Foto in de krant – Familie dynamiek

paenkinderen1954

En dan staat opeens deze foto in de krant. Mijn zus heeft hem ingestuurd naar de rubriek Dierbare foto’s van het Nederlands Dagblad. Daar wordt aan de hand van een foto, die een lezer instuurt, een kort verhaal verteld over de foto. Wie staan erop, waarom, wanneer en wat betekent de foto voor degene die hem op stuurde? Een leuke rubriek, die ik eerder ook aantrof in NRC Handelsblad. Ik hou van geschiedenis, van zwart-wit foto’s en van familieverhalen.

Maar dan staat er dus op een goede dag een zwart-wit foto van mijn eigen kleine geschiedenis in de krant. Ik zie een jonge, best charmante vader, gehurkt in zijn zwembroek, met vier kinderen in zwemkleding om hem heen. Mijn zusjes Loes en Thea en mijn broers Ed en Jacques. Twee donkere koppies, de meisjes en twee helblonde, de jongens. Mijn oudste broer Ed is een jaar of 9, mijn broer Jacques een jochie van 3. Mijn zus Loes, links voor, is 8 en Thea met haar arm door die van mijn vader, is dan een jaar of 5 of 6. Achter hen liggen de duinen en een leeg, uitgestrekt strand. Is het Ouddorp? Of Katwijk? Rockanje misschien? Geliefde vakantiebestemmingen uit die tijd.

Ik kijk naar die jonge gezichten van mijn broers en zussen en ben ontroerd. Waar zie je sterker een beeld van onbevangen vertrouwen in de wereld, dan in de gezichten van jonge kinderen? De toekomst ligt open, alles kan nog gebeuren. En veel verder dan de volgende duik in zee, een zandkasteel of ijsje denken ze hier nog niet. Het is vakantie en die waren altijd heerlijk, volgens mijn zus in het begeleidend artikeltje. Mijn vader was er voor de kinderen, op het strand spelen, badmintonnen, in de golven springen. Hij had net zoveel plezier als de kinderen, strandmens in hart en nieren als hij was.

Wie maakte de foto? Zou het mijn moeder geweest zijn? Het kan haast niet anders, maar ik kan me het toch eigenlijk niet voorstellen. Mijn moeder was atechnisch, hield niet van apparaten en liet fotograferen aan mijn vader over. Ik zie het zwarte kodakkastje nog voor me. Je keek er van bovenaf in en hield het op buikhoogte vast. Verrassend mooie foto’s maakte hij er mee, al duurde het poseren erg lang. Aan het gezicht van een van de zusjes te zien duurde deze sessie misschien ook lang. Ze heeft er geen zin (meer) in en wordt door mijn vader min of meer in een houtgreep vastgehouden: nog even!

Er ontbreekt natuurlijk iemand op de foto. Dat ben ik. Was mijn moeder zwanger van mij? Het is hier zomer 1954 waarschijnlijk. Ik ben van maart ’55, dus in een zeer pril stadium aanwezig. Mijn moeder wist het misschien nog niet eens. Het verhaal gaat dat ze naar de dokter ging omdat ze zich al een tijd niet lekker voelde. Ze meende al een jaar of twee in de overgang te zijn omdat ze niet meer menstrueerde. Dus het laatste wat ze verwachtte was de mededeling van de arts dat ze zwanger was van de vijfde. En die was al minstens drie maanden op weg. Wellicht is dit de zomer waarin ze meende dat er een makkelijker bestaan was aangebroken zonder luiers en huilende baby’s.

Vandaar dat ik misschien bij deze foto het gevoel krijg er niet bij te horen. Het gezin is af. Klaar. Ontspannen op vakantie. Het volgende jaar zal er een dik, nog onberekenbaar, veel aandacht nodig hebbend, flessen drinkend zusje bijgekomen zijn. Verstoorde ik het evenwicht? Waar zou ik staan op deze foto als ik er bij geweest was? Waarschijnlijk waar nu mijn stralende broertje op mijn vader leunt. Hij zou dan vervolgens staan waar mijn zus in de klemgreep van mijn vader hangt. En zij? Opeens groot zou ze naast oudere zus of broer geplaatst zijn. Of weg gerend omdat ze er geen zin meer in had. De positie die ze voor haar gevoel altijd heeft gehad in ons gezin: ergens tussenin, er niet bij horend. Zij kan zich niet herinneren wat de impact van mijn komst was. Mijn andere zus kan ik het niet meer vragen, ze stierf in 1992. Mijn broers moet ik nog maar eens om een reactie vragen.

Familie dynamiek. Boeiend, fascinerend en niet te onderschatten qua invloed.

Het houten kistje

Mijn moeder bezat een houten kistje. Het kwam uit haar familie, een mooi, klein, bewerkt naaikistje. Het was al een eeuw oud, gemaakt door een voorvader voor zijn verloofde, ik geloof mijn betovergrootmoeder. Op de voorkant was ruimte voor een miniscuul fotootje van de geliefde, en mooie, donkerharige vrouw.

Het was niet zomaar een simpel doosje, rechthoekig, gemaakt van vurenhout of zo. Nee, het was van mahonie en ingelegd met een lichter soort hout, met rondingen en welvingen. Een heel vrouwelijk, sierlijk kistje. Thuis stond het altijd bovenop de antieke kast, die mijn ouders koesterden. Die kast kwam uit de schoonfamilie van één van mijn zussen, maar was permanent uitgeleend aan mijn ouders door haar.

Die kast is tot de één na laatste woning van mijn moeder meeverhuisd. In het verpleeghuis, waar ze uiteindelijk terecht kwam vanwege dementie, was er geen plek meer voor. Het kistje heeft haar wel tot het laatst vergezeld. Op een gegeven moment verhuisde het van bovenop de kast naar een (oneerbiedig) plekje half onder haar stoel. Het diende nu een doel. Het werd weer gebruikt, zoals het wellicht ooit dagelijks was gebruikt door mijn overgrootmoeder.

Maar er zaten geen naaispulletjes in. Het kistje raakte gevuld met kostbaarheden. In mijn moeders ogen althans. Oude brieven, oude kaarten, oude rapporten, oude diploma’s, oude foto’s. Het overgrote deel kwam uit de nalatenschap van mijn zus Loes, die gestorven was in 1992. Mijn moeder was 75 jaar toen mijn zus zichzelf van het leven benam, na jaren van psychisch leed.

Sinds die tijd verzamelde mijn moeder van alles en nog wat in dat kistje dat haar aan Loes herinnerde. Zoals ooit de moeder van Mozes een biezen mandje maakte om haar kind te redden, zo gebruikte mijn moeder dat kistje om haar kind vast te houden. Bij ieder bezoek dat ik aan haar bracht reikte ze na een tijdje naar de grond en kwam het kistje op haar schoot te staan. De scharnieren waren al kapot, het deksel zat er nog maar half op, zo puilde het uit. Geen wonder. Werkelijk alles zat erin. Zwemdiploma’s uit de vijftiger jaren. Schoolrapporten van het gymnasium. De bul van de universiteit. (‘Wat was ze knap, hè? Cum Laude!’) Oude schoolfoto’s, oude kinderfoto’s, oude pasfoto’s. Foto’s van haar klas toen ze lerares was, sinterklaasgedichten uit lang vervlogen tijden, programma’s van concerten waar ze samen geweest waren. En bij ieder bezoek moest ik het allemaal bekijken en bewonderen. Keer op keer. Alsof het voor het eerste was.

Dat ging me niet altijd makkelijk af. Mijn zus was dood en ik zat springlevend bij mijn moeder in de kamer. Maar al haar aandacht ging op aan de herinnering. En alle energie aan het verdriet om haar sterven. Ik kreeg een hekel aan dat kistje. Hoe mooi het ook was en hoe dierbaar voor mijn moeder.

Ik realiseerde me dat het een heel oud kind gevoel was dat naar boven kwam. Als jongste in een groot gezin ervaar je vaak dat de meeste aandacht van je ouders uitgaat naar de sores en besognes van oudere broers en zussen. Jouw taak is het om lief te zijn en vooral niet nog meer problemen in het leven van je ouders te brengen. Zo heb ik tenminste mijn kindertijd ervaren.

Dus toen ik als vrouw van middelbare leeftijd in de kamer bij mijn moeder zat en weer moest  luisteren naar haar verdriet over mijn oudere zus kreeg soms sterk de neiging dat kistje over het balkon te smijten. Ik zit hier nu toch? Wees nou blij met mij!

Ach, nu, jaren verder, schaam ik me er wel voor, dat zo gevoeld te hebben bij een dementerende, oude vrouw. Dat kistje bevatte alle verlies voor haar, van haar geliefden. Man, jonge schoonzoons en dochter. Bij leven had ze daar nooit echt om kunnen rouwen, niet kunnen delen in elk geval. Daarvoor was ze te geremd en gesloten. Dat kwam pas toen de maskers afvielen door de dementie. Het was aan ons, de achtergebleven kinderen om dat nu op te vangen. Ik hoop dat we haar tot troost geweest zijn, ondanks alles.

Het houten kistje staat bij één van mijn broers nu, geloof ik.

Het ‘schone’ virus en nostalgie

Ik lijd aan een milde vorm van smetvrees. Voordat iedereen schrikt zal ik het wat positiever formuleren: ik heb een grote behoefte aan een schone omgeving. Ik had een schone moeder. Niet dat ze 24/7 aan het poetsen was, maar ze was wel schoon. Ze had een routine die ze tot op hoge leeftijd volgde: ’s ochtends ‘werken’, vervolgens de middagboterham, dan een korte dut. Daarna boodschappen doen en dán (pas nadat de kinderen de deur uit waren)  een uurtje ontspanning. In haar geval, lezen of oer-moeilijke cryptogrammen oplossen. Toen we allemaal nog thuis woonden kwam de ontspanning pas na negen uur. Na het sokken stoppen en elastiek rijgen in de ontelbare onderbroeken.

In mijn kinderjaren kwam op vrijdag altijd de onovertroffen werkster, juffrouw Boenders. (Ja, zo heette ze echt). Ze was overigens getrouwd met meneer Boenders, dus het ‘juffrouw’ was nog een laatste verwijzing naar de Nederlandse standenmaatschappij, waarin ‘lagere’ klassen zich geen mevrouw lieten noemen, denk ik. Juffrouw Boenders was een klein, gerimpeld, hardwerkend vrouwtje. Ze had zelf geen kinderen en ze was gek op mij. Ik was nog thuis (3 jaar) toen ze bij mijn moeder kwam werken en ik heb veel herinneringen aan haar en de uren die ze werkend doorbracht.

De geur van meubelwas en koperpoets (mijn moeder hield van koper), de koude tocht omdat alles open moest, de fascinerende bewegingen van het uitslaan van een stofdoek of een zeem (iedere week de ramen zemen!). Het holle geluid van de mattenklopper op tapijt dat werd uitgeklopt. En ik raakte  besmet door het voldane gevoel dat moeder en juffrouw Boenders uitwasemden als alles weer op z’n plek stond. Schoon, glimmend en stofvrij.

Mijn moeder hield zelfs, tot op enkele jaren voor haar sterven, de gewoonte vol om ’s ochtends ‘werkkleding’ te dragen. Daarin kon ze niet naar buiten eigenlijk, vond ze. En er bezoek in ontvangen kon helemaal niet. Als ik haar wel eens verraste was dat meestal het eerste wat ze uitriep: Maar ik loop nog in mijn werkkleding! Ik zag slechts een keurig geklede oude dame, maar voor haar gevoel liep ze er ‘onverzorgd’ bij.

Een schone, nette, gedisciplineerde moeder dus. Voor wie gezelligheid overigens heel belangrijk was. Poetsen deed ze als we weg waren op school. Als we thuis waren was het ´klaar´. Zogenaamd, want met vijf kinderen was er constant werk aan de winkel.

Naast deze schone moeder was ik ook nog eens belast met een hele schone vader, die ook nog eens uiterst opgeruimd was. Overal keurige stapeltjes, gesorteerd en wel. Uiterst schoon op zichzelf. Ik zie hem nog altijd na z’n middag- of ´na-het-eten´-dut, uitgebreid zich wassend bij de wasbak. Of de vaat spoelend, zo grondig dat afwassen in mijn ogen bijna overbodig leek. En in de tuin hadden vallende herfstblaadjes geen schijn van kans. Desnoods met stoffer en blik werden ze onverbiddelijk verwijderd van het gras. Mijn vader hield van opgeruimd en netjes. Ik ben dus van beide kanten besmet.

Nu is het probleem dat ik wel graag wíl dat mijn omgeving schoon is, maar dat ik geen zin heb in de inspanningen die het vergt om zover te komen. Ik ben namelijk ook enigszins lui in aanleg. Mijn moeder vroeg zich altijd af van wie ik dat toch had. Het rommelige en vooral het knoeien en wild rond ´spatten en sproeien´ met koken. ‘Bourgondisch’ vond ze dat. En het leek wel een beetje op mijn oma Sonneveld, die ook graag kookte en wat minder netjes was. (Alle mindere kwaliteiten kwamen van de Sonneveld kant van de familie, als ik mijn moeder moest geloven, haha)

Hoe dan ook, er bestaat dus een waar spanningsveld in mijn leven tussen schoon willen zijn, maar geen zin hebben in poetsen.

Al mijn hele leven zoek ik naar slimme, weinig inspanning vereisende oplossingen. (jammer dat de kinderen de deur uit zijn) maar als puntje bij paaltje komt is er geen ontkomen aan: emmers, soppen en zweten.

Ik heb het dan vooral over WC’s en badkamers (haren in het putje!), gevolgd door keukens en vloeren. Ik hoop altijd dat één keer goed zuigen en soppen afdoende is, maar de ellende is dat het nooit ophoudt. Voordat je het weet is er al weer (ruim) een week voorbij en heb ik niks gedaan in mijn huis. Ik zie de bacteriën zweven, verbeeld me dat ik ziek word, alles plakt en de stofpluizen en poezenharen vliegen me om de oren. Er móet weer iets gebeuren, dat is duidelijk, maar heeft het werkelijk zin? Haalt mijn sopdoek de bacteriën echt weg of is het maar een illusie?

Zuchtend haal ik de emmers maar weer tevoorschijn. In mijn werkkleding. En in tegenstelling tot ooit mijn moeder, kan ik daar echt niemand in ontvangen.

Laatste week – meet the parents

De 10 dagen bij mijn schoonouders in Boston zijn verre van saai. Ze zijn hoog bejaard, zoals ik al melde maar voor geen kleintje vervaard. Musea, uit eten, rondlopen in de drukke Quincy Market buurt.

De rolstoel biedt voor mijn schoonmoeder Blanca weer een grote verbreding van haar horizon. Ze heeft de beweging van het lopen nodig, maar nu die stoel er toch eenmaal is maakt ze er net zo lief gebruik van. Na 5 minuten langzaam lopen neemt ze plaats in de stoel en laat zich verplaatsen(rijden) als een koningin. Echtgenoot Chris is haar toegewijde valet. Met haar zachte stem spreekt ze hem toe waar en hoe ze gereden wil worden.

Afgelopen zaterdag was er een kunstmarkt en heel trouw rijdt hij haar langs alle stalletjes en als ze het wil nog een keer op en en neer, zo vaak ze wil.  Verder spreekt ze veel mensen aan om ons voor te stellen (ze kent hier iedereen). Of mensen staan stil om haar te groeten. Het lijkt of mensen  zich vereerd voelen om door haar te worden opgemerkt. De leukste opmerking vorig jaar hoorde ik in de lift van een museum. Mijn schoonmoeder, gekleed in kant en creme, met gouden accesoires, oorbellen, ketting enz., een flitsend hoedje op haar hoofd trok de aandacht van een medepassagier in de lift. ‘You are a museum piece yourself, pretty dazzling, mam!’

Niets maakt mijn schoonmoeder blijer dan zo’n opmerking. Ze is oud, ze weet dat, maar de tinteling in haar donkere ogen, haar nog redelijk donkere haar, het bijna rimpeloze gezicht en haar open, vriendelijke houding naar mensen om haar heen maakt dat ze leeftijdloos en nog steeds aantrekkelijk is. Ze verzorgt zichzelf goed, gebruikt make-up als ze uit gaat en heeft veel aandacht voor kleding. Ze leest Vogue “to get an idea of what is in” en maakt haar eigen combi’s. Sommige kleding is echt al zo oud als Methusalem. Ze droeg het al toen ik haar 37 jaar geleden leerde kennen. Omdat veel van polyester is blijft het natuurlijk lang goed.

Ze is een bijzondere vrouw waarvan er geen 13 in een dozijn gaan. Ik vind het steeds weer heel gaaf deel van haar familie en leven te mogen zijn. Als jongere vrouw voelde ik me snel geïntimideerd door haar. Wat had ik als lange, onhandige, verlegen, blonde Hollandse kaaskop te vertellen aan zo’n exotische vrouw? Nu ik en vooral zij ouder worden delen we ook meer persoonlijke, pijnlijke dingen. De moeilijke periodes in haar huwelijken, de moeites van het opgroeien met een dictatoriale vader die meende, als Puerto Ricaanse patriarch haar hele leven te moeten controleren. Ze vertelt boeiende verhalen over de 30’er jaren, hoe ze van alles verzon om aan zijn alziend oog te ontsnappen, vaak in samenwerking met haar jongere broer die altijd met haar mee moest als chaperonne.

In de 37 jaar dat ik haar nu ken is er ware liefde gegroeid. Ze is trouw en sterk, altijd kaarten en telefoontjes op de dagen van verjaardag, jubilea, moederdag, vaderdag en in tijden van ziektes en zeertes. Het heeft een tijd geduurd voor ik me ontspannen voelde, en haar ouderdom draagt zeker bij aan een zekere  zachtheid die gegroeid is in haar. Werk, carrière, grote vriendenparties, verre vakanties, het is allemaal kleinschaliger geworden, dichter bij mijn belevingswereld en daarom ook dichter bij haar. She is a treasure.

op weg

Dagboek van een verhuizing 10 – Memories

Ik denk in deze dagen van verhuizen en opnieuw settelen vaak aan mijn overleden moeder. Er was niemand in onze familie die verhuizen zo leuk vond als mijn moeder. Mijn haat en tegenzin komen absoluut niet uit haar genen, kan ik wel zeggen. Mijn moeder kickte op organiseren, inpakken, regelen, meubels herschikken, ruimte creeeren voor spullen, weer meubels herschikken, tijdelijke oplossingen vinden en meer van dat soort onmisbare survival zaken voor verhuizers.

Haar laatste eigen verhuizing naar een verzorgingsflat heeft ze half bewust nog meegemaakt. Ze leed aan Alzheimer, maar de schilderijtjes en andere sierspullen aan de muur heeft ze toch nog zelf geregeld dat er iemand van het huis kwam om die op te hangen. Het duurde haar te lang tot een van ons het deed, blijkbaar. Ze had niet echt goed zicht meer op hoe dat dan het mooiste was, dus hing alles op een rijtje, maar de drang om haar kamer mooi te maken was er nog.

Mij heeft ze ontelbare malen bijgestaan bij verhuizingen. Ik, die bij de eerste doos inpakken de moed al liet zakken. En zo snel het overzicht kwijt raakte dat ik wanhopig het liefst weg wilde voor een paar weken. En alles direct perfect wilde en dus alleen maar gefrustreerd rond liep te stappen. Mijn moeder was dan een held. Ze zorgde voor de ‘inwendige mens’ zoals zij en mijn vader dat zo mooi noemden, met koffie, koeken en broodjes. Vervolgens ging ze gewoon inpakken en had 100% meer energie dan ik, dus kwam er veel meer uit haar handen. Ondertussen sprak ze mij moed in, zo van: kom op, als we nu dit en dat nog doen dan kunnen we morgen, enz.

Ik weet niet of ik nou erg aardig tegen haar was in zo’n periode. Dat is het nare, ik had de neiging alles van mijn moeder als vanzelfsprekend te ondergaan, daar was ze gewoon mijn moeder voor. Ik zal dus wel flink chagrijnig  geweest zijn en ook nog mijn eigen weinig doeltreffende methodes beter hebben gevonden…

Als we dan op de nieuwe woonplek aankwamen ging mijn moeder weer hard aan het werk. Uitpakken en soppen en meubels schuiven, stoffen en weer stapels broodjes smeren, koffie zetten, boodschappen doen en meer. Ze had een gewoonte die me nog bijstaat als heel irritant, omdat ik alles immers direct perfect wilde. Ze hing aan elk spijkertje, schroefje of uitstekend palletje wat ze vond in huis mijn dingen op. Ongeacht de plek, de hoogte of wat dan ook, als er ergens een haakje aan zat hing het ogenblikkelijk aan de muur. Tot mijn grote ergernis. Het hoorde daar niet en ik vond het een inmenging in mijn huiselijke zaken. Ik bepaal zelf wel waar wat komt te hangen, zei ik dan kattig.

Ach. Mijn arme moeder, heb ik, verwend jongste kind als ik was, haar wel voldoende gewaardeerd?

Laat ik trouwens mijn vader niet ongenoemd laten! Ook hij was nadrukkelijk aanwezig bij mijn verhuizingen. Bijvoorbeeld voor ik getrouwd was bij mijn studentenkamerverhuizingen. Mijn vader had een Renaultje, zo’n koekblikje. Ik begrijp nog steeds niet dat we daar iedere keer weer meer zooi in gestouwd kregen. Boedelbakken, daarvan kan ik me niets herinneren. En na aankomst  ging mijn vader aan het werk met zijn boor en ander gereedschap. Planken aan de muur, kasten in elkaar, schilderijtjes en andere prullaria, hij hing het allemaal op. Mijn vader wilde alles ook wel graag perfect gelijk, dus kon hij eindeloos doorgaan. Dat heb ik dus van hem.

Zo waren we lekker bezig met z’n drietjes! Mijn moeder hing alles op, maakt niet uit waar, ik haalde het weer van de muur en in samenspraak met mijn vader kwam het waar ik wilde!

En dan was er weer koffie met koek. Of een broodje kaas.

Ontstopper

Ik ga soms door periodes dat ik me niet slecht en ook niet bijzonder goed voel. Gewoon, tja, alles gaat zoals het gaat. Er gaat veel goed, sommige dingen minder. Eigenlijk is dat een normale staat van zijn. En toch heb ik er altijd een licht onaangenaam gevoel bij. Er zou meer te voelen moeten zijn. De dingen lijken wat vlak en alles heeft zo de sfeer van een door mij gehate uitdrukking: ‘het gaat zijn gangetje’.

Lees verder “Ontstopper”

Prachtig

Ik moest de afgelopen dagen veel aan mijn overleden moeder denken. Op Koninginnedag heb ik dat altijd al. Het was vanouds een gloriedag voor haar. ’s Ochtends vroeg als meisje zong ze het Wilhelmus op de trappen van het stadhuis in Schiedam, grote oranje strik in het haar en een sjerp om. En ongetwijfeld was ze de rest van de dag betrokken bij allerlei feestelijkheden. Toen (20- en 30er jaren) was het trouwens nog niet op 30 april realiseer ik me terwijl ik dit schrijf. 31 augustus was het, de verjaardag van Wilhelmina, volgens m’n Google search

Maar in mijn geheugen staat toch 30 april gegrift als de dag van mijn moeder die vanaf 9 uur in de weer was met koffie en oranje tompoezen (waren die er toen al wel, of vul ik dat nu in??) om klokslag 10 uur het verslag op TV (vanaf wanneer was dat er eigenlijk?) te volgen. Geen seconde wilde ze ervan missen. Wat zou ze ongelooflijk geschrokken zijn van de beelden van afgelopen 30 april. Haar prinsen en prinsessen en haar koningin belaagd door zo’n onverlaat. En al die mensenlevens..

Ook in Zuid Limburg dacht ik veel aan haar. De lente was zo warm enuitbundig tastbaar, de twee dagen dat we er waren voor een korte vakantie. Het landschap is er zo liefelijk en mooi. Ik hoorde haar steeds zeggen:’kijk nou toch, prachtig!’ Ze kon intens genieten van de natuur, van muziek, van taartjes met koffie en van preken. Een echt gevoelsmens, die vaak niet goed verwoorden kon waarom en wat ze nou zo mooi vond. Het was de totalebeleving, de aanraking. Als kind en als tiener vond ik het maar overdreven en zelfs stom dat ze bijvoorbeeld. een preek die ze zo ‘prachtig’vond niet eens kon na vertellen. Maar ik heb me er mee moeten verzoenen want ik heb er zelf ook last van. Ik lees boeken die ik geweldig vind maar ik kan ze na 2 weken weer lezen want ik ben ze vergeten..

Limburgs landschap, ’t kan eigenlijk niet mooier, hoewel ieder landschap in Nederland zijn eigen karakteristieke aantrekkelijkheden bezit. Maar het glooiende, golvende van Limburg vind ik uniek en onovertroffen in ons vlakke land. We hebben door het Geuldal gelopen met z’n boerderijen, vergezichten en immens grote koeien waar ik volgens Kim niet bang voor hoef te zijn, maar die toch wel erg groot zijn. En opeens kwamen we een onvervalste vlaai tegen, niet een koeienvlaai dit keer, maar een Limburgse vlaai. Daarvan hebben we ook genoten! We liepen steeds toevallig leuke eetgelegenheden binnen. Dat hebben we ook wel eens anders ervaren, dus het was extra genieten. Bij hoeve De Vrijheerlijkheid waar we in een theetuin met het mooiste uitzicht de verrukkelijke Victoria vlaai aten en in ‘ Bie de Tantes’ aten we de lekkerste maaltijd die we ons konden heugen (maar ik heb dus een slecht geheugen :)) buiten op het terras om 7 uur ’s avonds. Verder hadden we een hele mooie B&B in Eys, met de naam Dalauro , die ik een ieder kan aanbevelen. De stilte is er te horen, met een mix van vogeltjes en af en toe een mensenstem. De kamers zijn van een luxe dat ik me er bijna voor schaamde in deze tijden van kredietcrisis. Helemaal toen we er ook nog een heerlijk ontbijt met allervriendelijkste persoonlijke service van de eigenaar Rob bijkregen. Aanrader.

Toen scheen de zon dag in dag uit

Margreet in Katwijk

hansvanveelenenikouddorp

Deze fotootjes bevestigen m’n herinnering weer: toen ik klein was scheen in de zomer altijd de zon. Spelen aan het strand, lekker rondlopen in m’n badpak (zie je die schattige pofbroek en het geschmockte badpakje?). En die stroblonde haren van me. Alles duidt op warmte, zon en vermaak. Geen wonder dat ik nog steeds zo gek ben op het strand! Het is me met de paplepel ingegoten. In de achtergrond op het onderste fotootje zie je de huisjes waarin we bivakkeerden. Het is 1958 dus ze zijn van een sublieme eenvoud. Geen douche (die hadden we thuis nauwelijks) en geen warm water. Stapelbedden en dat was het denk ik. Voor mijn moeder zal het wel hard werken geweest zijn. Vijf kinderen die onder het zand thuis kwamen, het plakkerige zeewater en toch niet even snel afdouchen. Hoe zouden we het gedaan hebben? Ach, vroeger waren we gewoon een stuk viezer. Maar fijn was het beslist.

ik mis je

Ik mis je

Ik heb van jou alleen een oude film-
Die van je trouwdag in 1940.
Toen je zo breekbaar jong was
dat het me pijn doet – je lach,
je ogen die zo stralen –
je vergeet de oorlog die pas
met veel geweld is uitgebroken,
jij ziet alleen de toekomst;
die strekt zich eindeloos uit
veel verder dan de jaren
dat jouw land nog zuchten moet.
Jij daalt de stadhuistrap af
aan de arm van je geliefde,
door een haag van zussen,
ouders en je schoonfamilie.
Jij bent in aanzien nu
of het nu oorlog is of vrede

je bent zo jong dat het me pijn doet.

nu is het welletjes 1

Ik denk de laatste dagen opeens weer veel aan mijn moeder. “Nu is het welletjes” was een typische uitdrukking van m’n moeder als ze ergens genoeg van had. Veel gezag had mijn arme moeder niet en wij waren apen van kinderen.

Ze was gewoon veel te lief en zachtaardig en kon er niet tegen op weerstand te stuiten bij ons. Dan gaf ze maar toe, om de lieve vrede wil…Echt boos heb ik haar zelden gezien. Boosheid uitte zich meestal of in zwijgen of in een huilbui waarna ze wegliep. Ze moet het, met haar gevoelige aard wel zwaar gehad hebben met ons vijven.

Mijn vader was strijdbaar en liet niet met zich sollen. Als iets  ‘m niet aanstond liet hij dat luid en duidelijk weten. Vaak tot ongenoegen van mijn moeder die het dan vaak weer onterecht vond. Je voelt dat als kind snel aan. Mijn moeders vurigste wens was een gezellig en harmonieus gezin. Daarom wilde ze ieder conflict eigenlijk het liefst vermijden. En als er dan ruzie was, gauw en snel alles weer gladstrijken. Ik heb niet echt meegemaakt dat iets werd uitgepraat.

Mijn moeder had wel een talent om gezelligheid en sfeer te scheppen. Echt veel snoepen en zo deden we nog niet in de tijd dat ik kind was, maar op gepaste tijden was er lekkers. Vrijdags bijvoorbeeld was een opblijfavond in mijn herinnering. Er was limonade (gazeuse..wat was dat eigenlijk??) en iets wat ik heerlijk vond: dots. Vijfkantige hartige koekjes, volgens mij met komijnzaadjes. Ik was er verzot op.

Het was mijn moeders ideaal om spelletjes te doen op vrijdagavond, maar ik ben al van het tv tijdperk. Tot haar spijt verdrong de tv het spelletjes doen. Toch heb ik nog wel duidelijke herinneringen aan vlooien, (ronde plastic fiches in een potje wippen, spannend :)) of het Advertentiespel, waarschijnlijk nu het meest oerflauwe spel ter wereld maar ik moest er wel vreselijk om lachen toen. Allerlei advertenties werden per zin door elkaar gehusseld op kaarten. Die las je dan om de beurt voor en dan kreeg je hoogst grappige (?) mix-ups…

Oh en we hadden ook nog zo’n spelletje, Pim Pam,Pet Een draaischijfje, dat een letter aanwees waar dan vervolgens een vraag over kwam, geloof ik. Een soort Triviant avant la lettre..Later speelden we ook wel kaartspelletjes als Pesten en 31-en (of was het 21-en?)

Een spelletje wat mijn moeder graag en vaak speelde was “Plaatsnamen”. Met een potlood op een willekeurige pagina in een willekeurig boek of tijdschrift een letter prikken en dan maar plaatsnamen verzinnen die met die letter starten. Ik vond dat een uiterst saai en vervelend spel. Ik was niet goed in plaatsnamen en mijn moeder of broertje Jacques wonnen altijd. Boring.

Nog erger was Scrabble,een favoriet van m’n moeder, dat ze het liefst op zondagmiddag speelde met mijn broer Jacques.  Wát een duffe sfeer herinner ik me daarbij…Mijn vader sliep en die twee zaten zwijgend en denkend aan tafel…En wat deed ik? Geen idee. Lezen denk ik.

Dat heeft m’n moeder ons allemaal meegegeven. Liefde voor lezen. Ze had zelf altijd een boek waar ze in bezig was. Van de bibliotheek en heel vroeger in Schiedam ging ze naar Boekhandel Baze, waar je voor een dubbeltje boeken kon huren. Streekromans, familieromans enz. Moderne literatuur las mijn moeder niet. En er moest vooral geen seks in voor komen…Ik had een geweldig preutse moeder. Lichamelijkheid was iets waar ze zich zeer ongemakkelijk bij voelde. Ik kan me niet heugen haar ooit in ondergoed, laat staan bloot gezien te hebben. Not done. Er was bij ons thuis ook absoluut geen meidenpraat, zoals bij ons. Terwijl we toch ook met drie meiden waren. We leenden geen kleren van elkaar, we hadden gewoon niks met elkaar. Het leeftijdverschil speelde daarin ook wel een rol. Ik was de jongste, Thea was 6 jaar, en Loes 9 jaar ouder. Maar toch…Het zal de tijd wel geweest zijn. Maandverband, menstruatie, epileren, scheren, enz.enz., het was allemaal taboe. Jammer.