De geest is gewillig

Je kent het wel. Je gaat naar de supermarkt en na het uitpakken van je boodschappen heb je je halve PlasticMD kliko vol met afval. Alles, werkelijk alles komt in plastic bakken, zakjes en troep. Zucht. Je weet dat het anders moet. En zelfs dat het anders kán. Ik doe weliswaar al erg mijn best om, waar mogelijk, onverpakt te kopen, maar als zelfs de biologische komkommers in plastic verpakt in de schappen liggen, dan weet ik het ook even niet meer.

Om mezelf weer wat te inspireren en stimuleren nam ik deel aan de Zero Waste Tour hier in mijn woonplaats IJsselstein. Georganiseerd door de altijd actieve Marie-Jose de Zeeuw. We begonnen in de bieb met een intro van Marjolein die al een aantal jaren afvalvrij leeft en allerlei tips voor ons had. We waren met een man/vrouw of vijftien. Een heel belangrijk advies vond ik: laat jezelf niet gek maken, in je eentje kun je niet opboksen tegen de verpakkingsindustrie. Doe gewoon wat in je vermogen ligt en neem kleine stapjes. Da’s een goeie tip voor typetjes zoals ik, die zich nogal gauw schuldig en bezwaard voelen. Maak er een sport van, maar hou het leuk.

Ik ben dus iemand die bij ieder leeg zakje en blikje denk, kan ik er wat mee, misschien? Voor de tuin of andere nuttige zaken. Ik ben inmiddels oud en wijs genoeg om te weten dat er op het gebied van creatief zijn met afvalmateriaal (eierdozen, WC rolletjes enz.) niets uit mijn handen meer gaat komen. Ik had super creatieve kinderen en heb creatieve kleinkinderen, maar ook die krijgen een leeftijd (de jongsten) dat WC rolletjes geen aftrek meer vinden.

Wie schetst mijn verbazing toen bij de intro in de bieb waar ik het net over had, Marie-Jose achteloos een aantal ‘geprutste’ dingen van afval aanwees op een tafel…
Mandjes, van jawel, WC rolletjes! En nog leuk ook! Slingers van oude parapluschermen! Nu is dat laatste voor mij een onhaalbare zaak, want ik raak alle paraplu’s kwijt voor ze zelfs maar oud kunnen worden…

Slinger van oude parapluschermen
Gevlochten mandjes van toiletrolletjes!
De molen voor meel om brood te bakken

We starten onze tour bij de molen de Windotter (uit 1732). Ons trots Ijsselsteins bezit. De molenaar houdt een praatje over hoe ecologisch het gemalen graan is, hoeveel afval (en geld?) je bespaart door zelf brood te bakken.

Check, dacht ik, dat ga ik dus weer doen. Ik heb niet voor niets een broodmachine, een nieuwe nog wel. Gekregen van het Repaircafe toen ze mijn ouwe per ongeluk naar het afvalstation hadden laten afvoeren. Na reparatie nog wel. Foutje dus, maar heel netjes afgehandeld want ik mocht een splinternieuwe kopen en ik kreeg ook nog een bos bloemen! Top.

De stadsboerderij en de Turkse winkel

Vervolgens bezochten we de Turkse winkel. Waar bijna alles onverpakt te koop is. En, daar ging het vooral om tijdens de toer, je kunt daar voor alles, noten, olijven, feta, vlees noem het maar op, je eigen bakjes, zakjes enzovoortp meenemen. Ik kom daar ook geregeld, maar nog wel zonder eigen bakjes. Je moet toch even een drempel over. Mijn enige bezwaar bij deze winkel is: niets is biologisch. Helaas. Maar het is verder een hele fijne zaak. Ruim aanbod, redelijke prijzen en heerlijk fruit. Echtgenoot loopt er de deur plat vanaf september tot november om er kakifruit te kopen. In Korea, toen we daar woonden, kennis mee gemaakt en sindsdien: hooked.

De stadsboerderij blijkt een nieuwe winkel en verkoopt alles van lokale boeren. Ook een mooi initiatief. Aardige eigenaar en alleszins bereid om fruit, groente, eieren, kaas en wat dies meer zij in eigen meegenomen verpakking te stoppen.

De Stadsboerderij voor lokale produkten
Zerowaste tour

We bezochten zo meerdere winkels en ik voelde me echt geinspireerd. Alle deelnemers hadden dezelfde frustratie over al het opgedrongen plastic, de overvloedige kledingindustrie, maar we gaven ook allemaal eerlijk toe dat ingaan tegen het systeem veel energie vraagt en inspanning. De verleiding van de supermarkt om de hoek, of aan de andere kant, op de fiets, ouderwets, van winkel naar winkel. Je er altijd bewust van zijn niet zonder zakjes, bakjes, tasjes op pad te gaan, want, je weet maar nooit…
Het vraagt een veranderde mindset. En een bereidheid om meer tijd te steken in het inkopen van je dagelijkse behoeftes. Het moet gewoon. Wie de omvang van de plastic soep tot zich door laat dringen (en af en toe moet je dat gewoon even doen) raakt meer en meer gemotiveerd.

inspiratie no waste

De VS tot slot

Na een lang verblijf in Amerika in verband met familiezaken ben ik wel heel pessimistisch over het plastic gebruik daar. De hele levensstijl van take-out van lunch, diner, en koffie-to-go brengt zo’n ongelofelijke berg afval met zich mee dat ik er verdrietig van werd. Een gevoel van onmacht en hopeloosheid bijna. Want hoe verander je de levensstijl van 335 miljoen mensen? Tijdens pauzes staan de rijen dik in de lunchrooms, koffietenten en bijna iedereen loopt weg met papieren of plastic bekers en dozen. Straks met Trump zal er zeker geen overheidscampagne starten om hier verandering in te brengen. Het is zo ingebakken dat zelfs mijn ecologisch bewuste familie toch niet ontkomt aan de wegwerp cultuur.

Maar goed. Op mijn eigen plekje is er genoeg te doen. En te laten!

Memories of Korea 1980-1988; 5

Onze eigen flat

Dit is het vervolg in een serie die ik schrijf over onze periode in Zuid-Korea in de jaren tachtig.

De vorige blogs vind je hier en hier en anders via de categorienlijst in de rechterkolom onder Korea.

Het moment is eindelijk aangebroken, we gaan verhuizen naar ons eigen huis. (zie pijl). Een piepklein flatje in een nieuw gebouwd complex van appartementen, redelijk luxe voor die tijd. Flats waren populair en gewild in onze tijd in Korea. Men voelde zich er veilig en er was meer comfort. W.C´s met doorspoelknoppen.  Badkamers en  keukens met stromend water. Dat waren in de jaren tachtig nog exclusieve zaken. Het grootste deel van de bevolking woonde in kleine huisjes, met een of hoogstens twee kamertjes, waar vaak de entree tevens fungeerde als keuken, het toilet gedeeld werd met meerdere buren en waar ook geen riool was. De stinkende poepwagens die één keer in de week de verzamelde prut kwamen leegzuigen waren alom berucht. In de smalle steile straatjes tegen de hellingen aan kon geen vrachtwagen met zuiginstallatie komen, dus liepen er mannen met een juk, waaraan twee emmertjes gore zooi hingen. De stank was zo penetrant dat het niet hielp om je neus dicht te knijpen. Het drong door al je poriën naar binnen.

Vandaar dus het enthousiasme over flats. Hoe klein die ook waren. Daar zat een Koreaan niet mee, want men is graag dicht bij anderen. Wij vonden de flat wel klein, maar het was een eigen plek dus voelde het als luxe. Woonkamertje, eetkamer, keuken, en twee slaapkamers. De kinderen sliepen samen. De oudste,  Jesseka in een eigen Hollands Hugo–bed en baby Lukas kon eindelijk uit zijn reiswieg in een ledikantje. In Nederland had hij de laatste dagen voor vertrek bij mijn ouders thuis, ook al geslapen in zo’n reiswiegje. De aanblik ervan bezorgde mijn moeder een huilbui na ons vertrek. Ze schrijft: 

Ik had me op Schiphol flink gehouden. Dat vertelde ik aan Jacques (mijn broer). Hij zei dat ik juist gewoon even lekker moest huilen. Toen ik op zolder de wieg zag staan kwamen de tranen, het luchtte op’. (feb.1980)

Wat stonden we weinig stil bij het gemis dat zij als ouders moesten ervaren. Nu ik de brieven teruglees, dringt het pas echt tot me door. Ze misten niet alleen mij en Kim, maar ook twee kleinkinderen. Ik waardeer eens te meer hoe ze ons de ruimte gaven om te gaan, zonder druk op ons uit te oefenen.

Maar terug naar ons huis. Er was een balkon, afgesloten met glazen schuifdeuren. Daar moest de wasmachine komen die we nog niet hadden. In de badkamer was zowaar een echte douche en de WC met spoeling dus, voor ons weer een luxe na een maand zonder bij de familie Hard. We leefden nog in de illusie dat de douche het ook werkelijk zou doen.

Op een ochtend zouden de spullen uit de container worden gebracht door een verhuiswagen. Die wagen bleek een open truck te zijn waarin de chauffeur met zijn collega´s de inhoud op wonderbaarlijke wijze in de achterbak hemelhoog hadden weten op te stapelen. Daar waren de Koreanen meesters in, om in een kleine ruimte een onbeschrijfelijke hoeveelheid dingen te kunnen meesjouwen. Op handkarren of bagagedragers van fietsen werd gigantische ballast versleept. Onze collega´s hadden ooit een kledingkast laten maken die bezorgd zou worden. Op een gegeven moment zien ze iemand met een fiets de steile heuvel af komen sjezen met achterop een kast van 1.80 hoog. Heel knap en behendig, vooral als je het verkeer in rekening brengt dat moordend was.

hoeveel kilo kool deze man op een gammele fiets vervoert?

Het verhuisbedrijf in Nederland had alles zeer grondig ingepakt voor verscheping. Ieder lepeltje, ieder kopje, elk vaasje, elk stuk speelgoed was verpakt in bubbeltjesplastic. Het uitpakken was een uitdaging en een geduldwerk. Maar het weerzien met onze eigen spullen was plezierig na twee maanden van omzwervingen. Hoe we alles gingen inpassen in het mini-flatje was een uitdaging. Maar het voelde goed. Nu begon het echt!

Jesseka en Henk Gootjes spelen ziekenhuisje

Voor de kinderen was het ook goed een eigen plek te krijgen. Hoewel ze zich uitstekend vermaakten en ik me niet kan herinneren dat ze onrustig waren. Ze hadden ook een leeftijd dat het vooral belangrijk is dat je er als ouders bent en verder was het dan wel goed. We hadden veel tijd voor elkaar omdat Kim nog niet werkte en ze kregen ook veel aandacht van anderen. Soms te veel, vooral van Koreanen, die gek zijn op kinderen en ook graag in wangetjes knijpen. Maar we hadden niets te klagen. Ze waren gezond, Lukas gedijde en was een vrolijke, makkelijke baby. Ik voedde hem zelf en toen de tijd voor hapjes aanbrak, kon ik gelukkig Amerikaanse potjes babyvoeding kopen. Gerber ́s baby food. Niet te eten, vond ik het toen al, zeker als ik het vergelijk met wat ik proefde van de Olvarit potjes van onze kleinkinderen in die leeftijd. Brood was lastiger. Er was uitsluitend wit brood te koop,  klef en plakkerig, dat alleen te eten was wanneer je het in de toaster deed. De kleintjes die erop sabbelden maakten er complete deegballetjes van die dan vervolgens in hun keel bleven steken. We verlangden naar volkoren brood, maar dat zou ik zelf moeten bakken. Een heel proces van graan kopen, wassen, drogen, malen en dan pas deeg maken en broodbakken. Dat zou nog wel een paar jaar duren voor ik daar ruimte voor kreeg.

Memories of Korea 1980 -1988; 4

Eerste ervaringen

De eerste indrukken vormen zich tot de eerste ervaringen. Na een maand logeren in Amerika bij familie, verwachtte ik dat nu echt ons Koreaanse avontuur zou beginnen. Maar na een poosje realiseerde ik me dat we eerst nog een andere bijzondere ervaring ondergingen, namelijk die van Amerika in Korea. Klik hier en hier voor de eerdere blogs

Koud

Zoals gezegd, het was koud. Busan ligt helemaal in het zuiden van Zuid-Korea en is minder koud dan de rest van het land vanwege de ligging aan zee, maar het is er kouder dan in Nederland. Daarnaast waren de huizen slecht gebouwd en was er geen centrale verwarming zoals wij die gewend waren. Traditionele verwarming was kookvuur in de keuken, waarvan de warme rook door tunnels onder de vloer geleid werd. ‘Ondul’ in het Koreaans (zie illustratie onderaan). Op de vloer lag gelakt papier dat heel schoon werd gehouden omdat men op de grond leefde.

Traditionele Vloerverwarming

In huize Hard was echter geen vloerverwarming. Olie- en kolenkachels moesten de kou buiten houden. Het was een terug-in-de-tijd ervaring voor mij, ik groeide op als jong kind met kolenkachels. Voor Kim was het nieuw. Hij groeide in Amerika op met centrale verwarming.

Ik herinner me vooral de badkamer in huize Hard, die eerste weken. Waarschijnlijk omdat de rest van het huis koud was. In de badkamer was een cementen bad ingebouwd, een enorme, rechthoekige bak. Dat stond geheel gevuld met koud water. Daarboven hing een ouderwetse douche waarvan ik me niet herinner of die het deed. In diezelfde badkamer was ook het toilet zonder spoeling. Ernaast stond een groot, bruin aardewerken vat, gevuld met water. In dat vat dreef een plastic bakje met een lange steel. Een veel gebruikt instrument in Korea, in die dagen. Na gedane arbeid moest je door het gieten van een aantal van die bakken water het toilet spoelen. Dat was even wennen.

Het kacheltje

Er stond ook een klein kacheltje, met een lange pijp langs het plafond die naar buiten leidde. Dat kleine kacheltje zorgde voor een weldadige warmte. Op het kacheltje stond een grote koperkleurige metalen emmer met deksel, met daarin altijd stomend heet water. Het suisde een beetje, tegen de kook aan. In dat badkamertje wilde ik wel een luie stoel neerzetten. Warmte, suizend water, optimaal voor de ontspanning. Maar er was werk aan de winkel. Ted, onze gastheer,  schakelde ons direct in om het kacheltje brandend te houden. Ik voldeed graag aan die taak omdat ik er ook direct voordeel bij had. Het was wel een omslachtig gedoe. En ik vermoed dat we door de jaren heen aardig wat giftige dampen hebben binnen gekregen. In het ijzeren geval stonden twee kolen briketten, aanvankelijk pikzwart, rond als een flink blik bruine bonen, met gaten van boven naar beneden erin. De gaten moesten precies boven elkaar staan, voor de luchtcirculatie. Je moest ervoor zorgen dat er altijd een van de briketten brandde. Als de onderste brandde ging de bovenste langzaamaan gloeien. Na verloop van tijd moest dan de onderste eruit. Dat was de vieze klus. Gloeiend heet deksel maakte je aan de bovenkant open, de brandende yun-tan viste je eruit met een speciale tang, die zette je neer op een brandvrije ondergrond. Vervolgens verwijderde je de uitgebrande yun-tan, nu een soort crème kleur. De brandende er weer in en daarop weer een verse. Dan kon je weer een paar uur vooruit. Een even simpel als gevaarlijk systeem. De enige invloed die erop uit te oefenen viel, was de toevoer van de hoeveelheid lucht, dat ging dan door er een opgevouwen krant voor het luchtgaatje te wapperen. We deden ons best het kacheltje brandende te houden. Maar de eerste dagen wel met enig angst en beven.

Yuntan

De wijk

Het huis van de familie Hard stond in een zeer arme wijk, op een steile helling met betonnen plaveisel. Vroeger zat daar ongetwijfeld een trap, net als aan het vervolg van de weg, die naar de rosse buurt leidde. Het was een hele klim om bij de poort van het huis te komen. Naast de opgaande weg liep een diepe, open goot, niet afgeschermd. Ik stond doodsangsten uit wanneer we in de auto met Ted of Grace aan het stuur met gierende banden tegen de helling aan omhoog vlogen. Geen van beide waren erg zorgvuldige chauffeurs, dus de auto stond soms in de verkeerde versnelling, of de koppeling kwam te snel omhoog. Op het hoogtepunt, richting huis, moest er een scherpe bocht genomen worden om de auto in de juiste positie voor de poort te manoeuvreren. Ik was altijd weer opgelucht heelhuids in de tuin uit te kunnen stappen.

Samen eten

We aten samen. Gezellig en leerzaam. Hoewel Kim Amerikaan van geboorte is, waren de eetpatronen in zijn jeugd anders dan in huize Hard. Er werd hier drie maal per dag goed gegeten. Overvloedig. Ontbijt met meerdere keuzes tussen pap, eieren, brood, pancakes, worstjes en andere smakelijke zaken die mij in de vroege ochtend wat zwaar op de maag lagen. Lunch was opnieuw een uitgebreide maaltijd. Soep, salade, iets warms en sandwiches. Rond 6 uur kregen we weer een rijke maaltijd. Met een heerlijk toetje, altijd dat heerlijke toetje. Warme appeltaart met ijs. IJs met warme saus, warme pudding met slagroom. Dat kende ik van de Amerikaanse cultuur. Een zoet dessert met koffie kan niet ontbreken. Onze sobere yoghurt met vla voldoet niet. Wij hebben onze kinderen ook leren eten met een toetje in het vooruitzicht als beloning. Voor een bakje yoghurt ga je als kind niet sneller of meer eten. Maar de verrukkelijkheden van Amerikaanse desserts motiveerden onze kinderen tot het eten van de meest vreemde gerechten. Gelukkig maar, want er zou hen nog veel buitenissigs worden voorgeschoteld in de loop van onze tijd in Korea.

Culturele verschillen

Onze kinderen Jesseka en Lukas waren 3 jaar en vier maanden toen we onze intrek bij de familie Hard namen. Het was een beste plek voor hen. Grace en Ted’s vijf kinderen waren allemaal het huis uit terug in de Verenigde Staten. De Hards genoten van de kinderen. Jesseka sprak Engels dus dat maakte de communicatie makkelijk. Die eerste weken was het goed toeven in het land van onze toekomst. We zagen weinig Koreanen, behalve dan tijdens de diners die voor ons georganiseerd werden. We leefden een beetje in een cocon en kregen door de gesprekken met Ted en Grace ook een bepaalde indruk van Korea. Ze waren in hart en nieren Amerikaan gebleven, met een zeker scepticisme ten aanzien van de Koreaanse cultuur. Hoewel ze waarschijnlijk in Amerika ook niet meer pasten, was hun kritiek op de Koreanen meestal wel vanuit een Westers standpunt. Wij wisten nog niet beter en luisterden naar hun verhalen met een ietwat onbehagelijk gevoel, maar konden er verder niet veel op zeggen. Als start was dat achteraf niet fijn. Ted en Grace waren vertegenwoordigers van het oude soort zendeling die goede dingen (het evangelie!)komt brengen en zich praktisch inzet voor de mensen, maar die zich toch ook distantiëren van de autochtone bevolking. De hulp die kwam helpen met wassen en andere huishoudelijke zaken, at niet mee aan tafel maar at alleen, in de keuken. Ik heb dat één keer gedaan later met onze hulp, toen we een eigen huis hadden, maar voelde me zo koloniaal dat ik daar direct mee gestopt ben. Onze hulp werd een gezinslid op den duur. Maar ik loop vooruit.

Smeergeld?


Het is nog steeds januari 1980, en we wachten met smart op de container met onze huisraad. Pas dan kunnen we verhuizen naar het miniflatje dat voor ons gehuurd is, dicht in de buurt van de school waar de mannen gaan lesgeven. Die container met spullen stond in de haven, wisten we, maar er waren allerlei bureaucratische problemen wat, zo zei men, in feite betekende dat er gewacht werd op een steekpenning. Smeergeld was indertijd een bijna onontkoombare realiteit. Omdat we er niet aan mee wilden werken, werden wij tegengewerkt en duurde het lang voordat eindelijk de boel werd vrijgegeven. En ik weet nog steeds niet of het uiteindelijk toch door een envelop van de school is gelukt.

We leren kennismaken met de stad. Ted neemt ons mee op wandelingen en toont ons de bezienswaardigheden in de omgeving. Er zijn er niet zoveel. Het land is arm en vervallen, veel oude gebouwen zijn er niet. De straten zijn nauw en steil. En het verkeer, taxi’s, veel bussen en vrachtauto’s, is druk.

Feest

In een vorig blog schreef ik al over het Nieuwe Jaar (Seullal) We hadden het geluk aangekomen te zijn in die periode van het feest. Het is een groots feest waarbij iedereen zijn mooiste (traditionele) kleding aantrekt en op bezoek gaat met geschenken bij familie. Buiten flaneert men in de straten en parken in de prachtige, felgekleurde klederdracht. Een lange, wijde wikkelrok voor de vrouwen die boven de borst sluit, onder de oksels door vastgeknoopt en daarover een kort jakje, met wijdvallende mouwen sluitend met een lange strik. Vroeger van eenvoudig materiaal maar nu de dracht in toenemende mate voor speciale gelegenheden is, van de meest opvallende felgekleurde, glanzende stoffen gemaakt. Prachtig om te zien. De mannen dragen een wijde broek rond de enkels samengebonden met een lintje, met een jasje erboven eveneens met wijde mouwen. En opnieuw van meest primair gekleurde stoffen gemaakt. Geel met bruin, roze en paars, diep blauw met parelmoer, een feest voor het oog!

We liepen door het park en werden nieuwsgierig bekeken als enige westerlingen. Dat zou al die jaren dat we er woonden zo blijven. In de jaren tachtig woonden er behalve in de hoofdstad Seoel nauwelijks buitenlanders in Busan of de rest van Korea. Waar je je ook maar begaf was er wel een groepje kinderen dat als een zwerm vliegen achter je aanliep en Hello mr. Monkey of ‘miekoek saraam! (Amerikaan)’ bleef roepen. Ik haatte dat.

Na 32 jaar nogmaals: Loes

Loes

10 maart, een datum onlosmakelijk verbonden in mijn hersenpan met de verjaardag van mijn oudste zus Loes. Gisteren zou haar 77e verjaardag zijn geweest. 32 jaar geleden maakte ze een einde aan haar leven, op de leeftijd van 45 jaar.

Tot ze in de ziektewet kwam, lerares Nederlands op het Stedelijk Gymnasium in Schiedam. Begaafd, gedreven, welbespraakt, belezen, liefhebber van wandelen, reiziger, en mijn grote zus. Ik heb al vaker over haar geschreven. Hoe ik als kind en jonge vrouw bang was voor haar omdat ze altijd meer wist dan ik en ik het in meningsverschillen niet van haar kon ‘winnen’. Hoe ze in mijn beleving thuis de sfeer verpestte omdat ze het altijd oneens was met mijn vader en dan ruzie kreeg. Omdat ze mijn moeder onzeker maakte in haar loyaliteit aan mijn vader en hoe mijn moeder dan koos voor de ontwijking, maar hem niet verdedigde. Dat maakte dat ik me onveilig voelde als jong kind. En omdat ze kritiek had op hoe mijn moeder mij opvoedde (verwende, moet ik toegeven)

Maar ook schreef ik over de band die we kregen in de jaren tachtig nadat ze een paar weken voor me gezorgd had na een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. We woonden toen in Busan, Zuid Korea en zij was bij ons op vakantie. Dat was een heel bijzondere tijd. Ik beschrijf dat in de blog ‘Kabeljauw in Korea’. (Te vinden als je op titel zoekt, de WordPresslink werkt niet)

Na zoveel jaar zijn de complexe emoties rondom haar zelfdoding gekalmeerd. De heftige gevoelens van boosheid en hulpeloosheid die in de eerste jaren overheersten en die tot een confrontatie met mijzelf leidden, zijn er niet meer. Het gemis speelt op bij tijden, maar ik weet dat ik dat ook niet moet idealiseren. Loes haar leven was zwaar en ingewikkeld en ze vroeg veel van haar omgeving.

Ik denk dat het gevoel wat ik met me meedraag er een is van een gemis aan wat had kunnen zijn. Het ‘wat als’? Wat, als ze met goede hulp weer een evenwicht in haar leven had gevonden en al haar talenten en enthousiasme had kunnen inzetten in waar ze goed in was? Wat, als ze weer levensvreugde had kunnen ervaren? Wat, als we als zussen eindeloos over gelezen boeken hadden kunnen praten, naar tentoonstellingen en concerten hadden kunnen gaan? Wat, als mijn kinderen een actieve tante gehad zouden hebben, die hen meenam om te wandelen, zoals ze in betere tijden nog met de oudste deed. Ik mis een grote zus, denk ik. Maar ik weet maar al te goed dat iedere grote zus, net als ikzelf, met gebreken komt.

Ik laat het dan weer los en hoop en vertrouw dat ze nu de Levensvreugde heeft, waar ze hier zo vergeefs naar zocht. Maar ik mis haar wel.

Wie geraakt is en worstelt met gedachten aan suicide: bel vooral 113! Er is hulp en er is hoop!

Memories of Korea – 3

Over Ds. Ted en Grace Hard, zendelingen in Korea. En een beetje geschiedenis.

Wat een markant stel mensen blijken onze gastvrouw en -heer te zijn.
Grace, docente op de basisschool op de Amerikaanse legerbasis, hartelijk, intelligent en geïnteresseerd in vele onderwerpen op het gebied van pedagogiek, theologie en christelijk geloof. Een lange, opvallende vrouw. Ze spreekt met een licht New Yorks accent en heeft een doordringende stem. Goedlachs en met gevoel voor humor. Ik voel een klik.


En Ted, docent theologie op dezelfde school als waar Kim zal gaan werken. Intelligent, vol rusteloze, onverzadigbare belangstelling voor van alles en nog wat, opvliegend, zeer begaan met het Koreaanse volk. Niet alleen op het gebied van zending in de nauwe betekenis van het woord, als evangelieverkondiging. Maar ook op de doorwerking van dat evangelie op sociaal en maatschappelijk gebied. Een van zijn passies was bijvoorbeeld het bouwen van kleine branders op zonne-energie zodat mensen op het platteland niet alleen afhankelijk van hout of (dure) kolen waren.

Wat hem karakteriseerde was vooral, dat hij altijd bezig was dingen te bedenken als mogelijke oplossingen voor de vele praktische problemen die er in het toen nog arme land altijd waren, en die het leven van de meeste mensen zwaar maakten. Hij kon zich opwinden over de koppigheid van Koreanen die liever volgens vertrouwde methodes bleven werken. Hij verzamelde hij meters en meters tweedehands theologische boeken om ze ter beschikking te stellen aan theologische opleidingen in de hele (derde) wereld. Een altijd bezige man, die principieel tegen vakanties en vrije tijd was, omdat God ook altijd werkte. Behalve op zondag. Een originele denker, dat zeker. Maar daarom ook wel eens moeilijk te volgen. Hij genoot van Kims gezelschap en er werden de nodige theologische discussies gevoerd. Hij kon heel dwars zijn en van Kim verwachtte hij dan tegengas.

Hun vijf kinderen zijn al lang het huis uit en terug in Amerika.

Een beetje geschiedenis

Ted Hard was een Korea kenner. Als jonge eerstejaars student meldde hij zich in de Tweede Wereldoorlog aan bij de Amerikaanse luchtmacht. Hij werd getraind als navigator op een B 29 bommenwerper. Zijn standplaats was de Filippijnen. Tijdens zijn trainingen daar werd hij geraakt door de armoede onder de plaatselijke bevolking, zowel fysiek als geestelijk Het deed in hem het verlangen ontstaan zendeling te worden. Na de oorlog studeerde hij verder aan Wheaton College in Chigago, waar hij zijn vrouw, Grace Vogel leerde kennen. Hij vervolgde zijn theologische studie aan Westminster Seminary in Philadelphia.

Na het behalen van zijn diploma vertrok hij naar Zuid-Korea, een land op dat moment geteisterd door een verschrikkelijke burgeroorlog (1950-52). Het communistische Noorden, in Russische handen terecht gekomen na de Tweede Wereldoorlog, was in 1950 het Zuiden binnengevallen en had, geholpen door tienduizenden Chinese soldaten, bijna heel het land bezet, met uitzondering van Busan, het uiterste Zuidoosten.
Miljoenen mensen uit het noorden vluchtten naar het zuiden, met name Busan.
Gedwongen door de Verenigde Staten en andere grote wereldmachten moest Noord-Korea zich uiteindelijk terugtrekken tot achter de 58e breedtegraad, ten noorden van Seoel, het zuiden verwoest achterlatend.

THE KOREAN WAR 1950 – 1953 (BF 397) Korean refugees leaving the battle area – women and children carrying their belongings walking along the side of the road. There are no men in the group, as they had all been conscripted. Copyright: © IWM. Original Source: http://www.iwm.org.uk/collections/item/object/205191941

Onder de vluchtelingen vanuit het noorden waren veel christenen. Pyongyang in het Noorden werd wel het Jeruzalem van Korea genoemd. De situatie in het land was chaotisch. De mensen waren straatarm en velen hadden geen dak boven hun hoofd. Men leefde in tenten of tijdelijke kampementen. Iedereen was wel een familielid of meerdere familieleden kwijtgeraakt door het trekken van een willekeurige grens van prikkeldraad en landmijnen ten noorden van Seoel. Men kon elkaar niet meer bereiken. Ouders hun kinderen niet, broers en zussen hun ouders niet, en vele broeders en zusters in Christus waren gevlucht of gedood. Die grondtoon van verdriet in de Koreaanse samenleving was een element waar wij ons maar langzaam bewust van werden, maar die op den duur voelbaar werd. Zelfs 30 jaar na datum.

Pioniersmentaliteit

In dat verwoeste en verscheurde land kwam Ted Hard aan in 1954 als zendeling namens de Orthodox Presbyterian Church. Hoewel Grace en hij al getrouwd waren, kon zij, vanwege de gevaarlijke situatie, nog niet direct met hem mee. Hun motivatie om juist in dat land als zendeling te gaan wonen was sterk en na een half jaar heeft Grace, hoogzwanger van hun derde baby, zich bij hem gevoegd met twee jonge zoons, Rodney en Sterling, die nog in de VS geboren waren. Zes weken na aankomst werd hun dochter geboren.
Om dit te kunnen moet je een pioniersmentaliteit hebben. En je niet door van alles uit het veld laten slaan. Het zijn bijzondere mensen die dit kunnen, met een persoonlijkheid die vaak in de ‘gewone’ wereld niet makkelijk in te passen valt. Laat ik het zo omschrijven. Ted was een pionier. Iemand die zich door niets of niemand liet tegenhouden wanneer hij meende een goed plan te hebben. Conflicten volgden hem dus overal. Maar veel goeds en nuttigs liet hij achter.

Dit als korte schets om een beeld te krijgen met welke bijzondere mensen wij de eerste anderhalve maand de dagen doorbrachten. Al wist ik toen nog niet van die hele geschiedenis.

Eerste indrukken


Niet lang na onze aankomst is het Koreaans Nieuw Jaar. Net als in veel andere Aziatische landen vieren de Koreanen hun feestdagen volgens de maankalender. In de jaren tachtig zeker nog. We worden gewekt door een hels kabaal van metalen trommels waar vol overgave op geslagen wordt met houten trommelstokken. Zo hard als mogelijk is, want de boze geesten moeten verjaagd. Als we gaan kijken bij de poost zien we een dansende groep mannen en vrouwen die op deze oorverdovende manier het nieuwe jaar inluiden. Goedemorgen. Later gaan we naar een park in de buurt waar veel gezinnen en stelletjes flaneren. En oude heren in prachtige kostuums. Ted spreekt ze aan in zijn redelijk vloeiend Koreaans. En wij worden natuurlijk nieuwsgierig gade geslagen. Op de dag van Seollal gaan mensen bij familie langs, met cadeaus, mooi aangekleed in Koreaanse dracht, eten traditioneel een soep met schijfjes rijstpasta. We zouden het nog acht keer meemaken.

Memories of Korea 1980 -1988 – 2

Februari 1980 – Aankomst en Ontvangst

Donderdag, 14 februari rond vijf uur in de middag landt onze Korean Airlines vlucht uit Tokio op het vliegveld van Busan. We hebben onze eindbestemming bereikt: Busan, meest zuidelijke havenstad in Zuid-Korea. We stappen rechtstreeks uit op de landingsbaan en lopen naar de aankomsthal. Het is schemerig, erg koud en stoffig. Over de landingsbaan naar de aankomsthal lopen vanuit het vliegtuig had ik nog niet eerder meegemaakt en het bevestigt wat ik al wist, dat ik hier in een arm land ben aangekomen.

We zeulen onze kinderen mee plus de handbagage en al direct voel ik de blikken. We worden aangekeken en nagestaard. En als ik me niet vergis wordt er om ons gelachen. In het gebouw aangekomen stoten mensen elkaar aan en wijzen in de richting van het reiswiegje waarin we onze jongste vervoeren die op zijn buik ligt en parmantig zijn hoofd erboven uitsteekt. Die doos met hengsels en dat hoofdje blijken de hilariteit te veroorzaken. Hoezo, denk ik direct met enige agressie, nog nooit een baby in een reiswieg gezien? Het is de eerste schurende kennismaking met een nieuwe cultuur waarin het vanzelfsprekende opeens raar en lachwekkend blijkt.

Het Volkslied

We staan in de aankomsthal. Stipt om vijf uur weerklinkt plotseling door alle luidsprekers een luid gezang. Iedereen, volwassenen, kinderen, politie, douane en reizigers staan stokstijf stil, hand op het hart. We kijken wat verbaasd rond en men maakt ons duidelijk stil te zijn. Het Koreaanse volkslied schalt door de kale, betonnen hal. Een ritueel dat dagelijks op dit tijdstip herhaald wordt in het hele land, leren we later. De bevolking wordt geacht stil te staan en respect te tonen. Onze introductie in de sterk nationalistische dictatuur van Zuid-Korea in de jaren tachtig is begonnen. Hoe cruciaal dat decennium zal zijn voor het land in de ontwikkeling van autoritaire staat naar een democratie, zullen we pas achteraf gaan begrijpen. Daarover later meer.
Onze kinderen zijn moe en huilerig en we houden hen met veel moeite stil. Wat duurt een volkslied lang en wat kunnen mensen ontzettend verstoord staren. Ook dit doorstaan we. De lange reis vanuit Amerika naar Tokio, de overnachting daar in een hotel, de ontmoeting met het gezin van Niek en Dinie Gootjes met wie we de komende jaren lief en leed gaan delen, de vlucht van Tokio naar ons woonland voor de toekomst, en nu de gang door de douane. We zijn er. Hier zullen we de komende jaren zijn.

Welkom

Na een hoop gedoe bij de niet vriendelijke douane komen we dan eindelijk de aankomsthal binnen. Er staat een heus welkomstcomité te wachten. De professoren Lee Kun Sam en Oh Byung Sae. De eerste is rector van het Kosin Theological Seminary en heeft in Nederland aan de Vrije Universiteit in Amsterdam gestudeerd in de zestiger jaren. Hij is nauw betrokken bij het initiatief om Nederlandse docenten naar de Theologische Hogeschool in Busan te halen. Professor Lee spreekt nog een aardig woordje Nederlands. Een allervriendelijkste man. Prof. Oh Byung Sae is een vriendelijke, maar wat meer gereserveerde man. Een echte Koreaanse geleerde zullen we later begrijpen als hij in zijn prachtige, statige Koreaanse geleerde winterkledij op school rondloopt. Hij spreekt uitstekend Engels. Verder is er een Amerikaans zendeling echtpaar, ds. Theodore en Grace Hard . Zij wonen al sinds de jaren vijftig in Busan en zijn nauw verbonden met de opleiding. We worden hartelijk welkom geheten en in een stoet naar buiten geleid waar we in een aantal auto’s worden geplaatst. Autostoeltjes bestonden zelfs in Nederland nauwelijks, dus zeker in Korea is daar geen sprake van. Kinderen her en der op schoot en in het inmiddels aardedonker vertrekt de colonne auto’s richting de stad Busan. De duisternis valt hier snel, er is nauwelijks schemering. En er is geen enkele straatverlichting te bekennen. Alleen de koplampen van de auto’s geven een zwak licht in het donker van de snelweg, of wat daarvoor moet doorgaan. Veel van de omgeving is er niet te zien. De wegen voelen hobbelig aan, maar meer is er over die eerste rit over Koreaans grondgebied niet in mijn herinnering achtergebleven. Het is inmiddels rond zeven uur en ik ben doodop.

Ik geef me over aan de autotocht, heb geen idee waar we terecht zullen komen, huis, hotel of wat dan ook. Ik ga ervan uit dat het wel goed zal komen. Na een maand bivakkeren bij de schoonouders en daarna een zwager, zal hier ook wel ergens een bed staan waarin we kunnen slapen, desnoods met zijn drietjes. Lukas heeft immers zijn eigen veelbesproken reiswieg al.

De Maaltijd

Het laatste waar we mee gerekend hebben is de Koreaanse gewoonte om gasten met een (uitgebreide)maaltijd te verwelkomen. Of de gast daar wel of geen behoefte aan heeft na een vermoeiende reis doet niet ter zake. Eten aanbieden is de eerste vorm van gastvrijheid. Veel eten. Weigeren is een belediging van de gastheer en -vrouw. Eten is in de Aziatische cultuur de poort naar contact en vertrouwen. Ergens hadden we dat in een boekje al eens gelezen, maar in ons hoofd gevuld met watten door de eindeloze reis is het licht nog niet aangegaan. Ik wil alleen maar mijn moede lijf ergens neerleggen en slapen!

Hialeah

Legerbasis Hialeah. Kon geen foto vinden uit de jaren tachtig, helaas.

De colonne auto’s stopt, na een lange rit, bij een controlepost met Amerikaanse militairen die op wacht staan. Papieren worden gecheckt en de stoet rijdt door. We stoppen bij een gebouw dat ‘Officersclub’ heet. Het restaurant voor officieren op de Amerikaanse militaire basis Hialeah. Mevrouw Hard werkt als onderwijzeres op de lagere school van de basis en heeft toegang tot alle faciliteiten. (Later zullen we daar nog veel plezier van hebben). Maar hier gaat tot onze grote schrik een maaltijd plaatsvinden.
Misschien om het niet al te ingewikkeld te maken, misschien om ons niet direct af te schrikken door ons Koreaans eten voor te schotelen, misschien omdat men het een hele eer vindt daar te eten, ik weet het niet, maar een half uur later zitten we verbouwereerd achter een steak op ons bord met de omvang van een half stoelkussen. Vier kinderen onder de vier, vermoeid van de reis en jengelig, moeten vervolgens twee uur zoet worden gehouden. De steak hebben we met moeite opgegeten. De frieten die erbij hoorden houden onze oudste nog een poosje bezig, ik neem de jongste aan de borst en zo zitten we onze tijd uit. Onze collega’s met twee kinderen van 1 en 2 jaar hebben minder geluk. Die kruipen overal onder en doorheen en zijn niet te houden.
Wat zijn we blij als er een einde aan de maaltijd komt en we met goed fatsoen kunnen opstaan en in beweging komen. Maar niet alvorens prof. Lee ons de plannen voor de komende tijd heeft uitgelegd. Ons gezin zal logeren bij de familie Hard en het gezin Gootjes krijgt de beschikking over één kamer in het huis van de familie Lee. Aldus besloten rijden we in de verschillende auto’s naar onze verblijfplaatsen.

Ons eerste onderkomen

Wij komen terecht in een oud, krakkemikkig Japans huis van voor de Tweede Wereldoorlog. Het heeft slechts één verdieping en bestaat uit een doolhof van kamers en ruimtes. Het is er ijzig koud. In ieder verblijf staan oliekachels en kleine kacheltjes die later kolenkachels blijken te zijn, die gevoed worden met de beruchte yun-tan, kolenbriketten. Berucht vanwege het koolmonoxide gevaar.

Fam. Hard’s huis en tuin

Er is goed voor ons gezorgd. We krijgen de beschikking over een slaapkamer met een groot tweepersoonsbed en een aansluitende slaapkamer met een groot bed voor Jesseka, waarin ze bijna direct in slaap valt. Haar donkere krullen uitgespreid rondom dat hoofdje slaapt ze, zonder angst, gerust in. Zolang wij maar in de buurt zijn is alles goed. Ik benijd haar een beetje, want ik voel me door alle indrukken nogal vervreemd van mezelf en de omgeving. In onze kamer maken we een plekje voor Lukas, die al even vredig in zijn reiswiegje slaapt. We kruipen in bed, danken God dat we na alle omzwervingen dan toch eindelijk op onze bestemming zijn gearriveerd en we zijn klaar om te gaan slapen. We zijn er. Onze eerste nacht in Busan, Zuid-Korea. Onze nieuwe woonplaats voor de komende jaren.

De volgende dagen en weken blijken echter vooral een kennismaking met hoe een Amerikaans zendelingen echtpaar in Korea leeft en werkt, dan met het land zelf.

A day well spent

Voor ik weer enkele decennia terug ga in de tijd naar Zuid-Korea, een klein verslag van een welbestede dag, afgelopen zaterdag in Waltham, VS. We logeren hier tijdelijk in het huis van vrienden die elders wonen.

Ik had gelezen dat er hier in Waltham, een kunstmuseum is. Op de website leek het de moeite waard, dus, op een stralende zaterdagochtend daarheen getogen. Rose Art Museum is verbonden met Brandeis University, een bekende universiteit hier in de omgeving met Joodse wortels. Er studeren zo’n 5000 studenten, van wie naar schatting 25% van Joodse afkomst zijn. Gesticht in 1947, oorspronkelijk voor Joodse studenten en andere leden van etnische minderheden, die vaak niet op andere opleidingen terecht konden of discriminatie ondervonden.

Het museum heeft de reputatie op te komen voor sociale gerechtigheid en kritisch te zijn op racisme en discriminatie in de samenleving. Een fenomeen waar we in Nederland ons eigenlijk nog maar net bewust van zijn geworden, is in Amerika zo verweven met alles op het gebied van media en culturele uitingen dat je er wel eens moe van wordt. Maar, ik geef direct toe, ik behoor tot de witte, bevoorechte laag van de bevolking, zonder een geschiedenis van slavernij en discriminatie. Voor mij is het dus makkelijk praten. Niet dat ik in mijn familiegeschiedenis terug kan gaan op veel aanzien en geld. De meeste van mijn voorouders waren arm, moesten sappelen en behoorden tot de arbeidersstand. Zeker die van mijn vaders kant. Maar dat is niet hetzelfde als slavernij en racisme hier in de VS en in ons land.

Maar goed, terug naar het museum. We kwamen terecht in een mooi, licht en ruim gebouw met de kunst heel prettig tentoongesteld.

De eerste zaal was gewijd aan kunst van nazaten van tot slaaf gemaakte Afrikaanse bewoners van Amerika. Of werk dat die vreselijke erfenis en het trauma daarvan tot onderwerp had. Er hing ook werk van de oorspronkelijke bewoners van Amerika, First Nation People, dat de onderdrukking die zij moesten ondergaan vertolkte. Niet alles vond ik even geslaagd. Te filosofisch, te dik erboven op. Maar een paar werken waren indringend. Zoals de onderstaande installatie van Radcliff Bailey (interessant artikel over zijn kunst)

Onderstaand bord staat bij de ingang van het museum. Zeer bewust dus van de geschiedenis van de plek.

Het museum is gebouwd op land dat behoorde aan de oorspronkelijke bewoners van het gebied, de Massachusets Native American stam.

Na het kritische gedeelte bekeken we nog een zaal met schilderijen van o.a. Susan Lichtman en Willem de Kooning. Kunst waar ik blij van werd. Heel kleurrijk, origineel, semi-realistisch.

Wildlife Refuge

In de auto aten we op z’n Nederlands onze meegebrachte bammetjes en een mandarijntje. En daarna reden we met Google maps als gids richting een plek om te wandelen. Het was tenslotte een stralende dag. Zon, weinig wind en de temperatuur rond het vriespunt.

Een plek om te wandelen vinden bleek nog niet zo eenvoudig. Wat volgens Google het begin was van een mooi wandelpad blijkt in de praktijk tot tweemaal toe privegrond te zijn, door buurtbewoners met hun enorme villa’s ontoegankelijk gemaakt. Niet bestemd dus voor ons buitenstaanders. Na nogal wat heen en weer rijden, een smal pad oprijden wat iemands oprit bleek te zijn, een achterlicht kapot rijden bij het achteruit weer terug navigeren, vonden we eindelijk een mooi gebied.
Great Meadow Wildlife Refuge. Daar hebben we heerlijk gewandeld en genoten van de zon. Een groot deel ervan bestaat uit wetland, drassige en ondergelopen gebieden. Blijkbaar in de 20e eeuw volledig vervuild door een textielfabriek die er chemicaliën loosde. Inmiddels volledig schoon en een trekpleister voor vogels en vissen. Dat geeft altijd weer hoop. Het kan dus wel!

Memories of Korea 1980-1988 – I

Korea Jaren 1980-1988, wat eraan vooraf ging.

Het is voorjaar 1979. Ik ben 24 jaar en zwanger van ons tweede kindje. Samen met echtgenoot Kim en onze dochter Jesseka van ruim drie, verheug ik me op de komst van de nieuwe baby. We wonen in Kampen op een flat en zijn bezig met onze toekomst. Kim heeft zijn studie afgerond. Een (wat nu zou heten) Master theologie. De tijd is aangebroken om een nieuwe stap te zetten. 

Eck en Wiel

Vier jaar eerder, in de zomer van 1974, ontmoetten Kim Batteau, Amerikaan van geboorte, en ik elkaar op l’ Abri, een christelijk studiecentrum in Eck en Wiel, in de Betuwe. Het is liefde op het eerste gezicht en om samen naar Duitsland te kunnen gaan, waar Kim zijn studie theologie wil voortzetten, besluiten we na twee maanden te trouwen. Een nogal schokkende beslissing voor de omgeving. Maar, wonderlijk genoeg, we zijn zeker van elkaar en zetten door. Nu, na bijna vijftig jaar samen, een goeie beslissing dus!

Al voordat we trouwen blijkt dat Duitsland niet door kan gaan, vanwege allerlei praktische redenen. Kim zet zijn studieplannen tijdelijk op een laag pitje en gaat werken als  computerprogrammeur, een tweede beroep dat hij in de VS al heeft beoefend, om inkomsten te genereren.

Rotterdam

Op de dag na onze bruiloft in oktober van hetzelfde jaar verhuizen we, heel romantisch, naar Rotterdam. We wonen er een jaar. Eerst op een zolder appartement waar de douche de eerste dag al stuk is en de ‘keuken’ op de overloop is. De keuken is een tafeltje met daarop een tweepits gasstel. Ik kookte desondanks enthousiast gevulde paprika’s en dat soort gerechten uit mijn nieuw aangeschafte Margriet kookboek. Ik zocht naar bezigheden, passend bij mijn idealen, maar uiteindelijk was het praktischer om voorlopig als receptioniste te werken. Via een uitzendbureau werkte ik op diverse plekken en vond het werk prima. 

Ik raakte zwanger en dat verliep minder voorspoedig. Vanwege een dreigende miskraam schreef de huisarts me bedrust voor. In die tijd nog de gebruikelijke methode. Ik lag zes weken op de bank bij mijn ouders, maar de miskraam kwam toch op gang.
“ Ga maar een nieuwe bakken”, zei de gynaecoloog in het ziekenhuis, terwijl ik verdrietig de pijn lag te verbijten. Patiëntvriendelijkheid hoorde nog niet bij de opleiding. Waarom ik me zo leeg en doelloos voelde na die miskraam ben ik pas later gaan begrijpen, toen er meer aandacht kwam voor die ervaring.

Ondertussen hadden we een betere woonplek gevonden in het centrum van Rotterdam, bij de Heemraadsingel. Een bovenwoning voor een lage prijs, omdat we in opdracht van de zoon, ook een oogje in het zeil moesten houden op zijn vader, de bejaarde, allerliefste eigenaar van de woning, die beneden ons woonde en tegen wie zijn zoon vaak stond te schreeuwen. Naar om aan te horen.

Amsterdam

Het lukt Kim na een jaar om toch de studie weer op te pakken, nu aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ik ben twintig jaar oud en zeven maanden zwanger van ons eerste kindje wanneer we op een steenkoude dag in februari verhuizen naar Amsterdam, waar we in de Bijlmermeer een ruime flat hebben gevonden. Het was zo koud dat alle planten die we in het busje met de rest van onze bezittingen vervoerden, dood vroren.

Kim studeert en werkt tevens als glazenwasser om verzekerd te blijven. Tenslotte is er een baby op komst. Dan wordt onze oudste dochter op tweede Paasdag geboren. 20 april en het vroor nog! Wat waren we blij met haar. Ik sliep de eerste weken slecht omdat ik me zo verantwoordelijk voelde. Iedere kik, ieder geluidje deed me toesnellen, zou er iets zijn? Opeens zo’n klein hoopje mens in mijn leven, het was een ingrijpende ervaring, waar ik tegelijk enorm van genoot.

De Bijlmer was een prima plek om te wonen toen. Heel groen, rustig en we hadden vrienden in de directe omgeving. We bewaren er goede herinneringen aan.

Kampen

Na 1,5 jaar volgt een nieuwe verhuizing. Kim zet zijn studie voort in Kampen aan de Theologische Universiteit daar. We vinden een flat (dat was toen nog eenvoudig) en settelen in onze nieuwe woonplaats. We spreken nu over 1978. Vier jaar geleden trouwden we en we wonen nu in ons vierde huis. Er zullen er nog vele volgen. Ik kan me van toen niet herinneren dat ik er moeite mee had. Goede vrienden woonden een verdieping onder ons en ik voelde me thuis. Ook waren de woningen zelf steeds een verbetering qua comfort en ruimte. In de derde plaats raak ik, tot onze blijdschap, weer zwanger van onze tweede baby.

Kim slaagt voor zijn laatste examens en is dan klaar met zijn studie. De toelage van de school (voor buitenlandse studenten) stopt abrupt. Ik zie nog de voorzitter van de commissie die de toelages regelde, voor me die het nieuws kwam brengen. Heel rustig:  ‘Volgende maand stopt uw toelage’. Mijn hart zakte in mijn schoenen. Ik zag ons al op straat zwerven met zijn drieen.

We moesten nu dus vaart maken met een beslissing over wat we gaan doen. Predikant worden? In Nederland blijven, naar Amerika gaan of in een ander Engelstalig land?
We groeien toe naar een toekomst in Canada. Er zijn gemeenten daar die een predikant zoeken en het lijkt een goed land om te wonen. Mentaal beginnen we ons voor te bereiden op een emigratie.

Dan komt er een onverwacht verzoek binnen dat een emigratie van een heel andere orde zal gaan betekenen. Kim wordt gevraagd, samen met nog een collega, docent theologie te worden in Zuid-Korea. Tevens zouden hij en zijn collega optreden als contactpersoon tussen de Koreaanse kerken en die in Nederland. Dit verzoek kwam van de kerken in Korea, waarmee al een aantal jaren een officieel contact was. Liever dan geld, mankracht, is hun verzoek.

Voor mij ligt er geen concreet verzoek of een specifieke opdracht. Maar in het hele proces van ondersteuning en communicatie zou ik natuurlijk ook een grote rol spelen en het was daarom erg belangrijk dat ik de onderneming zag zitten. Met een peuter van drie en zwanger van de tweede een hele uitdaging. 

Het verzoek komt voor ons als een totale verrassing. Wonderlijk genoeg staan we er eigenlijk direct positief tegenover, hoewel we dat nauwelijks aan onszelf durven toegeven. Het was toch een behoorlijk uitheemse bestemming vergeleken met Canada! Aan de andere kant, ergens heen vertrekken in het buitenland zat al in de pijplijn, dus welk buitenland leek in principe niet zoveel uit te maken. Ik had eerlijk gezegd nauwelijks van Zuid-Korea gehoord, zoals velen met mij, maar ‘Azië’ trok ons wel. De Koreaanse medestudenten van Kim die we hadden leren kennen, waren vriendelijk en het eten dat ze klaar maakten was lekker. Oppervlakkige redenen, toegegeven, maar het kwam voorbij. We besluiten na rijp(er) beraad en gebed op het verzoek in te gaan en daadwerkelijk binnen afzienbare tijd naar Zuid-Korea te vertrekken. Het is augustus 1979. 

Meppel

Het is allemaal nogal onwezenlijk. Hoe bereid je je voor op zo’n majeure verandering? De taal leren is onze eerste prioriteit. In Leiden kunnen we een beginnerscursus Koreaans volgen aan de universiteit. Maar eerst moet er (weer) verhuisd en een baby geboren. In september, de laatste maand van mijn zwangerschap, vertrekken we naar Meppel. Verhuizen met een toeter van een buik is inmiddels mijn specialiteit, maar het is niet echt leuk. Vanuit Meppel bezoeken we nog een paar keer een bevriend Koreaans echtpaar dat ons het alfabet leert. Het Koreaans heeft een eigen alfabet dat logisch is opgebouwd. Na een paar weken oefenen kennen we de letters, maar daarmee begrijp je de taal nog niet. En na de bevalling ben ik natuurlijk alles compleet vergeten.

Zo wonen we opeens vanaf september 1979 voor vier maanden aan de Pelikaanstraat in Meppel en leren in afwachting van de geboorte de prachtige omgeving van Drenthe kennen. Mooi meegenomen. Het huis daar hebben we tijdelijk ingericht met tweedehands spullen, met veel steun van de leden van de kerkelijke gemeente en toen kon de baby komen. Op twee oktober 1979 rond 10 ’s ochtends uur krijgen we een kerngezonde zoon, die we Lukas Michael noemen .

Wereldreis

Lukas zal maar twee maanden in Nederland wonen. Begin januari 1980, zullen hij en grote zus Jesseka, die dan 3 jaar en 9 maanden is, aan hun eerste wereldreis beginnen. Via de ouders van Kim in Boston, Verenigde Staten, waar we een week of drie logeren en Los Angeles waar een broer met zijn gezin woont, reizen we naar Tokio, Japan. Van een koud Nederland, naar een nog kouder Boston, naar zwoel Californië. Dan na weer een week door naar koud Tokio. Daar zullen we ons collega-gezin ontmoeten om samen verder te reizen naar Busan, Zuid Korea. Een grote havenstad, in het uiterste zuidoosten van het land. Onze nieuwe woonplaats.

Dit zal onze nieuwe woonplek worden in 1980. Maar eerst nog even niet niet.

VS revisited

Ik ben weer in de VS. in Waltham, om precies te zijn, in het huis van vrienden van mijn zwager die hier ook tijdelijk woont. Echtgenoot is bezig met de ingewikkelde administratieve afhandeling van zijn stiefvader’s nalatenschap. De bureaucratie in Amerika is nog erger dan in Nederland, hebben we inmiddels mogen constateren. Een testament geldt pas, zelfs al is het voor veel geld opgemaakt door een advocaat (doen alles hier, maar voor heel veel geld), wanneer de rechter getoetst heeft of het in overeenstemming is met de wetten van de staat en of er niemand is die het kan aanvechten. Alle ambtelijke molens draaien langzaam, zo ook hier. We waren maanden verder voor we bij de bezittingen konden om de inmiddels hoog opgelopen rekeningen te gaan betalen. Intussen waren we druk genoeg met het leegruimen en opknappen van de twee appartementen die het eigendom waren van mijn schoonvader. Een giga klus, waarover ik al eerder schreef. Nu moeten we aan de gang met de verkoop ervan.

Een andere bezigheid is het bellen en afmelden voor werkelijk ontelbare organisaties waar mijn schoonvader lid van was of die hij steunde; een dagtaak.. En iedere opzegging leidt weer tot een volgende complicatie. “We kunnen uw abonnement niet vinden.” “We hebben dit of dat van u nodig”, wat we dan net niet hebben, en waar een andere instantie voor gebeld moet worden. Na een uur wachten: “Ik  verbind u door”, en dan…: tuut, tuut, tuut…verbinding verbroken. Waarna weer een uur wachten aan de lijn volgt. Iedereen kent dit frustrende gedoe. En dit nu met 150 belletjes. Nog maar 100 of zo te gaan…

Behalve assisteren bij het laatste, heb ik zelf niet veel specifieks te doen en neem de gelegenheid te baat om mijn schrijven weer wat op te pakken. Buiten ligt, wanneer ik dit schrijf, een dik pak sneeuw, het is -7 met een stralend blauwe lucht. Te koud om naar buiten te gaan met mijn verkoudheid. Binnen is het behagelijk warm. Ideale schrijfomstandigheden.

Herinneringen aan Korea

Al een aantal jaren ben ik bezig met mijn herinneringen aan onze tijd in Zuid-Korea op te schrijven. Het waren aan de ene kant gewone jaren, zoals elk gezin die meemaakt. Dagelijkse bezigheden van huishouden, school, muziekles en sport voor de kinderen, boodschappen doen, eten koken en vul maar in. Maar de omstandigheden waren ook weer heel bijzonder. Het land waar we woonden, de cultuur, de taal, het maakte dat alle gewone dingen net wat anders waren. Soms lastiger, maar vaak ook leuk. Ik ben daar enorm gegroeid in flexibiliteit. In het vertrouwen dat als iets niet op één manier lukt, er vast wel een andere manier moet zijn. Ook improvisatie is iets wat je leert wanneer je in een land gaat wonen dat armer is en ook zo anders.

Mijn idee is nu om dit blog te gebruiken om delen van wat ik schrijf te publiceren. Het schrijft makkelijker, vind ik, met lezers in je achterhoofd tot wie je je kunt richten.

Terwijl het nu, een paar dagen later, regent en +10 is (New England is net Nederland wat het wisselende weer betreft) en ik langzaam bijkom van een zware kou tref ik voorbereidingen om de Koreaanse Herinneringen in een vorm te gieten die geschikt is voor dit blog. Morgen begin ik met de eerste.

Ontruiming, laatste fase

De eerste weken van de ontruiming van de woning in Boston van mijn schoonouders (na het sterven van mijn schoonvader), werd ik als op een golf van adrenaline voortgedreven. Wij gingen die klus klaren! We can do it! Systematisch, la voor la, archiefkast voor archiefkast, legen, sorteren, weggooien, of  bewaren. Ik plakte driftig overal post-its op. ‘Weggooien’, ‘Bewaren’, ‘Goodwill’, ‘Twijfel’. Maakte foto’s. Heel veel kon gewoon weg. Bonnetjes, belastingaangiftes en rekeningen uit de vorige eeuw leken ons niet langer nodig, dus hup, in grote grijze zakken, de stort in.

Mijn zwak voor geschiedenis en genealogie maakte de beslissing echter toch af en toe moeilijk. Bonnetjes en dergelijke uit 2001 lijken minder interessant. Maar een bon uit 1956. Hoe vaak ik niet dacht, zal ik dit of dat toch maar bewaren…? Maar ja, vliegen met een koffer vol oud papier is niet handig. Dat criterium was een goeie stok achter mijn deur. De afmetingen van mijn koffer werd de standaard.

Dus, het meeste papier kwam in de grijze zakken. Dat was anders met persoonlijke correspondentie. Werkelijk dozen vol kwamen er tevoorschijn. Niet alleen mijn schoonvader bewaarde alles, mijn schoonmoeder zo mogelijk nog meer. Alle brieven, briefjes, kaarten van vrienden, familie en kinderen; alle babyboeken, fotoalbums en zelfs knutselwerkjes van de kleinkinderen vonden we terug in half vergane, stoffige dozen, in alle hoeken en gaten van het huis. Soms ontroerend en soms dachten we: heb je dit echt al die jaren bewaard? 

Zoon Lukas, altijd met veel detail
Dochter
Suzy, afzwemmen diploma A?
Dochter Jesseka, kleurrijk en met dieren!
Dochter Saskia, de enige die goed was in, ik weet niet meer hoe het heet…

Een ding staat vast, van opruimwoede hebben mijn lieve schoonouders nooit last gehad. Nogmaals, dat leidde ertoe dat we af en toe echte pareltjes vonden. Vooral echtgenoot en zijn jongere broer werden het verleden mee ingezogen. Aan hun kleuter- en basisschooltijd op Shady Hill School bewaren ze kostbare herinneringen. Ieder leerjaar had een thema. De Grieken en  Romeinen, de Noormannen, en alles stond dan in het teken daarvan. Er werd veel gezongen en muziek gemaakt.  Er werden houtbewerking lessen gegeven, er werd gekleid, kortom, een hoop leuke dingen die ik me zo van mijn eigen lagere school niet herinner. Uren brengen ze door met ‘weet je nog’ verhalen. Heel bijzonder, omdat ze elkaar de afgelopen vijftig jaar nog niet eerder zo lang meemaakten. We wonen nu al bijna 3 maanden in één huis met elkaar.

Samen sport kijken en commentaar leveren

De adrenaline in mijn bloed, waar ik het net over had, kwam ook wel, laat ik maar eerlijk zijn, door nieuwsgierigheid. Ik ben nogal nieuwsgierig aangelegd volgens mijn nageslacht. Ik kom al vijftig jaar in dat huis, zag veel kasten en lades vol met mooie spullen. Serviesgoed, kunstobjecten, zilverwerk, verzamelingen van beelden en olifanten. Als gast trek je geen kastdeur open om alles eens goed te bekijken. Zelfs niet wanneer je familie bent, toch? Nu is alles door mijn handen gegaan. En wat was er veel moois. En wat is er uiteindelijk veel naar de kringloop gegaan…Dat deed me echt pijn. 

In hun jongere jaren gaven mijn schoonouders vaak parties waar veel gasten kwamen. Er was dan van alles te eten, en dat werd geserveerd in enorme, mooie schalen van glas of porselein. Mijn schoonvader kookte eens in de zoveel tijd kreeft, levend en wel. Helaas. Maar hij was er gek op en had voor dat doel een kreeftenpan, afmeting babybadje. Ovenschalen voor de eetclub van ongeveer dezelfde maat. Die stonden allemaal rustig te verstoffen in de garderobe kast. Ook dat serviesgoed is weg gegeven. Mijn koffer had de limiet bereikt.

Zo waren de eerste paar weken vermoeiend, maar hadden ook een min of meer leuke kant, ondanks het verdrietige gevoel dat de onttakeling van een huis  met zich meebrengt. Het ging om de mooie, interessante spullen waar altijd wel iemand voor te vinden was om het te bewaren. Emotionele herinneringen waren meestal het criterium. Ik maakte foto’s voor de dropbox en zo kon de familie op afstand meekijken en kiezen. 

Maar na verloop van die eerste weken werd de klus steeds moeilijker. Al die dossiers. We moesten erdoorheen om te bepalen wat wel en niet moest bewaard. De meubels die niemand wilde of kon hebben vanwege de geografische afstand, wat moesten we daar mee? Dat werd dus een eerste pick-up van Goodwill. Dat was geen goedkope grap….we gaven best goed bruikbare spullen mee, maar moesten daar ook nog $1200 op toe leggen…

Eerste lading voor de Goodwill pickup

Ondertussen was het een eis van de VVE dat de appartementen (mijn schoonouders hadden er twee aan elkaar gekoppeld) in oorspronkelijke staat werden terug gebracht, voor ze in de verkoop mochten en vond de makelaar dat alles geschilderd en de vloeren geschuurd en in de lak gezet moest worden. Alsof er al niet genoeg te doen was..!

De duizenden dollars onkosten vlogen ons om de oren. Men zegt dat het uiteindelijk geld oplevert. We zullen het zien.

Waar ik me vooral heel erg bewust van ben in deze maanden, is de vergankelijkheid van het leven. Al die mooie en minder mooie spullen die mijn schoonouders om zich heen hadden verzameld, en waar ze aan verknocht waren, in twee vrachten werden ze afgevoerd. De eerste zoals gezegd met de kringloop mee en de tweede, treurig, met een ‘got-junk’ vrachtauto….ik vond dat zo verdrietig. 

Dan loop je daarna door dat lege appartement, met kale vloeren en wat groezelig witte muren, en lege kasten. Daar speelde zich vijftig jaar lang hun zo intensieve leven af. Wij kwamen er met onze kleintjes, op weg naar Korea of op doortocht naar Nederland; onze tieners logeerden er en zij kwamen er op het laatst als volwassenen, al dan niet met hun kinderen, de achterkleinkinderen. En altijd met dat gevoel van verwend te worden. Om te genieten van dat prachtige uitzicht op de weidse haven en in de verte het vliegveld en nog verder weg de Atlantische Oceaan. Het huis was een ontmoetingsplek met de rest van de familie bij hoogtijdagen. Waar we dat nu kunnen doen? 

Zoals het was

Tegelijk zijn we ook dankbaar dat ze samen zo’n goed leven hebben mogen hebben. Zo hebben kunnen genieten van elkaar, van muziek en kunst, met familie en vrienden. Je kon mijn schoonmoeder geen groter plezier doen dan als broers en zussen, met aanhang en kinderen, bij elkaar in de woonkamer te zitten en muziek te maken. Als een koningin wees ze dan aan wie nu aan de beurt was. Ik kon gelukkig geen instrument bespelen, dus ik mocht luisteren!

Iets van die zoete herinneringen, flarden van muziek en feestgedruis zijn misschien wel verankerd in de muren en zullen de nieuwe bewoners onverwacht eenzelfde gevoel van lichtheid geven als ik daar soms ervaarde.

Het was echt niet allemaal rozengeur en maneschijn natuurlijk. Maar wat me altijd opvalt bij mijn schoonfamilie is de wil om het goed te hebben met elkaar, ondanks verschillen. En die zijn er! Beide uiterste kanten van het politieke veld, links en rechts; religieuze verschillen, ongelovig, boeddhistisch en christen; introvert en extravert, je vindt het allemaal terug. Zes kinderen. Zes richtingen. Het maakt dat je gedwongen wordt uit je bubbel te treden. En dat is goed. Zolang er respect en ruimte is voor de ander en die proef ik. En dat is de meest waardevolle nalatenschap die mijn schoonouders, en met name mijn schoonmoeder (ze was voor de tweede keer getrouwd) heeft achtergelaten.

Dan zijn de spullen maar spullen, waardevol of niet.