Woudenberg boys

Woudenberg brothers

Ik heb weer een paar volle genietdagen achter de rug met mijn twee stoere kleinzoons van zeven en vier. Het was warm, dus we zijn veel buiten geweest, o.a. in het Julianapark in Utrecht. De jongens hadden niet zoveel trek in de speeltuin daar. Ik neem het ze niet kwalijk want het was er bloedje warm. Jammer genoeg is er geen zwembadje of iets dergelijks. Zou nog wel een idee zijn voor dit prachtige park. Er zijn een paar springfonteinen, maar je moet er aardig flink op stampen voor er water gaat spuiten. Niek en Kris zagen het niet zo zitten. Kris sprong drie keer achter elkaar heel hoog en kreeg aardig wat water aan het sproeien met dat stevige lijf van hem en viel vervolgens van het speeltuig. Niek is zo licht als een veertje dus hij moest zo hard springen dat het de moeite niet waard was.

speeltuin

We hebben zitten kijken naar een groepje kinderen van een NSO, met warme, paarse, polyester hesjes waarop de naam van het instituut stond. Saartje. Nou, zei Niek, met verachting in zijn stem, op zo’n opvang zou ik niet willen zitten, hoor. En veel zin om met ze te spelen hadden ze ook niet. Dus liepen we een rondje langs de dieren. Deze zaten achter gaas. Er lopen ook dieren rondjes langs de mensen in het park, kippen en hanen. Vooral voor de hanen moet je oppassen. Kris werd in zijn bil gepikt toen hij hem wilde wegjagen van ons eten.

Toen we alle dieren gezien hadden en we terug waren op onze plek, dreigde de verveling. Wat nu?   Als door een wonder, stond er opeens een ijscowagen in het park. Ik gaf Niek geld om ijsjes te kopen. De stemming schoot met een piek omhoog. Kris had opeens weer enorme energie en Niek zag de uitdaging zitten om zelf de bestelling te plaatsen.

Daar gingen ze samen. Ik wil een Skeleto, zei Niek. Ik ook, zei Kris, wat meestal zijn antwoord is op Niek’s plannen. In de verte zag ik Niek omhoog praten naar de meneer in het raampje van de wagen. De Man boog zich diep voorover, naar Niek, om te horen wat hij zei. Zou het lukken? Toch maar er even heen. Halverwege kom ik ze tegen, de mannetjes. Kris heeft een ijsje, maar huilt tranen met tuiten. Niek heeft zijn arm om hem heen. Wat is er aan de hand?
‘Ik wíl geen Cornetto’, roept Kris dramatisch door zijn tranen heen, ‘die lust ik niet!’
‘Ja’, zegt Niek, ‘die meneer begreep mij niet en toen gaf hij twee Cornetto’s.  Ik zei twee Skeleto’s, want ik wist niet meer precies hoe het heette. En nou wil Kris zijn ijsje niet’.

Oh, gelukkig, dit is op te lossen. Ik loop terug en bestel het ijsje dat Kris wilde, een Calypso cola. Helemaal gelukkig droogt hij zijn tranen. Calypso’s, Cornetto’s, ach ja waarom ook geen Skeleto’s?

Pannenkoeken eten met tante Sas

De volgende dag zijn we gaan zwemmen in het Henschotermeer. Een leuke plas in de buurt van Woudenberg, maar erg druk op een warme dag. ‘Wat gaan we doen, dan?’ vraagt Kris. Zwemmen natuurlijk. Oh..OK. Bandjes om en het water in. Een lauwwarme plas, maar Kris vind het steenkoud. ‘Ik hoef niet’, kondigt hij aan en loopt zo kordaat als hij kan in het water, naar de kant. Kris voegt meestal onmiddellijk de daad bij het woord.

Met veel moeite krijg ik hem het water weer in (ik laat mezelf nat maken met een waterflesje, een offer) en als hij eenmaal door is vindt hij het heerlijk. Als een hondje spartelt hij door de plas. Maar Niek heeft het al snel koud. We gaan er uit en liggen te bakken in de zon. Er is weinig ruimte om te spelen in de schaduw en in de zon is het te heet. ‘Ik wil naar huis’, zegt Kris,  ‘het is hier zo heet… En ik wil een ijsje’. Jammer genoeg voor hem heeft oma zich voorgenomen vandaag nog geen ijsjes te gaan kopen.

Tussen de dikke pannenkoek van de vorige avond en een hele snoepketting (met dank aan het pannenkoeken restaurant, kunnen ze niet een beker snoeptomaatjes meegeven of zo?) zit slechts een moeizaam ontbijt (‘dit is ander brood dan dat van mamma’).
‘Ik zie suiker uit je oren komen’, zeg ik. Kris vindt het niet grappig.

Ze hebben er geen van beiden meer zo’n zin in. Niek heeft een poos een Amerikaanse voetbal heen en weer gegooid met opa en is moe.

We leveren de jongens af bij hun mamma vanwege een afspraak bij de oogarts en rijden zelf linea recta naar Kijkduin, waar een andere dochter woont en springen de (koude!) zee in.

Kijkduin

Die zee…wat is dat toch een verrukkelijke plas.

Lang geleden en toch ook nu

18 juli zou het 45 jaar geleden zijn dat mijn oudste zus Loes trouwde met haar liefde vanaf de middelbare school, Gert. Het was die vrijdag in 1967 33 graden in de ruimte waar de receptie was, de Beukenhof in Velp. We droegen formele trouwkleding, inclusief jacquet en hoge hoed voor de mannen, waarbij ik het geluk had, als twaalfjarige puber, een mouwloze lange jurk te dragen. Genaaid door mijn tante Rie. Op de foto die ik nog heb is duidelijk dat hij niet zo mooi valt, maar ook zie ik (en herinner ik me) dat ik apetrots was, vooral dat ik aan de arm van Gert’s broer, 10 jaar of zo ouder dan ik, op de foto mocht.

Ik weet ook nog heel goed hoe ontzettend verkouden ik was. Ik durfde mijn neus niet te snuiten, dus maakte waarschijnlijk een voortdurend snottergeluid waarop mijn broer in de kerk reageerde door te zeggen dat ik mijn neus eens moest snuiten, dit tot mijn diepe vernedering. Ik voelde me weer een kleuter, terwijl ik net tot zo’n grote hoogte was geklommen aan de arm van mijn volwassen bruiloftspartner.

Veel meer herinnering dan de hitte, mijn verkoudheid en mijn eerste (legale) sigaret die dag heb ik niet. We hebben ongetwijfeld een lied gezongen, lekker gegeten en gelachen om de droge humor van de familie van Gert.

Mijn zus is midden jaren zeventig gescheiden van Gert. Pijnlijk, maar die dingen gebeuren. Gert was als een broer voor me want hij was al in de familie, als vriendje van Loes, toen ik tot bewustzijn kwam, zo rond mijn derde. Vreemde gewaarwording om dan een scheiding te ervaren. Wij bleven afzonderlijk contact houden met Gert, met wie het al enige tijd niet goed ging.

Om een lang, pijnlijk verhaal kort te houden, Gert stierf begin jaren tachtig aan een ongeluk, waarvan het sterke vermoeden bestaat dat hij bewust tot die fatale keuze kwam. Twaalf jaar later stierf mijn zus aan suïcide. Ik las die uitdrukking ergens en ik gebruik die bewust. Beiden kozen ervoor een einde aan hun leven te maken, maar wanneer je het zo zegt klinkt dat zo gewild, zo autonoom, er is geen ruimte in die woorden voor de ziekte, de boze geest, de vertwijfeling die mensen tot zoiets brengt.

Vijfenveertig jaar sinds ze trouwden, vol idealen en dromen. Vijfendertig jaar of zo sinds de scheiding, eenendertig jaar sinds het sterven van Gert, twintig jaar sinds mijn zusje stierf. De tragiek dringt zich aan je op maar is niet in woorden haast te vatten. En de jaren gaan zo ontzettend snel voorbij.

Soms doet dat voortjagen van de tijd geen recht aan levensomvattende, altijd weer onverwacht schurende en pijnlijke gebeurtenissen zoals deze. Ik heb de neiging mezelf te vermanen dat ‘het toch al zolang geleden is’ wanneer ik opeens weer terug ben bij ‘toen’ en de littekens weer trekken en opspelen.  Maar het is goed er af en toe bij stil te staan. Gemeten naar het grote wereldleed is dit klein. Maar het grote leed is alleen te delen en begrijpen wanneer je het kleine leed mag voelen.

Trouwens wie ben ik om dit klein leed te noemen? Is er iets ergers dan je kind verliezen op deze manier? De beide moeders hebben hun kinderen jaren overleefd en hun verdriet gedragen als gelovige vrouwen doen. In hun zwakheid hun kracht gezocht bij God. Mijn moeder sprak er weinig over tot aan het einde van haar leven de blokkades wegvielen door dementie. Eigenlijk heeft ze toen voor het eerst echt gerouwd. Maar door de dementie bleef ze erin hangen, steeds weer kwamen de tranen en de het gemis. Tot, ‘dankzij’ diezelfde afschuwelijke ziekte, ook de herinnering aan Loesje (zoals mijn moeder haar noemde) vervaagde.

Tijdens haar begrafenis zongen we de psalmen en liederen die ze zelf had uitgezocht toen ze nog helder was. Niet één klaagpsalm, merkte de predikant op. Terwijl er toch genoeg reden tot klagen was. We zongen haar psalmen en liederen van verlangen. “Oh God, Gij weet hoe ik begeer, bij U te wonen in Uw hoven”. “Wien heb ik nevens u omhoog?”

Het is hoop en verlangen. Troost bij de God van Jacob, die ook de God van mijn moeder was, als het weer even pijn doet.

Het weer is niet alles, maar ook niet niks

Klagen mag niet. Er zijn veel ergere dingen in de wereld dan een beetje regen. Er zijn hele gebieden op aarde waar ze smachten naar water. En kom op, van een beetje regen is nog nooit iemand overleden. Kijk maar naar de mooie wolkenluchten en geniet van alle weersoorten. Hitte is toch ook niet alles? Nu doe je tenminste nog wat.

Heb ik ze allemaal gehad? De opmerkingen van de optimisten die in alles wel een zonnestraaltje ontdekken? Die bij iedere grijze wolk en na iedere regenbui zeggen: dat hebben we gehad, wat nu valt kan straks niet meer vallen en weer opgewekt aan een nieuwe kruiswoordpuzzel beginnen onder het druppelende afdak van hun voortent.

Mijn zon-doorbakken lijf en ziel kon heel wat grijs weer en regen aan bij terugkomst van een fantastische reis door de VS. En ik ben ook niet van de tropische temperaturen. Maar wat is buiten eten heerlijk, een koud glas witte wijn in de tuin op een warme avond plezierig en de vrolijke sferen van een zomerdag verheffend voor je ziel en lichaam.

Verschillende van mijn vriendinnen lijden eronder dat ze niet in de tuin kunnen werken, waardoor ze een goedkope en gezonde vorm van therapie mislopen. Hun piekerende hoofden vinden rust bij het loswoelen van de aarde en zorgvuldig verwijderen van onkruid. Alles in het leven moet je loslaten, alles loopt anders dan je hoopte of verwachtte, maar op dit kleine plekje grond heb jij (even) overzicht en rust. En met het werken in de zwarte grond is het of je woelende gedachten via je handen daar achterblijven. Even vrede in je hoofd.

Calvijn noemde bidden een vorm van tuinieren. Spitten, graven, woelen. Naar iets dat onder de grond bewaard ligt en dat je vinden kunt, schatten die God daar heeft voor ons. Zelf tuinierster én bidder heeft dat beeld me altijd aangesproken. Tuinieren en bidden kan helend zijn, maar ook zwaar of niet mogelijk. Hoe kan je tuinieren als je je arm breekt, hoe kan je bidden als je hart zwaar is en je hoofd vol?

Misschien is dit wel het antwoord van God: die rust in het wieden van onkruid wanneer het rechtstreekse gebed niet wil. De schat die Hij voor ons heeft, verstopt in de natte, naar zoete schimmel ruikende, rijke aarde. Het is bidden met je handen en ontvangen in je ziel tegelijk.

Dat het toch maar even zomer worden mag.

Kleine theologie

Fahrenheit speeltuintje

Mijn kleinzoons hebben bij gelegenheid interesse in het christelijk geloof.

Althans in de vorm die dat aanneemt bij hun opa en oma. Zelf zijn ze niet gewend om te bidden of naar de kerk te gaan. Dus het fenomeen bidden intrigeert hen wanneer ze dit waarnemen bij ons. Vooral kleinzoon Niek (7) heeft vele vragen. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af waarom we altijd maar bidden voor het eten? Zélfs in het cafeetje waar we een tosti eten. ‘Vergeten jullie het nooit een keertje?’ wil hij weten.

Nou nee, zeggen wij. Waarom dan niet? Het is een manier waarop we willen zeggen dat we geloven dat alle eten van God komt, niet van onszelf, proberen we uit te leggen. ‘Nou, dan heeft God wel honderd armen en benen nodig om alles in de winkels te brengen’, zegt Niek met kinderlogica. Zonder het te beseffen omschrijft hij in kindertaal de grootheid van God die niet te bevatten is. We zeggen, het is meer als de lucht, die is overal en onzichtbaar en geeft aan iedereen leven.

Kris (4) leeft op bij het woordje onzichtbaar. Dat had hij al uitgevonden, dat de lucht onzichtbaar is. Het is er wel, hoor, want je ademt, maar je kunt het niet zien. Net als elektriciteit. Die zie je ook niet. Maar als die kapot is doet de lamp het niet. Dat had hij van pappa geleerd. En hij knabbelt verder aan zijn tosti.

Niek wil weten of wij geloven in één God of in meer goden. We begrijpen niet helemaal waar het vandaan komt, maar we zeggen dat we in één God geloven. Dat vindt weerklank. Eén God is veel sterker dan als je veel goden hebt, vindt hij.  Ja, ik geloof ook in één God, zegt Kris.
Jij bent een na-aper, zegt Niek.

OK, denken we, voor de vragen al te specifiek worden gaan we het maar over iets anders hebben. We willen de ouders niet voor de voeten lopen in de religieuze opvoeding. Dat is best lastig, vooral wanneer je in dit soort gesprekken terecht komt.

Fascinerend vind ik dat kinderen zo diep na kunnen denken. Vooral de oudste kleinzoon is vanaf heel jong nieuwsgierig geweest en heeft voor zichzelf al heel veel ideeën geformuleerd. Over goed en kwaad, over het verdwijnen van de dino’s , over doodgaan en leven na de dood.

Hij bouwt een wereldbeeld, zou je kunnen zeggen. Zoekt naar de betekenis van dingen.
En hij is nog maar zeven.

 

Kleine pedagogiek

‘Ik vind het saai, ik hoef dat boek niet! Nee-ee, ik wil het niet, niet meenemen naar binnen’. Ik probeer mijn kleinzoon Kris (4) ervan te overtuigen dat het Ernst en Bobby vakantieboek wat ik net gekocht heb heus wel leuk is, maar hij is het absoluut oneens met me.

Ik ben ook niet zo’n E&B fan maar er was niet veel keus in de supermarkt en lezende grote broer Niek heeft een Donald Duck vakantieboek uitgekozen. Terwijl Kris de winkel rondrent om boodschappen uit te zoeken met mijn echtgenoot heb ik dus dit vermaledijde, saaie boek uitgekozen. ‘Ik wi-il het niet’, verzekert hij me nogmaals met gevoel voor drama. Hij geeft blijk van een goede smaak waarschijnlijk maar het is een lastig dilemma. We willen naar binnen met de boodschappen, maar, het boek moet in de auto blijven, hij wil er niets mee te maken hebben. Dit gaat me net te ver dus ik steek het in de boodschappentas met de gedachte, straks wil hij het vast wel zien en gooi het portier dicht.

Nu moet ik ter verdediging van mijn kleinzoon zeggen dat hij niet een verwend nest is. Hij heeft geen wi-i, geen nintendo, hij kijkt dvd’s op een ouwe tv, en verder krijgt hij gewoon leuk speelgoed. Is blij met onnozele plastic transformers en tweedehands prullaria.

Dat is dus niet de reden van zijn emoties. Hij heeft een, laten we zeggen, sterk ontwikkeld gevoel voor wat hij wel en wat hij niet wil. Zijn ouders hebben methodes om er mee om te gaan, maar deze goedwillende oma-met-jetlag is haar pedagogiek even kwijt en zoekt een balans tussen toegeeflijkheid en redelijkheid.

Ik doe dus de deur van de auto dicht, met enig vertoon van gedecideerdheid. Dit roept bij mijn kleinzoon een averechtse reactie op. Zo snel zijn beentjes hem dragen kunnen rent hij weg, onder het uitroepen van hartverscheurende kreten. ‘Kom terug’, roep ik  getergd. Mijn andere kleinzoon van zeven schudt, wijs door ervaring blijkbaar, zijn hoofd en zegt gelaten: ‘nou, dat gaat zo niet lukken, hoor…’

Ik zal er dus achteraan moeten. Tussen de heggen en stegen van mijn woonerf is het makkelijk verdwalen en mijn dochter had me op het hart gedrukt dat hij nièt van het garageplein mocht. En nog geen twee uur later rent hij door het labyrint van mijn buurt, overmand door verdriet omdat hij een Ernst&Bobby boek opgedrongen krijgt.

Niek zet rennend de achtervolging in en ik hou het nog even bij een stevig wandeltempo, bespied als ik me voel door buren die het telefoonnummer voor melding van mogelijke kindermishandeling al aan het zoeken zijn. Niek neemt de leiding als we bij een kruising komen. ‘Ga jij rechts, dan ga ik links’. Het is net een spannende achtervolgingsscène uit een detective. Al na een paar minuten hoor ik een woest geschreeuw: Ik heb hem! Ik spoed mij in de richting van het lawaai en daar ligt Kris, in de greep van zijn grote broer, die redelijk kalm blijft en een beetje grinnikt.

Ik pak het minstens 25 kilo wegende, spartelend hoopje verzet op en laat hem weten dat dit toch echt niet kan. Verdwalen, ongerust, luisteren, alles passeert de revue. Ondertussen probeer ik hem te troosten, tevergeefs.

Ontroostbaar is hij. Niek heeft duidelijk medelijden met zijn kleine broertje. Zelf draagt hij zijn Donald Duck boek nog onder zijn arm. ‘Hier’, zegt hij dan grootmoedig, ‘dan mag je deze wel kijken’, en geeft Kris zijn kostbare boek. Maar die is nergens in geïnteresseerd, zelfs niet in de DD van zijn grote broer. Thuisgekomen zit hij op zijn Stokke stoel, met een glaasje sap. Niek gaat bij hem staan om hem nog even te knuffelen.

Ik kan mezelf wel voor de kop slaan: Waarom heb ik dat stomme boek niet gewoon in de auto laten liggen? Gelukkig, als we er later grapjes over maken heeft hij ook weer zijn gevoel voor humor terug. ‘Nou, eigenlijk is het niet zo saai, hoor, ik dácht dat gewoon’. En, als om mij te troosten, gaat hij braaf een opgave proberen te maken: ‘Hoe moet dit, oma?’

De vrede is weergekeerd.

Marigold Hotel, de film

Gezien: The Best Exotic Marigold Hotel
Waar: Boston, VS
Regisseur: John Madden

De complete adel van de Britse acteurs heeft in deze film een rol gekregen. Dat is dan wel het 60+ gedeelte van die adel. Maar wie denkt een soort Maxfilm te zien met een stelletje suffe bejaarden, geen zorgen. De spelers zijn geweldig, de entourage, India, fascinerend en de muziek vrolijk.

Toegegeven,Het verhaal is niet erg diep of met vele lagen. Maar er komt toch veel voorbij tussen alle zogenaamd komische scenes. Judie Dench schittert in haar rol als weduwe die vanwege financiële problemen een goedkoop onderkomen zoekt en zelfstandigheid, Maggie Smith, koningin van Brits drama (dowager in Downton Abbey) heeft een nieuwe heup nodig en in India kan dit snel en goedkoop. Zo zijn er nog een aantal reizigers die om verschillende redenen in Marigold Hotel belanden, uiteraard niet het luxe seniorenresort dat de Engelse brochure belooft. Ze komen terecht in een weliswaar karakteristiek, maar oud en vervallen hotel uit de koloniale tijd. De eigenaar is een grenzeloos optimistische jonge man uit een rijke familie, die het helemaal ziet zitten. De senioren beleven van alles, alleen of samen. En de verhoudingen onderling verschuiven. Ten goede of ten kwade.

Een komedie met af en toe een serieuze wending. Niet eentje waar je dubbel bij ligt, maar waarbij je wel steeds een glimlach voelt. Inderdaad, een feelgood film, maar wat is daar mis mee als er zo geweldig geacteerd wordt? De enige zwakke speler is de jonge Indiase eigenaar van het restaurant. Een beetje te veel van het goede vonden wij.

De Overgave en White Squaw

De Overgave van Arthur Japin vertelt het verhaal van Cynthia Ann Parker, een 9 jarig meisje dat in 1836 ontvoerd wordt door Comanche Indianen in het zuiden van Texas, toen een nog niet gekoloniseerd gebied in Amerika. De Comanche Indianen zijn bekend om hun primitieve levensstijl, vergeleken met andere stammen en hun exceptionele wreedheid. Ze leefden van bisonjacht en (wilde)paardenhandel. Ze waren uiterst bedreven in het vangen en temmen van de kleine wilde mustang paarden (ooit geïntroduceerd door de Spanjaarden in de 16e eeuw) die in kuddes over de prairies zwierven.

 

foto van Cynthia Ann, na de ‘bevrijding’ door haar blanke familie, volkomen tegen de gebruiken van die tijd is ze met ontblootte borst gefotografeerd.

Het beeld van de nobele Indiaan, alleen door onderdrukking van de blanken tot wanhoop, oorlog en wreedheid gebracht werd voor mij wel enigszins bijgesteld toen ik over deze stam en bijbehorende familieclans (bonden) las. Tot op zekere hoogte vreedzame Indianen volken waren er zeker, vooral in het Oosten van de VS. En blanken deden niet onder in wreedheid in de verovering van gebieden op de Indianen (of elders!). Maar de Comanche waren, zelfs onder andere Indianenstammen, gevreesd. Hun levensstijl was primitief, in de zin dat ze geen voedsel verbouwden, zich nergens vestigden en  van het vlees (en alle andere producten) van de bisons leefden. In vroegere tijden veracht door andere Indianen raakten ze in de 19e eeuw oppermachtig door hun behendigheid in het oorlog voeren te paard. In vliegende vaart zakten ze langs de hals van het paard naar rechts of links en konden ze al hangend nog schieten, hetzij met pijl en boog, hetzij met geweren, een andere erfenis van de Spanjaarden.

Het feit alleen al dat ze paardreden was bijzonder. In de 19e eeuw hadden de meeste Indianenvolken geen beschikking over rijdieren. Ook dat beeld is mij voorgeschoteld door Hollywood.

Ze vervolgden en verdreven andere stammen, zoals de Apaches en de Ute indianen uit hun oorspronkelijke leefgebieden en stalen links en rechts kinderen (ook van andere Indianenstammen) om die óf te adopteren als eigen kinderen (het sterftecijfer van de Comanche was hoog, vrouwen vaak onvruchtbaar) óf hen als slaven te verkopen aan wie dan ook, met name Mexicanen en andere nogal louche figuren, die de kinderen vaak doorverkochten (met winst!) aan de oorspronkelijke families. Het was allemaal niet zo gezellig daar in het Wilde Westen in de vorige eeuw. Mocht ik dat ooit gedacht hebben op grond van Little House on the Prairie, ik heb veel geleerd de afgelopen zomer! Het leven was er keihard, hing altijd aan een zijden draadje door ziekte, honger, extreem weer of aanvallen door Indianen.

Cynthia Ann’s familie wordt overvallen door een grote groep Comanches, getallen in de verslagen variëren van 100 tot 600 man. De mannen worden vermoord, de vrouwen worden eerst verkracht, gemarteld en dan vermoord of voor dood achtergelaten. Jonge baby’s evenzo. Het is de eerste keer dat een hele familie zo gruwelijk wordt aangevallen. Dat heeft ook te maken met het feit dat deze familieclan zich vestigt in een gebied waar pioniers zich nog niet gewaagd hadden, zonder bescherming van het leger.We hebben het dan over het verre zuiden van Texas, voorbij de Mississippi, in de buurt van de Red River, toen nog officieel Mexicaans grondgebied (tot 1836). Het is dus ook een waarschuwingsteken van de Comanches, dit is ons gebied, blijf hier weg. Het is geen enkele verontschuldiging voor de overmatige wreedheid, maar het geeft wel de spanning van die tijd aan. Van wie is dit machtig grote, lege land?

Het verhaal van Cynthia Ann, in de roman van Japin verteld vanuit het perspectief van de grootmoeder, die de verkrachtingen en martelingen overleefd, vind ik, naast schokkend, fascinerend. Ik lees het voor de tweede keer nadat ik in de vakantie een geschiedenis las van de Comanches waarin dit verhaal een belangrijke rol speelt. Het dramatische voorval vormt de kapstok waaraan de schrijver de strijd tussen blanke kolonisators, Amerikaanse overheid, westerse beschaving enerzijds en de Indianen als oorspronkelijke bewoners anderzijds in een uitgebreid historisch perspectief plaatst. Ik realiseer me steeds meer hoe sterk verweven die geschiedenis is en hoe tragisch die uiteindelijk verlopen is voor de ‘Native Americans’. Nieuw voor mij is dat er onderling tussen de stammen ook veel wreedheid en strijd was, al voor de blanken zich vestigden in Amerika.

Cynthia Ann wordt, na aanvankelijk wreed behandeld te zijn, volledig opgenomen in de stam. Ze trouwt met een leider en krijgt drie kinderen met hem. In een strijd met de blanken wordt haar man gedood en neemt men haar, na 24 jaar, mee terug naar de wereld van haar familie.

Maar ze is totaal ontheemd, is haar taal vergeten en wil alleen maar terug

naar haar Indiaanse familie. Ze verkeert in de veronderstelling dat haar twee jongens dood zijn, maar haar oudste zoon Quana zal nog een belangrijke rol spelen in de, in feite al verloren, strijd met de blanke overheersers. Ze leeft nog een aantal jaren, maar wanneer haar dochtertje Prairiebloem sterft aan influenza kwijnt ze uiteindelijk weg. Ze sterft en zal haar zoons nooit weerzien. Tot aan haar dood blijft ze een bezienswaardigheid en houdt ze ook vast aan Indiaanse rituelen en gebruiken. Zo snijdt ze zichzelf als teken van rouw over de dood van haar man en kinderen.

Ongelofelijk tragisch en tegelijk fascinerend onderdeel van de Amerikaanse geschiedenis.

Mede naar aanleiding van:

– Empire of the Summer Moon, S.C. Gwynne, the Rise and Fall of the Comanches, the most powerfull Indian tribe in American history, Simon and Schuster, 371 pag.
– De Overgave, Arthur Japin, Arbeiderspers, 367 pag.

 

 

 

Jetlag

Er zit iets in mijn hoofd waarvan ik vermoed dat het in elk geval mijn hersenen zijn waarmee ik in een vorig leven kon denken.

Erom heen zit echter een soort rubberen laag die maakt dat gedachtes, voor zover die er zijn, traag en moeilijk te vatten zijn.

Mijn lijf voelt aan alsof ik in de laatste twee dagen 100 kilo zwaarder geworden ben. En mijn benen zijn zwak en willen niet.

Eigenlijk wil dit hele lichaam alleen maar plat liggen, met gesloten ogen en een zacht muziekje op de achtergrond tot de alles omarmende zoete sluimering mij weer bevangt en meevoert naar het rijk der slapenden.

Reizen is fijn, thuiskomen beter, maar jetlag is erg.

Ontmoetingen

Mary and John Airbnb Yonkers, NY

Ik merk dat ik de ontmoeting met mensen een van de leukste kanten van het reizen vind. De onverwachte kennismaking met boeiende mensen die je drie minuten daarvoor nog nooit van je leven gezien had. Ik ben een mensen-mens dus het is vrij logisch, maar het verrast me toch. Ik moet altijd over een drempel om me in gezelschap te begeven en heel lang praten vind ik vermoeiend. Misschien is het leuke wel dat dit onverwachte, niet geplande ontmoetingen zijn. Ik hoef geen eten te koken of voorbereidingen te treffen, we zitten in een restaurant, we logeren in een B&B, of zitten aan dezelfde ontbijttafel, je raakt in gesprek en na 5 minuten denk je, wat een leuke, interessante mensen, ik wil contact houden voor de rest van mijn leven!

Leuke ontmoetingen had ik met vrouwen van predikanten/ouderlingen die op dezelfde synodes aanwezig waren als mijn echtgenoot. Je maakt een babbel en opeens blijk je eenzelfde passie te delen, nl. Kringloop- en tweedehands winkels afstruinen. Of een vrouw in de kerk (New City Life, PCA) van St. Louis die door een moeilijke periode ging, een soort heroriëntatie, na banen gehad te hebben waarin ze niet echt gelukkig was. Ping-ping! Herkenning! Binnen een uur keken we elkaar aan, zo van: wat jammer dat we niet bij elkaar in de buurt wonen!

En dan Neil, de gastheer van onze B&B in Chicago (Oakpark) die een oude schoolgenoot van mijn echtgenoot bleek te zijn en eindeloos veel herinneringen op deed borrelen bij hem. Volkomen onverwacht en niet gepland, maar daar zit je dan aan je ontbijt te luisteren naar twee gepensioneerde kerels die helemaal terug zijn in hun tienertijd. Weet je nog dit, herinner je je die leraar, enzovoort. Geweldig. Achtergrond van mijn man die ik niet kende.

Een van de nadelen van een relatie met een buitenlander is dat je niet alles even makkelijk in kunt vullen. In Nederland is een middelbare school een middelbare school, door de bank genomen. En dus kun je vrij gemakkelijk je een voorstelling maken van die periode.  In Amerika is er een wereld van verschil tussen de ene school (privé) en de andere (public). En dan heb ik het nog niet eens over homeschooling, wat hier door vele christenen gedaan wordt. (Van kleuterschool tot en met middelbare school!) Zeker begin jaren ’60 heerste er op privé scholen in de VS een redelijk elitaire sfeer. Muziek, Latijn, Toneel, Kunst, Talen, Sport, alles was even belangrijk. Het doet me aan de kostscholen in Engeland denken. Opstaan wanneer de leraar binnenkwam, altijd met twee woorden spreken, yes Sir en yes Ma’am. Colbert en stropdas naar de lessen. Na de lessen werd iedereen geacht deel te nemen aan zg. clubs. Fotografie, schaken, Frans (of andere talen), carillon, jongenskoor, sport, redactie van het schooltijdschrift, orkest, band,  en wat er nog maar meer was. Ik kreeg medelijden met de jongens toen ik  hoorde wat ze niet allemaal moesten doen. Geen slaapzalen gelukkig.

Mijn echtgenoot zat op deze luxe school (Choate, Wallingford Connecticut) dank zij een gedeeltelijke beurs. Als compensatie daarvoor moest hij dan wel o.a. iedere zaterdagavond op een balkon in een orkestje viool spelen tijdens de avondmaaltijd van de verzamelde studentenhorde. De herinnering kwam weer boven. De vernedering om daar iedere zaterdag,in zijn ogen, stompzinnige muziek te moeten spelen. Op een gegeven moment was hij het zo zat, vertelde hij, dat hij de dirigent had meegedeeld niet meer te komen opdraven. Dat was echter moedig geprobeerd, maar de man dreigde onmiddellijk  zijn beurs in te trekken…..En dus stond deze gefrustreerde leerling weer keurig achtergrond muziek te fiddelen op zaterdag.

Het weer hier is omgeslagen. Na een aantal dagen boven de 35 is het nu koeler en regent het af en toe flink. Tussen de buien door lopen we veel in het mooie Boston. Hoe men hier hondenpoep en graffiti onder controle houdt? Ik zou graag het geheim weten. Smetteloos schone stoepen en parken. Maagdelijk schone gebouwen. Veel groen, veel bloemen en planten, fonteinen waarin kinderen gillend plezier hebben, het is hier goed toeven.

Over de airbnb  en de gastheer en -vrouw in Yonkers schrijf ik nog een aparte blog. Hun huis was Mekka voor mij en zij zorgden voor ons alsof we oude vrienden waren.

Ondertussen lonkt het IJsselsteinse weiland in de verte! Mét hondenpoep, dat wel.