Wat gaan we vandaag doen?

Het is de laatste vakantieweek in regio midden.
Ik fiets door mijn woonplaats en zie her en der moeders wandelen, vergezeld door hun kinderen in basisschoolleeftijd, die aan hun zoveelste ‘leuke’ dag beginnen.
Wat zullen we vandaag weer eens gaan doen?
En moeder (toch wel vaak de moeders…), die de vakantie meer dan zat is, verzint iets waarbij ze zelf ook enigszins baat heeft. Niet weer de zoveelste speeltuin of Monkeytown, Kidcity of hoe ze ook maar heten mogen.
Meestal wordt het een tochtje naar het stadje, zoals we hier ons centrum noemen. Niet de ‘stad’ maar het ‘stadje’. Sloffen door de winkelstraat, moeder aan de telefoon, verveeld hangen bij het Kruidvat of de Action

De Kringloop is op zo’n ‘wat – kunnen -we – nu – weer ‘s- verzinnen’ dag ook een trekpleister. Daar is altijd speelgoed te bekijken en meer ruimte om rond te rennen. En al ben je het niet van plan, je vindt altijd wel wat, nietwaar?

Ik ben toevallig ook op een Kringloopuitje, (in mijn eentje) en hoor de gesprekken in de achtergrond.
Om de twee seconden een gil, ‘Ma-am!’
‘Ja-haaa’, is het vermoeide antwoord, want het is de duizendste ‘Ma-am’ die dag. En het is nog maar 1 uur.
‘Kom ’s kijken!’
‘ Stra-aks!’ met nauwelijks beheerst ongeduld. Laat me nu even met rust…

Ik voel mee. Lange vakanties stellen op de proef, zowel ouders als kinderen. Iedere dag weer inhoud geven, van de vroege ochtend tot bedtijd, is een uitdaging. Uiteraard een luxe probleem, pas ontstaan toen we zo welvarend werden dat het begrip ‘vrije tijd’ ontstond.
Luxe of niet, het is de realiteit en de schoolvakanties zijn lang.

Korea

Ik denk terug aan de lange vakantiemaanden toen we nog in Korea woonden, in de jaren tachtig. In mei stopte de school al voor onze kinderen. Dan ging een van de gezinnen met verlof en het andere bleef achter, met drie maanden de kinderen thuis. De opleiding waar echtgenoot les gaf, stopte niet, maar had juist in die periode examens en er waren dus stapels en stapels papieren om na te kijken. Veel tijd voor ‘uitjes’ met hem was er nog niet dan.
Wat was er te doen voor de kinderen? Niet veel eigenlijk. Ik vraag me nu dus eerlijk af wat ze in vredesnaam al die tijd deden. Winkelen was geen optie. Niet dat die er niet waren, maar niet te vergelijken met winkels van hier. Meer markten, waar onze kinderen (en ik) gek werden van de drukte en de aandacht, dus dat was geen uitje.

Ze waren enorm vindingrijk, nu ik er over nadenk. Het ontbreken van alle vormen van electronisch vermaak zal daar wel aan hebben bijgedragen. We keken regelmatig video’s (VHS), dat wel. Maar overdag was er, behalve hun eigen fantasie, weinig extern vermaak. Ze waren creatief. Uren brachten ze door met schilderen, tekenen, knutselen, meestal gadegeslagen door mij, die daar niet heel goed in was. Ik zorgde voor de spullen en bleef in de buurt om eventuele conflicten te beslechten, ervoor te zorgen dat de muren niet geverfd werden en natuurlijk om alle ‘Ma-am’ vragen te beantwoorden.

Ze speelden ook veel buiten. De tuin in ons laatste huis was vrij ruim en de buurt was veilig. We hadden zo’n opblaaszwembadje, want het was vaak loeiheet en benauwd. Ik ging er ook dankbaar in liggen soms. Toen ze wat ouder waren hadden ze om de hoek ook een groot natuurpark ter beschikking. Nu denk ik, lieten we ze daar dan alleen spelen? Ja. volgens mij dus wel. Zo veilig voelden we ons, blijkbaar. Ik herinner me dat Koreaanse buren ons wel bezorgd wezen op het gevaar van ontvoering. Dat namen we niet serieus, het kwam gewoon nooit voor, behalve in films. Waren we naief, eigenwijs?

Ze speelden met Koreaanse kinderen in de buurt. Van hen leerden ze Koreaanse buitenspelletjes. Of ze scheurden op een skateboord de steile straten af. Dit uiteraard buiten mijn zicht…En er was een zomer waarin ze bijna onafgebroken UNO speelden, buiten op het garagedak. Oh en ze lazen! De oudsten in elk geval. Perfecte kinderen dus? Nou echt niet, maar verveling stond toen nog niet in hun woordenboek.  Idealiseer ik? Misschien hebben ze zelf juist herinneringen aan eindeloze weken van gekwelde verveling? Ik ga het navragen!

Op vakantie gingen we ook. Meestal in juni/juli als het volop regenseizoen was, maar het wel warm bleef en de zon vaak genoeg scheen. We reden naar het noorden, langs de Oostkust (prachtige route, door toeristen nog niet echt ontdekt, helaas voor Korea) en verbleven in de buurt van vrienden. Stranddagen waarop we kokkels verzamelden uit de zee, op onze kop in het water, er ’s avonds vissoep van kookten en BBQ’den. Met zonverbrande wangen en het zand nog in onze haren!

Het park om de hoek- Foto van Wang Yuh-zju via Google

Stek-UP

Terwijl ik mijmer fiets ik naar de tweede Kringloop. Eentje waar ik nog niet eerder was. Stek-UP is de naam en het is volgens de website een ‘sociale cooperatie’. Als ik binnenloop word ik welkom geheten en ik krijg de vraag of ik wat wil drinken? ‘Ga lekker zitten, ik haal een kop koffie voor je’, zegt de medewerker. Een nieuwe ervaring voor me in een Kringloop. Ik krijg er zelfs een koekje bij. De winkel is gezellig ingericht, keurig georganiseerd, de boeken staan zelfs op kleur gerangschikt. Overigens ben ik daar geen fan van, het is moeilijk zoeken zo. Maar goed. Het staat wel leuk.

De sociale coöperatie StekUP is gestart in 2019. De naam StekUP verwijst naar de kiem van een plantje.

Hoewel kwetsbaar, heeft deze kiem (Stek) alles in zich om groot te worden. Net als een stekje heeft talent een veilige plek met gunstige omstandigheden nodig om te groeien.

Zo zal het stijgen naar ongekende hoogten (UP).

(van de website)

Stek-UP Kringloop

Wat opvalt is de leeftijd van de klanten. Hier geen rond rennende kinderen en vermoeide moeders, maar senioren, zoewel mannen als vrouwen. In een hoekje staat een grote tafel met stoelen en daar zitten ze gezellig te babbelen met hun bekertje koffie in de hand. Sommigen komen iedere dag langs, voor een praatje, vertelt een vrijwilliger. Die zijn hartelijk, maken grappen. Eentje zet een smartlap op de radio keihard aan en zingt luidkeels een liefdeslied mee voor een oudere meneer die op zijn rollator zit en er erg om moet lachen. Wat een heerlijk sfeertje! Later lees ik op de site dat mensen met een uitkering ook geholpen worden om een eigen bedrijfje te starten. Het project is ontstaan vanuit de internationale gemeente, Cross Culture Nieuwegein.

Ik ben inmiddels verzadigd. Kringlopen is leuk, maar vermoeiend. ik heb een boek, een t-shirt en een schellekoord met vogeltjes voor mijn verzameling borduurwerkjes in de keuken. Ik fiets voldaan terug. Helaas, al sinds mijn schooljaren, altijd, op de heen- en terugweg, met wind tegen.

Schuldig Landschap

https://parelpad.wordpress.com/2021/01/25/schuldig-landschap/

Deze blog schreef ik eerder in 2021 over het landschap bij kamp Westerbork. Het is een concept van de schilder Armando. Het blog past goed bij die over het ‘Dilemma van de zee’. Eke Malda attendeerde me erop. Met dank!

Het dilemma van de zee

Wie me blij wil krijgen, moet me meenemen naar water. Een haven of een weidse rivier, maakt niet uit welk seizoen. Het liefst nog de zee. Ik ben een waterkind. Zou het in mijn genen zitten? Mijn moeders familie heet Van Katwijk. Een van de van Katwijk genealogieën gaat terug naar een voorvader uit de 17e eeuw of zo, uit Catwijck. Hij trouwde met een Schiedamse jongedochter en vestigde  zich in Schiedam. Dan zit de zee wel een beetje in mijn bloed. (Hoewel, mijn moeder was geen ‘strandmens’ zoals ze het zelf altijd noemde) Een andere genealogie zegt dat de familie uit een wijk bij het kasteel (=Cat) in Schiedam kwam…Stadskinderen dus. 

Ik ga gewoon voor de eerste, als waterkind spreekt me die meer aan!

Mijn overgrootmoeder (Teuntje Joppe) aan vaders kant kwam van de eilanden, Goeree en Overflakkee. Dat is ook een redelijk waterige omgeving. Als kind gingen we vaak op vakantie in Ouddorp en één van de hoogtepunten was de oversteek met de pont. Auto en al. Als we dat zwarte gat van de laadruimte van de boot in reden, voelde ik zo’n heerlijke mengeling van angst en opwinding. Tussen al die auto’s vond ik het eng en overweldigend, maar eenmaal boven op het dek, geweldig. Wind in mijn haren, de mengeling van de geur van de zee en de boot, ik was op vakantie.

Veel van mijn beste herinneringen zijn van dagjes uit aan het strand, vakanties aan zee, of soms, later met de kinderen nog, na school, rond 4 uur naar de kust rijden om op het strand van Castricum, bij ondergaande zon, onze meegebrachte maaltijdsalades te eten. 

Tijdens een Nederlandse taalles aan statushouders uit allerlei verschillende landen, was de opdracht om over hobby’s, leuke dingen om te doen, enzovoort te praten. De woordenschat was nog beperkt, maar we deden ons best. Meestal begon ik zo’n conversatie-les met wat te vertellen over wat ik zelf leuk vind, ter inspiratie, zeg maar. Nou, het laat zich raden waar ik over begon…het strand en zwemmen in de zee natuurlijk. Om de studenten aan het praten te krijgen vroeg ik of ze al eens in Scheveningen geweest waren? Een paar zeiden ja, maar eentje zei ‘daar wil ik niet heen’. In mijn onschuld vroeg ik door, wat was de reden? ‘Ik ben met een boot gevlucht en bijna verdronken in de Middellandse Zee’.

Boem, ik kon mezelf wel voor het hoofd slaan, zo was ik uitgegaan van mijn verwende westerse opvatting over strand en zee.

De zee is immers zo lang een vijand geweest, ook als je geboren werd in een vissersdorp als Katwijk of Scheveningen. Niet voor niets staan in al die dorpen monumenten van vissersvrouwen starend over zee, tevergeefs wachtend op hun man of zoon, verdronken tijdens het vissen.

Nog maar zo kort is de zee een bron van vermaak geworden. Ik geloof pas begin 20e eeuw. Ik heb foto’s van mijn moeder met haar jongste  zusje in de jaren twintig op het strand van Scheveningen. Maar aangekleed en wel, het water ging ze niet in. 

Gisteren liepen we opgewekt naar het strand in Argeles- sur- mer. Een bekende badplaats voor Nederlanders, maar nu in het laagseizoen is er bijna niemand.. Langs het strand loopt een lange zandweg, met aan beide zijden hoge dennenbomen, die in de warmte heerlijk schaduw bieden. Nietsvermoedend liepen we naar de ingang van het pad en zagen daar een paneel, met foto’s en tekst. Altijd benieuwd naar de geschiedenis van een omgeving, begonnen we te lezen. 

We zagen een grote zwart-wit foto van mensen achter prikkeldraad. De tekst was schokkend. Op diezelfde plek, dat lange zandpad langs de zee, en op het strand waren in 1939 meer dan 100.000 Spaanse vluchtelingen opgesloten, republikeinen die zich verzetten tegen Franco. De Franse overheid stond niet toe dat ze het land introkken en de vluchtelingen, met duizenden kinderen, werden in erbarmelijke omstandigheden vastgehouden achter prikkeldraad. Gebrek aan voedsel, hygiene en drinkwater maakte dat duizenden, vooral kinderen stierven. En de bomen die aan ons schaduw boden waren er nog niet. Later na het uitbreken van de oorlog voegden zich ook Joodse vluchtelingen bij hen.

Argeles camp “is on a sandy expanse by the sea. There is no shelter of any sort from wind, sand, or rain. A bitterly cold wind from the mountains has produced a raging sandstorm…There is a great deal of dysentery probably from lack of good water and absence of sanitary arrangements.”[14] Refugees built shacks and dug holes in the sand for shelter.[15] (Wiki)

Gedenksteen voor de Retirada, de vlucht van Spaanse republikeinen voor Franco naar Frankrijk.

Het geeft een schaduwrand aan het plezier dat de Middellandse Zee ons biedt. De stranden, het water voor zoveel duizenden een plek van dood en misère. Ontheemden, vluchtend voor oorlog en geweld, toen en nu. Denk aan Lesbos waar o.a. Stichting Bootvluchteling al zoveel jaren hulp biedt aan vluchtelingen die in gammele rubberbootjes aankomen. De moeite waard om te steunen!

De bijbeltekst in Openbaring 21 komt in me naar boven:  ‘en de zee zal niet meer zijn’. Als we die tekst lazen na het eten snapte ik er als kind, met mijn emmertje en zandschepjes niets van. Wat was er nou mis met de zee?

Hier dringt het weer even door: De zee is en blijft ook een vijand.

De onbekende meester

Ongeveer duizend jaar geleden trok hij rond in het Middellandse Zee gebied. Een man van wie niemand de naam weet. Hij was een begaafd beeldhouwer, maar leefde nog in een tijd dat kunst ‘gewoon’ een ambacht was, dat werd uitgevoerd ter meerdere glorie van God. De beeldhouwer trok van Italië, Florence, langs de kust naar Zuid-Frankrijk, zakte af naar het noorden van Spanje en weer terug. Misschien volgde hij de oude pelgrimweg naar Santiago de Compostella, die via de Pyreneeën liep.  Op verschillende plaatsen werkte hij mee aan de verfraaing van kloosters en kerken. Hij sneed wonderschone scenes uit marmer of graniet. Scenes uit de bijbel, monsters, planten, dieren. Zo expressief en bijzonder dat duizend jaar later iemand met een geoefend oog begon te zien dat al die, over duizenden kilometers verspreide, vondsten van beeldhouwwerken, wel van dezelfde hand moesten komen.

Jezus loopt op het water

Het gebeurde in 1930, tijdens de restauratie van een kerk in het kleine plaatsje Cabestany, even ten zuidoosten van Perpignan, in Catalonië, Frankrijk. Men ontdekte een tympaan, zo bijzonder en van zo’n kwaliteit en talent dat het de aandacht trok van specialisten op het gebied van de middeleeuwen. Men begon te vergelijken en ontdekte dat er meerdere werken waren van dezelfde kwaliteit met vergelijkbare kenmerken. Wat opviel waren de amandelvormige ogen, de grote handen met lange, dunne vingers en de uitdrukking van de beelden..zo levendig dat ze bijna van hun onder- of achtergrond weg sprongen. Omdat zijn ontdekking in Cabestany was begonnen, sprak men vanaf toen over de Meester van Cabestany. 

Vandaag waren we in het museum van de meester van Cabestany. Klein, maar met een prachtige opstelling en veel uitleg van de (kopieën van) werken. Sarcofagen, bovenstukken van pilaren, monsterkoppen uit kathedralen, 

Het werk raakt me. Het is zo menselijk en expressief. En er zit humor in. Alles hakte de meester uit marmer of graniet. We zagen de werktuigen die hij ongetwijfeld in zijn bagage moet hebben meegedragen. Hopelijk reisde hij te paard of had hij een pakezel. Kwam hij toevallig langs en ging aan het werk? Werd hij gevraagd vanwege de schitterende kwaliteit van zijn werk? Reisde hij van Spanje naar Italië of andersom? We zullen het nooit weten, alleen dat hij in de 12e eeuw zijn talent gebruikte zodat wij er negen eeuwen later nog van kunnen genieten. 

De marteldood van St. Sernin in de abdij van St. Hilarie, Aude
Maria ontmoet Jezus na de opstanding

Een bezoek aan Cabestany waard!

De geest is gewillig

Je kent het wel. Je gaat naar de supermarkt en na het uitpakken van je boodschappen heb je je halve PlasticMD kliko vol met afval. Alles, werkelijk alles komt in plastic bakken, zakjes en troep. Zucht. Je weet dat het anders moet. En zelfs dat het anders kán. Ik doe weliswaar al erg mijn best om, waar mogelijk, onverpakt te kopen, maar als zelfs de biologische komkommers in plastic verpakt in de schappen liggen, dan weet ik het ook even niet meer.

Om mezelf weer wat te inspireren en stimuleren nam ik deel aan de Zero Waste Tour hier in mijn woonplaats IJsselstein. Georganiseerd door de altijd actieve Marie-Jose de Zeeuw. We begonnen in de bieb met een intro van Marjolein die al een aantal jaren afvalvrij leeft en allerlei tips voor ons had. We waren met een man/vrouw of vijftien. Een heel belangrijk advies vond ik: laat jezelf niet gek maken, in je eentje kun je niet opboksen tegen de verpakkingsindustrie. Doe gewoon wat in je vermogen ligt en neem kleine stapjes. Da’s een goeie tip voor typetjes zoals ik, die zich nogal gauw schuldig en bezwaard voelen. Maak er een sport van, maar hou het leuk.

Ik ben dus iemand die bij ieder leeg zakje en blikje denk, kan ik er wat mee, misschien? Voor de tuin of andere nuttige zaken. Ik ben inmiddels oud en wijs genoeg om te weten dat er op het gebied van creatief zijn met afvalmateriaal (eierdozen, WC rolletjes enz.) niets uit mijn handen meer gaat komen. Ik had super creatieve kinderen en heb creatieve kleinkinderen, maar ook die krijgen een leeftijd (de jongsten) dat WC rolletjes geen aftrek meer vinden.

Wie schetst mijn verbazing toen bij de intro in de bieb waar ik het net over had, Marie-Jose achteloos een aantal ‘geprutste’ dingen van afval aanwees op een tafel…
Mandjes, van jawel, WC rolletjes! En nog leuk ook! Slingers van oude parapluschermen! Nu is dat laatste voor mij een onhaalbare zaak, want ik raak alle paraplu’s kwijt voor ze zelfs maar oud kunnen worden…

Slinger van oude parapluschermen
Gevlochten mandjes van toiletrolletjes!
De molen voor meel om brood te bakken

We starten onze tour bij de molen de Windotter (uit 1732). Ons trots Ijsselsteins bezit. De molenaar houdt een praatje over hoe ecologisch het gemalen graan is, hoeveel afval (en geld?) je bespaart door zelf brood te bakken.

Check, dacht ik, dat ga ik dus weer doen. Ik heb niet voor niets een broodmachine, een nieuwe nog wel. Gekregen van het Repaircafe toen ze mijn ouwe per ongeluk naar het afvalstation hadden laten afvoeren. Na reparatie nog wel. Foutje dus, maar heel netjes afgehandeld want ik mocht een splinternieuwe kopen en ik kreeg ook nog een bos bloemen! Top.

De stadsboerderij en de Turkse winkel

Vervolgens bezochten we de Turkse winkel. Waar bijna alles onverpakt te koop is. En, daar ging het vooral om tijdens de toer, je kunt daar voor alles, noten, olijven, feta, vlees noem het maar op, je eigen bakjes, zakjes enzovoortp meenemen. Ik kom daar ook geregeld, maar nog wel zonder eigen bakjes. Je moet toch even een drempel over. Mijn enige bezwaar bij deze winkel is: niets is biologisch. Helaas. Maar het is verder een hele fijne zaak. Ruim aanbod, redelijke prijzen en heerlijk fruit. Echtgenoot loopt er de deur plat vanaf september tot november om er kakifruit te kopen. In Korea, toen we daar woonden, kennis mee gemaakt en sindsdien: hooked.

De stadsboerderij blijkt een nieuwe winkel en verkoopt alles van lokale boeren. Ook een mooi initiatief. Aardige eigenaar en alleszins bereid om fruit, groente, eieren, kaas en wat dies meer zij in eigen meegenomen verpakking te stoppen.

De Stadsboerderij voor lokale produkten
Zerowaste tour

We bezochten zo meerdere winkels en ik voelde me echt geinspireerd. Alle deelnemers hadden dezelfde frustratie over al het opgedrongen plastic, de overvloedige kledingindustrie, maar we gaven ook allemaal eerlijk toe dat ingaan tegen het systeem veel energie vraagt en inspanning. De verleiding van de supermarkt om de hoek, of aan de andere kant, op de fiets, ouderwets, van winkel naar winkel. Je er altijd bewust van zijn niet zonder zakjes, bakjes, tasjes op pad te gaan, want, je weet maar nooit…
Het vraagt een veranderde mindset. En een bereidheid om meer tijd te steken in het inkopen van je dagelijkse behoeftes. Het moet gewoon. Wie de omvang van de plastic soep tot zich door laat dringen (en af en toe moet je dat gewoon even doen) raakt meer en meer gemotiveerd.

inspiratie no waste

De VS tot slot

Na een lang verblijf in Amerika in verband met familiezaken ben ik wel heel pessimistisch over het plastic gebruik daar. De hele levensstijl van take-out van lunch, diner, en koffie-to-go brengt zo’n ongelofelijke berg afval met zich mee dat ik er verdrietig van werd. Een gevoel van onmacht en hopeloosheid bijna. Want hoe verander je de levensstijl van 335 miljoen mensen? Tijdens pauzes staan de rijen dik in de lunchrooms, koffietenten en bijna iedereen loopt weg met papieren of plastic bekers en dozen. Straks met Trump zal er zeker geen overheidscampagne starten om hier verandering in te brengen. Het is zo ingebakken dat zelfs mijn ecologisch bewuste familie toch niet ontkomt aan de wegwerp cultuur.

Maar goed. Op mijn eigen plekje is er genoeg te doen. En te laten!

Memories of Korea 1980-1988; 5

Onze eigen flat

Dit is het vervolg in een serie die ik schrijf over onze periode in Zuid-Korea in de jaren tachtig.

De vorige blogs vind je hier en hier en anders via de categorienlijst in de rechterkolom onder Korea.

Het moment is eindelijk aangebroken, we gaan verhuizen naar ons eigen huis. (zie pijl). Een piepklein flatje in een nieuw gebouwd complex van appartementen, redelijk luxe voor die tijd. Flats waren populair en gewild in onze tijd in Korea. Men voelde zich er veilig en er was meer comfort. W.C´s met doorspoelknoppen.  Badkamers en  keukens met stromend water. Dat waren in de jaren tachtig nog exclusieve zaken. Het grootste deel van de bevolking woonde in kleine huisjes, met een of hoogstens twee kamertjes, waar vaak de entree tevens fungeerde als keuken, het toilet gedeeld werd met meerdere buren en waar ook geen riool was. De stinkende poepwagens die één keer in de week de verzamelde prut kwamen leegzuigen waren alom berucht. In de smalle steile straatjes tegen de hellingen aan kon geen vrachtwagen met zuiginstallatie komen, dus liepen er mannen met een juk, waaraan twee emmertjes gore zooi hingen. De stank was zo penetrant dat het niet hielp om je neus dicht te knijpen. Het drong door al je poriën naar binnen.

Vandaar dus het enthousiasme over flats. Hoe klein die ook waren. Daar zat een Koreaan niet mee, want men is graag dicht bij anderen. Wij vonden de flat wel klein, maar het was een eigen plek dus voelde het als luxe. Woonkamertje, eetkamer, keuken, en twee slaapkamers. De kinderen sliepen samen. De oudste,  Jesseka in een eigen Hollands Hugo–bed en baby Lukas kon eindelijk uit zijn reiswieg in een ledikantje. In Nederland had hij de laatste dagen voor vertrek bij mijn ouders thuis, ook al geslapen in zo’n reiswiegje. De aanblik ervan bezorgde mijn moeder een huilbui na ons vertrek. Ze schrijft: 

Ik had me op Schiphol flink gehouden. Dat vertelde ik aan Jacques (mijn broer). Hij zei dat ik juist gewoon even lekker moest huilen. Toen ik op zolder de wieg zag staan kwamen de tranen, het luchtte op’. (feb.1980)

Wat stonden we weinig stil bij het gemis dat zij als ouders moesten ervaren. Nu ik de brieven teruglees, dringt het pas echt tot me door. Ze misten niet alleen mij en Kim, maar ook twee kleinkinderen. Ik waardeer eens te meer hoe ze ons de ruimte gaven om te gaan, zonder druk op ons uit te oefenen.

Maar terug naar ons huis. Er was een balkon, afgesloten met glazen schuifdeuren. Daar moest de wasmachine komen die we nog niet hadden. In de badkamer was zowaar een echte douche en de WC met spoeling dus, voor ons weer een luxe na een maand zonder bij de familie Hard. We leefden nog in de illusie dat de douche het ook werkelijk zou doen.

Op een ochtend zouden de spullen uit de container worden gebracht door een verhuiswagen. Die wagen bleek een open truck te zijn waarin de chauffeur met zijn collega´s de inhoud op wonderbaarlijke wijze in de achterbak hemelhoog hadden weten op te stapelen. Daar waren de Koreanen meesters in, om in een kleine ruimte een onbeschrijfelijke hoeveelheid dingen te kunnen meesjouwen. Op handkarren of bagagedragers van fietsen werd gigantische ballast versleept. Onze collega´s hadden ooit een kledingkast laten maken die bezorgd zou worden. Op een gegeven moment zien ze iemand met een fiets de steile heuvel af komen sjezen met achterop een kast van 1.80 hoog. Heel knap en behendig, vooral als je het verkeer in rekening brengt dat moordend was.

hoeveel kilo kool deze man op een gammele fiets vervoert?

Het verhuisbedrijf in Nederland had alles zeer grondig ingepakt voor verscheping. Ieder lepeltje, ieder kopje, elk vaasje, elk stuk speelgoed was verpakt in bubbeltjesplastic. Het uitpakken was een uitdaging en een geduldwerk. Maar het weerzien met onze eigen spullen was plezierig na twee maanden van omzwervingen. Hoe we alles gingen inpassen in het mini-flatje was een uitdaging. Maar het voelde goed. Nu begon het echt!

Jesseka en Henk Gootjes spelen ziekenhuisje

Voor de kinderen was het ook goed een eigen plek te krijgen. Hoewel ze zich uitstekend vermaakten en ik me niet kan herinneren dat ze onrustig waren. Ze hadden ook een leeftijd dat het vooral belangrijk is dat je er als ouders bent en verder was het dan wel goed. We hadden veel tijd voor elkaar omdat Kim nog niet werkte en ze kregen ook veel aandacht van anderen. Soms te veel, vooral van Koreanen, die gek zijn op kinderen en ook graag in wangetjes knijpen. Maar we hadden niets te klagen. Ze waren gezond, Lukas gedijde en was een vrolijke, makkelijke baby. Ik voedde hem zelf en toen de tijd voor hapjes aanbrak, kon ik gelukkig Amerikaanse potjes babyvoeding kopen. Gerber ́s baby food. Niet te eten, vond ik het toen al, zeker als ik het vergelijk met wat ik proefde van de Olvarit potjes van onze kleinkinderen in die leeftijd. Brood was lastiger. Er was uitsluitend wit brood te koop,  klef en plakkerig, dat alleen te eten was wanneer je het in de toaster deed. De kleintjes die erop sabbelden maakten er complete deegballetjes van die dan vervolgens in hun keel bleven steken. We verlangden naar volkoren brood, maar dat zou ik zelf moeten bakken. Een heel proces van graan kopen, wassen, drogen, malen en dan pas deeg maken en broodbakken. Dat zou nog wel een paar jaar duren voor ik daar ruimte voor kreeg.

Memories of Korea 1980 -1988; 4

Eerste ervaringen

De eerste indrukken vormen zich tot de eerste ervaringen. Na een maand logeren in Amerika bij familie, verwachtte ik dat nu echt ons Koreaanse avontuur zou beginnen. Maar na een poosje realiseerde ik me dat we eerst nog een andere bijzondere ervaring ondergingen, namelijk die van Amerika in Korea. Klik hier en hier voor de eerdere blogs

Koud

Zoals gezegd, het was koud. Busan ligt helemaal in het zuiden van Zuid-Korea en is minder koud dan de rest van het land vanwege de ligging aan zee, maar het is er kouder dan in Nederland. Daarnaast waren de huizen slecht gebouwd en was er geen centrale verwarming zoals wij die gewend waren. Traditionele verwarming was kookvuur in de keuken, waarvan de warme rook door tunnels onder de vloer geleid werd. ‘Ondul’ in het Koreaans (zie illustratie onderaan). Op de vloer lag gelakt papier dat heel schoon werd gehouden omdat men op de grond leefde.

Traditionele Vloerverwarming

In huize Hard was echter geen vloerverwarming. Olie- en kolenkachels moesten de kou buiten houden. Het was een terug-in-de-tijd ervaring voor mij, ik groeide op als jong kind met kolenkachels. Voor Kim was het nieuw. Hij groeide in Amerika op met centrale verwarming.

Ik herinner me vooral de badkamer in huize Hard, die eerste weken. Waarschijnlijk omdat de rest van het huis koud was. In de badkamer was een cementen bad ingebouwd, een enorme, rechthoekige bak. Dat stond geheel gevuld met koud water. Daarboven hing een ouderwetse douche waarvan ik me niet herinner of die het deed. In diezelfde badkamer was ook het toilet zonder spoeling. Ernaast stond een groot, bruin aardewerken vat, gevuld met water. In dat vat dreef een plastic bakje met een lange steel. Een veel gebruikt instrument in Korea, in die dagen. Na gedane arbeid moest je door het gieten van een aantal van die bakken water het toilet spoelen. Dat was even wennen.

Het kacheltje

Er stond ook een klein kacheltje, met een lange pijp langs het plafond die naar buiten leidde. Dat kleine kacheltje zorgde voor een weldadige warmte. Op het kacheltje stond een grote koperkleurige metalen emmer met deksel, met daarin altijd stomend heet water. Het suisde een beetje, tegen de kook aan. In dat badkamertje wilde ik wel een luie stoel neerzetten. Warmte, suizend water, optimaal voor de ontspanning. Maar er was werk aan de winkel. Ted, onze gastheer,  schakelde ons direct in om het kacheltje brandend te houden. Ik voldeed graag aan die taak omdat ik er ook direct voordeel bij had. Het was wel een omslachtig gedoe. En ik vermoed dat we door de jaren heen aardig wat giftige dampen hebben binnen gekregen. In het ijzeren geval stonden twee kolen briketten, aanvankelijk pikzwart, rond als een flink blik bruine bonen, met gaten van boven naar beneden erin. De gaten moesten precies boven elkaar staan, voor de luchtcirculatie. Je moest ervoor zorgen dat er altijd een van de briketten brandde. Als de onderste brandde ging de bovenste langzaamaan gloeien. Na verloop van tijd moest dan de onderste eruit. Dat was de vieze klus. Gloeiend heet deksel maakte je aan de bovenkant open, de brandende yun-tan viste je eruit met een speciale tang, die zette je neer op een brandvrije ondergrond. Vervolgens verwijderde je de uitgebrande yun-tan, nu een soort crème kleur. De brandende er weer in en daarop weer een verse. Dan kon je weer een paar uur vooruit. Een even simpel als gevaarlijk systeem. De enige invloed die erop uit te oefenen viel, was de toevoer van de hoeveelheid lucht, dat ging dan door er een opgevouwen krant voor het luchtgaatje te wapperen. We deden ons best het kacheltje brandende te houden. Maar de eerste dagen wel met enig angst en beven.

Yuntan

De wijk

Het huis van de familie Hard stond in een zeer arme wijk, op een steile helling met betonnen plaveisel. Vroeger zat daar ongetwijfeld een trap, net als aan het vervolg van de weg, die naar de rosse buurt leidde. Het was een hele klim om bij de poort van het huis te komen. Naast de opgaande weg liep een diepe, open goot, niet afgeschermd. Ik stond doodsangsten uit wanneer we in de auto met Ted of Grace aan het stuur met gierende banden tegen de helling aan omhoog vlogen. Geen van beide waren erg zorgvuldige chauffeurs, dus de auto stond soms in de verkeerde versnelling, of de koppeling kwam te snel omhoog. Op het hoogtepunt, richting huis, moest er een scherpe bocht genomen worden om de auto in de juiste positie voor de poort te manoeuvreren. Ik was altijd weer opgelucht heelhuids in de tuin uit te kunnen stappen.

Samen eten

We aten samen. Gezellig en leerzaam. Hoewel Kim Amerikaan van geboorte is, waren de eetpatronen in zijn jeugd anders dan in huize Hard. Er werd hier drie maal per dag goed gegeten. Overvloedig. Ontbijt met meerdere keuzes tussen pap, eieren, brood, pancakes, worstjes en andere smakelijke zaken die mij in de vroege ochtend wat zwaar op de maag lagen. Lunch was opnieuw een uitgebreide maaltijd. Soep, salade, iets warms en sandwiches. Rond 6 uur kregen we weer een rijke maaltijd. Met een heerlijk toetje, altijd dat heerlijke toetje. Warme appeltaart met ijs. IJs met warme saus, warme pudding met slagroom. Dat kende ik van de Amerikaanse cultuur. Een zoet dessert met koffie kan niet ontbreken. Onze sobere yoghurt met vla voldoet niet. Wij hebben onze kinderen ook leren eten met een toetje in het vooruitzicht als beloning. Voor een bakje yoghurt ga je als kind niet sneller of meer eten. Maar de verrukkelijkheden van Amerikaanse desserts motiveerden onze kinderen tot het eten van de meest vreemde gerechten. Gelukkig maar, want er zou hen nog veel buitenissigs worden voorgeschoteld in de loop van onze tijd in Korea.

Culturele verschillen

Onze kinderen Jesseka en Lukas waren 3 jaar en vier maanden toen we onze intrek bij de familie Hard namen. Het was een beste plek voor hen. Grace en Ted’s vijf kinderen waren allemaal het huis uit terug in de Verenigde Staten. De Hards genoten van de kinderen. Jesseka sprak Engels dus dat maakte de communicatie makkelijk. Die eerste weken was het goed toeven in het land van onze toekomst. We zagen weinig Koreanen, behalve dan tijdens de diners die voor ons georganiseerd werden. We leefden een beetje in een cocon en kregen door de gesprekken met Ted en Grace ook een bepaalde indruk van Korea. Ze waren in hart en nieren Amerikaan gebleven, met een zeker scepticisme ten aanzien van de Koreaanse cultuur. Hoewel ze waarschijnlijk in Amerika ook niet meer pasten, was hun kritiek op de Koreanen meestal wel vanuit een Westers standpunt. Wij wisten nog niet beter en luisterden naar hun verhalen met een ietwat onbehagelijk gevoel, maar konden er verder niet veel op zeggen. Als start was dat achteraf niet fijn. Ted en Grace waren vertegenwoordigers van het oude soort zendeling die goede dingen (het evangelie!)komt brengen en zich praktisch inzet voor de mensen, maar die zich toch ook distantiëren van de autochtone bevolking. De hulp die kwam helpen met wassen en andere huishoudelijke zaken, at niet mee aan tafel maar at alleen, in de keuken. Ik heb dat één keer gedaan later met onze hulp, toen we een eigen huis hadden, maar voelde me zo koloniaal dat ik daar direct mee gestopt ben. Onze hulp werd een gezinslid op den duur. Maar ik loop vooruit.

Smeergeld?


Het is nog steeds januari 1980, en we wachten met smart op de container met onze huisraad. Pas dan kunnen we verhuizen naar het miniflatje dat voor ons gehuurd is, dicht in de buurt van de school waar de mannen gaan lesgeven. Die container met spullen stond in de haven, wisten we, maar er waren allerlei bureaucratische problemen wat, zo zei men, in feite betekende dat er gewacht werd op een steekpenning. Smeergeld was indertijd een bijna onontkoombare realiteit. Omdat we er niet aan mee wilden werken, werden wij tegengewerkt en duurde het lang voordat eindelijk de boel werd vrijgegeven. En ik weet nog steeds niet of het uiteindelijk toch door een envelop van de school is gelukt.

We leren kennismaken met de stad. Ted neemt ons mee op wandelingen en toont ons de bezienswaardigheden in de omgeving. Er zijn er niet zoveel. Het land is arm en vervallen, veel oude gebouwen zijn er niet. De straten zijn nauw en steil. En het verkeer, taxi’s, veel bussen en vrachtauto’s, is druk.

Feest

In een vorig blog schreef ik al over het Nieuwe Jaar (Seullal) We hadden het geluk aangekomen te zijn in die periode van het feest. Het is een groots feest waarbij iedereen zijn mooiste (traditionele) kleding aantrekt en op bezoek gaat met geschenken bij familie. Buiten flaneert men in de straten en parken in de prachtige, felgekleurde klederdracht. Een lange, wijde wikkelrok voor de vrouwen die boven de borst sluit, onder de oksels door vastgeknoopt en daarover een kort jakje, met wijdvallende mouwen sluitend met een lange strik. Vroeger van eenvoudig materiaal maar nu de dracht in toenemende mate voor speciale gelegenheden is, van de meest opvallende felgekleurde, glanzende stoffen gemaakt. Prachtig om te zien. De mannen dragen een wijde broek rond de enkels samengebonden met een lintje, met een jasje erboven eveneens met wijde mouwen. En opnieuw van meest primair gekleurde stoffen gemaakt. Geel met bruin, roze en paars, diep blauw met parelmoer, een feest voor het oog!

We liepen door het park en werden nieuwsgierig bekeken als enige westerlingen. Dat zou al die jaren dat we er woonden zo blijven. In de jaren tachtig woonden er behalve in de hoofdstad Seoel nauwelijks buitenlanders in Busan of de rest van Korea. Waar je je ook maar begaf was er wel een groepje kinderen dat als een zwerm vliegen achter je aanliep en Hello mr. Monkey of ‘miekoek saraam! (Amerikaan)’ bleef roepen. Ik haatte dat.

Na 32 jaar nogmaals: Loes

Loes

10 maart, een datum onlosmakelijk verbonden in mijn hersenpan met de verjaardag van mijn oudste zus Loes. Gisteren zou haar 77e verjaardag zijn geweest. 32 jaar geleden maakte ze een einde aan haar leven, op de leeftijd van 45 jaar.

Tot ze in de ziektewet kwam, lerares Nederlands op het Stedelijk Gymnasium in Schiedam. Begaafd, gedreven, welbespraakt, belezen, liefhebber van wandelen, reiziger, en mijn grote zus. Ik heb al vaker over haar geschreven. Hoe ik als kind en jonge vrouw bang was voor haar omdat ze altijd meer wist dan ik en ik het in meningsverschillen niet van haar kon ‘winnen’. Hoe ze in mijn beleving thuis de sfeer verpestte omdat ze het altijd oneens was met mijn vader en dan ruzie kreeg. Omdat ze mijn moeder onzeker maakte in haar loyaliteit aan mijn vader en hoe mijn moeder dan koos voor de ontwijking, maar hem niet verdedigde. Dat maakte dat ik me onveilig voelde als jong kind. En omdat ze kritiek had op hoe mijn moeder mij opvoedde (verwende, moet ik toegeven)

Maar ook schreef ik over de band die we kregen in de jaren tachtig nadat ze een paar weken voor me gezorgd had na een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. We woonden toen in Busan, Zuid Korea en zij was bij ons op vakantie. Dat was een heel bijzondere tijd. Ik beschrijf dat in de blog ‘Kabeljauw in Korea’. (Te vinden als je op titel zoekt, de WordPresslink werkt niet)

Na zoveel jaar zijn de complexe emoties rondom haar zelfdoding gekalmeerd. De heftige gevoelens van boosheid en hulpeloosheid die in de eerste jaren overheersten en die tot een confrontatie met mijzelf leidden, zijn er niet meer. Het gemis speelt op bij tijden, maar ik weet dat ik dat ook niet moet idealiseren. Loes haar leven was zwaar en ingewikkeld en ze vroeg veel van haar omgeving.

Ik denk dat het gevoel wat ik met me meedraag er een is van een gemis aan wat had kunnen zijn. Het ‘wat als’? Wat, als ze met goede hulp weer een evenwicht in haar leven had gevonden en al haar talenten en enthousiasme had kunnen inzetten in waar ze goed in was? Wat, als ze weer levensvreugde had kunnen ervaren? Wat, als we als zussen eindeloos over gelezen boeken hadden kunnen praten, naar tentoonstellingen en concerten hadden kunnen gaan? Wat, als mijn kinderen een actieve tante gehad zouden hebben, die hen meenam om te wandelen, zoals ze in betere tijden nog met de oudste deed. Ik mis een grote zus, denk ik. Maar ik weet maar al te goed dat iedere grote zus, net als ikzelf, met gebreken komt.

Ik laat het dan weer los en hoop en vertrouw dat ze nu de Levensvreugde heeft, waar ze hier zo vergeefs naar zocht. Maar ik mis haar wel.

Wie geraakt is en worstelt met gedachten aan suicide: bel vooral 113! Er is hulp en er is hoop!

Memories of Korea – 3

Over Ds. Ted en Grace Hard, zendelingen in Korea. En een beetje geschiedenis.

Wat een markant stel mensen blijken onze gastvrouw en -heer te zijn.
Grace, docente op de basisschool op de Amerikaanse legerbasis, hartelijk, intelligent en geïnteresseerd in vele onderwerpen op het gebied van pedagogiek, theologie en christelijk geloof. Een lange, opvallende vrouw. Ze spreekt met een licht New Yorks accent en heeft een doordringende stem. Goedlachs en met gevoel voor humor. Ik voel een klik.


En Ted, docent theologie op dezelfde school als waar Kim zal gaan werken. Intelligent, vol rusteloze, onverzadigbare belangstelling voor van alles en nog wat, opvliegend, zeer begaan met het Koreaanse volk. Niet alleen op het gebied van zending in de nauwe betekenis van het woord, als evangelieverkondiging. Maar ook op de doorwerking van dat evangelie op sociaal en maatschappelijk gebied. Een van zijn passies was bijvoorbeeld het bouwen van kleine branders op zonne-energie zodat mensen op het platteland niet alleen afhankelijk van hout of (dure) kolen waren.

Wat hem karakteriseerde was vooral, dat hij altijd bezig was dingen te bedenken als mogelijke oplossingen voor de vele praktische problemen die er in het toen nog arme land altijd waren, en die het leven van de meeste mensen zwaar maakten. Hij kon zich opwinden over de koppigheid van Koreanen die liever volgens vertrouwde methodes bleven werken. Hij verzamelde hij meters en meters tweedehands theologische boeken om ze ter beschikking te stellen aan theologische opleidingen in de hele (derde) wereld. Een altijd bezige man, die principieel tegen vakanties en vrije tijd was, omdat God ook altijd werkte. Behalve op zondag. Een originele denker, dat zeker. Maar daarom ook wel eens moeilijk te volgen. Hij genoot van Kims gezelschap en er werden de nodige theologische discussies gevoerd. Hij kon heel dwars zijn en van Kim verwachtte hij dan tegengas.

Hun vijf kinderen zijn al lang het huis uit en terug in Amerika.

Een beetje geschiedenis

Ted Hard was een Korea kenner. Als jonge eerstejaars student meldde hij zich in de Tweede Wereldoorlog aan bij de Amerikaanse luchtmacht. Hij werd getraind als navigator op een B 29 bommenwerper. Zijn standplaats was de Filippijnen. Tijdens zijn trainingen daar werd hij geraakt door de armoede onder de plaatselijke bevolking, zowel fysiek als geestelijk Het deed in hem het verlangen ontstaan zendeling te worden. Na de oorlog studeerde hij verder aan Wheaton College in Chigago, waar hij zijn vrouw, Grace Vogel leerde kennen. Hij vervolgde zijn theologische studie aan Westminster Seminary in Philadelphia.

Na het behalen van zijn diploma vertrok hij naar Zuid-Korea, een land op dat moment geteisterd door een verschrikkelijke burgeroorlog (1950-52). Het communistische Noorden, in Russische handen terecht gekomen na de Tweede Wereldoorlog, was in 1950 het Zuiden binnengevallen en had, geholpen door tienduizenden Chinese soldaten, bijna heel het land bezet, met uitzondering van Busan, het uiterste Zuidoosten.
Miljoenen mensen uit het noorden vluchtten naar het zuiden, met name Busan.
Gedwongen door de Verenigde Staten en andere grote wereldmachten moest Noord-Korea zich uiteindelijk terugtrekken tot achter de 58e breedtegraad, ten noorden van Seoel, het zuiden verwoest achterlatend.

THE KOREAN WAR 1950 – 1953 (BF 397) Korean refugees leaving the battle area – women and children carrying their belongings walking along the side of the road. There are no men in the group, as they had all been conscripted. Copyright: © IWM. Original Source: http://www.iwm.org.uk/collections/item/object/205191941

Onder de vluchtelingen vanuit het noorden waren veel christenen. Pyongyang in het Noorden werd wel het Jeruzalem van Korea genoemd. De situatie in het land was chaotisch. De mensen waren straatarm en velen hadden geen dak boven hun hoofd. Men leefde in tenten of tijdelijke kampementen. Iedereen was wel een familielid of meerdere familieleden kwijtgeraakt door het trekken van een willekeurige grens van prikkeldraad en landmijnen ten noorden van Seoel. Men kon elkaar niet meer bereiken. Ouders hun kinderen niet, broers en zussen hun ouders niet, en vele broeders en zusters in Christus waren gevlucht of gedood. Die grondtoon van verdriet in de Koreaanse samenleving was een element waar wij ons maar langzaam bewust van werden, maar die op den duur voelbaar werd. Zelfs 30 jaar na datum.

Pioniersmentaliteit

In dat verwoeste en verscheurde land kwam Ted Hard aan in 1954 als zendeling namens de Orthodox Presbyterian Church. Hoewel Grace en hij al getrouwd waren, kon zij, vanwege de gevaarlijke situatie, nog niet direct met hem mee. Hun motivatie om juist in dat land als zendeling te gaan wonen was sterk en na een half jaar heeft Grace, hoogzwanger van hun derde baby, zich bij hem gevoegd met twee jonge zoons, Rodney en Sterling, die nog in de VS geboren waren. Zes weken na aankomst werd hun dochter geboren.
Om dit te kunnen moet je een pioniersmentaliteit hebben. En je niet door van alles uit het veld laten slaan. Het zijn bijzondere mensen die dit kunnen, met een persoonlijkheid die vaak in de ‘gewone’ wereld niet makkelijk in te passen valt. Laat ik het zo omschrijven. Ted was een pionier. Iemand die zich door niets of niemand liet tegenhouden wanneer hij meende een goed plan te hebben. Conflicten volgden hem dus overal. Maar veel goeds en nuttigs liet hij achter.

Dit als korte schets om een beeld te krijgen met welke bijzondere mensen wij de eerste anderhalve maand de dagen doorbrachten. Al wist ik toen nog niet van die hele geschiedenis.

Eerste indrukken


Niet lang na onze aankomst is het Koreaans Nieuw Jaar. Net als in veel andere Aziatische landen vieren de Koreanen hun feestdagen volgens de maankalender. In de jaren tachtig zeker nog. We worden gewekt door een hels kabaal van metalen trommels waar vol overgave op geslagen wordt met houten trommelstokken. Zo hard als mogelijk is, want de boze geesten moeten verjaagd. Als we gaan kijken bij de poost zien we een dansende groep mannen en vrouwen die op deze oorverdovende manier het nieuwe jaar inluiden. Goedemorgen. Later gaan we naar een park in de buurt waar veel gezinnen en stelletjes flaneren. En oude heren in prachtige kostuums. Ted spreekt ze aan in zijn redelijk vloeiend Koreaans. En wij worden natuurlijk nieuwsgierig gade geslagen. Op de dag van Seollal gaan mensen bij familie langs, met cadeaus, mooi aangekleed in Koreaanse dracht, eten traditioneel een soep met schijfjes rijstpasta. We zouden het nog acht keer meemaken.

Memories of Korea 1980 -1988 – 2

Februari 1980 – Aankomst en Ontvangst

Donderdag, 14 februari rond vijf uur in de middag landt onze Korean Airlines vlucht uit Tokio op het vliegveld van Busan. We hebben onze eindbestemming bereikt: Busan, meest zuidelijke havenstad in Zuid-Korea. We stappen rechtstreeks uit op de landingsbaan en lopen naar de aankomsthal. Het is schemerig, erg koud en stoffig. Over de landingsbaan naar de aankomsthal lopen vanuit het vliegtuig had ik nog niet eerder meegemaakt en het bevestigt wat ik al wist, dat ik hier in een arm land ben aangekomen.

We zeulen onze kinderen mee plus de handbagage en al direct voel ik de blikken. We worden aangekeken en nagestaard. En als ik me niet vergis wordt er om ons gelachen. In het gebouw aangekomen stoten mensen elkaar aan en wijzen in de richting van het reiswiegje waarin we onze jongste vervoeren die op zijn buik ligt en parmantig zijn hoofd erboven uitsteekt. Die doos met hengsels en dat hoofdje blijken de hilariteit te veroorzaken. Hoezo, denk ik direct met enige agressie, nog nooit een baby in een reiswieg gezien? Het is de eerste schurende kennismaking met een nieuwe cultuur waarin het vanzelfsprekende opeens raar en lachwekkend blijkt.

Het Volkslied

We staan in de aankomsthal. Stipt om vijf uur weerklinkt plotseling door alle luidsprekers een luid gezang. Iedereen, volwassenen, kinderen, politie, douane en reizigers staan stokstijf stil, hand op het hart. We kijken wat verbaasd rond en men maakt ons duidelijk stil te zijn. Het Koreaanse volkslied schalt door de kale, betonnen hal. Een ritueel dat dagelijks op dit tijdstip herhaald wordt in het hele land, leren we later. De bevolking wordt geacht stil te staan en respect te tonen. Onze introductie in de sterk nationalistische dictatuur van Zuid-Korea in de jaren tachtig is begonnen. Hoe cruciaal dat decennium zal zijn voor het land in de ontwikkeling van autoritaire staat naar een democratie, zullen we pas achteraf gaan begrijpen. Daarover later meer.
Onze kinderen zijn moe en huilerig en we houden hen met veel moeite stil. Wat duurt een volkslied lang en wat kunnen mensen ontzettend verstoord staren. Ook dit doorstaan we. De lange reis vanuit Amerika naar Tokio, de overnachting daar in een hotel, de ontmoeting met het gezin van Niek en Dinie Gootjes met wie we de komende jaren lief en leed gaan delen, de vlucht van Tokio naar ons woonland voor de toekomst, en nu de gang door de douane. We zijn er. Hier zullen we de komende jaren zijn.

Welkom

Na een hoop gedoe bij de niet vriendelijke douane komen we dan eindelijk de aankomsthal binnen. Er staat een heus welkomstcomité te wachten. De professoren Lee Kun Sam en Oh Byung Sae. De eerste is rector van het Kosin Theological Seminary en heeft in Nederland aan de Vrije Universiteit in Amsterdam gestudeerd in de zestiger jaren. Hij is nauw betrokken bij het initiatief om Nederlandse docenten naar de Theologische Hogeschool in Busan te halen. Professor Lee spreekt nog een aardig woordje Nederlands. Een allervriendelijkste man. Prof. Oh Byung Sae is een vriendelijke, maar wat meer gereserveerde man. Een echte Koreaanse geleerde zullen we later begrijpen als hij in zijn prachtige, statige Koreaanse geleerde winterkledij op school rondloopt. Hij spreekt uitstekend Engels. Verder is er een Amerikaans zendeling echtpaar, ds. Theodore en Grace Hard . Zij wonen al sinds de jaren vijftig in Busan en zijn nauw verbonden met de opleiding. We worden hartelijk welkom geheten en in een stoet naar buiten geleid waar we in een aantal auto’s worden geplaatst. Autostoeltjes bestonden zelfs in Nederland nauwelijks, dus zeker in Korea is daar geen sprake van. Kinderen her en der op schoot en in het inmiddels aardedonker vertrekt de colonne auto’s richting de stad Busan. De duisternis valt hier snel, er is nauwelijks schemering. En er is geen enkele straatverlichting te bekennen. Alleen de koplampen van de auto’s geven een zwak licht in het donker van de snelweg, of wat daarvoor moet doorgaan. Veel van de omgeving is er niet te zien. De wegen voelen hobbelig aan, maar meer is er over die eerste rit over Koreaans grondgebied niet in mijn herinnering achtergebleven. Het is inmiddels rond zeven uur en ik ben doodop.

Ik geef me over aan de autotocht, heb geen idee waar we terecht zullen komen, huis, hotel of wat dan ook. Ik ga ervan uit dat het wel goed zal komen. Na een maand bivakkeren bij de schoonouders en daarna een zwager, zal hier ook wel ergens een bed staan waarin we kunnen slapen, desnoods met zijn drietjes. Lukas heeft immers zijn eigen veelbesproken reiswieg al.

De Maaltijd

Het laatste waar we mee gerekend hebben is de Koreaanse gewoonte om gasten met een (uitgebreide)maaltijd te verwelkomen. Of de gast daar wel of geen behoefte aan heeft na een vermoeiende reis doet niet ter zake. Eten aanbieden is de eerste vorm van gastvrijheid. Veel eten. Weigeren is een belediging van de gastheer en -vrouw. Eten is in de Aziatische cultuur de poort naar contact en vertrouwen. Ergens hadden we dat in een boekje al eens gelezen, maar in ons hoofd gevuld met watten door de eindeloze reis is het licht nog niet aangegaan. Ik wil alleen maar mijn moede lijf ergens neerleggen en slapen!

Hialeah

Legerbasis Hialeah. Kon geen foto vinden uit de jaren tachtig, helaas.

De colonne auto’s stopt, na een lange rit, bij een controlepost met Amerikaanse militairen die op wacht staan. Papieren worden gecheckt en de stoet rijdt door. We stoppen bij een gebouw dat ‘Officersclub’ heet. Het restaurant voor officieren op de Amerikaanse militaire basis Hialeah. Mevrouw Hard werkt als onderwijzeres op de lagere school van de basis en heeft toegang tot alle faciliteiten. (Later zullen we daar nog veel plezier van hebben). Maar hier gaat tot onze grote schrik een maaltijd plaatsvinden.
Misschien om het niet al te ingewikkeld te maken, misschien om ons niet direct af te schrikken door ons Koreaans eten voor te schotelen, misschien omdat men het een hele eer vindt daar te eten, ik weet het niet, maar een half uur later zitten we verbouwereerd achter een steak op ons bord met de omvang van een half stoelkussen. Vier kinderen onder de vier, vermoeid van de reis en jengelig, moeten vervolgens twee uur zoet worden gehouden. De steak hebben we met moeite opgegeten. De frieten die erbij hoorden houden onze oudste nog een poosje bezig, ik neem de jongste aan de borst en zo zitten we onze tijd uit. Onze collega’s met twee kinderen van 1 en 2 jaar hebben minder geluk. Die kruipen overal onder en doorheen en zijn niet te houden.
Wat zijn we blij als er een einde aan de maaltijd komt en we met goed fatsoen kunnen opstaan en in beweging komen. Maar niet alvorens prof. Lee ons de plannen voor de komende tijd heeft uitgelegd. Ons gezin zal logeren bij de familie Hard en het gezin Gootjes krijgt de beschikking over één kamer in het huis van de familie Lee. Aldus besloten rijden we in de verschillende auto’s naar onze verblijfplaatsen.

Ons eerste onderkomen

Wij komen terecht in een oud, krakkemikkig Japans huis van voor de Tweede Wereldoorlog. Het heeft slechts één verdieping en bestaat uit een doolhof van kamers en ruimtes. Het is er ijzig koud. In ieder verblijf staan oliekachels en kleine kacheltjes die later kolenkachels blijken te zijn, die gevoed worden met de beruchte yun-tan, kolenbriketten. Berucht vanwege het koolmonoxide gevaar.

Fam. Hard’s huis en tuin

Er is goed voor ons gezorgd. We krijgen de beschikking over een slaapkamer met een groot tweepersoonsbed en een aansluitende slaapkamer met een groot bed voor Jesseka, waarin ze bijna direct in slaap valt. Haar donkere krullen uitgespreid rondom dat hoofdje slaapt ze, zonder angst, gerust in. Zolang wij maar in de buurt zijn is alles goed. Ik benijd haar een beetje, want ik voel me door alle indrukken nogal vervreemd van mezelf en de omgeving. In onze kamer maken we een plekje voor Lukas, die al even vredig in zijn reiswiegje slaapt. We kruipen in bed, danken God dat we na alle omzwervingen dan toch eindelijk op onze bestemming zijn gearriveerd en we zijn klaar om te gaan slapen. We zijn er. Onze eerste nacht in Busan, Zuid-Korea. Onze nieuwe woonplaats voor de komende jaren.

De volgende dagen en weken blijken echter vooral een kennismaking met hoe een Amerikaans zendelingen echtpaar in Korea leeft en werkt, dan met het land zelf.