De kwalen van een ander

   Een van mijn verwen gewoontes is, om na een kappers- of pedicureafspraak in het stadje ( zo noem je hier het centrum), even rond te neuzen in mijn favoriete winkels. Allereerst de HEMA. Vraag me niet waarom, maar ik word daar helemaal zen. Er moeten hele oude wortels aan dat gevoel ten grondslag liggen. Ging ik er al heen als kind? 

   Dat gevoel had ik nooit bij andere winkels. Bij V&D wist ik eigenlijk nooit wat ik er precies deed. Ja, kousen en panties, daar hadden ze altijd een ruime keus in. Ook bij Blokker ging ik niet gezellig drentelen. Daar liep ik doelbewust op datgene af wat ik helaas nodig had om vervelende huishoudelijke klussen te doen. 

   Nu we geen  Blokker meer hebben, moet ik soms naar de Action. Maar daar ren ik als een speer doorheen. Ik vind het een nare winkel. Met lelijke spullen. Erger nog, ik vertrouw die goedkope producten voor geen meter. Wie betaalt daarvoor? Iemand, ergens ver weg, wordt afgezet.  Ik weet het, dat gebeurt in iedere verkoopketen. Hier ligt het er echter zo dik bovenop, dat ik er niet graag kom. Wij koopjes, ten koste van, ja wie? Oeigoeren, kinderen? De slaaf in de achtertuin.

   Maar goed. Terug naar mijn luxe momentjes. Even winkelen, bij de Hema. Bloemen en plantjes kijken bij Baars, de mooiste bloemenwinkel die ik ken. Helaas verkopen ze nog geen biologisch gekweekte planten of bloemen, dus het is kijken, kijken en heel soms bezwijken voor de verleiding van een mooie plant. Ik ben ook maar een mens.

   Dan komt het moment: een koffietje bij een van de vele cafeetjes in ons winkelstraat(je). Lekker in mijn uppie. Beetje lezen, beetje kijken, soms een beetje schrijven. Ik geniet daarvan. Het worden meestal twee koffies en dat is met de huidige prijzen met recht luxe te noemen. Ik koop er echter ook een ervaring bij.

   Tenzij. En nu komt het. Tenzij er mensen naast me komen zitten, binnen directe gehoorafstand, aan twee verschillende tafeltjes die vervolgens met elkaar, hard pratend, in gesprek gaan. Je moet weten, IJsselstein barst van de bejaarden. (Daar hoor ik zelf inmiddels ook bij, al voelt het anders). En bij het ouder worden horen kwalen. Het lijf gaat de jaren voelen. Ik weet het maar al te goed. Maar. Het gesprek over mijn kwalen houd ik in de huiskamer of fluisterend in het openbaar. De drie naast mij menen in hun eigen huiskamer te zitten.

   Dame 1 zat er al toen ik binnen kwam. Ze had duidelijk behoefte aan een praatje en had overal commentaar op, in de hoop op een reactie. Ik had behoefte aan stilte, dus aan mij had ze geen goeie.

   Dan komt er een echtpaar binnen. De vrouw van het tweetal wordt door haar man geduwd in een rolstoel. Ik noem hem Erik en zijn vrouw Dien. Dame 1 begroet hen enthousiast. Ze kent hen.

    Het echtpaar gaat aan een ander tafeltje zitten dan dame 1. Die is zeer begaan met de vrouw in de rolstoel. Lief natuurlijk. ‘Hoe gaat ‘t?’, ‘Wat een pech heb je toch’, enzovoort. Luid en duidelijk worden over en weer ziekenhuizen in de omgeving vergeleken, daarna de specialisten, en vervolgens komt dan Diens’ kwaal aan bod. 

‘Wat hebbie nou eigenlijk, Dien?’ ‘Weten ze het nou nog niet ?‘ 

Dien wil net een slok koffie nemen en de medische situatie met haar man bespreken, (ze komen blijkbaar net uit het ziekenhuis), maar ze draait zich met moeite om.

 ‘Wat zeg je?’ Opnieuw de vraag. 

‘‘Nee, ze weten het nog niet’.

Verder aan de koffie. 

Maar dame 1 geeft niet op.

‘Is het pijn in je lage rug, Dien? 

Moeizame draai. ‘Wat?’ 

Erik antwoord voor Dien.

 ‘Het is haar bekken.’

‘Oh’.

Het is even stil.

‘Zit het in je lage rug, Dien? In je bil?’

Weer de moeizame draai. ‘Wat?’

‘Of het in je BIL zit, in je linker- of je rechterBIL?’

  Ik haak af. Ik wil helemaal niets over de billen van Dien weten. Echtgenoot Erik probeert de zaken wat algemeen te houden door weer naar het bekken te verwijzen, maar dame 1 heeft het liever over de bil. Ik kan me onmogelijk afsluiten voor de bil discussie, dus ik pak mijn boeltje in en reken af. Geen rust ervaring gekocht, maar wel weer inspiratie voor een blog. Ook wat waard. 

  Volgende keer naar een ruimer café.

Waar keek ik naar?

Wat een vervreemdende ervaring afgelopen dinsdag! 

Om 11 uur ’s avonds kondigde president Yun van Zuid-Korea plotseling de staat van beleg af in het land. We wisten niet wat we hoorden! We hadden net geboekt om er volgend jaar weer heen te gaan.

Nu besef ik dat het land niet bij iedereen in het centrum van de belangstelling staat.Toen wij 45 jaar geleden gevraagd werden er te gaan wonen en werken, moest  ik ook eerst op de kaart kijken waar het lag.

Korea en de buurlanden

We kwamen er aan januari 1980, net toen in die maand de staat van beleg was afgekondigd. De president (dictator) was eind ’79  vermoord door zijn eigen lijfwacht en de macht werd overgenomen door het leger. De situatie was gespannen, hoewel we daar weinig van meekregen.

Nu was het 2024. Zuid-Korea was en is al decennia een democratie. Chaotisch en met behoorlijk veel polarisatie. Maar toch. Vrij, met een onafhankelijke pers en gescheiden machten van recht en overheid. Echter, de president kon dus toch zomaar de staat van beleg afkondigen? Ja, dat blijkt. Dat kon hij als opperbevelhebber van het leger doen. Gelukkig was er in de grondwet in voorzien dat het parlement daar weer een eind aan kon maken. Vandaar dat het leger uitrukte, met helicopters en troepen om te voorkomen dat de parlementsleden zich als een speer konden verzamelen (het was middenin de nacht!) om de wet weg te stemmen. Je zag wel wat schermutselingen, maar mijn indruk was dat als het leger echt had gewild, er geen hond dat gebouw binnen was gekomen. Iedereen bleek, ook politie en leger, gewoon flabbergasted!

President kondigt staat van beleg af

In 1980 was er bepaald geen sprake van halfhartigheid! Er werd streng en hard gehandhaafd. Niet na 12 uur ’s avonds naar buiten. De pers werd zwaar gecensureerd. Onze Time Magazine was altijd bewerkt met zwarte stift als het over de situatie in Korea ging. Geen enkele vorm van kritiek werd toegestaan. Veel dissidenten verdwenen in de gevangenis. En er vielen doden. Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het land is wat er gebeurde in Kwangzu. Studenten die in opstand kwamen tegen de arrestatie van hun politieke leider, werden keihard aangepakt. Er vielen honderden, zo niet duizenden doden. De lezingen verschillen. De Koreaanse schrijfster Han Kang, zelf afkomstig uit Kwangzu, die laatst de Nobelprijs voor de Literatuur won, schreef er een aangrijpende roman over overhttps://athenaeumscheltema.nl/vertalers/2024/over-de-poetische-fragmentarische-taal-van-han-kang-door-mattho-mandersloot

En, ook toen, altijd met de rechtvaardiging dat het land beschermd moest worden tegen communistische, Noord-Koreaanse invloeden. Bij iedere zweem van sympathie voor Noord-Korea kon je rekenen op arrestatie en gevangenisstraf. De man van onze hulp,  die een adres van iemand in Noord-Korea doorgegeven had aan een familielid, werd veroordeeld tot jaren gevangenisstraf. 

Die staat van beleg duurde tot 1987. We hebben de eerste democratisch verkozen president nog meegemaakt. Koreaanse politiek is altijd licht chaotisch en vol van heftige tegenstellingen gebleven. Veel persoonlijke machtslust, waardoor corruptie op de loer ligt. En vaak toeslaat. De grootste tegenstelling lijkt te zijn dat de ene groep toenadering tot Noord-Korea wil om ervoor te zorgen dat de gespannen relatie wat genormaliseerd wordt. Er is immers officieel nog steeds sprake van een wapenstilstand tussen de twee landen, niet van vrede. 

President Kim van Noord-Korea (Supreme leader…) en Moon Jae-un, president van Zuid-Korea in 2018.

De andere groepering, de  conservatieven, zijn vuurbang voor toenadering met de communisten. Er heerst angst voor de extreme  repressie van het Noorden en de herinnering aan de vreselijke burgeroorlog in de jaren vijftig wordt levend gehouden. Hele families werden uit elkaar gescheurd, met name veel christelijke gezinnen. Wie achterbleef kwam in kampen terecht, in veel gevallen. Ook nu worden grote aantallen christenen en dissidenten gevangen gehouden in werkkampen. Indertijd was Pyongyang ( nu in het Noorden) het Jeruzalem van Korea. Honderduizenden gelovigen vluchtten naar het Zuiden. In de jaren tachtig maakten wij sommigen van hen, of hun  kinderen nog mee. Ze droegen een diep verdriet mee dat tijdens de kerkdienst zich vaak uitte door gehuil en geweeklaag tijdens gebeden.

Dat is, denk ik, onder andere de achtergrond van het feit dat veel christenen president Yun steunden. Niet in zijn laatste rare beslissing. Het Nederlands Dagblad meldt dat de grote meerderheid van behoudende christenen in Korea, Yun niet steunden.

Net als Trump wordt Yun (en zijn vrouw) verdacht van corruptie. Er dreigen rechtszaken zo gauw hij president af is. Dus lijkt het erop dat hij blufpoker speelde. Tot nog toe is er nog niets van hem vernomen. 

Toevoeging 24-12-26

Yun is gearresteerd en zijn vrouw. In afwachting van een rechtszaak

Seoul en Koreaanse gastvrijheid

Seoul met oude vrienden

Op 19 oktober begint de officiële Korea week. Zes dagen zijn we dan te gast van een comité dat, namens de Kosin kerken, op 29 oktober de herdenking organiseert voor onze vriend en collega, wijlen dr. Niek Gootjes. Hij overleed vorig jaar in Hamilton, Canada, na lange moeizame jaren, aan de ziekte van Alzheimer.

Voor we vertrekken naar de Theologische Universiteit van de Kosin kerken in Chonan, 1,5 uur ten zuiden van Seoul, verblijven we een paar dagen in een hotel in de hoofdstad. Die zondag zal Dinie Gootjes na de kerkdienst een toespraak over het leven van haar man geven. In een andere Kosin kerk gaat echtgenoot preken. Na de lunch, een uitgebreide Koreaanse maaltijd, iedere zondag bij toerbeurt verzorgd door een van de leden, zal Kim een lezing geven.

(voor wie dit de eerste blog is over Korea, mijn man en ons gezin woonden in jaren tachtig, samen met het gezin Gootjes in Pusan, Zuid – Korea. Echtgenoot en collega Niek Gootjes doceerden theologie aan een opleidingsinstituut van de Koreaanse kerken, op hun verzoek. Je kunt er meer over lezen als je zoekt naar de categorie Korea 2024, Korea of Korea memories))

Seoul – wereldstad

Door omstandigheden kan een gepland uitje van onze Koreaanse gastheren op vrijdag niet doorgaan en zijn we ‘vrij’. We kunnen de dag met zijn vieren naar eigen inzicht doorbrengen. Dinie Gootjes is inmiddels uit Canada gearriveerd en zoon Albert uit Nederland. We zien elkaar na 36 jaar voor het eerst weer op Koreaanse bodem. Wij vertrokken in 1988, de familie Gootjes in 1989. Wij naar Nederland, zij naar Canada. We hebben elkaar wel gezien na die tijd, maar nu dus in Korea, waar we bijna 10 jaar lief en leed deelden en waar onze kinderen een soort broertjes en zusjes voor elkaar waren.

We kiezen ervoor om naar Namdaemun Markt te lopen. Het is schitterend herfstweer en lopend onderga je de stad meer dan in een bus of taxi. Het blijkt een flinke wandeling. Zeker anderhalf uur, in de warme zon. Samen lopen we door de straten van een hypermodern Seoul. Met honderdduizenden anderen. Maar de wegen en trottoirs zijn breed en anders dan in New York bijvoorbeeld, staan de gebouwen niet dicht op elkaar. Het geeft veel licht en een ervaring van ruimte, ondanks de drukte. Ook zijn er overal plantsoenen en parkjes. En soms passeer je dan opeens tussen alle wolkenkrabbers een oude poort of tempel.

Namdaemun Markt – een ervaring

Een markt in Korea is anders dan in Nederland. Geen losse kraampjes die ’s avonds opgeruimd worden, maar permanente winkeltjes met open winkelpuien naar de straatkant waar alle waren liggen uitgestald. Om de zoveel winkeltjes is er een ingang naar binnen het gebouw, waar nog eens rijen en rijen winkeltjes zijn, met een open front. Dan heb je ‘straten’ van alleen maar kleding. Of linnengoed. Of lederwaren. Of etenswaren. Heel grappig, allemaal geordend op het categorie. Dus niet, zoals in Nederland, door elkaar en verspreid. Ik vond en vind het altijd lastig winkelen. Je hebt tientallen schoenenwinkeltjes, maar die verkopen dan geen sokken. Dan moet je weer naar de ‘sokkenstraat’.

De markten zijn levendig, kleurig, goedkoop en je zou er uren rond kunnen lopen, ware het niet dat het zo vermoeiend is. Alle winkeleigenaren proberen je van alles te verkopen zo gauw je maar een blik werpt op hun spullen. Het is wat minder geworden, maar nog steeds is het voor langs slenterende westerlingen lastig wanneer je bij een korte stop onmiddellijk alles aangewezen krijgt, met de prijs erbij. Ik raak dan van de wijs en kan niet meer rustig zoeken. Ik zie Koreanen het compleet negeren. Hier ben ik te beleefd voor opgevoed blijkbaar.
We kopen wat cadeautjes en zoeken een eettentje voor een snelle hap. Die zijn er in tientallen. Een barretje, drie mensen erachter die van alles klaar weten te stomen en bakken, tentdoek erover en klaar. Ontzettend efficiënt. We eten staand, tussen de Koreanen, en genieten.

Soep met UFO’s
(unidentified floating obejects)

De dag ervoor zijn echtgenoot en ik ook ergens wezen eten. Een klein restaurantje in de categorie ‘soep-mét’. ‘Kalbitang’, rundvleessoep, met rijst en bijgerechtjes is lekker, weet ik uit het verleden. Maar kom, ik wil eens wat anders proberen. Eigenlijk lust ik alles dus ik kies van een plaatje uit het menu een ander soort soep. Die arriveert gelijk met de soep van echtgenoot. In die van mij drijven halve maanvormige, pluizige dingetjes, die ik niet direct herken. Zijn het visachtige wezens? Champignons? Ik proef. Er zit niet veel smaak aan, voelt aan als rubber. Hmm. Dan neem ik een stuk vlees op mijn lepel. Dat blijkt een dik stuk lever te zijn. Ik schuif de soep onmiddellijk van me af. Ik weet nu ook wat die ronde, harige dingetjes zijn. Maagwand! Er staat een kom met ingewandensoep voor me. Nee, dank je, ik durf veel, maar er zijn grenzen.

Echtgenoot is zo lief om met me te ruilen.

Eten, en nog eens eten

Eten wordt een thema deze week. Twee keer per dag worden we meegenomen naar restaurants, na het Ontbijt met een hoofdletter in het hotel. Voor de lunch en het avondeten. Maar voor we eten gaan we thee/koffie drinken en krijgen we allemaal onze eigen schotel met fruit en koekjes. Daarna gaan we echt eten. En iedere keer heerlijke en overvloedige maaltijden. Ik heb de lunch nog niet verwerkt of we gaan alweer avond eten. En ‘nee’ zeggen is er niet bij. Je kunt in de Koreaanse cultuur geen eten weigeren. Het is niet het eten zelf, maar de expressie van waardering en gastvrijheid die je dan afwijst. We laveren tussen overal van eten en veelvuldig uitroepen hoe heerlijk alles is en tegelijk, niet alles opeten. De Koreaanse keuken is gelukkig heel gezond. Veel groentes, veel vis, ook wel vlees, maar meestal niet het hoofdingrediënt. En natuurlijk altijd een kom rijst, met een kom soep ernaast. En vooral véél knoflook!

We zijn nu begonnen aan onze knoflook detox, 🙂 Om onze omgeving in Nederland niet af te schrikken. Knoflook is lekker, maar de Koreaanse hoeveelheden maken dat je hele lijf het uitwasemt. Maar missen gaan we dat eten! En de gastvrijheid waar het een expressie van is.

Geen auto

Vrijdag de 18e oktober, rond 12 uur, rijden onze vrienden ons door het super drukke, voor ons nauwelijks herkenbare Busan, naar de Koreaanse versie van Avis autoverhuur. Daar hebben we een auto gereserveerd om een week door het land te trekken. Tot die maandag erop hebben we een kamer gereserveerd op een schiereiland ten zuiden van Busan, maar daarna zien we het wel. We hebben er zin in. Met vrienden zijn is heel fijn en we hebben ervan genoten, maar nu we weer samen eropuit kunnen is het pas echt vakantie.

De auto staat klaar, even de formaliteiten en we kunnen gaan. Ik bewonder echtgenoot dat hij het aandurft om te rijden in de drukte, maar het lijkt hem niet te deren. “Ik heb overal gereden, zelfs gefietst in India”. Wie dat overleeft…

‘Rijbewijs, paspoort en internationaal rijbewijs, please’, zegt het Koreaanse meisje dat ons helpt. Uh, internationaal rijbewijs?? Hoezo? Heeft niemand ons verteld. Booking zegt, vereisten: rijbewijs en paspoort. 

Niet dus. Het staat in de kleine lettertjes: sommige landen vereisen aanvullend een internationaal rijbewijs, zoek uit welke.

Wie leest die lettertjes nou? Ja, wij wel, vanaf nu.

De auto ging dus niet door. Daar stonden we met onze zware koffers en rugzakken. Enigszins beteuterd. Eerst maar annuleren. Dat kan dan weer niet daar, bij Avis, nee, dat moet bij Booking en wel ter plekke, anders betaal je alsnog het hele bedrag. Nou, probeer maar eens Booking aan de telefoon te krijgen. ‘Wij zijn 24/7 beschikbaar’. Maar niet als het midden in de nacht is blijkbaar in Nederland. We bellen ons suf, urenlang. 

Eerst maar eten, zeggen onze vrienden. Natuurlijk. We vullen onze magen weer en bedenken een plan. Zij gaan ons naar ons gereserveerde hotel brengen, anderhalf uur rijden (de schatten!). Vandaar zullen we wel zien. De roadtrip gaat in elk geval niet door.

Guhje eiland

We rijden weg. Het regent en ik moet het even verwerken. Wat gaan we zonder auto doen? Guhje, de plek waar we naar toe rijden, is platteland en het OV niet best. Fietsen kun je vergeten.

Ons hotel blijkt minder landelijk te liggen dan we dachten te zien op de kaart. Het staat in feite in een havengebied met een grote scheepswerf. De buurt heeft de typische sfeer van een haven waar veel zeelieden een paar dagen hun vertier zoeken. Restaurantjes, ‘gentleman’ clubs en heel veel Karaoke bars, zeer populair in Korea. Een levendige buurt kun je wel zeggen. Maar niet zoveel natuur, hoewel we door het raam van onze kamer wel de zee en in de verte de bergen zien. De kamer is top. Eigenlijk een soort studio. Met een koelkast en zelfs kookgelegenheid. En ruim. Naast een groot bed is er nog ruimte voor een klein bankstel.

Het weer is snert. Wat we totaal niet verwachten in oktober in Korea, regent het vaak en hard. Klimaatverandering, zegt iedereen. Intussen hebben we eindelijk Booking aan de lijn. 

‘Nee, als u het geld terug wilt had u ter plekke moeten annuleren’, zegt de aardige jongen aan de lijn. We schreeuwen nog net niet dat we de hele middag al aan het bellen zijn. Hij belooft de autoverhuurder te bellen om dat te verifiëren. Na 10 minuten belt hij terug: hij kreeg geen woord Engels uit de mevrouw met wie hij sprak. Uit coulance krijgen we drie van de vijf gereserveerde dagen terug. Dank.

Zondag bezoeken we een Engelstalige dienst en lopen wat rond. Maandag breekt de zon door en maken we een prachtige wandeling langs de kust. Aan de voet van de berg is een houten wandelpad gebouwd waarlangs je zeker 1,5 uur kunt lopen. De zee rechts, de berg met bossen links en in de verte de silhouetten van bergen, tegen een blauwe lucht met zon. Het kan niet beter. 

We vinden overal wel restaurantjes en koffietentjes. En het voordeel van onze studio is dat we er ons eigen ontbijt en lunch kunnen maken. We vinden goed bruin brood, yoghurt, zelfs een soort muesli (zoet!). We hebben het goed, ook al is er niet zo heel veel te doen. We zijn in het echte Korea zoals we het ons herinneren. Hoewel ook hier de wolkenkrabbers overal tegen de heuvels op gebouwd zijn.

Sushi

De laatste dag worden we opgehaald door een Koreaanse dominee met zijn vrouw en een diaken (vrouw). Ze nemen ons mee uit eten, daartoe gemaand door een senior dominee die ver van Guhje woont. We vragen om een lichte maaltijd. Sushi of zo. Dat hebben we geweten. In het restaurant krijgen we een eigen kamer waar de tafel al gedekt staat. Op grote serveerschalen van Japans gelakt hout liggen dikke plakken rauwe vis. Kleine schaaltjes met wasabi en andere bijgerechtjes staan er naast. 

We doen dapper ons best en eten wat we kunnen. Als we denken dat iedereen wel genoeg heeft, gaat de deur open en komt er een tweede gang aan. Nu met koude soep, rauwe vis met rijst (meer als de sushi die we bedoelden) en zeewier. Ook nu spannen we ons in. De sushi met rijst smaakt beter dan die dikke plakken met niks. En er is wat salade bij. Dan zitten we vol. Ook de anderen lijken voldaan. Toch merk ik dat ze wat onzeker naar de deur kijken. De tweede gang was onverwacht, zou er nog een derde komen? De diaken gaat het vragen. 

‘Ja’, zegt het meisje dat ons serveert, ‘nog twee! Nu komt alle gebakken vis en daarna nog een ronde’. Tot onze opluchting zitten de anderen ook vol. We vragen om de rest maar in te pakken om mee te nemen. 

We verlaten het restaurant met drie volle tassen. Wij moesten alle gebakken vis en toebehoren mee. Die tas hebben we thuis gelijk maar aan de receptioniste van het hotel gegeven. De vis kwam ons de oren uit.

Koreanen zijn ontzettend gastvrij en voorkomend. Ze doen alles om je het als gast naar de zin te maken. Ik bewonder ze daarvoor!

Van horror hotel in Seoul naar paradise hotel Illua in Busan

We reizen de volgende dag verder naar Busan. De trein doet er 3,5 uur over, langer dan de beloofde 2,5 uur. Er blijken twee soorten bullet trains te zijn. Je moet zelf opletten dat je de snelste pakt. Het geeft niet, we hebben de tijd.

We worden opgehaald door onze vrienden die ons naar ons hotel rijden. Ze hebben het hotel en de kamer persoonlijk uitgezocht om er zeker van te zijn dat we een mooi uitzicht op zee hebben. Het is prachtig! 

het uitzicht is prachtig

We laten onze bagage achter om te gaan eten. Het is heerlijk om achter onze vrienden aan te lopen en ons te laten rijden. Ze wonen in deze buurt dus weten precies waar ze heen moeten.

We eten in een seafood restaurant, met uitzicht op de zee! Ik vind het enigszins spannend, want in Korea is seafood meer dan kabeljauw, zalm of fish en chips. De keuze wat zeevruchten betreft is oneindig, en de smaak van Koreanen voor alles uit de zee grenzeloos. Maar wat op tafel verschijnt ziet er prachtig uit en het smaakt nog goed ook. Octopus, Inktvis, krab, garnalen, mosselen, andersoortige schelpdieren, zeewiersoep, het is de hele zee op ons bord en in onze kom. Zeewiersoep ken ik nog van vlak na mijn bevalling van onze jongste. Na thuiskomst uit het ziekenhuis kwam de kerk met een enorme pan van die soep. Om aan te sterken. Een oude traditie. Alleen de kraamvrouw wordt geacht de soep te eten, vanwege alle mineralen. Wij aten er van met het hele gezin.

Het zeevruchtenbanket

De volgende dag wordt echtgenoot verwacht op de Engelse faculteit van Kosin college om daar te preken tijdens de dagelijkse gehouden chapelbijeenkomst. De gebouwen zijn enorm uitgebreid sinds we er begin 2000 waren. Alles is zo modern en goed onderhouden. Het sanitair is ruim en schoon. (Even om te onthouden, WC papier hangt soms bij de wastafels, buiten het toilet zelf, moeilijk te bereiken met je broek om je enkels). Alles glanst, alles doet het, er zijn mooie, grote zalen met zitzakken en makkelijke stoelen om in te ontspannen. Sommige studenten liggen heerlijk te slapen. 

Na de chapel vertrekken we naar de buurt waar het gebouw van Kosin Theologische opleiding stond, vóór de verhuizing naar Chunan, in de buurt van Seoul. Naast het ziekenhuis, dat oorspronkelijk bij de school hoorde. We zoeken naar onze eerste woning, vlakbij. Tot onze grote verbazing staat het er nog steeds, Urim Mansion, een flatgebouw van vier verdiepingen. Ik zie het flatje waar we ons eerste jaar doorbrachten. De eerste cultuurschokken ondergingen, de eerste beginselen van de taal leerden, waar onze oudste haar eerste Koreaanse woordjes leerde en vriendinnetjes maakte, altijd samen met Henk Gootjes.

1980
2024 Het een na bovenste balkon was het onze.
In de diepte speelden de kinderen
Oudste met vriendje Henk Gootjes en Koreaans meisje

Vanuit onze flat konden we naar de school lopen en naar de kerk op zondag. Dat kerkgebouw is nu leeg en vervallen, helaas. Er is wel een nieuwe kerk voor in de plaats gekomen, maar aan de eerste Songdo kerk hebben we de meeste herinneringen. 

Voormalig kerkgebouw Songdo

We dalen af, naar het strand van Songdo. In onze tijd een klein vissershavenje, vervallen, met wat winkeltjes, restaurantjes en een mini strandje. Nu een beach resort, met wolkenkrabbers tegen de heuvel aangebouwd, een starbucks, luxe eetgelegenheden en allerlei attracties. Onherkenbaar. Ik zoek een herkenningspunt voor wat houvast, maar nee, werkelijk volledig getransformeerd. We voelen ons als twee bejaarde buitenaardse wezens. Wat wij ons herinneren is een Korea in ontwikkeling, nog arm.  Voor de meeste jongere Koreanen is dit welvarende, moderne land het enige wat ze kennen.

At Songdo Beach resort

We gaan maar weer eten. Eten is belangrijk in Korea. En geen broodje kaas of gezond. We gaan nu naar een all-you-can-eat buffet restaurant. Koreaans en Westers gemengd. Verrukkelijk. Maar ik begin het einde aan de rek van mijn maagwand en mijn energie te voelen…nu moet ik beleefd doch beslist vragen om terug gebracht te worden naar ons hotel. En dan niets meer eten tot de volgende dag. Dan gaan we onze huurauto ophalen om te beginnen aan een mini roadtrip door Korea, terug naar Seoul.

Denken we.

Korea 2024

De reis erheen – de vlucht

Het is twaalf uur vliegen. Helaas zonder overstap. Ik heb geen moeite met een overstap. Het breekt de reis op, je kunt wat lopen, en je hebt een paar uur wat meer ruimte en afleiding om je heen. 

Deze vlucht doet het in een keer. Voor mijn achterwerk en benen een beproeving, maar je moet er wat voor over hebben om je vorige thuisland te bezoeken. Het doel is eerst Seoul in Zuid-Korea. De vlucht kan korter, maar dan moet eerst meneer Putin zich beter gaan gedragen. Over Oekraïne en Rusland vliegen is momenteel geen optie  We vliegen nu over andere, mij soms onbekende landen, met fascinerende namen.

Ik heb een gezellige buurman, uit Amsterdam, op weg naar de bruiloft van zijn zwager met een Koreaanse. In de loop van de reis legt hij me geduldig alle dwarsverbanden en etnische achtergronden uit van de familie van zijn vrouw. Bangladesh, Myanmar, India, alles komt voorbij. Zwagers en broers van de zussen van de moeder van….Het duizelt me, maar ik knik braaf ja en oh, want hij vertelt heel gezellig met een Amsterdams accent. Zijn familie komt gewoon uit de Jordaan.

We vliegen naar het oosten, vooruit in de tijd.  We brengen de nacht door in onze krappe stoelen. Echtgenoot zit 9 stoelen verderop. Om wat beenruimte te krijgen konden we alleen stoelen apart boeken, bij de nooduitgangen. Het zij zo.

Eindelijk komt dan de mededeling dat we gaan landen. Iets verderop zit een stel met een baby, die na twaalf uur nog steeds lacht en gezellig kraait. Ik bewonder haar/hem. Ik ben geradbraakt. 

Van het vliegveld naar het hotel

Maar we zijn er nog niet. Wel op het  vliegveld, ruim en licht, met wit marmeren hallen en draaiend als een geoliede machine. Via eindeloos de diepte in afdalende roltrappen, komen we in de krochten van de metro. Ook de perrons daar zijn van marmer en mensen stellen zich keurig op in rijen om in de treinen te stappen.

De reis gaat soepel. Nog een uur in de trein en we komen aan op het Centraal Station van Seoul. Opnieuw paleiselijk ontworpen en strak georganiseerd.

Het hotel

En nu de korte wandeling naar het hotel, dat op loopafstand van het station ligt.

De afstand is niet groot, maar met 18 kilo in de koffer en 5 op mijn rug is een wandeling van 10 minuten toch wel een uitdaging. Het is ook nog eens 19 gr., ik heb te warme kleding aan en de weg loopt omhoog. En ik heb al 24 uur of zo niet geslapen. Het voelt als een berg beklimmen met de verkeerde kleding en schoenen aan.

Het lukt. We vinden “Seoul Station R Guesthouse”. In een achteraf straatje. Het  blijkt een gribusplek. Bij de ingang staat rechts een rij afvalbakken, open. Links manden met vuile was. Ertussenin, om het wat op te vrolijken, staat een stoffig tafeltje met vettige plastic bloemen. Welkom.

De hal van ons hotel in Seoul

We moeten eerst een trap op. Met die zware koffers. Het is even slikken. Hoe hebben we dit ooit uit kunnen kiezen? Booking heeft ons voorgelogen met een hoge rating en slimme foto’s. Voor we elkaar verwijten gaan maken, zetten we eerst maar de airco aan. Dat helpt. De bedden voelen goed. Dat helpt ook. We hoeven er tenslotte maar een nacht te slapen. Een douche zou lekker zijn, maar de douche zit pal naast de WC pot en de hele badkamer is dan kleddernat. De wastafel zit verstopt. Het water loopt alleen weg door een lek in de afvoerpijp. Vandaar natte sokken. We moeten er bijna om lachen.

We gaan maar naar bed. Eindelijk slapen. Morgen is alles anders!

Wat gaan we vandaag doen?

Het is de laatste vakantieweek in regio midden.
Ik fiets door mijn woonplaats en zie her en der moeders wandelen, vergezeld door hun kinderen in basisschoolleeftijd, die aan hun zoveelste ‘leuke’ dag beginnen.
Wat zullen we vandaag weer eens gaan doen?
En moeder (toch wel vaak de moeders…), die de vakantie meer dan zat is, verzint iets waarbij ze zelf ook enigszins baat heeft. Niet weer de zoveelste speeltuin of Monkeytown, Kidcity of hoe ze ook maar heten mogen.
Meestal wordt het een tochtje naar het stadje, zoals we hier ons centrum noemen. Niet de ‘stad’ maar het ‘stadje’. Sloffen door de winkelstraat, moeder aan de telefoon, verveeld hangen bij het Kruidvat of de Action

De Kringloop is op zo’n ‘wat – kunnen -we – nu – weer ‘s- verzinnen’ dag ook een trekpleister. Daar is altijd speelgoed te bekijken en meer ruimte om rond te rennen. En al ben je het niet van plan, je vindt altijd wel wat, nietwaar?

Ik ben toevallig ook op een Kringloopuitje, (in mijn eentje) en hoor de gesprekken in de achtergrond.
Om de twee seconden een gil, ‘Ma-am!’
‘Ja-haaa’, is het vermoeide antwoord, want het is de duizendste ‘Ma-am’ die dag. En het is nog maar 1 uur.
‘Kom ’s kijken!’
‘ Stra-aks!’ met nauwelijks beheerst ongeduld. Laat me nu even met rust…

Ik voel mee. Lange vakanties stellen op de proef, zowel ouders als kinderen. Iedere dag weer inhoud geven, van de vroege ochtend tot bedtijd, is een uitdaging. Uiteraard een luxe probleem, pas ontstaan toen we zo welvarend werden dat het begrip ‘vrije tijd’ ontstond.
Luxe of niet, het is de realiteit en de schoolvakanties zijn lang.

Korea

Ik denk terug aan de lange vakantiemaanden toen we nog in Korea woonden, in de jaren tachtig. In mei stopte de school al voor onze kinderen. Dan ging een van de gezinnen met verlof en het andere bleef achter, met drie maanden de kinderen thuis. De opleiding waar echtgenoot les gaf, stopte niet, maar had juist in die periode examens en er waren dus stapels en stapels papieren om na te kijken. Veel tijd voor ‘uitjes’ met hem was er nog niet dan.
Wat was er te doen voor de kinderen? Niet veel eigenlijk. Ik vraag me nu dus eerlijk af wat ze in vredesnaam al die tijd deden. Winkelen was geen optie. Niet dat die er niet waren, maar niet te vergelijken met winkels van hier. Meer markten, waar onze kinderen (en ik) gek werden van de drukte en de aandacht, dus dat was geen uitje.

Ze waren enorm vindingrijk, nu ik er over nadenk. Het ontbreken van alle vormen van electronisch vermaak zal daar wel aan hebben bijgedragen. We keken regelmatig video’s (VHS), dat wel. Maar overdag was er, behalve hun eigen fantasie, weinig extern vermaak. Ze waren creatief. Uren brachten ze door met schilderen, tekenen, knutselen, meestal gadegeslagen door mij, die daar niet heel goed in was. Ik zorgde voor de spullen en bleef in de buurt om eventuele conflicten te beslechten, ervoor te zorgen dat de muren niet geverfd werden en natuurlijk om alle ‘Ma-am’ vragen te beantwoorden.

Ze speelden ook veel buiten. De tuin in ons laatste huis was vrij ruim en de buurt was veilig. We hadden zo’n opblaaszwembadje, want het was vaak loeiheet en benauwd. Ik ging er ook dankbaar in liggen soms. Toen ze wat ouder waren hadden ze om de hoek ook een groot natuurpark ter beschikking. Nu denk ik, lieten we ze daar dan alleen spelen? Ja. volgens mij dus wel. Zo veilig voelden we ons, blijkbaar. Ik herinner me dat Koreaanse buren ons wel bezorgd wezen op het gevaar van ontvoering. Dat namen we niet serieus, het kwam gewoon nooit voor, behalve in films. Waren we naief, eigenwijs?

Ze speelden met Koreaanse kinderen in de buurt. Van hen leerden ze Koreaanse buitenspelletjes. Of ze scheurden op een skateboord de steile straten af. Dit uiteraard buiten mijn zicht…En er was een zomer waarin ze bijna onafgebroken UNO speelden, buiten op het garagedak. Oh en ze lazen! De oudsten in elk geval. Perfecte kinderen dus? Nou echt niet, maar verveling stond toen nog niet in hun woordenboek.  Idealiseer ik? Misschien hebben ze zelf juist herinneringen aan eindeloze weken van gekwelde verveling? Ik ga het navragen!

Op vakantie gingen we ook. Meestal in juni/juli als het volop regenseizoen was, maar het wel warm bleef en de zon vaak genoeg scheen. We reden naar het noorden, langs de Oostkust (prachtige route, door toeristen nog niet echt ontdekt, helaas voor Korea) en verbleven in de buurt van vrienden. Stranddagen waarop we kokkels verzamelden uit de zee, op onze kop in het water, er ’s avonds vissoep van kookten en BBQ’den. Met zonverbrande wangen en het zand nog in onze haren!

Het park om de hoek- Foto van Wang Yuh-zju via Google

Stek-UP

Terwijl ik mijmer fiets ik naar de tweede Kringloop. Eentje waar ik nog niet eerder was. Stek-UP is de naam en het is volgens de website een ‘sociale cooperatie’. Als ik binnenloop word ik welkom geheten en ik krijg de vraag of ik wat wil drinken? ‘Ga lekker zitten, ik haal een kop koffie voor je’, zegt de medewerker. Een nieuwe ervaring voor me in een Kringloop. Ik krijg er zelfs een koekje bij. De winkel is gezellig ingericht, keurig georganiseerd, de boeken staan zelfs op kleur gerangschikt. Overigens ben ik daar geen fan van, het is moeilijk zoeken zo. Maar goed. Het staat wel leuk.

De sociale coöperatie StekUP is gestart in 2019. De naam StekUP verwijst naar de kiem van een plantje.

Hoewel kwetsbaar, heeft deze kiem (Stek) alles in zich om groot te worden. Net als een stekje heeft talent een veilige plek met gunstige omstandigheden nodig om te groeien.

Zo zal het stijgen naar ongekende hoogten (UP).

(van de website)

Stek-UP Kringloop

Wat opvalt is de leeftijd van de klanten. Hier geen rond rennende kinderen en vermoeide moeders, maar senioren, zoewel mannen als vrouwen. In een hoekje staat een grote tafel met stoelen en daar zitten ze gezellig te babbelen met hun bekertje koffie in de hand. Sommigen komen iedere dag langs, voor een praatje, vertelt een vrijwilliger. Die zijn hartelijk, maken grappen. Eentje zet een smartlap op de radio keihard aan en zingt luidkeels een liefdeslied mee voor een oudere meneer die op zijn rollator zit en er erg om moet lachen. Wat een heerlijk sfeertje! Later lees ik op de site dat mensen met een uitkering ook geholpen worden om een eigen bedrijfje te starten. Het project is ontstaan vanuit de internationale gemeente, Cross Culture Nieuwegein.

Ik ben inmiddels verzadigd. Kringlopen is leuk, maar vermoeiend. ik heb een boek, een t-shirt en een schellekoord met vogeltjes voor mijn verzameling borduurwerkjes in de keuken. Ik fiets voldaan terug. Helaas, al sinds mijn schooljaren, altijd, op de heen- en terugweg, met wind tegen.

Schuldig Landschap

https://parelpad.blog/2021/01/25/schuldig-landschap/

Deze blog schreef ik eerder in 2021 over het landschap bij kamp Westerbork. Het is een concept van de schilder Armando. Het blog past goed bij die over het ‘Dilemma van de zee’. Eke Malda attendeerde me erop. Met dank!

Het dilemma van de zee

Wie me blij wil krijgen, moet me meenemen naar water. Een haven of een weidse rivier, maakt niet uit welk seizoen. Het liefst nog de zee. Ik ben een waterkind. Zou het in mijn genen zitten? Mijn moeders familie heet Van Katwijk. Een van de van Katwijk genealogieën gaat terug naar een voorvader uit de 17e eeuw of zo, uit Catwijck. Hij trouwde met een Schiedamse jongedochter en vestigde  zich in Schiedam. Dan zit de zee wel een beetje in mijn bloed. (Hoewel, mijn moeder was geen ‘strandmens’ zoals ze het zelf altijd noemde) Een andere genealogie zegt dat de familie uit een wijk bij het kasteel (=Cat) in Schiedam kwam…Stadskinderen dus. 

Ik ga gewoon voor de eerste, als waterkind spreekt me die meer aan!

Mijn overgrootmoeder (Teuntje Joppe) aan vaders kant kwam van de eilanden, Goeree en Overflakkee. Dat is ook een redelijk waterige omgeving. Als kind gingen we vaak op vakantie in Ouddorp en één van de hoogtepunten was de oversteek met de pont. Auto en al. Als we dat zwarte gat van de laadruimte van de boot in reden, voelde ik zo’n heerlijke mengeling van angst en opwinding. Tussen al die auto’s vond ik het eng en overweldigend, maar eenmaal boven op het dek, geweldig. Wind in mijn haren, de mengeling van de geur van de zee en de boot, ik was op vakantie.

Veel van mijn beste herinneringen zijn van dagjes uit aan het strand, vakanties aan zee, of soms, later met de kinderen nog, na school, rond 4 uur naar de kust rijden om op het strand van Castricum, bij ondergaande zon, onze meegebrachte maaltijdsalades te eten. 

Tijdens een Nederlandse taalles aan statushouders uit allerlei verschillende landen, was de opdracht om over hobby’s, leuke dingen om te doen, enzovoort te praten. De woordenschat was nog beperkt, maar we deden ons best. Meestal begon ik zo’n conversatie-les met wat te vertellen over wat ik zelf leuk vind, ter inspiratie, zeg maar. Nou, het laat zich raden waar ik over begon…het strand en zwemmen in de zee natuurlijk. Om de studenten aan het praten te krijgen vroeg ik of ze al eens in Scheveningen geweest waren? Een paar zeiden ja, maar eentje zei ‘daar wil ik niet heen’. In mijn onschuld vroeg ik door, wat was de reden? ‘Ik ben met een boot gevlucht en bijna verdronken in de Middellandse Zee’.

Boem, ik kon mezelf wel voor het hoofd slaan, zo was ik uitgegaan van mijn verwende westerse opvatting over strand en zee.

De zee is immers zo lang een vijand geweest, ook als je geboren werd in een vissersdorp als Katwijk of Scheveningen. Niet voor niets staan in al die dorpen monumenten van vissersvrouwen starend over zee, tevergeefs wachtend op hun man of zoon, verdronken tijdens het vissen.

Nog maar zo kort is de zee een bron van vermaak geworden. Ik geloof pas begin 20e eeuw. Ik heb foto’s van mijn moeder met haar jongste  zusje in de jaren twintig op het strand van Scheveningen. Maar aangekleed en wel, het water ging ze niet in. 

Gisteren liepen we opgewekt naar het strand in Argeles- sur- mer. Een bekende badplaats voor Nederlanders, maar nu in het laagseizoen is er bijna niemand.. Langs het strand loopt een lange zandweg, met aan beide zijden hoge dennenbomen, die in de warmte heerlijk schaduw bieden. Nietsvermoedend liepen we naar de ingang van het pad en zagen daar een paneel, met foto’s en tekst. Altijd benieuwd naar de geschiedenis van een omgeving, begonnen we te lezen. 

We zagen een grote zwart-wit foto van mensen achter prikkeldraad. De tekst was schokkend. Op diezelfde plek, dat lange zandpad langs de zee, en op het strand waren in 1939 meer dan 100.000 Spaanse vluchtelingen opgesloten, republikeinen die zich verzetten tegen Franco. De Franse overheid stond niet toe dat ze het land introkken en de vluchtelingen, met duizenden kinderen, werden in erbarmelijke omstandigheden vastgehouden achter prikkeldraad. Gebrek aan voedsel, hygiene en drinkwater maakte dat duizenden, vooral kinderen stierven. En de bomen die aan ons schaduw boden waren er nog niet. Later na het uitbreken van de oorlog voegden zich ook Joodse vluchtelingen bij hen.

Argeles camp “is on a sandy expanse by the sea. There is no shelter of any sort from wind, sand, or rain. A bitterly cold wind from the mountains has produced a raging sandstorm…There is a great deal of dysentery probably from lack of good water and absence of sanitary arrangements.”[14] Refugees built shacks and dug holes in the sand for shelter.[15] (Wiki)

Gedenksteen voor de Retirada, de vlucht van Spaanse republikeinen voor Franco naar Frankrijk.

Het geeft een schaduwrand aan het plezier dat de Middellandse Zee ons biedt. De stranden, het water voor zoveel duizenden een plek van dood en misère. Ontheemden, vluchtend voor oorlog en geweld, toen en nu. Denk aan Lesbos waar o.a. Stichting Bootvluchteling al zoveel jaren hulp biedt aan vluchtelingen die in gammele rubberbootjes aankomen. De moeite waard om te steunen!

De bijbeltekst in Openbaring 21 komt in me naar boven:  ‘en de zee zal niet meer zijn’. Als we die tekst lazen na het eten snapte ik er als kind, met mijn emmertje en zandschepjes niets van. Wat was er nou mis met de zee?

Hier dringt het weer even door: De zee is en blijft ook een vijand.

De onbekende meester

Ongeveer duizend jaar geleden trok hij rond in het Middellandse Zee gebied. Een man van wie niemand de naam weet. Hij was een begaafd beeldhouwer, maar leefde nog in een tijd dat kunst ‘gewoon’ een ambacht was, dat werd uitgevoerd ter meerdere glorie van God. De beeldhouwer trok van Italië, Florence, langs de kust naar Zuid-Frankrijk, zakte af naar het noorden van Spanje en weer terug. Misschien volgde hij de oude pelgrimweg naar Santiago de Compostella, die via de Pyreneeën liep.  Op verschillende plaatsen werkte hij mee aan de verfraaing van kloosters en kerken. Hij sneed wonderschone scenes uit marmer of graniet. Scenes uit de bijbel, monsters, planten, dieren. Zo expressief en bijzonder dat duizend jaar later iemand met een geoefend oog begon te zien dat al die, over duizenden kilometers verspreide, vondsten van beeldhouwwerken, wel van dezelfde hand moesten komen.

Jezus loopt op het water

Het gebeurde in 1930, tijdens de restauratie van een kerk in het kleine plaatsje Cabestany, even ten zuidoosten van Perpignan, in Catalonië, Frankrijk. Men ontdekte een tympaan, zo bijzonder en van zo’n kwaliteit en talent dat het de aandacht trok van specialisten op het gebied van de middeleeuwen. Men begon te vergelijken en ontdekte dat er meerdere werken waren van dezelfde kwaliteit met vergelijkbare kenmerken. Wat opviel waren de amandelvormige ogen, de grote handen met lange, dunne vingers en de uitdrukking van de beelden..zo levendig dat ze bijna van hun onder- of achtergrond weg sprongen. Omdat zijn ontdekking in Cabestany was begonnen, sprak men vanaf toen over de Meester van Cabestany. 

Vandaag waren we in het museum van de meester van Cabestany. Klein, maar met een prachtige opstelling en veel uitleg van de (kopieën van) werken. Sarcofagen, bovenstukken van pilaren, monsterkoppen uit kathedralen, 

Het werk raakt me. Het is zo menselijk en expressief. En er zit humor in. Alles hakte de meester uit marmer of graniet. We zagen de werktuigen die hij ongetwijfeld in zijn bagage moet hebben meegedragen. Hopelijk reisde hij te paard of had hij een pakezel. Kwam hij toevallig langs en ging aan het werk? Werd hij gevraagd vanwege de schitterende kwaliteit van zijn werk? Reisde hij van Spanje naar Italië of andersom? We zullen het nooit weten, alleen dat hij in de 12e eeuw zijn talent gebruikte zodat wij er negen eeuwen later nog van kunnen genieten. 

De marteldood van St. Sernin in de abdij van St. Hilarie, Aude
Maria ontmoet Jezus na de opstanding

Een bezoek aan Cabestany waard!