Schuldig Landschap

https://parelpad.blog/2021/01/25/schuldig-landschap/

Deze blog schreef ik eerder in 2021 over het landschap bij kamp Westerbork. Het is een concept van de schilder Armando. Het blog past goed bij die over het ‘Dilemma van de zee’. Eke Malda attendeerde me erop. Met dank!

Het dilemma van de zee

Wie me blij wil krijgen, moet me meenemen naar water. Een haven of een weidse rivier, maakt niet uit welk seizoen. Het liefst nog de zee. Ik ben een waterkind. Zou het in mijn genen zitten? Mijn moeders familie heet Van Katwijk. Een van de van Katwijk genealogieën gaat terug naar een voorvader uit de 17e eeuw of zo, uit Catwijck. Hij trouwde met een Schiedamse jongedochter en vestigde  zich in Schiedam. Dan zit de zee wel een beetje in mijn bloed. (Hoewel, mijn moeder was geen ‘strandmens’ zoals ze het zelf altijd noemde) Een andere genealogie zegt dat de familie uit een wijk bij het kasteel (=Cat) in Schiedam kwam…Stadskinderen dus. 

Ik ga gewoon voor de eerste, als waterkind spreekt me die meer aan!

Mijn overgrootmoeder (Teuntje Joppe) aan vaders kant kwam van de eilanden, Goeree en Overflakkee. Dat is ook een redelijk waterige omgeving. Als kind gingen we vaak op vakantie in Ouddorp en één van de hoogtepunten was de oversteek met de pont. Auto en al. Als we dat zwarte gat van de laadruimte van de boot in reden, voelde ik zo’n heerlijke mengeling van angst en opwinding. Tussen al die auto’s vond ik het eng en overweldigend, maar eenmaal boven op het dek, geweldig. Wind in mijn haren, de mengeling van de geur van de zee en de boot, ik was op vakantie.

Veel van mijn beste herinneringen zijn van dagjes uit aan het strand, vakanties aan zee, of soms, later met de kinderen nog, na school, rond 4 uur naar de kust rijden om op het strand van Castricum, bij ondergaande zon, onze meegebrachte maaltijdsalades te eten. 

Tijdens een Nederlandse taalles aan statushouders uit allerlei verschillende landen, was de opdracht om over hobby’s, leuke dingen om te doen, enzovoort te praten. De woordenschat was nog beperkt, maar we deden ons best. Meestal begon ik zo’n conversatie-les met wat te vertellen over wat ik zelf leuk vind, ter inspiratie, zeg maar. Nou, het laat zich raden waar ik over begon…het strand en zwemmen in de zee natuurlijk. Om de studenten aan het praten te krijgen vroeg ik of ze al eens in Scheveningen geweest waren? Een paar zeiden ja, maar eentje zei ‘daar wil ik niet heen’. In mijn onschuld vroeg ik door, wat was de reden? ‘Ik ben met een boot gevlucht en bijna verdronken in de Middellandse Zee’.

Boem, ik kon mezelf wel voor het hoofd slaan, zo was ik uitgegaan van mijn verwende westerse opvatting over strand en zee.

De zee is immers zo lang een vijand geweest, ook als je geboren werd in een vissersdorp als Katwijk of Scheveningen. Niet voor niets staan in al die dorpen monumenten van vissersvrouwen starend over zee, tevergeefs wachtend op hun man of zoon, verdronken tijdens het vissen.

Nog maar zo kort is de zee een bron van vermaak geworden. Ik geloof pas begin 20e eeuw. Ik heb foto’s van mijn moeder met haar jongste  zusje in de jaren twintig op het strand van Scheveningen. Maar aangekleed en wel, het water ging ze niet in. 

Gisteren liepen we opgewekt naar het strand in Argeles- sur- mer. Een bekende badplaats voor Nederlanders, maar nu in het laagseizoen is er bijna niemand.. Langs het strand loopt een lange zandweg, met aan beide zijden hoge dennenbomen, die in de warmte heerlijk schaduw bieden. Nietsvermoedend liepen we naar de ingang van het pad en zagen daar een paneel, met foto’s en tekst. Altijd benieuwd naar de geschiedenis van een omgeving, begonnen we te lezen. 

We zagen een grote zwart-wit foto van mensen achter prikkeldraad. De tekst was schokkend. Op diezelfde plek, dat lange zandpad langs de zee, en op het strand waren in 1939 meer dan 100.000 Spaanse vluchtelingen opgesloten, republikeinen die zich verzetten tegen Franco. De Franse overheid stond niet toe dat ze het land introkken en de vluchtelingen, met duizenden kinderen, werden in erbarmelijke omstandigheden vastgehouden achter prikkeldraad. Gebrek aan voedsel, hygiene en drinkwater maakte dat duizenden, vooral kinderen stierven. En de bomen die aan ons schaduw boden waren er nog niet. Later na het uitbreken van de oorlog voegden zich ook Joodse vluchtelingen bij hen.

Argeles camp “is on a sandy expanse by the sea. There is no shelter of any sort from wind, sand, or rain. A bitterly cold wind from the mountains has produced a raging sandstorm…There is a great deal of dysentery probably from lack of good water and absence of sanitary arrangements.”[14] Refugees built shacks and dug holes in the sand for shelter.[15] (Wiki)

Gedenksteen voor de Retirada, de vlucht van Spaanse republikeinen voor Franco naar Frankrijk.

Het geeft een schaduwrand aan het plezier dat de Middellandse Zee ons biedt. De stranden, het water voor zoveel duizenden een plek van dood en misère. Ontheemden, vluchtend voor oorlog en geweld, toen en nu. Denk aan Lesbos waar o.a. Stichting Bootvluchteling al zoveel jaren hulp biedt aan vluchtelingen die in gammele rubberbootjes aankomen. De moeite waard om te steunen!

De bijbeltekst in Openbaring 21 komt in me naar boven:  ‘en de zee zal niet meer zijn’. Als we die tekst lazen na het eten snapte ik er als kind, met mijn emmertje en zandschepjes niets van. Wat was er nou mis met de zee?

Hier dringt het weer even door: De zee is en blijft ook een vijand.

De onbekende meester

Ongeveer duizend jaar geleden trok hij rond in het Middellandse Zee gebied. Een man van wie niemand de naam weet. Hij was een begaafd beeldhouwer, maar leefde nog in een tijd dat kunst ‘gewoon’ een ambacht was, dat werd uitgevoerd ter meerdere glorie van God. De beeldhouwer trok van Italië, Florence, langs de kust naar Zuid-Frankrijk, zakte af naar het noorden van Spanje en weer terug. Misschien volgde hij de oude pelgrimweg naar Santiago de Compostella, die via de Pyreneeën liep.  Op verschillende plaatsen werkte hij mee aan de verfraaing van kloosters en kerken. Hij sneed wonderschone scenes uit marmer of graniet. Scenes uit de bijbel, monsters, planten, dieren. Zo expressief en bijzonder dat duizend jaar later iemand met een geoefend oog begon te zien dat al die, over duizenden kilometers verspreide, vondsten van beeldhouwwerken, wel van dezelfde hand moesten komen.

Jezus loopt op het water

Het gebeurde in 1930, tijdens de restauratie van een kerk in het kleine plaatsje Cabestany, even ten zuidoosten van Perpignan, in Catalonië, Frankrijk. Men ontdekte een tympaan, zo bijzonder en van zo’n kwaliteit en talent dat het de aandacht trok van specialisten op het gebied van de middeleeuwen. Men begon te vergelijken en ontdekte dat er meerdere werken waren van dezelfde kwaliteit met vergelijkbare kenmerken. Wat opviel waren de amandelvormige ogen, de grote handen met lange, dunne vingers en de uitdrukking van de beelden..zo levendig dat ze bijna van hun onder- of achtergrond weg sprongen. Omdat zijn ontdekking in Cabestany was begonnen, sprak men vanaf toen over de Meester van Cabestany. 

Vandaag waren we in het museum van de meester van Cabestany. Klein, maar met een prachtige opstelling en veel uitleg van de (kopieën van) werken. Sarcofagen, bovenstukken van pilaren, monsterkoppen uit kathedralen, 

Het werk raakt me. Het is zo menselijk en expressief. En er zit humor in. Alles hakte de meester uit marmer of graniet. We zagen de werktuigen die hij ongetwijfeld in zijn bagage moet hebben meegedragen. Hopelijk reisde hij te paard of had hij een pakezel. Kwam hij toevallig langs en ging aan het werk? Werd hij gevraagd vanwege de schitterende kwaliteit van zijn werk? Reisde hij van Spanje naar Italië of andersom? We zullen het nooit weten, alleen dat hij in de 12e eeuw zijn talent gebruikte zodat wij er negen eeuwen later nog van kunnen genieten. 

De marteldood van St. Sernin in de abdij van St. Hilarie, Aude
Maria ontmoet Jezus na de opstanding

Een bezoek aan Cabestany waard!

De ‘vacantietijd’

paenkinderen1954
vader met vier van de kinderen, vóór mijn verschijnen…

Hielp mijn vader tijdens vakanties in het huishouden? Ik moest er vanmorgen opeens diep over nadenken, na het lezen van ‘Uit de hoofdredactie’ in het Nederlands Dagblad. Hoofdredacteur Sjirk Kuiper citeert een editie van 3 juli 1965, waarin de toenmalige hoofdredacteur, in verband met de ‘vacantietijd’, de oudere kinderen oproept hun moeder wat te helpen tijdens de weken in een ‘zomerhuisje of tent’.
‘Vacantietijd’…voor velen een tijd van ontspanning – ‘maar niet voor de huisvrouwen, in het bijzonder de moeders van opgroeiende kinderen’ – ’tenzij de kinderen al zo groot zijn dat ze meehelpen om het ook voor moeder eens wat gemakkelijker te maken.’ Sjirk Kuiper wijst erop dat hier de vaders buiten beeld blijven, alsof die niet ook mee zouden kunnen helpen. ‘Ook vaders zijn verantwoordelijk voor de rust van moeder.’

Dat zette me aan het denken. Ik deel een paar van de gedachtes:

1. Ik voerde, volgens mij, geen barst uit; tot ik op mezelf ging wonen rond mijn 17e (ja, jong!)

2. Hoe zat dat nou met mijn vader? Die hielp wel, maar wat deed hij dan eigenlijk?

De eerste vakanties die ik me herinner zijn vakanties op de Veluwe, waar we in een, wat we nu een krot zouden noemen, drie weken verbleven. In Garderen. Ik vond het er heerlijk. Het rook er verrukkelijk naar bos, heide en zandpaden. Als watermens zijn mijn scherpste herinneringen die van het Uddelermeer. De aardachtig, donkere geur van het natuurmeer is in mijn geurgeheugen gegrifd. En dan: Zwemmen, altijd een feest!

Zo’n dagje Uddelermeer ging natuurlijk niet vanzelf. We fietsten, met handdoeken en badkleding achterop. We aten gesmeerde en belegde boterhammen, dronken ranja, , waarschijnlijk koekjes, snoepjes. En we waren met zeven á acht personen. Zus Loes had al vroeg verkering.

Ik heb in het verleden ook dat soort stranddagen voorbereid voor eigen gezin van zes personen. Het was een klus. De hele dag is er proviand nodig. Maar…

…Wij smeerden sandwiches, dat wel, maar vulden het meestal aan met een patatje. We kochten pakjes drinken (dit is vóór mijn ecologisch bewustzijn ontwaakte), we smeten alles in de stationwagen en reden naar de kust en na thuiskomst stonden de wasmachine en droger geduldig te wachten op hun lading.

De handdoeken die we aan het Uddelermeer gebruikten, moeten modderig geworden zijn na een dag zwemmen en drogen. Maar in het krotje stond bij thuiskomst geen wasmachine. Ook niet voor de stapels ondergoed, sokken, en kleding van zeven of acht mensen. Ik kan me wel de emmertjes herinneren die mijn moeder gebruikte, maar pas later realiseerde ik me, hóeveel was erdoorheen ging. We gebruikten ongetwijfeld minder vaak verschoningen dan nu, maar zowel vader als moeder waren erg schoon. We zullen echt niet een week met dezelfde modderige handdoeken gedaan hebben. Laat staan ondergoed en kleding. Dat moet toch keihard werken geweest zijn! Als kind heb ik dat zo nooit beleefd. Mijn moeder verstond de kunst om gezelligheid te creeeren en ze was geen klager. Ze had beter meer kunnen mopperen om zodoende meer hulp te genereren van al die mensen om haar heen, zowel van kinderen als echtgenoot. Mijn moeder was regelmatig overspannen, waaruit wel blijkt dat  het huishouden en gezin haar (te) zwaar vielen. Wij werden niet opgevoed om te helpen. Ze deed alles alleen. We waren dus als kinderen erg verwend.

Ik weet bijna zeker dat mijn vader hielp met de afwas. Ik zie hem de tafel afruimen, de vaat voorspoelen, zo grondig dat hij pas na een paar keer roepen terug naar de tafel kwam om te eindigen (met bijbellezen en gebed). Hij bracht mij soms naar bed en deed me ook in bad. Ik weet dat nog zo goed omdat het minder gezellig was dan wanneer moeder het deed.

Mijn vader deed alle karweitjes waar gereedschap bij nodig was, deed alle financieën, zorgde voor de auto en hij hield de tuin bij. Een vrij traditionele taakverdeling, denk ik, in die tijd. (Hoewel ik vrijwel naadloos in het patroon pas, behalve de tuin dan…) Koken heb ik mijn vader nooit zien doen.

Ik kom tot de conclusie na deze overpeinzingen dat mijn vader het zo slecht nog niet deed. Er was wel sprake van een taakverdeling, maar hij droeg zijn steentje bij. Ik weet van mijn moeder dat ze ondanks de ongemakken altijd zeer genoot van vakanties. Zo hebben mijn beide ouders me kostbare herinneringen bezorgd: zonnige zomers (nou ja, de regen ben ik vergeten, hoor), weg uit de stad, water, bergen, bossen en meren. Extra lekkere dingen en aan het einde: potverteren (het ‘overgebleven’ vakantiegeld opmaken in een cafetaria waar we patat en kroketten aten, heaven on earth!)

meer vakantieherinneringen, of hier over mijn vader

Observations of a non-American visiting Boston – Clean, white and expensive

‘It is so clean here!’, says my daughter, who lives in New York, Crown Heights, a low-income Jamaican neighborhood.

‘And where have all the black people gone? I haven’t seen so many white and Asian people in a long time, except Holland of course.’ Another one of her observations while walking to the station where the bus will take her back home to New York. ‘When I get of the subway in my neighborhood I might as well have moved to the moon. It is such a different world, here or there…!’

I am staying in a rather affluent neighborhood in Boston, where (mostly white) people basically either come to work in banks and trading companies or they come to work in the shops, restaurants and other entertainment places, catering to the the first group. The second group is multi cultural. The first group dresses well, looks well off and leaves town at night. The second group looks more casual, not very rich and they leave town as well, but much later in the evening.

aqarium bostonOn the other hand, the area around here is a big tourist attraction. Hordes of people from all over the world come to the waterfront in Boston to take boat rides, watch the seals and fantastic sea life in the Aquarium,  or go for the famous Duck tour in the city.

Boston is an historic city as well. Its history goed back to the 17th century. In the 18th century colonists decided to stop paying the English taxes and fought for independence. A famous revolutionary was Paul Revere. His house and other famous building from that era can still be visited.

It strikes me how many Asian and Indian/Pakistani families walk around here on free days. Here, among other reasons because of sons and daughters studying at MIT (te vergelijken met de TU in Delft) or any of the other famous colleges and universities in the area. I imagine they have their parents over for holidays and sometimes it’s a funny sight to see. Parents (or even grandparents?) flown in directly from the hot countryside in India, their skins a grooved and wrinkled, their eyes into splits still, from the hot tropical sun, walking around the harbor. Slightly dazed by the opulence and freshness of the port.

Asians love to come here as well. There is a big China Town near here and many places cater to these Chinese Bostonians. There is even a direct busline from Boston to New York and back, Lucky Star, where all service is in Chinese, according to my sister-in-law. The bus is cheap but technically less reliable than some of the other ones, I hear.

americanahThe Chinese do well. The Asians in general do well. The Indian people do well. Not as many black people do as well. It is more difficult to say anyway. There is no such thing as The Black people, like Chinese or Japanese. Black people come from all over, some born here, others directly from Africa, the Caribean or elsewhere. The novel I read, Americanah, opened my eyes to this. They all have different histories, cultures and aspirations. Those who were born here often still suffer the sore results from centuries of slavery, but those who immigrated later for economic or educational reasons, have a different experience altogether. They were not in slavery, were not poor and suppressed, many of them were, or became, well-to-do. And Africa is a huge continent, with as many cultures as the West.

Race is a difficult and complicated issue and I’m learning not to simplify it. It is easy to do that. But I’m white and privileged, just because of that first fact. Hard to imagine, hard to realize, but I believe it to be true. ‘Boston is racist’, say my daughters black friends in New York. I wished it weren’t true.

And expensive it is as well. Take it from me. We go to a large supermarket in Somerville, next to Boston, to get anything for a decent price. And even there some tings are on the high end. Except meat. But as I said in my previous blog, I meekly follow my father-in-law along the aisles. I haven’t searched for biological meat yet. It’s probably not as cheap as the regular stuff.

 

“In den Koekoeksklok”, sneeuw, strand en een verlaten spookdorp

Ons hotel in Metsovo,Griekenland
Het hotel is traditioneel ingericht. Veel (hand)houtsnijwerk, geborduurde gordijntjes met Griekse motieven, kussens van geweefde stoffen in weer andere Griekse patronen die wat aan kelims doen denken. Het is er knus. Het geeft me steeds het gevoel dat we in een koekoeksklok logeren. Buiten is het andere koek(oek)! Zwembad, jacuzzi en een schitterend uitzicht!

hotelmetsovohotelmetsovo1

 

 



 This photo of Metsovo is courtesy of TripAdvisor




metsovo

METSOVO
Het dorpje ligt in het Pindus gebergte. Op 1200 meter hoogte. Het is een schilderachtig, oud dorp. In de Ottomaanse tijd (14e-19e eeuw) genoot het privileges in ruil voor het bewaken van een bergpas voor de Turken, lees ik ik in mijn gidsje. Er staat een zeer oude kerk en langs de steile hellingen zie je nog prachtige oude huizen, met houten veranda’s en leistenen daken. De oorspronkelijke bewoners herken je goed tussen de import en de toeristen. Oudere vrouwen in het zwart, met een hoofddoek-met knoop-in de nek. Eronderuit steken twee lange vlechten. Ze hebben hun eigen taal, die niet gerelateerd is aan het Grieks, maar aan het Latijn. De theorie is dat het nazaten zijn van Romeinse kolonisten. Ze worden Vlachs genoemd of ook wel Aroemenen. ‘De Vlachen stammen voornamelijk af van geromaniseerde Thraciërs en mogelijk ook Illyriërs, en Romeinse kolonisten. Als zelfbenaming gebruiken alle groepen een variant van het woord romani’ (Wikipedia).
Mijn fantasie wordt door zulke informatie enorm geprikkeld.

Op het plein zitten in de schaduw rijtjes oude mannen op een bankje, enigszins verbouwereerd, de hele dag naar de drukte van bezoekers te kijken. Wat is er van ons dorp geworden, zie je ze denken. Pas in de laatste vijf jaar is het dorp ontsloten voor bezoekers en reizigers vanwege de Egnatia Odos, de Via Egnatia. Een prachtige snelweg die door tientallen tunnels voert, van Oost naar West, vernoemd naar de oude Romeinse weg waarop de apostel Paulus van Philippi naar Thessaloniki (en Berea) liep. De weg is met Europese subsidie gebouwd en betekent veel voor zowel de bergdorpen en de westkust. Er is sinds vijf jaar veel meer toerisme op gang gekomen. Goed voor de economie dus!

De bergweiden rondom Metsovo worden al eeuwen begraasd door kuddes geiten. Eind mei gaan ze van de winterweides naar boven en vreten ze hun buik rond aan de sappige begroeiing van planten en bloemen.  Gelukkig kunnen wij nog genieten van de bloemenzeeën. Wilde orchideeën en helleborus, blauwe druifjes, primula’s en wolfsmelk en nog veel meer bloemen die ik niet benoemen kan. Het is er fabelachtig mooi. Tijdens een wandeling pauzeren we aan een bergbeekje, met uitzicht op het grote Aoös stuwmeer en de besneeuwde bergen in de verte.

Orchidee
Orchidee, foto Lukas Batteau

 

In de verte het Aoös stuwmeer
In de verte het Aoös stuwmeer, foto Lukas Batteau

Onze hotelgastheer is vriendelijk, gastvrij en behulpzaam. Wat een verademing, in tegenstelling tot Frankrijk vaak, zijn de mensen hier zonder uitzondering vriendelijk en bereid om Engels te spreken. Eén ‘calimera!’ en ze doen alles voor je. We krijgen een warm, welkom gevoel en het ontbreekt er nog net aan dat de gastheer en zijn vrouw ons komen instoppen ’s avonds!

Sivota
Vanaf Metsovo voert de reis verder naar Sivota, aan de westkust, onder Igoumenitsa, vlak onder de grens met Albanië. Onze B&B ligt aan het strand. De eerste week van de vakantie, in Thessaloniki kon ik me nog niet voorstellen dat ik in zee zou zwemmen, nu is het bijna het eerste wat we doen! Wel langzaam doorkomen, maar dan: ..aaah het heldere water van de Ionische zee! We hebben de stranden bijna voor onszelf. Dit seizoen is ideaal om hier te reizen!

In Sivota geven we ons over aan nietsdoen, strand en familiegenot. Doel van dit onderdeel van de reis is immers voornamelijk het geboortedorp van de opa en vader van onze schoonzoon bezoeken, Gola, hogerop in de bergen. Dat doen we op een gegeven moment met de hele familie. Een hele bijzondere ervaring. Een spookdorp in de bergen, verlaten door de bewoners op zoek naar werk. Alleen in de zomer komen de mensen die er nog huizen en grond bezitten terug, om de hitte van de stad waar ze wonen en werken te ontvluchten.

panorama gola
Panorama Gola. Foto Lukas Batteau

Ik wijd er nog een aparte blog aan. Wordt vervolgd!