We reizen de volgende dag verder naar Busan. De trein doet er 3,5 uur over, langer dan de beloofde 2,5 uur. Er blijken twee soorten bullet trains te zijn. Je moet zelf opletten dat je de snelste pakt. Het geeft niet, we hebben de tijd.
We worden opgehaald door onze vrienden die ons naar ons hotel rijden. Ze hebben het hotel en de kamer persoonlijk uitgezocht om er zeker van te zijn dat we een mooi uitzicht op zee hebben. Het is prachtig!
het uitzicht is prachtig
We laten onze bagage achter om te gaan eten. Het is heerlijk om achter onze vrienden aan te lopen en ons te laten rijden. Ze wonen in deze buurt dus weten precies waar ze heen moeten.
We eten in een seafood restaurant, met uitzicht op de zee! Ik vind het enigszins spannend, want in Korea is seafood meer dan kabeljauw, zalm of fish en chips. De keuze wat zeevruchten betreft is oneindig, en de smaak van Koreanen voor alles uit de zee grenzeloos. Maar wat op tafel verschijnt ziet er prachtig uit en het smaakt nog goed ook. Octopus, Inktvis, krab, garnalen, mosselen, andersoortige schelpdieren, zeewiersoep, het is de hele zee op ons bord en in onze kom. Zeewiersoep ken ik nog van vlak na mijn bevalling van onze jongste. Na thuiskomst uit het ziekenhuis kwam de kerk met een enorme pan van die soep. Om aan te sterken. Een oude traditie. Alleen de kraamvrouw wordt geacht de soep te eten, vanwege alle mineralen. Wij aten er van met het hele gezin.
Het zeevruchtenbanket
De volgende dag wordt echtgenoot verwacht op de Engelse faculteit van Kosin college om daar te preken tijdens de dagelijkse gehouden chapelbijeenkomst. De gebouwen zijn enorm uitgebreid sinds we er begin 2000 waren. Alles is zo modern en goed onderhouden. Het sanitair is ruim en schoon. (Even om te onthouden, WC papier hangt soms bij de wastafels, buiten het toilet zelf, moeilijk te bereiken met je broek om je enkels). Alles glanst, alles doet het, er zijn mooie, grote zalen met zitzakken en makkelijke stoelen om in te ontspannen. Sommige studenten liggen heerlijk te slapen.
Na de chapel vertrekken we naar de buurt waar het gebouw van Kosin Theologische opleiding stond, vóór de verhuizing naar Chunan, in de buurt van Seoul. Naast het ziekenhuis, dat oorspronkelijk bij de school hoorde. We zoeken naar onze eerste woning, vlakbij. Tot onze grote verbazing staat het er nog steeds, Urim Mansion, een flatgebouw van vier verdiepingen. Ik zie het flatje waar we ons eerste jaar doorbrachten. De eerste cultuurschokken ondergingen, de eerste beginselen van de taal leerden, waar onze oudste haar eerste Koreaanse woordjes leerde en vriendinnetjes maakte, altijd samen met Henk Gootjes.
19802024 Het een na bovenste balkon was het onze. In de diepte speelden de kinderenOudste met vriendje Henk Gootjes en Koreaans meisje
Vanuit onze flat konden we naar de school lopen en naar de kerk op zondag. Dat kerkgebouw is nu leeg en vervallen, helaas. Er is wel een nieuwe kerk voor in de plaats gekomen, maar aan de eerste Songdo kerk hebben we de meeste herinneringen.
Voormalig kerkgebouw Songdo
We dalen af, naar het strand van Songdo. In onze tijd een klein vissershavenje, vervallen, met wat winkeltjes, restaurantjes en een mini strandje. Nu een beach resort, met wolkenkrabbers tegen de heuvel aangebouwd, een starbucks, luxe eetgelegenheden en allerlei attracties. Onherkenbaar. Ik zoek een herkenningspunt voor wat houvast, maar nee, werkelijk volledig getransformeerd. We voelen ons als twee bejaarde buitenaardse wezens. Wat wij ons herinneren is een Korea in ontwikkeling, nog arm. Voor de meeste jongere Koreanen is dit welvarende, moderne land het enige wat ze kennen.
At Songdo Beach resort
We gaan maar weer eten. Eten is belangrijk in Korea. En geen broodje kaas of gezond. We gaan nu naar een all-you-can-eat buffet restaurant. Koreaans en Westers gemengd. Verrukkelijk. Maar ik begin het einde aan de rek van mijn maagwand en mijn energie te voelen…nu moet ik beleefd doch beslist vragen om terug gebracht te worden naar ons hotel. En dan niets meer eten tot de volgende dag. Dan gaan we onze huurauto ophalen om te beginnen aan een mini roadtrip door Korea, terug naar Seoul.
Het is twaalf uur vliegen. Helaas zonder overstap. Ik heb geen moeite met een overstap. Het breekt de reis op, je kunt wat lopen, en je hebt een paar uur wat meer ruimte en afleiding om je heen.
Deze vlucht doet het in een keer. Voor mijn achterwerk en benen een beproeving, maar je moet er wat voor over hebben om je vorige thuisland te bezoeken. Het doel is eerst Seoul in Zuid-Korea. De vlucht kan korter, maar dan moet eerst meneer Putin zich beter gaan gedragen. Over Oekraïne en Rusland vliegen is momenteel geen optie We vliegen nu over andere, mij soms onbekende landen, met fascinerende namen.
Ik heb een gezellige buurman, uit Amsterdam, op weg naar de bruiloft van zijn zwager met een Koreaanse. In de loop van de reis legt hij me geduldig alle dwarsverbanden en etnische achtergronden uit van de familie van zijn vrouw. Bangladesh, Myanmar, India, alles komt voorbij. Zwagers en broers van de zussen van de moeder van….Het duizelt me, maar ik knik braaf ja en oh, want hij vertelt heel gezellig met een Amsterdams accent. Zijn familie komt gewoon uit de Jordaan.
We vliegen naar het oosten, vooruit in de tijd. We brengen de nacht door in onze krappe stoelen. Echtgenoot zit 9 stoelen verderop. Om wat beenruimte te krijgen konden we alleen stoelen apart boeken, bij de nooduitgangen. Het zij zo.
Eindelijk komt dan de mededeling dat we gaan landen. Iets verderop zit een stel met een baby, die na twaalf uur nog steeds lacht en gezellig kraait. Ik bewonder haar/hem. Ik ben geradbraakt.
Van het vliegveld naar het hotel
Maar we zijn er nog niet. Wel op het vliegveld, ruim en licht, met wit marmeren hallen en draaiend als een geoliede machine. Via eindeloos de diepte in afdalende roltrappen, komen we in de krochten van de metro. Ook de perrons daar zijn van marmer en mensen stellen zich keurig op in rijen om in de treinen te stappen.
De reis gaat soepel. Nog een uur in de trein en we komen aan op het Centraal Station van Seoul. Opnieuw paleiselijk ontworpen en strak georganiseerd.
Het hotel
En nu de korte wandeling naar het hotel, dat op loopafstand van het station ligt.
De afstand is niet groot, maar met 18 kilo in de koffer en 5 op mijn rug is een wandeling van 10 minuten toch wel een uitdaging. Het is ook nog eens 19 gr., ik heb te warme kleding aan en de weg loopt omhoog. En ik heb al 24 uur of zo niet geslapen. Het voelt als een berg beklimmen met de verkeerde kleding en schoenen aan.
Het lukt. We vinden “Seoul Station R Guesthouse”. In een achteraf straatje. Het blijkt een gribusplek. Bij de ingang staat rechts een rij afvalbakken, open. Links manden met vuile was. Ertussenin, om het wat op te vrolijken, staat een stoffig tafeltje met vettige plastic bloemen. Welkom.
De hal van ons hotel in Seoul
We moeten eerst een trap op. Met die zware koffers. Het is even slikken. Hoe hebben we dit ooit uit kunnen kiezen? Booking heeft ons voorgelogen met een hoge rating en slimme foto’s. Voor we elkaar verwijten gaan maken, zetten we eerst maar de airco aan. Dat helpt. De bedden voelen goed. Dat helpt ook. We hoeven er tenslotte maar een nacht te slapen. Een douche zou lekker zijn, maar de douche zit pal naast de WC pot en de hele badkamer is dan kleddernat. De wastafel zit verstopt. Het water loopt alleen weg door een lek in de afvoerpijp. Vandaar natte sokken. We moeten er bijna om lachen.
We gaan maar naar bed. Eindelijk slapen. Morgen is alles anders!
Voor ik weer enkele decennia terug ga in de tijd naar Zuid-Korea, een klein verslag van een welbestede dag, afgelopen zaterdag in Waltham, VS. We logeren hier tijdelijk in het huis van vrienden die elders wonen.
Ik had gelezen dat er hier in Waltham, een kunstmuseum is. Op de website leek het de moeite waard, dus, op een stralende zaterdagochtend daarheen getogen. Rose Art Museum is verbonden met Brandeis University, een bekende universiteit hier in de omgeving met Joodse wortels. Er studeren zo’n 5000 studenten, van wie naar schatting 25% van Joodse afkomst zijn. Gesticht in 1947, oorspronkelijk voor Joodse studenten en andere leden van etnische minderheden, die vaak niet op andere opleidingen terecht konden of discriminatie ondervonden.
Het museum heeft de reputatie op te komen voor sociale gerechtigheid en kritisch te zijn op racisme en discriminatie in de samenleving. Een fenomeen waar we in Nederland ons eigenlijk nog maar net bewust van zijn geworden, is in Amerika zo verweven met alles op het gebied van media en culturele uitingen dat je er wel eens moe van wordt. Maar, ik geef direct toe, ik behoor tot de witte, bevoorechte laag van de bevolking, zonder een geschiedenis van slavernij en discriminatie. Voor mij is het dus makkelijk praten. Niet dat ik in mijn familiegeschiedenis terug kan gaan op veel aanzien en geld. De meeste van mijn voorouders waren arm, moesten sappelen en behoorden tot de arbeidersstand. Zeker die van mijn vaders kant. Maar dat is niet hetzelfde als slavernij en racisme hier in de VS en in ons land.
Maar goed, terug naar het museum. We kwamen terecht in een mooi, licht en ruim gebouw met de kunst heel prettig tentoongesteld.
De eerste zaal was gewijd aan kunst van nazaten van tot slaaf gemaakte Afrikaanse bewoners van Amerika. Of werk dat die vreselijke erfenis en het trauma daarvan tot onderwerp had. Er hing ook werk van de oorspronkelijke bewoners van Amerika, First Nation People, dat de onderdrukking die zij moesten ondergaan vertolkte. Niet alles vond ik even geslaagd. Te filosofisch, te dik erboven op. Maar een paar werken waren indringend. Zoals de onderstaande installatie van Radcliff Bailey (interessant artikel over zijn kunst)
Redcliff Bailey. Storm op Zee. Tot slaaf gemaakten worden vervoerd over zee.Rose Simpson. PrimaryBetye Saar. Installatie. Wasbord, een hut. Armoede. Gordijntjes, blanke kinderen en een zwarte nanny. De tweedeling bekend uit het zuiden van de VS.Robert Motherwell. Elegy. Lament over menselijk lijden
Onderstaand bord staat bij de ingang van het museum. Zeer bewust dus van de geschiedenis van de plek.
Het museum is gebouwd op land dat behoorde aan de oorspronkelijke bewoners van het gebied, de Massachusets Native American stam.
Na het kritische gedeelte bekeken we nog een zaal met schilderijen van o.a. Susan Lichtman en Willem de Kooning. Kunst waar ik blij van werd. Heel kleurrijk, origineel, semi-realistisch.
Huiselijke scene. Susan LichtmanWillem de Kooning.East Hampton. Strand en zee
Wildlife Refuge
In de auto aten we op z’n Nederlands onze meegebrachte bammetjes en een mandarijntje. En daarna reden we met Google maps als gids richting een plek om te wandelen. Het was tenslotte een stralende dag. Zon, weinig wind en de temperatuur rond het vriespunt.
Een plek om te wandelen vinden bleek nog niet zo eenvoudig. Wat volgens Google het begin was van een mooi wandelpad blijkt in de praktijk tot tweemaal toe privegrond te zijn, door buurtbewoners met hun enorme villa’s ontoegankelijk gemaakt. Niet bestemd dus voor ons buitenstaanders. Na nogal wat heen en weer rijden, een smal pad oprijden wat iemands oprit bleek te zijn, een achterlicht kapot rijden bij het achteruit weer terug navigeren, vonden we eindelijk een mooi gebied. Great Meadow Wildlife Refuge. Daar hebben we heerlijk gewandeld en genoten van de zon. Een groot deel ervan bestaat uit wetland, drassige en ondergelopen gebieden. Blijkbaar in de 20e eeuw volledig vervuild door een textielfabriek die er chemicaliën loosde. Inmiddels volledig schoon en een trekpleister voor vogels en vissen. Dat geeft altijd weer hoop. Het kan dus wel!
Door het zilverpoetsen in het huis van mijn overleden schoonvader kwamen de herinneringen weer boven . Aan juffrouw Boenders, onze werkster, die toen ik een kind was in Schiedam, iedere vrijdagochtend kwam helpen . Ik heb eerder over haar geschreven. Ze deed veel in een paar uur tijd. Aan een kant was het gezellig maar aan de andere kant vond ik het maar niets dat alles van z’n plaats ging. Alle stoelen aan de kant. Kleden naar buiten, over de kloppaal (die had je toen blijkbaar) en dan met de mattenklopper er goed op los meppen. Je zag het stof dwarrelen. De stofzuiger kwam er ook aan te pas, wat ik niet fijn vond. Het geluid werkte op mijn zenuwen. Maar zo rond tienen was het koffietijd. Koffie, koekjes en de laatste nieuwtjes werden uitgewisseld. Juffrouw Boenders was getrouwd maar had geen kinderen. Ze kwam al heel lang bij ons en was gek op de jongste kinderen van ons gezin. Ik kreeg ook altijd een cadeautje van haar voor mijn verjaardag. Ik vond haar wel aardig maar ik hield toch wat afstand…vond haar zo anders dan mijn moeder met wie ik verstrengeld was, dat ik haar een beetje eng vond.
Eens in de zoveel tijd was het poetstijd. Mijn moeder hield van koper en had het een en ander verzameld of gekregen. En er waren natuurlijk de zilveren theelepeltjes. Ik mocht helpen met het uitwrijven van de koper- of zilverpoets. Magisch vond ik het.
BOSTON
Poetsen is een meditatief werkje. Heel kalmerend en bevredigend. Je hebt onmiddelijk resultaat van je werk. De zwarte, onaantrekkelijke voorwerpen krijgen hun glans en schoonheid terug. Zo vond ik afgelopen week het geen straf de zilveren voorwerpen van mijn schoonouders weer te laten stralen.
Het zilver na een poetsbeurt
Dat is van een andere orde dan het dagenlang uitruimen van de ontelbare archiefkasten die mijn schoonvader in zijn appartement heeft staan. Daar zijn we de meeste tijd mee bezig. Mijn beide schoonouders zijn nu overleden en het appartement moet leeg voor de verkoop. Iedereen krijgt daar ooit mee te maken. Wat het lastiger maakt is dat mijn schoonouders in Boston woonden, dus om te helpen moeten we een aantal maanden hier bivakeren. Dat is op zich niet erg, maar in een langzaam aftakelend huis te wonen dat zich steeds meer vult met dozen heeft toch ook zo z’n minder aangename kanten.
De grootste klus tot dusver zijn dus de archieven. Mijn schoonvader was een chemicus, die als zakenman, carriere maakte. Hij was gespecialiseerd in Tantalum, een metaal. Naast zijn werk was hij betrokken bij heel veel commissies en werkgroepen, actief tot op een jaar voor zijn sterven op de leeftijd van 95 jaar. Veel van de verbeteringen in de buurt waar hij woonde, zoals een prachtig park, The Greenway, zijn mede aan zijn inspanningen te danken. Maar. Al dat werk had tot gevolg dat hij alles, werkelijk alles verzamelde dat met een bepaald onderwerp te maken had. Alle mails (uitgeprint!), alle documenten, alle jaarverslagen, alle notulen, alle krantenknipsels enz. En dan niet van de laatste 10 jaar of zo, maar tot minstens 40 jaar terug…netjes gerubriceerd op categorie, dat wel. Ook zijn belastingaangiftes van 30 jaar, bankafschriften, rekeningen, reizen, hobbies, enz.enz. In iedere kast, iedere lade die ik opendoe vind ik nieuwe voorraden papier. Niet alles kan zomaar weg. En in de mappen zit veel papier aan elkaar geniet en/of met paperclips bij elkaar gehouden. Die moeten eruit. Er ligt een zee van paperclips in het huis inmiddels.
Wie mij kent weet dat ik al heel wat Airbnb’s (en hun eigenaars) heb gezien in mijn vakantietijd. Echtgenoot en ik zijn lang geleden al begonnen met deze manier van vakantie houden. Het had toen nog meer het karakter van couchsurfen . Iemand stelde een kamer in zijn/haar huis ter beschikking voor een hele redelijke prijs. Je zat dan in een gewone buurt, kreeg inside informatie over bezienswaardigheden waar nog niet hordes toeristen kwamen en zo kreeg je echt een vleugje van het ‘authentieke’ leven van het bezochte vakantieland.
Zo’n vakantie was betaalbaar nadat we onze vouwwagen hadden weg gedaan (spijt van trouwens). Zomerhuisjes (een valse benaming voor superdure bungalows op vakantieparken) vonden we te duur, maar stonden ons ook tegen omdat ze zo afgesneden zijn van waar het gewone leven zich afspeelt. Hoewel, soms is dat ook lekker, hoor, even helemaal weg. Door de jaren heen ontwikkelden wij echter wel een voorkeur voor die Airbnb’s. We bleven een paar nachten per plek en trokken dan weer verder. Ooit begonnen we in Heidelberg, bij ‘der Mannfred’.
Onze kamer in Heidelberg 2014
Het was onze eerste toer voor E30 per nacht. De uitdaging was zo goedkoop mogelijk zo ver mogelijk (Pyreneeën) te reizen. Dat is gelukt. Ik geloof dat we in die vakantie 4 of 5 pleisterplekken hadden waarvan die in Nimes de meest memorabele was. Bloedje heet, op een zolder met schuine wanden met de fan constant aan, heel de nacht, maar met een super aardige uit Algerije afkomstige gastvrouw die alleen Frans sprak, help! Nimes was fantastisch. We hadden ook nog fietsten bij ons, dus we fietsten criss cross door de stad, overal heen. Van dit soort ervaringen leer je. Nooit meer schuine daken. Synoniem voor zweetnachten.
Sue, onze gastvrouw in Nimes
Van Nederland tot in Griekenland en de VS hebben we dankbaar gebruik kunnen maken van Airbnb’s. Tegenwoordig zijn het helaas steeds vaker verkapte hotels. Duur dus. Jammer.
TakecareBnB
Als Airbnb fan trekt de naam Takecarebnb natuurlijk direct mijn aandacht. Ik vond die naam heel ingenieus bedacht, ook al wist ik nog niet wat het was. Ik ben het gaan Googlen en het blijkt een organisatie te zijn die al een aantal jaren succesvol bezig is statushouders te matchen met Nederlandse gezinnen. Ze wonen daar dan een periode tot ze zelf een woning hebben. Het is een gelegenheid voor de statushouder op een leuke manier te integreren en Nederlands te oefenen. En tegelijk ontlast het de AZC’s die overvol zitten. Onder andere vanwege de wooncrisis, waardoor het gebrek aan woningen voor vluchtelingen die het recht hebben hier te blijven permanent lijkt te worden.
Ik vond het een briljant idee. We hadden al tijdelijk onderdak geboden aan een aantal Griekse studenten die geen kamer konden vinden en dat ging prima. Onze zolderkamer staat leeg en er zit een extra douche en wasbak. Dus daad bij het woord gevoegd en gebeld met Takecarebnb en een gesprek angevraagd. We wilden ons eens rustig orienteren.
Van dat rustig kwam niet veel terecht. Direct de week erop werd ik gebeld. Door een vrijwilliger met verstand van zaken die als matchmaker voor de organisatie werkt. Een heel prettig gesprek volgde. Wie we waren en wat we verwachten. Wilden we een man of vrouw. En meer van dat soort vragen. Na weer een week werd er gebeld met een voorstel. Dit ging snel! De kandidaat was een Syrische jongeman met status die als ‘koppelgemeente’ (COA jargon voor de stad waar de persoon huisvesting moet krijgen) Utrecht kreeg toegewezen en daarom graag in die omgeving in een gezin wilde logeren.
Er volgde een kennismaking met de coach erbij. Dat voelt wat onwennig, maar de coach wist het gesprek goed te leiden. Dat onze gast uitstekend Engels sprak was een groot voordeel! In de Takecarebnb procedure volgt dan het ‘proefslapen’. Dat is uiteraard niet zoiets als het bed uitproberen (haha), maar het zijn drie dagen met elkaar doorbrengen voor een nadere kennismaking, wederzijds. Na iedere kennismaking bestond er de mogelijkheid om alsnog af te zien van een vervolg, ook dat weer wederzijds.
Alles verliep positief en sinds januari hebben we dus een extra huisgenoot.
Het vervolg
Ik zou liegen als ik zei dat alles direct prima ging. Iedere extra persoon in huis brengt het evenwicht enigszins uit balans en het kost tijd om weer te wennen. Je leeft tenslotte dicht op elkaar. In de eerste weken heb ik heus wel gedachtes als ‘waar ben ik aan begonnen’ gehad. Het kost echt tijd. Een keer heb ik om advies gevraagd aan onze contactpersoon en dat was heel nuttig. Nu na twee maanden kan ik zeggen dat we de periode verlengd hebben. We kennen elkaar beter en de balans heeft zich hersteld, denk ik.
Er zijn een paar dingen die het ons makkelijk maken. Zoals gezegd, het Engels van onze gast en al aardig wat Nederlands (na 7 maanden!). En hij heeft gevoel voor humor.
Oekraine en regels
Onze situatie werd opeens heel actueel toen al de Oekrainse vluchtelingen in Nederland arriveerden. Ik las over mensen die spontaan naar de grens reden en mensen ophaalden om bij hen thuis te wonen. Fantastisch dat er zoveel behulpzaamheid en spontaniteit was. Ik hield wel mijn hart vast. Hoe zou dit gaan? Een of twee extra personen in huis gaat nog wel, maar een heel gezin? En puur spontaan, zonder begeleiding… Inmiddels zie je reportages op het nieuws verschijnen van mensen die zeggen dat het toch tegenviel en dat de gasten zulke rare gewoontes hebben. De taalbarriere speelt ook een rol.
Regels en gewoontes?
Het grappige is dat ik dacht dat wij als huishouden niet veel regels hadden. Onze gast vroeg er nadrukkelijk naar in het begin. ‘Wat zijn jullie regels?’ Ik moest een beetje lachen. Regels, nee, daar kon ik zo niet iets bij bedenken. Het klonk wat kostschoolachtig..
Hoe langer S bij ons is des te meer besef ik dat we allerlei ongeschreven regels hebben waar ik mezelf niet van bewust bent. Meer dan regels zijn het verwachtingen die meekomen allereerst in de cultuur van je gezin en ook van je land.
Etenstijden zijn een voorbeeld. (Ook genoemd door de gastgezinnen van Oekraieners). Wij hanteren geen wekker wat betreft tijd, maar we eten wel drie keer per dag. En oh ja, we drinken koffie in de ochtend en thee in de middag en ook koffie weer ’s avonds, op redelijk vaste tijden, met een marge van een half uur of zo. Onze gast is vanuit zijn achtergrond gewend te eten en drinken wanneer hij trek heeft. En dat zijn andere tijden dan de onze. We eten en drinken dus niet vaak samen. Dat gaat op een gegeven moment toch kriebelen. ‘Waarom eet ‘ie niet gewoon mee, doe normaal..’ Dan moet je dus nadenken, waarom vind ik dat lastig? Maakt het uit, zolang hij zijn eigen rommel maar opruimt? Ik realiseerde me dat voor ons eten en koffiepauzes meer zijn dan alleen je maag vullen, het is ook een sociaal gebeuren, van uitwisseling en even kletsen. (Telefoons vormen trouwens een bedreiging) Het ging me ten diepste dus niet om het eten, maar het voelde als gebrek aan interesse. Onze gast is een introvert persoon die meestal niet in de stemming is om veel te praten. Inmiddels sturen we een appje dat we over een x aantal minuten gaan eten en laten het bij hem of hij al dan niet mee-eet. En hij weet ondertussen dat wij het gezellig vinden af en toe samen te eten. En daar houdt hij weer rekening mee. eens kijken hoe dat bevalt.
Wij kennen het fenomeen van eten wanneer je trek hebt en niet op bepaalde tijden nog uit Korea. Daar waren wij raar dat we op de klok keken of het etenstijd was. Dat weet je toch gewoon wanneer je honger hebt? Nog vreemder vonden ze het daar dat kinderen op een bepaalde tijd een middagdutje moesten doen. ‘Om zo laat slapen? Maar als ze dan geen slaap hebben?’ vroegen ze dan stomverbaasd. We hebben daar wel moeten leren dat onze tijdgerichte cultuur niet altijd beter is. Leven in een totaal andere cultuur dan de jouwe is een confrontatie met jezelf en wat je voor waar en ‘normaal’ beschouwt. Zo gaat het ook met een vreemdeling in huis. Wie is er nu eigenlijk raar?
Dat wij geen water hebben op het toilet om je billen mee te wassen is pas raar! En dat we met onze vieze schoenen door het hele huis banjeren…wat dacht je daar van?
Naarmate ik ouder word begint het aan te tikken, de keren dat ik afscheid moet nemen van geliefden. Het afscheid nemen van ouders, wederzijds, is onvermijdelijk. Hoewel je er toch nooit echt op bent voorbereid wanneer het ogenblik daar is, heb ik wel ervaren. Veel bleef ongezegd en vragen onbeantwoord. En missen doe ik ze zeker bij tijden. Het overlijden van mijn beide zwagers was moeilijker omdat ze beiden als oudere broers waren voor me en jong stierven. 35 en 46 jaar waren ze. Te vroeg. Te jong. Mijn oudste zus stierf eveneens jong, op 46 jarige leeftijd. Haar zelfgekozen dood liet een kras achter op mijn ziel die bij tijden pijnlijk opspeelt. Ik moest weer aan hen denken vanwege het overlijden van een goede vriend, na een kort, maar hevig ziekbed. Het sterven van een geliefde is als een stortbui die de grond los woelt en bovenlagen wegspoelt.
Ik herlas sommige van mijn blogs over rouw en verdriet na het sterven. Ik werd getroffen door wat ik schreef na het overlijden van mijn schoonmoeder. Op verzoek van mijn schoonvader hebben we toen direct alle sieraden, sieradendoosjes, kleding en andere persoonlijke dingen uitgezocht en verdeeld. Het voelde ongepast, zo snel, maar mijn schoonvader was pragmatisch. Met het gezin verspreid over Amerika en Nederland zou er niet gauw een gelegenheid komen dat we weer allemaal bij elkaar zouden zijn.
Blanca’s sieradendoosjes
Op een gegeven moment word het opruimen mij teveel en ga ik wandelen om meer grip te krijgen op mijn emoties. Ik zit wat op slot en schrijf dan het volgende:
Ik dacht aan alle sieradendoosjes die door mijn handen waren gegaan. En ik realiseerde me dat deze wandeling, dit alleen zijn met het water, me eindelijk bij het doosje bracht wat nog dicht zat, maar (knarsend en wel) open wilde. Ergens in een kamer van mijn ziel bewaar ik dat doosje met het verdriet om geliefden die al eerder stierven. Het verdriet om Blanca kon ik pas ervaren als dat deksel er af kwam. Dat gaat meestal moeizaam, want de inhoud is donker. Ik voelde echter aan mijn lijf dat het gebeuren moest.
Ik ben dus maar gaan zitten met het weidse uitzicht op het water en heb het ondergaan. Het verdriet om de geliefden die ik mis. Niet altijd bewust, maar wel op de achtergrond. Sommigen veel te jong gestorven. Het is uiteindelijk de pijn om de vergankelijkheid van het leven. De pijn omdat het altijd weer op sterven uitloopt. Op afscheid nemen en ‘afgesneden zijn’ (Vasalis). De schreeuw uit de diepte van psalm 130. Even geen uitzicht hebben op Pasen.
Dat, dat doosje-met-inhoud, dat ging vandaag weer open. Na het sterven van die goede vriend, een week geleden. Verdriet is zo complex, zo onontwarbaar.
Misschien is het de hoeveelheid liefde wel die de schade van verlies en pijn beperkt en omdraait. Liefde niet als zoetig sentiment, maar liefde zoals God die voorleefde. In mee- lijden, in mee-voelen, in mee-dragen, in mee-huilen, in mee-booszijn. Was Jezus niet geweldig kwaad ook op de dood, toen Hij bij het graf van zijn vriend Lazarus stond?
Rouwen is blijkbaar nooit helemaal over. Het verdriet verraste me. Het is raar dat het moeilijk blijkt mezelf toe te staan dat te ervaren. Ik kom aan met argumenten waarom het allemaal zo erg niet is. ‘Lang geleden’, ‘maar een vriend’ enzovoort.
Maar gevoelens zijn er. Die redeneer je niet weg. Dus ik laat de rouw maar weer even toe. Om mijn vader en moeder, om Blanca, om Gert, om Hemmo, om Loes. Om Jonathan en Tristan, twee jongetjes uit de gemeente die we als baby’s in een grafje moesten achterlaten, wat me diep heeft aangegrepen. En om Guust. Om het ingrijpende van de dood. Om het gemis. Om wat hier op aarde er niet meer zal zijn. En ik ben ook kwaad omdat het steeds weer op afscheid nemen uitloopt. Overal en bij iedereen. Kan het nou eens afgelopen zijn?
Dat Lazarus uit zijn graf kwam lopen is de hoop onder mijn bestaan. Hij is weer gestorven, dat is waar. Maar Zijn goede vriend Jezus niet. Door Hem konden we Guust zachtjes aan zijn sterfbed toezingen: Ga met God en Hij zal met je zijn, in Zijn liefde jou bewaren, in de dood jouw leven sparen Ga met God en Hij zal met je zijn
Ooit komt die tijd van nooit meer afscheid hoeven nemen.
Op weg naar een familiereunie in de Spaanse Pyreneeen trokken we langzaam naar het zuiden door Frankrijk. We verbleven onder andere in Airbnb’s. Al jaren maken we gebruik van deze organisatie. Het oorspronkelijke idee was voor reizigers om je luchtbed (airbed) voor een klein bedrag bij vreemden op de grond te leggen die daar hun huis voor open stelden. Mensen die graag anderen ontmoeten en willen helpen bij iemands rondreis. Het is een leuke manier om mensen uit allerlei landen te leren kennen.
Inmiddels weet iedereen dat het ook een geraffineerd verdienmodel is geworden. Nieuws over de overlast van rolkoffer trekkende toeristen over de Amsterdamse grachten, op weg naar zogenaamde Airbnb’s die in feite verkapte hotels blijken te zijn hebben vaak genoeg het nieuws gehaald. Omdat een Airbnb zogenaamd particulier verhuur is zijn de veiligheidseisen minder streng. Huur een pand, noem het een Airbnb en het geld is makkelijk verdiend. De prijzen zijn de pan uit gerezen. Soms betaal je meer voor een Airbnb dan een hotelkamer!
Maar. Onze ervaring is beslist anders. Wij zoeken goedkopere adressen, bij mensen thuis en vinden die vakanties nog steeds een klein avontuur. Hoe zal het zijn? Wat voor eigenaren komen we tegen? Van tevoren doe je natuurlijk al research. Echtgenoot is daar een expert in geworden. Door schade en schande wijs geworden weten we wat we niet willen. Geen zolderkamers (heet!), geen appartement zonder tuin, niet dicht bij een doorgaande weg, geen gedeelde badkamer en WC en meer van dat soort zaken. Het persoonlijk contact met eigenaren biedt vaak de kans om de wat minder toeristische pareltjes in de buurt te leren kennen. Zij vinden het leuk om van alles te vertellen over hun omgeving.
Ik kan het echt aanraden. Deze vakantie hebben we zes stops gemaakt waarvan twee in Airbnb’s. Onze eerste stop was een Campanilehotel. Een deal. Maar al kreeg ik geld toe, daar gaan we niet terug. Wat een verlopen boel. De kamer zelf was redelijk. Maar de lokatie vreselijk en de buitenkant zag er niet uit. Ik werd uit mijn slaap gehouden door een doordringende gilletjes slakende mevrouw onder onze kamer. Wat zij en haar kamergenoot aan het doen waren laat zich raden. Na een kwartier was ik het zat. Ik wilde slapen. Na wat fors gestamp op de vloer werd het stil. Tot om 5 uur de trucks voorbij kwamen razen.
Vroeg gestart naar onze tweede stop in Limousin. Een gebied waar we tot nu toe niet eerder waren in Frankrijk. Lieflijk heuvelachtig landschap. We wilden stilte, natuur en iets goedkoops. Dat vonden we daar. Voor 33,50 euro verbleven we in een huisje op het terrein van een ouder Engels echtpaar. De stilte suisde er door de bomen. Het huisje was vintage, maar van alle gemakken voorzien. Bij de eerste blik moest ik wel even het gevoel overwinnen in een soort bejaardenhuis te zijn terechtgekomen.
Maar ach, al gauw liggen onze boeken en electronica er en zijn we weer in de 21e eeuw. Binnen zitten doe je toch niet veel. John, de gastheer, was alleraardigst. Als gewezen schapen- en koeienboer uit Devon voelt hij zich in het heuvelachtige en agrarische Limousin al 17 jaar volkomen thuis. Een man met gouden handen. We hebben genoten van de rust en de natuur.
Lieflijk landschap, Limousin, Frankrijk
Na drie dagen zetten we de tocht naar Spanje voort. Ter onderbreking een nachtje in Toulouse en de volgende dag verder door de bergen van de Pyreneen naar Laspuna, de eindbestemming. Het grote werk kon beginnen: Vier dagen met de Franse familie van echtgenoot in Casa Sidora, een familiehotel in Laspuna, een mini-dorpje. Voor 45 euro pp vol pension. Lunch is een kwestie van wat brood en kaas kopen. Een fantastische plek. In het dal loopt een rivier en overal kun je langs de kant parkeren om te zwemmen. In het dorp is op loopafstand een zwembad met een grote schaduwrijke ligweide. Er zijn in de buurt overal oude stadjes, men kan er de bergen in voor lange wandelingen, er kan gefietst (voor de sterken!) er is canyoning enzovoort. Het hotel is zeer kindvriendelijk, met een terras waarop allerhande speelgoed, tafeltennis en wat dies meer zij, aanwezig is. Over de reunie zelf schrijf ik later nog.
Toen verder, voor vier dagen rust, naar onze tweede Airbnb. In Cournonterral. Een wat verlaten dorp in de buurt van Montpellier en de Middellandse zee. Een ruime beneden verdieping van een woonhuis. Met buiten een grote tuin en veel schaduw. Monique en Jose, onze gastvrouw en -heer zijn heel vriendelijk, maar spreken alleen Frans met een sterk Zuidfrans accent, een goeie uitdaging voor ons Frans. Het huis is zeer comfortabel. Van alle comfort voorzien, inclusief AC (een luxe!). Voor 60 euro per nacht een goeie prijs! Het was hier heerlijk bijkomen van een paar drukke familiedagen. We ontdekten Sete, een levendige havenstad en verschillende stranden.
Op de terugweg hebben we nog een laatste stop in Dijon, de mooie stad in Bourgondie. Alleen ’s avonds hebben we er wat rondgelopen en genoten van de oude gebouwen en het avondlicht. Of we nog een keer zoveel kilometer willen rijden weet ik niet. Maar we hebben veel gezien en de Airbnb’s en hotelletjes krijgen een goeie recensie op Tripadvisor. Behalve de Campanille in Charlesville. Nooit heen gaan!
’s Ochtends vertelde onze buurman in India dat ze die middag zou komen, Ness Khana*, ons voormalig sponsorkind via Stichting Red een Kind. Vanaf 1980 of zo maakten wij (en velen met ons) braaf iedere maand wat geld over opdat een kind in een Indiaas kindertehuis kon eten en naar school gaan. Eenmaal per jaar kwam er een wat obligate brief, zelf geschreven door het sponsorkind (of vertaald met hulp van een medewerker) in het Engels met wat informatie over vorderingen, cijfers en hobby’s. Met een fotootje. Dat hing dan vele maanden bij ons op het prikbord, tot er weer een volgende arriveerde. We baden ook voor het kind, stuurde soms een kaartje, maar veel persoonlijk contact was er niet en werd ook niet aangemoedigd.
Zo steunden we Ness zonder er verder veel bij na te denken. Na afronding van de middelbare school en een verpleegopleiding werd de steun afgerond en kregen we een nieuw sponsorkind. Ness zou uit beeld geraakt zijn ware het niet dat echtgenoot regelmatig in India kwam om les te geven en bij die gelegenheid ook langs het tehuis ging waar zij woonde. Kind van lepra-ouders was zij in het kindertehuis opgenomen om een beter leven te krijgen dan thuis, bij haar ouders, mogelijk was. Tweemaal bezocht hij haar in de jaren negentig. Nam haar en vriendinnen mee op een picknick, kocht fruit en lekkers voor alle kinderen, speelde gitaar en zong voor ze. Hij ontwikkelde daardoor een band met Ness.
vlnr Ness, echtgenoot en een vriendinnetje
Ness vertrok rond haar twintigste uit het kindertehuis twintigste, en we raakten het contact kwijt. We hoorden dat ze verpleegkundige was geworden en later nog dat ze getrouwd was.
Nu we samen in India waren wilden we een poging doen om haar weer te vinden. Via via lukte dat. We kregen een telefoonnummer en spraken uit dat we elkaar echt wilden ontmoeten. En zo hoorden we dus op een ochtend dat ze diezelfde middag zou komen. En twee nachten zou blijven, want ze kwam helemaal uit Lucknow, 750 km verderop naar het zuidoosten. Dat is India. Zonder afspraak van tevoren gewoon komen, want als gast ben je altijd welkom. Dat is voor Hollanders en Amerikanen met hun geplande dagen even slikken.
Na uren treinvertraging stond Ness dan eindelijk voor de deur. Een kleine, frêle, meisjesachtige vrouw van 42 die ons begroette als verloren gewaande familie. Haar Engels was goed, maar spaarzaam. Veel vertellen deed ze aanvankelijk niet, maar na verloop van tijd kwam de conversatie toch op gang. Ze liet foto’s zien van haar dochter en man. Vertelde over hun mislukte poging om samen met de motor te komen. Door slecht weer moesten ze terugkeren en was ze gedwongen met de trein te reizen. Motor- rijden bleek een grote hobby. Achterop bij haar man had ze al heel wat reizen door India gemaakt. Onlangs waren ze de trotse bezitters van een heuse Harley Davidson geworden.
De volgende dag verdween ze voor een paar uur. Een afspraak dachten we. Toen ze terugkwam bleek dat ze cadeau’s was wezen kopen. In de enige Harley Davidson winkel in Dehradun had ze een muts van het motormerk voor echtgenoot gekocht! Met logo. Nu maar hopen dat hij in Nederland niet op een zwarte lijst komt te staan.
Inmiddels had haar man laten weten ook onderweg te zijn. We voelden ons vereerd, verwonderd en beschaamd tegelijk. Zonder veel gevoel hadden we immers een willekeurig kind gesteund, zonder daar veel voor te hebben hoeven opofferen. En opeens staat er een levend iemand naast je die zegt zonder die steun niet te hebben kunnen komen waar ze nu zijn. Die je bijna ziet als een tweede vader en moeder.
Ik had het al gehoord in een gesprek met Shiva*, een leprakind uit hetzelfde tehuis in Bhogpur. De brieven en foto’s die jaar in jaar uit verstuurd werden naar de sponsors zijn voor de kinderen hun enige link naar het verleden. Zowel Shiva als Ness bezitten geen enkele herinnering in de vorm van foto’s of brieven van hun jeugd. Ik schrok daarvan. Hoe achteloos heb ik die brieven na verloop van tijd bij het oud papier gedaan! Wat had ik Ness daar blij mee kunnen maken. Foto’s had ik gelukkig nog wel bewaard. Niet allemaal, maar genoeg. Zo gauw ik thuis was heb ik ze opgezocht en aan haar doorgestuurd.
Een oproep
Ik wil een oproep doen aan sponsoren van kinderen van welke organisatie ook. Bewaarde foto’s en brieven kunnen van grote waarde zijn voor de volwassen geworden personen. Bewaar ze goed en stel ze eventueel beschikbaar via de organisaties. Het is Shiva nog niet gelukt foto’s van zijn kinderjaren terug te vinden, tot zijn grote spijt.
Met Ness en haar man en dochter blijven we contact houden. Een onverwacht groot geschenk wat in geld niet uit te drukken valt.
Straatkind Hij is vier en heeft een broer en een zus. Zijn naam is Shiva. Ze leven op straat. Ze bedelen, dwalen rond en komen ’thuis’ bij zieke ouders. Hun huis is een verzameling lappen en plastic ondersteund door stokken. Wat dekens, een paar pannen en een vuurtje voor het krot waarop gekookt wordt. De ouders hebben lepra. Langzaam maar zeker verwoest de ziekte hun lichaam. Hulp zoeken toen het begon durfden ze niet. Als er ook maar iets naar buiten lekt over de ziekte worden ze verstoten uit de gemeenschap. Lepra is immers een straf van de goden. Als de ziekte niet meer te verbergen is (lichaamsdelen worden aangetast) valt het vonnis. Het hele gezin wordt naar een leprakolonie verbannen. Afgezonderd van de gezonde mensen. Ze kunnen er slapen en voor het hoognodige wordt gezorgd. Maar overdag moeten ze er weg, naar een plek in de stad waar gebedeld mag worden. Voor Shiva en de andere kinderen is er geen school. Soms krijgen de ouders medicijnen, maar de ziekte is al te vergevorderd. Er is geen houden meer aan. (lees over het stigma van lepra in een artikel in de Indian Times van januari 2019)
foto courtesy of Indian Times
Het tehuis De moeder kan niet langer voor haar kinderen zorgen. Ze verliest haar vingers, kan niet meer lopen. Shiva en zijn broer en zus worden van de straat gered door christelijke hulpverleners die begaan zijn met hun lot. Ze worden in een kindertehuis geplaatst. Waar al vierhonderd andere kinderen wonen. Allemaal kinderen van leprapatiënten. Blijf uit hun buurt. Zoals de melaatse in het evangelie moest roepen: Melaats, melaats.
Shiva is vier en wil naar zijn vader en moeder. Hoe ellendig hun situatie ook is. Hij weet niet anders. Hij graaft een gat onder het hek van het tehuis en ontsnapt. Een dag lang zoekt men hem. Als hij gevonden wordt krijgt hij straf. Weglopen mag niet. Voor Shiva van vier is de situatie niet te bevatten. Maar hij legt zich er bij neer.
Tot zijn zevende woont hij in het grote kindertehuis. Slaapt op een zaal met 30 andere kinderen. Eet in een grote eetzaal met een metershoog plafond en een stenen vloer. Het tehuis staat in de bergen en het kan er vriezen in de winter. Maar er is geen verwarming en geen warm water. Tot zijn dertigste zal hij niet de luxe van warm, stromend water kennen. Het klinkt als een verhaal van Dickens. Maar dit is het India van de jaren tachtig in de 20e eeuw. De 21e eeuw kent nog steeds vele Shiva’s.
Als hij twaalf is verhuist hij naar een (jongens)hostel. Drie kilometer verderop. Verbonden aan het hostel is een kleine boerderij. Met een paar koeien, varkens, kippen en een groentetuin. Zelfs een veld met tarwe voor de dagelijkse roti’s (brood). Alles wordt door de jongens onderhouden, die ook hun eigen eten koken. In de vroege ochtend staan ze op om hun taken te verrichten. Voor de kookploeg betekent dat deeg maken voor de roti’s voor een grote groep kinderen, voor het ontbijt en voor ’s avonds bij het eten. Deeg kneden, roti’s bakken, linzen weken en kruiden mengen. De rijst kan later. Voor de tuinploeg groente plukken, onkruid wieden, schoffelen. Voor de veeploeg koeien melken, stallen schoonmaken en beesten voeren. Daarna ontbijten. En naar school.
Na de middelbare school School is klaar om twee uur. Daarna weer taken doen, studeren, een paar uur vrij, eten, opruimen en ’s avonds studeren tot 21.30 uur. Dag in dag uit. Alles doen de jongens zelf. Tot schoonmaken aan toe. En beesten helpen doden en slachten. Shiva leert ontelbaar veel vaardigheden die hem later goed te pas zullen komen.
Als school is afgerond wil de jongen verder leren. Niet een laag baantje ergens, maar studeren. Daar is echter geen geld voor. Ga maar werken, zegt zijn omgeving. Het tehuis zorgt voor de basis. Tot en met de middelbare school en dan sta je er alleen voor. Maar Shiva is zeer intelligent en leergierig en wil meer. Van huis uit Hindu, in het tehuis christen geworden, wil hij het christelijk geloof verder bestuderen. Hij wil Hoger Onderwijs. Wie kan hem sponsoren? Iemand vraagt hem om vrijwillig een jaar in de bergen onder de lokale bevolking te werken. Na dat jaar kan hij gesponsord worden. Shiva vertrekt en leeft in een grot. Als een soort Mowgli in Junglebook (van Rudyard Kipling). Met een bladerdek als bed, een open vuur om te koken, een waterval als douche. Hij helpt de dorpelingen met zaaien, jagen, oogsten. En vertelt hen over Jezus. Leest hen voor uit de bijbel. Laat hen zien hoe veel ontferming er is bij Jezus over hun harde bestaan. Zelf is hij het meest geraakt door die liefde. Jezus raakte een melaatse aan, ongehoord in Israel in die tijd en in het India van vandaag.
Jezus geneest een melaatse
Na een jaar gaat Shiva terug, in de hoop naar school te kunnen. Maar degene met wie de afspraak was is (met andere buitenlanders) het land uitgezet door een anti-christelijke regering. Niemand weet verder van de belofte. Er verlopen jaren tot het eindelijk mogelijk is met een beurs te gaan studeren. Maar dan krijgt zijn vader een herseninfarct en heeft zorg nodig, want zijn moeder is inmiddels door de lepra ernstig gehandicapt geraakt. Als oudste zoon zorgt Shiva voor de ouders tot hij weer weg kan. Want studeren zal hij. Hij weet dat hij alleen met studeren de cirkel van armoede kan doorbreken.
Het verhaal duurt lang en de obstakels waren hoog en veel, maar er komt een dag dat hij niet als student maar als docent verbonden is aan een opleiding. Hij heeft zich gespecialiseerd in religiewetenschappen. Is een expert op het gebied van Hindoeïsme. Zorgt voor zijn moeder die nog steeds in de leprakolonie wonen moet. Gaat er op bezoek met zijn twee dochtertjes die hun oma, die verstoten en zwaar mismaakte vrouw, omhelzen.
Opnieuw, ongehoord onder zijn volksgenoten. Shiva neemt de twee meisjes mee op kampeertochten waarbij hij hen leert vissen en vuurtjes stoken. En hoe ze de vis klaar moeten maken, met mes en al. Alles wat hij zelf gemist heeft als kind wil hij hen meegeven. Hij laat de slager zien hoe die een varken moet slachten, niet in hompen, maar in lekkere delen als haas en karbonades. Alles wat hij leerde komt van pas. Het leven in het kindertehuis was verre van ideaal. Er zijn verbeterpunten gekomen en er zijn er nog te gaan. Maar honderden kinderen als Shiva zijn van de straat gered en hebben kansen gekregen die van onschatbare waarde zijn. Een kindertehuis is niet altijd de oplossing. Maar in het geval van leprapatiënten de enige. Kinderen kunnen niet bij hun ouders blijven, zegt Shiva. Er is voor hen geen toekomst in de kolonies.
Sloppenwijk bij het spoor in Delhi
De Indiase regering beweert dat lepra niet langer voorkomt in India. Volgens Shiva is dat een politieke uitspraak en is lepra zelfs groeiend. Vooral in de arme staten als Bihar en West Bengalen. Omdat mensen naar andere staten vluchten om daar nog een tijd anoniem te leven voor ze terechtkomen in de lepradorpen, lijken de cijfers in de arme staten te zakken, maar de werkelijkheid is anders, zegt Shiva en andere ex-bewoners van het kindertehuis vallen hem bij. Ngo’s en hulpinstanties uit het westen gaan, volgens hen, af op cijfers van de regering, die echter corrupt is en geen juiste statistieken verstrekt. Het is een schijnbaar onoplosbaar probleem. Lepra is een vloek, daar praat je niet over, je zoekt geen medische hulp, waardoor de lepra zich blijft verspreiden. De mentaliteit van de Indiase bevolking moet eerst veranderen, zegt Shiva. Het hindoeïsme leert dat ziekte een verdiende straf is van de goden en een teken van het kwaad. Die opvatting is diep verankerd in de cultuur. Terwijl lepra goed te behandelen valt maakt het stigma dat maar weinigen zich tot een arts wenden. Tot het te laat is.
Ik eindigde mijn laatste blog in de trein, enigszins hijgend, van Delhi naar Jaipur. Mijn uitzicht was op de sloppen langs het spoor. Kilometers lang rijden we langzaam langs duizenden, dicht aaneengesloten krotten waar mannen, vrouwen en kinderen hun leven slijten. Rustig zittend op of bij het roestige spoor, kinderen spelend om hen heen. Temidden van de chaotische bebouwing lijkt er toch een soort orde te zijn. Vrouwen staan hun natte, lange haren te kammen. Blijkbaar zien zij toch kans te baden. De was hangt op hekken, of aan schots en scheef hangende waslijnen. Vrouwen bespreken de laatste nieuwtjes, er wordt gelachen, kinderen rennen om de vrouwen heen. Het lijkt bijna gezellig. Maar het vuilnis ligt opgestapeld en de treinen komen gevaarlijk dichtbij. Er zit een dikke laag glas tussen mij en hen, maar ik heb in Dehra Dun genoeg geroken om een idee te hebben van hoe het daar zal ruikt. Zonder waterleiding en WC’s, met de koeien, apen, honden en varkens die overal hun behoeftes doen, zal de stank in de zomer ondraaglijk zijn. Hier leven mannen en vrouwen beneden het bestaansniveau en hebben zonder veel scholing geen kans op de arbeidsmarkt. De cirkel van armoede zet zich voort onder de jeugd, want slechts weinigen gaan naar school.
Dit zijn precies de mensen die kwetsbaar zijn voor mensenhandelaren die altijd op zoek zijn naar goedkope ‘arbeidskrachten’. De meisjes komen vaak terecht in de prostitutie. Of hele gezinnen worden met beloftes van een voorschot op betaling min of meer ontvoerd en te werk gesteld, zonder ooit in staat te zijn dat ‘voorschot’ terug te betalen.
Ik wilde onder andere naar Delhi om een bezoek te brengen aan het kantoor van International Justice Mission. Ik volg hun werk al jaren en het leek me boeiend om in een land waar het echte werk gebeurt de werkers-in-het-veld te ontmoeten. IJM houdt zich bezig met het opsporen van slavernij en het bevrijden van de werkers in die omstandigheden. De NGO staat er vooral om bekend dat ze enorm investeren in relaties met de overheid. Contacten ontwikkelen, hogere ambtenaren bewust maken van de problematiek en de politie helpen trainen om slavernij te herkennen. Wettelijk is slavernij verboden in India maar de politie herkent het vaak niet als zodanig. De zeer lage status van arme mensen, het kastenstelsel en de slechte positie van de vrouw maken dat men het probleem niet direct ziet. Om structurele veranderingen tot stand te brengen en niet alleen incidenteel resultaten te boeken is een van de prioriteiten van IJM om in dorpen, steden en staten de overheid in te schakelen en een mentaliteitsverandering tot stand te brengen. Ze staan vanwege dat beleid goed bekend hier.
Foto van meneer Lal en zijn vrouw op de brochure van IJM
Neem meneer Lal en zijn vrouw Sukhli. Een arme boer die vanwege het uitblijven van de regen besluit voor een periode naar een andere staat te vertrekken om geld te verdienen. Iets zuidelijker waar men nog wel dezelfde taal spreekt. Veel arme boeren doen dit. Een tijd elders werken en dan weer terug in de hoop dat het volgende jaar beter zal zijn. Hij spreekt af met een bemiddelaar dat hij met vrouw en zoons en anderen uit hun dorp voor zoveel geld zoveel maanden zal werken. Ze vertrekken in een gesloten vrachtwagen en als ze na vele lange uren rijden worden gelost blijken ze veel verder te zijn dan afgesproken. Ze weten dat omdat ze niemand verstaan. Ook worden mannen en vrouwen gescheiden van elkaar. Hun dagen bestaan uit werken van vier uur in de ochtend tot negen uur ‘s avonds, zonder pauze. Ze krijgen nauwelijks te eten. En ‘s nachts zitten ze opgesloten in een stal. Een van de zoons weet via een voorbijganger die Hindi spreekt een mobiel te bemachtigen en hij belt met familie die vervolgens de politie inschakelt. Na een bevel tot opsporing en in samenwerking met IJM en JanSahas worden de arbeiders gevonden en bevrijd door de politie. IJM zorgt ervoor dat de mensenhandelaren vervolgd worden, hoewel dat een heel moeizaam proces is.
Voor de bevrijde slaven volgt een rehabilitatietraject van twee jaar waarbij ook de overheid betrokken is. Juist die samenwerking maakt het zo bijzonder. Dat er steeds meer bewustzijn is merkten we in de trein toen ik dit bord las.
Het bezoek aan IJM was zeer boeiend. We kregen een prachtige presentatie en konden ook horen uit welke bron de ontferming en het doorzettingsvermogen komt om met en voor de allerarmsten te werken.