Vakantie in Frankrijk – Rusteloze Benen en het vogelkoor

Onrustig door vakantiedieet

Slapen is hier al weken geen succes. Ik word regelmatig wakker ’s nachts door mijn levenslange kwelkwaal: Rusteloze Benen. Aangewakkerd door de warmte misschien. En door mijn vakantiedieet wellicht. Vakantie voor mij is genieten van eindeloze kopjes koffie op een terrasje, met een verrukkelijke Franse patisserie ernaast. En van een lokaal wijntje aan het einde van de dag. Nou, dat heb ik geweten, als nog niet eerder zo erg. Suiker, cafeine en alcohol zijn nl. de triggers voor mijn aandoening: Ik stuiterde door de dagen. Kon nauwelijks rustig zitten of liggen en de nachten waren slecht. Er stroomde een soort vloeibare cortisol door mijn aderen. Het duurde even voor het kwartje viel. Pure ontkenning, hoor. Ik wist allang dat al die zaken de kwaal verergeren.

Rigoreus op een ander dieet dus. Decaf koffie, een muizenhapje (soort van) van de patisserie van echtgenoot, water in plaats van wijn. Na een paar dagen kreeg het effect. Goddank. Aan de warmte kon ik echter niets doen, dus goed slapen is er nog niet bij. Ondanks de airco. Eigen bed is best.

Vogelkoor

Maar. Gedwongen om vroeg op te staan, zo rond zes uur, kreeg ik, ongevraagd, gratis toegang tot het ochtendconcert van de vogels hier.
Ik zit buiten. Het is nog koel, de zon komt langzaam op en is nog niet niet de hete vuurbol van later op de dag. De mimosaboom voor ons terras met zijn sierlijke bladeren en roze bloemenkuifjes, en de oleanders hebben zich tegoed gedaan aan de ochtendauw en staan verfrist te pronken met hun bloemen en takken. Ze verspreiden weer hun subtiele geur en ik adem het diep in. En dan hoor ik ze, de vogels met hun gezang. Elk met hun eigen opvallende stem. De wielewaal roept en krijgt antwoord, de zwartkop twittert, de merel, de leeuwerik, de groenling, ze zingen erop los. Bepaald geen bescheiden kamerkoor, maar een volle koorbezetting.

Ik gebruik Merlin, een voor mij nieuwe vogelapp, die me de namen van de vogels vertelt. Langzamerhand leer ik ze onderscheiden en herkennen. Er zijn hier zoveel vogels te horen. De wielewaal heb ik een paar keer gezien. Die vogel brengt me altijd terug in de tijd. In klas 6 van de School met de Bijbel in Rheden. Daar leerde ik het lied van de Wielewaal. Zo’n heerlijk schoollied. Hier enigszins ludiek vertolkt door Andre van Duin…

En dan hier het geluid van de echte wielewaal:

De vogelgeluiden in de vroege ochtend, ik ervaar het als een kadootje van de Schepper. Na een onrustige nacht mag ik even, op de voorste rij, meegenieten van het grote zangkoor dat Hem groet.

Vakantie in Frankrijk – Het goede leven

In de auto op weg naar een Romaans kerkje uit de 11e eeuw, zaten we uit te rekenen hoelang we tijdens de zomer al in Frankrijk komen. Het bleek ruim veertig jaar te zijn. Hebben we nu veel zien veranderen, was de volgende vraag. (Wij houden altijd zinnige gesprekken onderweg.)  De meest opvallende verandering is natuurlijk de euro, die alles veel makkelijker maakte. Hoewel het ook iets van de magie van vakantie in het buitenland wegnam. Het voortdurend omrekenen in het begin van de vakantie, tot je dat de keel uit ging hangen en je gewoon kocht wat je nodig had. Zonder vermoeiende omrekeningen.  Later zag je thuis op je papieren bankafschrift wel hoeveel duurder je uit was geweest, vergeleken met de Nederlandse supers. Tussendoor even checken (zoals je nu direct al ziet dat je je budget al overschreden hebt) ging niet, want er bestond nog helemaal niks digitaals. Zeker geen bankapps. Dat gaf toch een zekere rust.

En dan de telefoon. Die sleepte je niet in je broekzak overal mee naar toe. Dat was een toestel met een hoorn, aan een snoer, dat aan de wand van een telefooncel hing. Je stopte muntjes in een gleuf om even contact te hebben met je thuisbasis. Niet te lang, want de telefooncel was stikbenauwd en er stonden meer mensen te wachten…

Wat hetzelfde bleef

Wat echter in al die tijd hetzelfde bleef, in deze streken tenminste, is de ijzeren wet, dat om twaalf uur de winkels dichtgaan. Zonder pardon gaan de rolluiken naar beneden, de deur op slot en het zojuist nog levendige dorp is opeens een spookstad. Want, geen mens zal er aan tornen, het is Tijd voor de Lunch. En dat doe je niet met een meegebrachte boterham, die je in een half uurtje pauze weg hapt. Nee, daar neem je rustig twee uur de tijd voor. Mijn indruk is dat de Fransen werken om te leven en niet andersom. En eten is een belangrijk onderdeel van dat goede leven. Is het de zon die maakt dat fruit en groente hier lekkerder smaken dan in Nederland? Of zijn het de Franse consumenten die kwaliteit eisen? Het vlees, de vis, de groentes, de smaak is beter, voller. Of ben ik bevooroordeeld omdat ik op vakantie ben?

Super of buurtwinkel

We bezochten in St.Andre een oeroud kerkje. Het is erg warm, dus op koele plekken als kerken en musea is het goed toeven. En natuurlijk in de grote supermarkten, die niet om twaalf uur de deur voor je neus dichtgooien. Handig, maar helaas ook de oorzaak dat de bakkers en slagers hun deuren steeds vaker voorgoed moeten sluiten. Zelf zoek ik liever anoniem in de super naar mijn spulletjes om lastig Frans spreken te vermijden. En ook omdat ik het bijvoorbeeld in de kaaswinkeltjes moeilijk vind uit de ontelbare hoeveelheid soorten kazen iets te kiezen. Maar als ik beter Frans kon spreken zou ik fan van de buurtwinkel zijn! Je ziet in dit soort winkels hoe ze een buurt bij elkaar houden. Een praatje, begroeting. Het is persoonlijk.

Postkantoren en toiletten

Nog iets wat ik zo leuk vind in Frankrijk. Er zijn hier in elk dorp nog echte postkantoren! Met beperkte openingstijden weliswaar, maar ze bestaan!

De laatste die me opvalt: Openbare toiletten. Wat is Nederland een achterlijk land op dat gebied. Iedere super hier heeft een toilet. Zo niet, is er altijd wel eentje in de buurt. En schoon dat ze zijn! Echt, Nederland leeft in de middeleeuwen waar het toiletten betreft. Zoek het maar uit, is meestal de boodschap. Al is de nood nog zo hoog. Het lijkt triviaal maar bij het ouder worden is voor sommige mannen de nood niet alleen hoog, maar ook direct. Ik lees ook over mensen met darmproblemen die niet weg durven, uit angst dat er geen WC’s in de buurt zijn. Petje af voor de Franse overheden die hier goeie zorg leveren.

Nog wat plaatjes van het zeer oude Romaanse kerkje dat we bezochten. Gebouwd als de abdijkerk voor een Benedictijns klooster tussen de tiende en de twaalfde eeuw. De latei (die balk boven de ingang) is van marmer en je ziet Jezus als koning afgebeeld, met apostelen en engelen. Zulke oude kunstwerken maken me stil. Duizend jaar…

Vakantie in Frankrijk – de wandeling

Tweede wandeltocht, de berg op bij Montesquieu

Echtgenoot houdt van kaartlezen, routes uitpuzzelen, hetzij met de auto, de fiets of wandelend. Dit keer had hij een route van twee uur gevonden. Een wandeltocht, op de Franse wandelkaart aangegeven als ‘facile’ als in makkelijk te doen. Dat klonk goed. We hadden er nog maar 1 wandeling opzitten en tenslotte zijn we ook geen dertigers meer. Langzaam opbouwen dus.

We reden naar Montesquieu, een stadje wat verder de bergen in. Vonden zowaar de wandelroute bijna direct en daar gingen we. Het begon redelijk steil. En werd nog steiler. De route heette Route Botanique, dus we verwachtten na een aanvankelijke stijging (je zit hier nu eenmaal in de bergen, de uitlopers van de Pyreneeën)een vlakker circuit. We komen bij een tweesprong. Een blauwe pijl wijst naar traptredes tegen de bergwand op. Boven ons komt een echtpaar naar beneden en we vragen of dit inderdaad de Route Botanique is. De dame kijkt wat bedenkelijk en zegt dat dat zo is maar dat de bordjes antiek zijn. De juiste route maar niet meer zo ‘botanique’, zeg maar. Voor ons geen probleem. We komen voor de wandeling, (dit keer) niet voor de namen van de bomen en planten. Het wordt een pittige wandeling, maar wel een mooie. Het facile ontgaat ons enigszins. Eerder uitdagend…

De berg weer af

De uitdaging wordt nog groter wanneer we moeten gaan afdalen op de terugweg. Veel handen en voeten werk. Leunend op een dikke rots en dan een grote stap naar beneden, enzovoort.

En dan. Bij een van die stappen gaat het finaal mis. Met dat ik de grote afdaalstap zet glijdt mijn ene voet uit over het kiezelgruis dat overal op het pad ligt. In een fractie van een seconde verlies ik mijn evenwicht en kieper de diepte in! Ik voel mezelf gaan. Mijn hoofd stuitert, scherpe takken en dorens schuren langs mijn lijf. Ik bots ergens tegenaan met mijn schouder. Ik voel niets, denk alleen maar: Help, daar ga ik, wanneer stopt het? Dan kom ik stil te liggen, half gedraaid, op mijn rug.
Hoe ver ik gevallen ben? Tien meter, vijf meter? Ik heb geen idee. Ik lig doodstil en denk als eerste: Ok, ik leef, check. Voorzichtig voel ik danarmen en benen voor zover dat lukt, zonder verder weg te glijden. Niets gebroken, check. Ik schreeuw naar boven, naar echtgenoot die naar me staat te roepen, dat ik nog leef en ok ben. Maar ja. Hoe nu verder?

Ik lig letterlijk bijna loodrecht op die berghelling. Mijn voeten vinden nergens houvast om me af te zetten. Ik schop met mijn schoenen wat grond los om een kuiltje te vormen, zodat ik grip krijg. Bij iedere beweging ben ik bang verder naar beneden te glijden.

“Ga op je buik liggen en kom op je knieeen naar boven”, roept echtgenoot.
Dank je de koekkoek, denk ik. Mijn knie bloedt en me omdraaien durf ik al helemaal niet. De enige manier is met mijn armen gebogen en mijn voeten in een kuil me afzetten en naar boven tijgeren op mijn rug en achterwerk. Ter plekke neem ik me voor aan krachttraining voor armen en benen te gaan doen. Wat een slappe aanhangsels zijn dat! Ik kom voor mijn gevoel geen centimeter verder.

Uiteindelijk kom ik zo ver dat mijn sterke, tachtigjarige echtgenoot mij kan vastpakken onder mijn oksels en mij het pad op hijst. Mijn wonden vallen mee. Schaafwonden hier en daar, een bult op mijn hoofd, maar nergens veel bloed. We pauzeren even om op adem te komen en vervolgen dan maar de afdaling. Ik nu wel met mijn hand op de schouder van echtgenoot. En voetje voor voetje. Voorlopig even geen steile paadjes meer voor mij! En zal ik bergstokken aanschaffen, dat vraag ik me nu af.

Elne en La Maternité: Een Vergeten Geschiedenis

Elne

We bezoeken Elne. Een stadje wat verder landinwaarts dan de kustplaats Argeles, met een oeroude geschiedenis. Wie mij kent weet dat ik enthousiast word van geschiedenis! Er wordt gezegd dat Hannibal, 3 eeuwen voor Christus, na zijn tocht over de Pyreneeën op weg naar Rome, hier zijn tenten opsloeg en onderhandelde met Gallische leiders over een doortocht over hun grondgebied. Het heeft een kathedraal en een oud klooster uit de 12e tot de 14e eeuw, met een prachtige kloosterhof. Wij hebben iets met middeleeuwse kunst. Het is zo puur, vaak met een vleugje humor (gekke bekken en koppen) of ontroerende scenes. Uitgehakt in steen, maar met zoveel gevoeligheid.


Ik kan nog veel meer plaatjes tonen. Maar ik wilde iets anders vertellen over Elne. Terwijl we rondliepen en een en ander bekeken, kwam ik steeds het woord ‘Maternité’ of ‘La Maternité Suisse’ tegen. Boeken in het museum Terrus (lokale schilder) en folders. Het maakte me nieuwsgierig en ik begon wat te bladeren in de boeken. En wat blijkt, aan het eind van de jaren dertig, toen Franco Noord-Spanje innam, waren ruim een half miljoen Republikeinen gedwongen om naar Zuid-Frankrijk te vluchten. Over verschillende bergpassen van de Pyreneeën (hoog en koud!) kwamen ze berooid aan in o.a Elne. Mannnen, vrouwen en kinderen. Ze werden opgevangen in de meest miserabele tentenkampen. Ik schreef eerder een blog over de opvang van diezelfde vluchtelingen in Argeles, waar op een gegeven moment ook honderdduizend mensen gedwongen werden op het strand te bivakkeren, in de open lucht, met zandstormen, met nauwelijks sanitaire voorzieningen (en het was geen zomer!) Ik realiseerde me toen niet hoe enorm de vluchtelingenstroom was, verdeeld over de verschillende overgangspassen in de bergen. Begin veertiger jaren kwamen daar ook steeds meer Joodse vluchtelingen bij. Opeens kwam het heel dichtbij. De vluchtelingenkampen van nu. Gaza, Jemen, Soedan. De misere.

Tachtig jaar geleden was er ook in Elne dus een grote populatie vluchtelingen, die nergens heen mocht en afgesloten werd van het stadje. Een Zwitserse verpleegkundige, Elizabeth Eidenbenz, was aanvankelijk naar Spanje gekomen om daar voor een organisatie te werken die zich richtte op kinderen in oorlogssituaties. Toen ze hoorde over de vreselijke situatie in de kampen en hoe vrouwen en kinderen daar crepeerden, vertrok ze naar Elne. In 1939 vestigde ze, in een leegstaande villa, een opvanghuis voor zwangere vrouwen en de kinderen van vluchtelingen, Republikeinen, en inmiddels ook Roma en Joodse vrouwen die op de vlucht waren voor de Nazi’s. Als je leest in welke omstandigheden ze moesten leven, rijzen je de haren te bergen

In zo’n afgelegen stadje kom je dan onverwacht zo’n heldenverhaal tegen. En grijpt de realiteit van de miljoenen vluchtelingen in de wereld je aan. En het geeft ook moed. Er zijn altijd weer moedige mensen die opstaan voor degenen die in de hoek zitten waar de klappen vallen.

Terwijl ik hier ben, lopen er moedige mensen door mijn woonplaats. Met een spandoek en vlaggetjes. En ze zingen: Warm Welkom, vluchtelingen en asielzoekers! Steeds meer mensen doen mee. We laten ons niet wegduwen. Toen niet en nu niet. Het blijft helaas nodig.


Vakantie in Frankrijk – Perpignan en meer

Juni temperaturen

Het weer is tot nu toe perfect geweest. Warme dagen, wat koelere dagen en een nacht stortbuien. Alles rook heerlijk toen we ’s ochtends buiten kwamen. De geur van nat gras, dennenbomen, mimosa’s…zelfs de houten planken van ons terras roken lekker na een opfrisbeurt. We hebben onze eerste echte wandeling gemaakt op de wat koelere dag, in zee gezwommen op de warme dagen en Perpignan bezocht op een dag dat het 24 graden was en wat bewolkt. Ideaal om door de stad te struinen.

Perpignan

We parkeren in het centrum van de stad. 8 euro voor de hele dag. Bij de auto eten we eerst onze pizzabroodjes, gezeten op een muurtje met uitzicht op een cactustuin. Het klimaat hier is subtropisch en de cactussen in deze omgeving groeien uit tot enorme planten. Ik denk aan mijn cactussen thuis. Ook niet onaardig, maar mini naast deze giganten. En bloeien, ho maar. Misschien eens in de zoveel jaar…Daarom geniet ik er hier zo van.

Wijk St.Jaques

We lopen langs een statige avenue met rechts herenhuizen en villa’s, verrezen nadat de oude stadsmuren waren afgebroken aan het einde van de 19e eeuw, om de stad meer ruimte te geven. En links een lang, mooi park met oude bomen, speeltuinen en een (in onze ogen niet zo’n mooi) gedenkteken voor de Grand Guerre, hier de naam voor de eerste Wereldoorlog. In het hele park mag trouwens niet gerookt worden. Hoera! Er loopt zelfs een handhaver.
We volgen aanwijzingen naar de Sint Johannes de Doperkathedraal, ongeveer 15 minuten lopen. We beklimmen een steile trap en komen terecht in een wijk waar we nog niet eerder geweest zijn, een oude, op sommige plekken nog Middeleeuwse wijk. Hier blijken eeuwenlang Joden gewoond te hebben. Gescheiden van de stad, leefden die in deze ommuurde wijk. De Vichy regering verdreef de Joodse bewoners. En waarschijnlijk vluchtten velen al eerder.
De wijk wordt ook bewoond door Gitanes (spreek uit Zjitanes), zoals de Roma of zigeuners hier genoemd worden. Je stapt werkelijk een andere wereld binnen. Ongelofelijk veel rotzooi op straat en je ruikt de armoede. Het blijkt een zeer moeilijk te bereiken bevolkingsgroep te zijn. Later las ik dat bedroevend weinig kinderen naar school gaan en dat de gemiddelde levensverwachting, schrik niet, onder de 50 jaar ligt! (voor wie meer info wil, dit artikel in de New York Times is interessant)
Maar, ik kwam een oudere vrouw tegen, duidelijk een Gitane, en in een flits zag ik dat ze iets zachts en pluizigs onder haar vest droeg. Ik sprak haar aan met mijn steenkolen Frans en ze liet me een pup zien, drie weken oud…Warm en beschermd op haar (omvangrijke) boezem. Een dierenliefhebber, heerlijk.

Procession de Sanche

Even ongepland als een bezoek aan deze wijk, liepen we later langs een klein museum. Ik ben gek op kleine musea. Ze hebben vaak iets heel authentieks. Dus even naar binnen. Het is het Katholiek Bisschops Museum. Niet heel bijzonder. Wat schilderijen van de verschillende bisschoppen die er gewoond hadden, een mooie tuin, en het was er lekker koel.
Een onderdeel intrigeerde me echter wel en was nieuw voor me. In een van de zaaltjes stond een pop aangekleed met een kostuum dat ons aan de Ku-Klux-clan deed denken, maar dan in het zwart. Een lange habijt en zo’n griezelige puntmuts waar alleen de ogen doorheen kunnen kijken. Het blijkt onderdeel te zijn van een heel oude Catalaanse traditie uit de Middeleeuwen. In de week voor Pasen, op Goede Vrijdag, loopt er een processie door de stad van boetelingen, gekleed zoals in de foto. Ze dragen een loodzwaar beeld van Jezus met zich mee. Er is stilte en alleen het geluid van een doffe trommelslag is te horen. Voorop lopen in het rood geklede mannen. Alles verwijst naar het bloed dat Jezus vergoot aan het kruis. Het lijkt me indrukwekkend om mee te maken, maar ook enigszins macaber. Volgens Wiki (dus niet helemaal betrouwbaar :))is op de een of andere wijze een andere processie met deze latere verbonden geraakt. In de middeleeuwen werden gevangenen blijkbaar naar het schavot geleid met bedekt gezicht om wraak van slachtoffers en hun familie te voorkomen. Een geestelijke leidde de stoet. Je kunt je er iets bij voorstellen. Geen vrolijk verhaal dus.

Kathedraal en Catalaans linnen

Uiteindelijk bereiken we de kathedraal waar we even een kijkje nemen. Tegenwoordig brand ik kaarsjes voor de gebeden die ik altijd meedraag in mijn hart. Ik heb ook geprobeerd te bidden op zo’n houten knielbank, maar dat viel tegen. De knobbelbotjes op mijn knieën deden zo’n pijn, dat ik blij was niet iedere zondag hier mezelf te hoeven kwellen. Maar knielend bidden vind ik wel mooi!

Cathedral St. Jean Baptiste Perpignan

Op het allerlaatst deden we nog een winkel (Les Toils du Soleil) aan met textiel dat volgens Catalaanse traditie geweven wordt. Wat dat precies inhoud kwam ik zo gauw niet achter, maar het was prachtig. Veelkleurige streeppatronen in de aller vrolijkste kleuren.

Van de prijs werd ik minder vrolijk. Dus, helaas, zonder aankopen terug naar de auto, terug naar Laroque.

Vakantie in Frankrijk – Laroque des Alberes

Ons eerste chalet

Het blijft een boeiende vraag wat een mens ertoe beweegt om als vakantie een maand door te willen brengen in een huisje dat zo groot is als mijn woonkamer thuis. Met een zg. tweepersoons bed waarin je nét lekker in je eentje kunt slapen. Met ook nog een plastic hoes om de matrassen en kussens vanwege de hygiëne. En een bank met een zelfde soort bekleding, waaraan je dus vast plakt want het is ook nog eens smoorheet. Ons uitzicht: een chalet op ongeveer 0 meter afstand. Wat doen we hier? Dachten we, maar zeiden het niet hardop. We kwamen net aan in ons vakantiehuisje in Frankrijk. Na een lange reis van twee dagen ben je meestal wat overprikkeld en kritisch, dus gingen we eerst maar slapen, elkaar sussend met opmerkingen als ‘kom op, het valt best mee, alles went. We zitten hier niet de hele dag thuis, enz.’

Maar het gezicht van mijn echtgenoot, de rasoptimist, gaf weer dat ook hij z’n twijfels had… Grappig hoe je dan nog een tijdje samen probeert de schijn op te houden. Positieve puntjes zoeken en zo…

Bij het wakker worden, de volgende ochtend, brak het uur van de waarheid aan: We gaan hier niet een maand zitten! Voor een fikse bijbetaling konden we verhuizen naar een grotere stacaravan met een wijds uitzicht. Dat betekende wel dat de hele bubs weer moest worden ingepakt. Maar het was de moeite (en het geld) meer dan waard.

Links ons ingebouwde chalet. Rechts ons uitzicht nu.

Camping Les Alberes

We zijn in Zuid-Frankrijk dus. Omgeving Perpignan, aan de voetheuvels van de Pyreneeën. Laroque des Alberes, een dorp waar we door de jaren heen vaak zijn geweest. We hebben op deze camping zelfs een Franse familiereünie gevierd. Daar was de camping niet heel blij mee. Voor gezamenlijke evenementen werden we naar steeds verderaf gelegen plekken gestuurd. Ik begreep het helemaal. Het aantal decibellen dat je produceert met een groep van 20 personen is oorverdovend. Zeker met de familie van mijn echtgenoot!

De omgeving, bergen, stadjes en de zee

Wij ervaren deze omgeving als thuiskomen. De natuur is mooi, de plantengroei weelderig, het is overal berg/heuvelachtig. Veel oude kerkjes, kloosters en op hoge plekken uitzicht in de verte op de Middellandse Zee! Dat is voor ons de aantrekkingskracht van dit gebied. De kust, de cultuur en de bergen. Perpignan is een middelgrote stad waar we graag heengaan als we zin hebben in flaneren, de antiekmarkt of gewoon even wat anders. Ik kocht er ooit een afgeprijsde picknick koeltas met borden en bestek. Nu al zo’n 20 jaar geleden. In een kleur die toen uit de mode raakte. Opvallend hoe veel invloed mode dan toch heeft. Ik heb jaren gedacht ‘wat een afgrijselijke kleur, ik doe het ding weg’. Maar dan kwam de kleur weer in de mode en vond ik ‘m naast praktisch ook wel weer cool. Nu is het een soort antiek kleinood geworden waar ik geen afscheid van kan nemen. Daarbij is grasgroen ook weer in de mode, dus….

Bourgondiërs in Venlo en Brugge

   Onlangs was ik voor het eerst in Venlo, voor een tentoonstelling in het Limburgs Museum, Bourgondiërs in Limburg.
Voor wie denkt wat zijn dat voor lui, Bourgondiërs waren oorspronkelijk Franse hertogen (familie van de Franse koningen, in de 14 en 15e eeuw) die door slimme huwelijken hun bezit uitbreidden naar het noorden en ook delen van Nederland tot hun rijk konden rekenden. Vanaf Dijon tot aan de zuidelijke Nederlanden regeerden ze als vorsten. Ze waren steenrijk en hielden van grote, overvloedige feesten, van kunst, van muziek en eten. Daar komt dus ons begrip ‘Bourgondische levensstijl‘ vandaan.
    In de tentoonstelling wordt uitgelegd dat het begrip in feite pas in de 19e/20e eeuw gebruikt ging worden in Limburg, als een soort verkooptechniek. De associatie met zo’n term is aantrekkelijk en positief. Bourgondisch eten, dat moet wel lekker zijn, toch? Dus alles onder de grote rivieren kreeg de naam Bourgondisch als eretitel. De samenstellers van de tentoonstelling willen juist het Limburgse karakter benadrukken. Dat heeft eigenheid genoeg, zonder de leenterm Bourgondisch. Ik weet niet of het zo is.

   Mijn zus zei altijd dat ik Bourgondisch kookte. Omdat er overal kruimels en klodders rondvlogen en de kruiden, potten en pannen zich opstapelden. Tja. Ook een gebruik van het begrip.

Middeleeuwen

   Ik heb iets met de middeleeuwen. De schilderijen, de beeldhouwkunst, de muziek. Het is allemaal zo tot de verbeelding sprekend. Ik romantiseer die tijd ongetwijfeld, want het grootste gedeelte van de mensen leefden in bittere armoede. Maar wat een bijzondere periode is het geweest. Pracht en praal. Alles was heftig en vol emotie. En de hele maatschappij was doordrenkt van het christelijk geloof. En dat als vanzelfsprekend. De kerk en de bisschoppen en pastores beheersten alles. Gewone mensen lazen geen bijbel. Die was niet vertaald, men geloofde op grond van wat de priester zei.  De bijbelse verhalen werden verbeeld in schilderijen, tableaus en beeldhouwwerken, gewoon te zien op openbare plekken en kerken. (Niet, zoals nu, elitair, in dure en gesloten musea). En sommigen daarvan zijn zo onwaarschijnlijk mooi! De details, de devotie, de kleding. Ik kan er uren naar kijken. De fijne gelaatstrekken, de mantels die in rijke plooien vallen en zo overtuigend echt geschilderd zijn dat je de stoffen kunt voelen. Zacht fluweel, brokaat, het koele, glanzende zijde. En de juwelen! Goud en edelstenen. En dan de gezichten. De expressie, de fijn geschilderde huid, de ogen, en de blik in die ogen. Ik vind het een genot om naar te kijken!

Philips de Goede, graaf van Bourgondie, 14e eeuw
Jan van Eyck, Madonna en kanselier Rolin

Brugge

   Vorige week was ik in het mooie Brugge, de vroegere zetel van de hertogen van Bourgondië. Nou ja, een van de zetels dan, want de heren reisden graag rond, met hun gevolg en hun hele hebben en houden, in een lange, indrukwekkende stoet. Daar hadden ze meer dan een paleis voor nodig, maar een hele serie paleizen. In Gent, in Brussel, in Dijon enzovoort. In Brugge staat er nog een deel van het paleis. Maar het is slechts een zevende van het oorspronkelijke gebouw.

   Bart van Loo heeft een boek geschreven over het tijdperk van deze heren. En een zeer vermakelijke podcast erover gemaakt. Als je van geschiedenis houdt, een aanrader! Hij is zelf de verteller en het verhaal wordt bij tijden onderbroken door muziek uit dezelfde periode. Hij is echt een geweldige verteller. Vol humor en eindeloos veel kennis.

   Nog wat foto’s uit de Brugse musea. In Gent stopten we nog om Het Lam Gods te bekijken. Dat moet je werkelijk in het echt zien. Het is 3,4 meter breed en 4,4 meter hoog! Te zien in de St.Baafskathedraal in Gent.

We hebben het altaarstuk nog gezien in een opstelling waar je het bijna aan kon raken. Nu, jaren later, is het heel anders. Duidelijk aangepast aan de stromen toeristen die er jaarlijks aan voorbij trekken. Dit seizoen, januari, ná de feestdagen, was de beste tijd om te komen zei een vriendelijke vrijwilligster, in een soort skipak. Want wat was het stervenskoud daar, in die uit marmer opgetrokken kathedraal. Heel lang hielden we het niet uit, maar we waren blij toch de extra stop gemaakt te hebben

 

Kringloop

  Wie denkt dat ik tijdens vier dagen in een stad als Brugge alleen musea bezoek, zonder een tweedehands winkel of Kringloop te vinden…..die heeft het dus mis. Brugge heeft in ieder geval een fantastisch leuke Kringloop met twee locaties. Heel netjes en leuk ingericht. Zelfs een beetje artistiek. Voorin zit een naaiatelier. Je kunt er koffie drinken aan een lange tafel. De kleding is van redelijke kwaliteit. Ik heb er een paar leuke dingen gescoord!

Missen als een ronde vorm

Eind oktober bezocht ik mijn  moeders graf. Vervolgens ging ik ’s middags naar een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Schiedam. Een expositie met de titel ‘Missen als ronde vorm’. Over verlies, rouw en gemis. Maar ook ‘over houvast en doorleven’. Heel toepasselijk dus.

De tentoonstelling laat een selectie zien van werken van ruim dertig (inter)nationale kunstenaars. Hanne Hagenaars publiceerde een boek met de titel ‘Missen als een ronde vorm, de kunst van het doorleven’, waaruit de kunstenaars gekozen zijn.

Ik vond de kunstwerken fascinerend. Op geheel verschillende wijze geven ze uiting aan een ervaring van verlies, gemis of rouw. Soms in de vorm van herinneringen, die een blijvende band vormen met de verloren geliefde (‘missen als de achterkant van liefde’) Foto’s, geborduurd met bloemen of sterachtige lichtbanen. (Werk van Berend Strik). Zijn moeder vertrok toen hij tien jaar oud was. Op de oude foto’s zoekt de kunstenaar ‘naar iets moois, waar je alsnog van kunt houden’.

Berend Strik

Of het speelse ‘Oma dingetjes’: Allerlei attributen uit het huis van oma Lola, aan lange draden verbonden aan het plafond. In constante beweging, zwevend als een mobiel. Knopen uit de knopendoos, regenkapjes (zo typerend voor mijn moeders generatie, ter bescherming van het ‘permanent’, de nepkrullen in hun kapsel), kam en borstel, het haltafeltje, stopgaren. Het geeft aan al die onbetekenende voorwerpen een hele warme lading. En een sterke ‘Oh ja’ beleving! Mijn moeder droeg ook  altijd een opgevouwen regenkapje in haar handtas. Je wist maar nooit of het zou gaan regenen..! En dat zou je kapsel bederven!
De kunstenaar Doina Kraal brengt een hommage aan haar geliefde oma.

Oma dingetjes (Diona Kraal)

Er waren ook werken die diep verdriet uitdrukten. De hartverscheurende pijn om de dood van een kind. Ik bewonder de talenten van vrouwen die daar uiting aan kunnen geven in een taal die ook anderen kunnen begrijpen en er eigen pijn door kunnen beleven. De beeldtaal is uiting van pijn, maar in het uiten en delen ervan biedt die tegelijk levenskracht. Doorleef kracht.

Marike Hoekstra Trauerarbeit

Opvallend vond ik wat Hanne Hagenaars in haar boek zegt over de rol van spiritualiteit bij verlies en rouw. Ik citeer wat de website van het Stedelijk in Schiedam erover schrijft:

Tijdens het schrijven ontdekte ze dat het gemis van een geliefde makkelijker te dragen kan zijn als je voelt dat je onderdeel bent van een groter geheel, als je in méér gelooft dan ‘niets’ – bijvoorbeeld in een leven na de dood, een ziel, een God of een maatschappelijk ideaal om voor te vechten –. Spiritualiteit spon zich als een extra laag door het boek heen.

Het woord ‘Trauerarbeit’ sprak me aan. Het was de titel van een kunstwerk van Marike Hoekstra die haar vierjarige zoontje verloor. Rouw, verlies, gemis blijft bij je. Door de tijd neemt het andere vormen aan. Deze kunstenaars vonden vormen om expressie te geven aan dat rouwwerk. Aan een verdriet om verlies wat vaak zo onzegbaar is. 

Er is nog veel meer te zien. Ook werk van kunstenaars uit andere culturen die weer op eigen wijze uitdrukking geven aan verlies. Vaak doortrokken van spiritualiteit, die troost en uitzicht biedt in rituelen.

Een expositie die bij tijden aangrijpend is, maar ook wil laten zien dat door uiting te geven aan de ervaringen van verdriet en gemis er nieuwe levenskracht kan ontstaan. 

Herfst in Schiedam

Gisteren eindelijk een bezoek aan het graf van mijn moeder kunnen brengen, in Schiedam. Niet speciaal die dag uitgekozen, maar een mooiere dag in de herfst hadden we niet kunnen treffen. De zon scheen als was het zomer. De lucht knalde blauw en er was nauwelijks wind. 

Begraafplaats

Mijn moeder ligt dus begraven in Schiedam. Haar geboortestad, al heeft ze er niet haar hele leven gewoond. In de zestiger jaren, ik was toen tien of elf, verhuisden we naar het oosten van het land, vanwege het werk van mijn vader. Binnen een aantal jaren werd hij echter alweer ontslagen, overtollig geworden bij een fusie tussen het bedrijf waar hij in dienst was, met een ander bedrijf uit de randstad. Mijn vader was midden vijftig toen dat gebeurde. In mijn ogen toen stokoud. Pas bij het ouder worden ga je begrijpen wat een drama het voor hem was. Ik heb er eerder over geschreven.

Mijn vader en moeder verhuisden later terug naar Rotterdam en hebben daar, op een flat in Alexanderpolder, nog mooie jaren gehad. Mijn vader miste aanvankelijk wel de tuin en de schuur.  

Maar ze ondernamen samen nog twee keer een reis naar Korea, waar we toen woonden. Hij had echter een kwetsbare gezondheid overgehouden aan de vele stress en zorgen die het ontslag hem hadden bezorgd. Hij overleed net na zijn 72e verjaardag, aan longkanker. We begroeven hem in Schiedam. Zes jaar later stierf mijn oudste zus Loes een zelfgekozen  dood. Ook haar begroeven we op dezelfde begraafplaats.

Waar we niet voldoende bij stil stonden toen, is dat in Nederland de graven redelijk snel worden ‘geruimd’, zoals dat in verhullend taalgebruik wordt genoemd. 

Toen mijn moeder stierf hebben we daarom als familie een graf gekocht. Het voelde niet goed dat er geen graf, geen concrete plek was om bij tijden onze geliefden te gedenken. Ik was opgevoed met de gedachte dat dat ook helemaal niet nodig was. De persoon die daar begraven lag, is er niet meer, letterlijk tot stof vergaan. Dus wat heb je nog te zoeken bij een graf? Mijn moeders vader wilde zelfs  geen naam op zijn grafsteen. Niet nodig, vond hij dat. ‘Wachtend op de opstanding der doden’, meer niet.

Blijkbaar hebben we tegenwoordig meer behoefte aan rituelen. Niet dat je de doden terug wilt halen. Maar wel gedenken. Wat hebben we van hen ontvangen. Wat betekenden ze in ons leven. God plaatste hen niet toevallig in jouw leven. Je blijft verbonden met ze. Of je band nu sterk was of niet. En bij een graf kun je daar soms extra bij stilstaan. Een bloem neerleggen. Een kaars branden. Het zijn beperkte pogingen om vorm te geven aan de herinnering.

Anyway. Op de steen op mijn moeders graf staan ook de namen van mijn vader en van mijn zus Loes. 

Een plek van gedachtenis voor alle drie. Ik had een witte cyclaam gekocht, een van mijn moeders lievelingsplanten. Die ze vroeger eeuwigdurend altijd weer aan het bloeien kreeg. En ik las een gedeelte van een gedicht van Jacqueline van der Waals voor, een van mijn moeders geliefde dichteressen. Ze was als jong meisje lid van een declamatieclub. Gedichten uit je hoofd leren en zo mooi mogelijk opzeggen. Op mooie herfstdagen, zoals vandaag, citeerde ze altijd een zin uit een van die gedichten.

Hoe zullen daar de zalen zijn”

“Waar gouden de portalen zijn

Hier het hele gedicht.

Najaarslaan.

Ik keek in de gouden heerlijkheid

Van een najaarslaan,

Het was of ik goudene deuren wijd

Zag openstaan,

Het werd mij, toen ik binnen ging,

Of ik door gouden gewelven liep:

Ik aarzelde even, ik ademde diep,

Diep van verwondering.

Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout

Doet wat verboden is;

Ik sprak: ‘Zijn voor mij die gewelven gebouwd?

Ben ik zoo rijk, dat van louter goud

De gang mijner woning is?’

Toen sprak ik: ‘Deze gouden grot

Is immers geen menschenpaleis.’

Ik sprak: ‘Het is een betooverd slot,

Dat lang op sprookjeswijs

Geslapen heeft en stil gewacht,

Op één, die de poorten ontdekken zou,

De doode gewelven wekken zou

Van ’t huis, dat ieder menschenhuis

Te boven gaat in pracht.’

Ik sprak: ‘Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!

Hoe ben ik zoo rijk, mijn God!

Welk aardsche woning is gelijk

Aan dit, mijn sprookjesslot?’

Trotsch, of ik een prinsesje waar,

Ging ik door ’t goud;

Aan beide zijden stonden daar,

Schragend de gangen, hoog en zwaar,

De zuilen opgebouwd.

Waar gouden de portalen zijn,

Hoe zullen daar de zalen zijn!

Ik zag aan ’t einde van mijn pad

Een kleine ronde poort,

Als blauw saffier in goud gevat,

En haastig, vol verlangen trad

Ik door de gangen voort.

Ik sprak: ‘Als bij mijn aankomst wijd

Die poorten openstaan,

In welk een groote heerlijkheid

Zal ik dàn binnengaan,

Indien van goud de gangen zijn,

Hoe groot moet mijn verlangen zijn,

De zalen in te gaan!’

Ik voelde me sterk met haar verbonden.

Verpletterend wereldnieuws

Ik worstel (net als iedereen, denk ik) met de stroom aan berichten uit een wereld waarin het lijkt of de ene, sterkere, helft zich tot doel heeft gesteld, de andere, zwakkere, helft van de bevolking uit te moorden. Of ten minste het leven zo zuur en verschrikkelijk mogelijk te maken.

Die zwakkere helft bestaat uit de burgers, de vrouwen, de kinderen en ouden van dagen. Kwetsbaren. Zieken, gehandicapten en stervenden. Dit maakt de andere helft niet uit. Het gaat om grotere doelen als macht, veronderstelde veiligheid, bezit, uitbreiding van grondgebied.

Zijn er oorlogen die te rechtvaardigen zijn, vraag ik me af? Op papier in elk geval wel. Een land dat aangevallen wordt mag zich verdedigen. Dat lijkt me logisch. Maar tot welke prijs? Waar en wanneer vraagt gerechtvaardigd verzet een te hoge prijs aan doden en verminkten? Waar ontaardt zelfs rechtvaardig verzet in wraak en wreed geweld?

Ik las de biografie over Willem van Oranje. Van René van Stipriaan. Daar komt de 80 jarige oorlog in de 16e en 17e eeuw in Nederland natuurlijk uitvoerig ter sprake. Een voorbeeld van rechtvaardig verzet tegen een wreed en dictatoriaal bewind van Spanje. Met de geuzen als verzetshelden. Maar de auteur beschrijft ook hoe uiterst wreed sommige van die geuzen en legerleiders tekeer gingen, vaak tegen de wens van Oranje. Hoe moeilijk dat grove geweld in de hand te houden viel. Geweld lijkt een eigen leven te gaan leiden in oorlogssituaties.

Geert Mak beschrijft in Europa (geschiedenis van de 20e eeuw), dat ik opnieuw aan het lezen ben, hoe kwaadaardige leiders een volk kunnen meeslepen in hun hang naar macht en vergelding. Onderliggende ontevredenheid over economische omstandigheden, het gevoel achteruit gesteld te worden, wakker het aan vanuit de overheid en je hebt rellen, ellende en oorlog. Zie de rellen van afgelopen zaterdag in Den Haag.

Ik ben geen pacifist. Ik geloof dat er momenten en situaties zijn waarin geweld, als uiterste redmiddel ingezet moet worden. Wij kuñnen als mensen niet een staat van volledige harmonie bereiken omdat, dat is mijn overtuiging, ons eigen hart geneigd is om ruzie te zoeken en ons gelijk te halen. Oorlog in het klein, zeg maar. (Maar misschien is mijn idee van het pacifisme niet helemaal juist. Daar moet ik mijn dochter nog eens goed naar vragen).

Geen pacifist dus. Maar wat ben ik dan wel? Daar worstel ik mee. Natuurlijk wil ik vrede, samen met de honderdduizenden mensen die nu gedood, verkracht, verwond worden of honger lijden. Met de moeders die man en zonen kwijtraken. Maar hoe bevecht je kwade krachten? Kan dat echt alleen met zachte krachten? Met geweldloos verzet? Zoals Ghandi, of Martin Luther King Jr.

In Korea werden we weer bepaald bij het lijden van het Koreaanse volk onder de Japanse bezetting van 1905-1945. Veertig jaar zuchtte het land onder het regime van de wrede Japanse overheid. De Koreaanse taal werd verboden. Iedereen moest buigen voor de shinto god, in wie de Japanse keizer aanbeden werd. Wie zich verzette kon op de doodstraf rekenen. In 1920 werden christenen ( die weigerden de keizer te aanbidden) opgesloten in een kerk, die vervolgens in brand werd gezet. Hartverscheurend. Een jonge studente, meisje nog van 18, organiseerde een protestmars ter ondersteuning van de Onafhankelijkheid Verklaring. De Japanners arresteerden haar en schoten op de menigte. Haar ouders kwamen daarbij om. In de gevangenis bleef ze zich verzetten. Schreeuwde voortdurend dat Korea zou overwinnen, en weigerde te eten. Uiteindelijk is ze veroordeeld en gedood.

Een lied gecomponeerd naar aanleiding van het verblijf in de gevangenis van deze nationale volksheldin. Het kinderkoor zingt ‘Korea zal leven!’

Ik bewonder haar strijd en haar moed. Ze zweeg niet. Ook al had haar verzet geen impact in het moment, na honderd jaar klinkt haar stem nog steeds.

Gwan Sun ju, de studente die met vele anderen demonstreerde.

Ik zwijg nog wel. Uit machteloosheid. Uit een gevoel van ‘wat maakt het uit of ik wat zeg of niet’. De vraagstukken zijn ingewikkeld. Raken gevoelige snaren. Veroordeel je het een, keur je dan automatisch het andere goed? Het debat is vaak zo zwart/wit. Voor of tegen. Ik ben iemand die tijd nodig heeft om een standpunt te bepalen. En kom dan vaak ergens uit in het grijze gebied. Of zoals een aantal Joodse en Palestijnse denkers ( Natasja van Weezel, Sinan Can, Jair Sanders) het liever noemen ‘Het Radicale Midden’. Alleen door naar verzoening te streven is er een mate van vrede te bereiken. Het leed aan beide kanten benoemen. Ik denk dan aan Nelson Mandela, die geen vergelding wilde voor wat de zwarte bevolking in Zuid-Afrika tijdens de Apartheid was aangedaan.

Maar hoe breng je dit in de praktijk? In onze samenleving die al zo gepolariseerd is. In Israel waar vergelding het enige streven lijkt. In Oekraïne waar men opeens geconfronteerd werd met een buur die hun land inpikt. In Sudan, waar de rebellengroepen en regeringslegers via onschuldige burgers hun machtsspel uitvechten, met verschrikkelijke gevolgen. Het maakt een mens moedeloos. Zijn nog meer wapens, nog meer geweld het enige antwoord?

In een volgend blog, wil ik verder denken. Er is in de loop van de geschiedenis best veel nagedacht over vrede en oorlog. Ook christenen door de eeuwen heen schreven erover. Heeft de bijbel er iets over te zeggen? Heb je een vraag of tip? Je kunt reageren op mijn blog. Je kunt ook mailen naar margreet.batteau at gmail.com