Risen – de film

images (300×450)

Vanavond in Amersfoort de recent uitgebrachte film Risen gezien. Ik had erover gelezen in het Nederlands Dagblad  (de recensie kan alleen door abonnee’s worden gelezen) en in Christianity Today. Beiden schreven een zeer positieve recensie. Ik hecht daar waarde aan. Ik heb altijd wat aarzeling bij films over bijbelse thema’s. Sommige films zijn te zoetsappig en kunstmatig. Of ze zijn juist weer te ‘glamorous’; Jezus loopt dan als het ware met een ‘halo’ rond zijn hoofd op aarde. Ook kan ik er niet zo goed tegen wanneer de persoon van Jezus erg uitgewerkt in beeld wordt gebracht. Ik kijk te sympathetisch en neem zo’n beeld mee. Dan zit ik er bij mijn gebed nog aan vast.

Aan de andere kant vind ik films over de bijbel ook weer heel boeiend. Iedere keer als ik zo’n film zie confronteert het me met de gewoonheid van de dingen. Als je opgroeit met de bijbel vanaf je jeugd, ontstaat er onwillekeurig een gevoel van een aparte wereld waarin die bijbelverhalen plaatsvinden. Niet mijn wereld, maar de bijbelwereld. Films hebben mij geholpen om die twee werelden met elkaar te verbinden. Dat lijkt tegenstrijdig, omdat de films fantasie zijn en niet de realiteit. Maar in films identificeer ik me met de personen en hun realiteit. Zo komt ook de bijbelse wereld dichterbij.

De eerste ervaring van dat soort  had ik  tijdens de film Jesus Christ Superstar. Ik zag die op mijn 18e, denk ik. En opeens drong er iets door van het alledaagse, het door-en-door menselijke van de Mensenzoon Jezus. Ja, hij was God, maar dat was niet te zien. Wie niet beter wist zag een gewone man, met een Mediteraans uiterlijk. Hoe vreemd ook, die film heeft een rol gespeeld in de ontwikkeling van mijn geloof in de levende Jezus.

Nu dan Risen. Ik dwaal behoorlijk af…Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een Romeinse officier, een harde, dorgewinterde krijger. Hij is aanwezig bij de kruisiging en dood van Jezus. Hij is erbij wanneer het graf verzegeld wordt, op verzoek van de Joden. Hij moet het onderzoek leiden naar de verdwijning van het lichaam van Jezus. Subliem gespeeld door Joseph Fiennes. Heel ingehouden, heel overtuigend. Door verschillende ontmoetingen gaat hij twijfelen aan het verhaal van de Joodse Raad en de soldaten die zeggen dat het lichaam gestolen is. Maar wat er dan is gebeurd?

Een ontmoeting met de opgestane Heer Jezus brengt een keerpunt in zijn leven. Ik beleefde persoonlijk de spanning, de schrik, de verbijstering en de ongekende blijdschap dat deze Romeinse officier alsnog Jezus ontmoet en de last die hij draagt bij Hem mag neerleggen. ‘Wat zoek je, Clavius?’, zegt Jezus tegen hem.  Clavius zoekt rust en een dag zonder doden, zonder geweld. ‘Daar kwam ik voor’, is wat Jezus hem laat weten.

Het publiek mag zelf een antwoord geven op de vraag.

Minpunten? Uiteraard. Niet alles is rechtstreeks tot de bijbel terug te voeren. Maria Magdalena was geen vrouw van lichte zeden, zoals de film beweert. Jezus wordt in de film niet op Golgotha gekruisigd. De lijkwade van Veronica met het (vermeende) gezicht van Jezus wordt in het graf gevonden. Niemand heeft het over engelen, noch bij het graf, noch bij de hemelvaart. En we weten natuurlijk niet af van ene Clavius die zich bekeert. De apostelen zijn iets te blije types. En toch….

Zeker het kijken waard.

 

Adoptie is een werkwoord, net als liefde

KIA busje

Er zijn waarschijnlijk verschillende motivaties van waaruit je een kind adopteert. Wie geen biologische kinderen heeft, adopteert, denk ik, allereerst om een kinderwens te vervullen. Een heel natuurlijk verlangen naar nageslacht. Naar zorgen voor iets kleins en afhankelijks, met wie je een diepere band ontwikkelt dan met de gemiddelde kat of hond. Iemand met wie je je leven kunt delen.

Ik had in die zin geen kinderwens in de jaren tachtig, aangezien we al drie kinderen hadden mogen krijgen. Maar er was plaats voor meer. We stonden open voor zowel meer biologische kinderen als voor een adoptiekind. De beslissing om voor een adoptiekind te gaan kwam vooral voort uit idealisme. Of beter gezegd misschien, uit onze overtuiging dat we moeten delen van de rijkdom die we ontvangen van God de Vader, met wie het minder heeft. Wat zouden we een kind in een weeshuis laten zitten met weinig toekomstperspectief terwijl wij van alles te bieden hadden? Een gezinsleven, veel meer toekomst, geborgenheid, een broertje en zusjes, en nog veel meer. Zo begonnen we aan ons avontuur. 

Maar elk ideaal, zelfs als het vanuit een diepe overtuiging  voortkomt, wordt uiteindelijk getest door de werkelijkheid van alledag. De dagen waarop niks lukt, het eten aanbrandt, de kinderen zich als etters gedragen en het kind dat je zo vol geloof in huis haalde, zich afsluit voor je.

Dat zijn de dagen waarop het opeens tot je doordringt dat liefde niet iets vanzelfsprekends is. Dat kinderen uit jou geboren, die dan wel het bloed onder je nagels vandaan kunnen zeuren, wel op een voortstromende basisliefde van je kunnen terugvallen, maar dat bij een ‘nieuw’ kind (van 7) er geen ‘terugval – liefde’ in jouw reservoir zit opgeslagen. 

Ik was jong, had nog niet veel levenswijsheid en zeker nog niet genoeg zelfkennis om dat allemaal te kunnen benoemen. Ik weet wel dat ik in dat eerste jaar van de adoptie  regelmatig een hele duistere Margreet tegenkwam, die ik niet kende en waar ik van schrok. Mijn frustratie en boosheid golfden soms als een storm over ons arme adoptiekind heen. Pas veel later, jaren later, ben ik (tot op zekere hoogte) gaan begrijpen wat daar gebeurde.

Ik was de jongste thuis. Met twee oudere zussen en twee oudere broers. In ons gezin werden ruzies meestal niet uitgepraat, maar resulteerden in zwijgen. Negeren. Om de een of andere reden herinner ik me heel vaak genegeerd te zijn. Ik was waarschijnlijk een verwend jongste zusje, dat lastig was en als gevolg kreeg ik dan de ‘cold shoulder’. Of het echt zo vaak was? Mijn moeder zei altijd dat ze zich er niets van kan herinneren en dat iedereen juist gek op me was. Maar moeders hebben soms een te rooskleurig beeld van hun kroost.

Hoe dan ook, genegeerd worden is voor mij een hele rauwe, gevoelige plek.  En wat ik, met hulp van deskundigen, op den duur duidelijk kreeg is dat ik in sommige situaties heftig reageer op een vermeend negeren, terwijl dat helemaal niet de intentie is van de persoon die ik dan bijna vermoorden wil…(Voor de duidelijkheid, het is natuurlijk meestal echtgenoot die het moet ontgelden)

Ik vertel dit allemaal omdat dit mechanisme ook speelde tussen mij en onze adoptiedochter. Zwijgzaam en teruggetrokken van karakter als ze was, ervoer ik dat als  een afwijzing. Alle jaren door is dat een spanningsveld gebleven. Door haar heb ik pas echt geleerd, door schade en schande, met vallen en opstaan, dat ik een mens moet accepteren zoals die is.  Niet willen veranderen, niet willen omvormen om bij mijn behoeftes aan te sluiten.  Ook iets leren proeven van wat agapé is. Liefde die er is, niet omdat het vanzelfsprekend is van je eigen kind te houden, maar liefde omdat je ervoor kiest. 

Onze dochter leest mee. Ze keurt de blog van tevoren goed. 

 

Hoe moet het dan met de kinderen?

IpadOnze kleinzoon Noah (5 jaar) is niet altijd in de stemming, maar soms wil hij graag aan het begin of einde van de maaltijd bidden. Zo ook laatst toen hij weer ś een nachtje bij ons logeerde. Eerst  nam hij het bijbelverhaal over van echtgenoot: Laat mij het maar vertellen, opa; waarna hij vol vuur en met angstwekkende details, het verhaal van de kruisiging van Jezus vertelde, inclusief de spijkers door de handen en voeten. Daarna stelde hij voor met ons te bidden. Wij sloten gehoorzaam de ogen. Hij bad voor zijn tante  in Amerika, en, onverwacht voor mij, ‘voor tante Thea omdat haar man dood is’. Dat is mijn zwager die onlangs gestorven is. Thuis is ongetwijfeld voor de zieke oom gebeden en later voor mijn zus, die nu alleen is. Het hield Noah duidelijk bezig.

Na de maaltijd bleven we nog even zitten. Met zijn hoofd op zijn handpalm geleund, één vinger langs zijn wang, staarde hij wat in de verte en vroeg toen met een wat bezorgd gezicht: ‘Als tante Thea nu sterft, hoe moet het dan met de kinderen?’ Wat ging er allemaal in dat jonge hoofdje om? Ik vertelde dat de kinderen van tante Thea al groot waren en niet meer thuis woonden. ‘Zijn ze al volwassen?’ ‘Ja, ze zijn volwassen, net als pappa en mamma. Ze hebben zelf al kinderen’. Dat stelde hem gerust. ‘Ok, gelukkig.’ En net zo plotseling als het onderwerp op was gekomen, zo snel was het weer van tafel. ‘Nu ga ik weer verder met het vliegtuig! Enne…krijg ik nou nog yoghurt met siroop?’

Het gevoelige, maar flexibele jonge brein.

 

 

 

Arirang en adoptie

Onze Koreaanse dochter  is sinds een paar jaar actief in Arirang, een vereniging van geadopteerde Koreaanse ‘kinderen’, nu allemaal volwassen (onze dochter is inmiddels 39!). De internationale adoptie is eigenlijk met hen gestart. Ik lees op de website van Andere Tijden dat de oorlog in Korea (1950-1952) de directe aanleiding was tot het ‘redden’ van vele wezen of verstoten kinderen daar.

In Korea werden kinderen, geboren uit een Koreaanse moeder en een  blanke of zwarte Amerikaanse soldaat (gestationeerd in Zuid Korea vanwege de oorlog), verstoten.  Niet alleen in de vijftiger jaren, ook in de jaren tachtig, toen wij er woonden merkte je nog heel duidelijk  dat er een taboe lag op het mengen van rassen. Korea is lang geïsoleerd geweest van de rest van de wereld en dat heeft ertoe geleid dat het land uiterst homogeen was en is. Er zijn altijd wel immigranten geweest, maar dat waren overwegend andere Aziaten. Chinezen en Japanners bijvoorbeeld. En die leven op zichzelf. Niet snel zul je een relatie zien tussen de verschillende nationaliteiten.

De schrijver Jan den Hartog en zijn vrouw waren de eersten die twee kinderen vanuit Korea adopteerden. Zij waren zeer bewogen met het lot van de verstoten kinderen  na de burgeroorlog daar, aan het begin van de jaren vijftig. Zij lobbyden in Nederland om meer kinderen geadopteerd te krijgen. Internationale adoptie was toen nog een onbekend fenomeen. Maar de behoefte aan adoptiekinderen was toegenomen door het gebruik van de pil. Er waren daardoor minder ongewenste zwangerschappen, en als gevolg minder babies die ter adoptie werden aangeboden.

In de jaren zestig werd  met groot idealisme begonnen om kinderen vanuit Zuid Korea naar Nederland te halen. Het was een vorm van ontwikkelingswerk bijna. De kinderen die in eigen land geen kansen hadden, werden naar hier gehaald om ze een beter leven te bezorgen. In de jaren zeventig was het een heel normaal beeld: gezinnen met één of twee buitenlandse kinderen. Toen ook al uit andere landen, behalve Zuid-Korea. Het sprak mij ook erg aan. Zo gaf je kansloze kinderen een nieuwe kans op een goed leven.

Er werd nog heel weinig nagedacht over de vraag in hoeverre je er goed aan doet een kind uit de eigen, sociaal culturele omgeving weg te halen. Een baby is een onbeschreven blad, dus die is nog helemaal te vormen, was de gedachte. Maar de buitenkant veranderde niet. Het Aziatische, Afrikaanse of Colombiaanse uiterlijk bleef zichtbaar. En niet alle kinderen kwamen als baby. Bij het opgroeien ervoeren de kinderen vaak een leegte in hun leven. Op wie leken ze? Waar kwamen hun karaktertrekken vandaan?

Na verloop van tijd ging blijken dat adoptie niet zo eenvoudig was als het leek. Bij de vereniging Arirang, die ik hierboven noemde, vertellen de leden allemaal een eigen verhaal. Sommigen voelen zich thuis, aangepast en tevreden. Anderen ervaren een gemis en zijn op zoek, naar familie, naar identiteit, naar wortels. Velen gingen door moeilijke periodes. Rebels of depressief.

Zelf adopteerden wij onze dochter terwijl we in Zuid-Korea woonden, in de jaren tachtig. We leerden haar kennen in een weeshuis/revalidatiecentrum waar een Nederlandse vriendin werkte. Zij bracht ons in contact met elkaar. Onze dochter was toen 6 jaar. Gevonden op straat, ruim een jaar daarvoor. Een veel voorkomend verschijnsel in die tijd. Kinderen met een lichamelijke of verstandelijke handicap werden als een schande gezien en vaak afgestaan of achtergelaten. In bussations of andere drukke plekken. In de hoop dat ze gevonden zouden worden en meegenomen naar een weeshuis om wellicht naar het buitenland geadopteerd te worden. In de jaren tachtig was er nog veel armoede in het land. En iedere afwijking in het kind werd toegeschreven aan de moeder. Het was haar schuld. In de Confuciaanse maatschappij hoort een vrouw haar man een gezonde zoon te schenken. Zodat de generaties elkaar op gepaste wijze mogen opvolgen en vereren. En zo niet, dan bleef de vrouw in gebreke.

Een wreed lot dus, voor de vele kinderen met polio, CP (spastisch), downsyndroom enzovoort. We zagen de kinderen en volwassenen bedelen op straat, soms op heel vernederende wijze. Dat deed in ons de wens  groeien om te helpen. Iets te doen. Ons oude verlangen te adopteren en het nieuwe verlangen iets te doen om het lot van al die gehandicapte medemensen op straat te verbeteren, kwamen eigenlijk samen toen we het meisje ontmoetten, dat onze dochte zou worden. Door CP kon ze moeilijk lopen. Waarschijnlijk om die reden was ze achtergelaten in een drukke straat en door de politie naar het weeshuis in Masan gebracht. Getraumatiseerd had ze een jaar niets gezegd, tot ze langzaamaan zich thuis ging voelen en veilig. Veel meer dan naam en leeftijd vertelde ze aanvankelijk niet.

Toen wij haar ontmoetten was ze een vrolijk meisje geworden, verknocht aan haar Amerikaanse ergotherapeut en zeer bereidwillig om af en toe met ons mee naar huis te gaan. We hadden toen drie kinderen van wie de jongste 2 was en de oudste 8 jaar. Niet een makkelijke startsituatie voor haar, zo’n bestaand gezin waar jij dan in moet gaan passen. School was in het Nederlands, thuis werd Engels gesproken en met de vriendjes op straat weer Koreaans of Nederlands. Ga dan je talen maar eens leren….

Wordt vervolgd.

 

De zee en Zeeland

Ik was van de week in Kamperland. We reden langs plaatsjes als Kloetinge, Wissenkerke en zagen  oude kerken en een prachtig haventje in Goes. We aten een hapje in het Oude Postkantoor op de Grote Markt. Snuffelden wat bij een Terre des Hommes tweedehandswinkel. Ik kocht ik twee vintage broches bij een antiekzaakje voor E2,- en we liepen langs een onafzienbaar leeg en stil strand bij Breezand. Zeeland op en top. Dit watermens kwam getroost weer thuis. De luchten boven de zee, de geur, de stilte, de geluiden van de meeuwen die de stilte benadrukken, maar minder drukkend maken. De schittering van het zonlicht op de vlakke zee, het knisperend gevoel van zand onder mijn voeten. Het drellerige kwalletje, zelfs de half onder het zand verstopte plastic doppen en zooi….dit is het Strand, dit is de Zee. Dit was Zeeland.

strand bij Breezand
Strand bij Breezand

 

Huppakee, weg?

Huppakee, weg. Er is veel geschreven over de uitzending van de Levenseindekliniek over hulp bij het sterven van mensen die ‘klaar zijn met leven’. Een vrouw met dementie in haar spraakvermogen kon het alleen maar zo verwoorden: ‘huppakee, weg’. Volgens haar man bedoelde ze te zeggen dat ze dood wilde. (overigens had ze eerder een verklaring opgesteld over haar wens niet te willen leven met dementie). Ze kreeg dus het drankje dat de dood tot gevolg had.

Gelukkig was er veel ophef over de documentaire. Waren dit nu mensen die moesten stérven? Konden ze niet op een andere manier geholpen worden? Maar blijkbaar vonden hun naasten en de mensen van de kliniek van niet. Huppakee, weg.

Lijden is niet fijn. Je zoekt het niet op. Als we lijden willen we dat het weg gaat. En het liefst ‘huppakee’, snel! En waarom zouden we lijden? Waarom moeilijke dingen verdragen? Er zijn zoveel manieren om te vluchten. In alcohol, in shoppen, in eten, in drugs, in roken, in duizend ontsnappings mogelijkheden. Of je stapt eruit, uit het leven. Of je doet die NIPT-test zodat gehandicapt leven (eventueel) voorkomen kan worden. Want je kunt het niet (meer) aan.  

Maar wat, als lijden nu eens een weg is die God met je gaat om juist heel dichtbij te komen? Door alle schijn ’goden’ weg te nemen. Ga maar eens door een periode van hevige pijn. In je lijf, in je hart of in je leven, dat maakt niet uit. Dan helpt uiteindelijk niks meer. Alleen God en de mensen door wie Hij naast je wil komen staan. Dat is zó bijzonder als de tijden duister zijn. Dan verzamelen de mensen die jou liefhebben zich om je heen, op een manier die anders nooit gebeuren zou. Het leven krijgt een diepgang die je er zelf nooit in aan had kunnen brengen. Ik hoor het zoveel mensen zeggen, gelovig of niet: de liefde en saamhorigheid toen die en die stierf , tijdens mijn ziekte, enz. was zo groot, het was in zeker opzicht de mooiste periode van mijn leven, hoe raar dat ook klinkt. 

De leegheid die oude mensen ervaren als niemand meer naar hen omkijkt en die hen naar de dood doen verlangen,  is een aanklacht tegen onze samenleving, tegen ons. Palliatieve zorg bij lichamelijke pijn aan het einde van het leven doet de vraag naar euthanasie dalen. Die ‘palliatieve zorg’ moeten we ook ontwikkelen voor ouderen die eenzaam zijn en geen ‘zin’ meer in hun leven ervaren. Een taak die bij uitstek opgepakt kan worden door geloofsgemeenschappen als de kerk. Zij kunnen de omhelzende armen vormen van God op aarde.

Problemen dus opgelost? Geen lijden meer? Huppakee, weg? Nee. Dat zit er niet in. Maar lijden hoeft niet het begin van de ondergang te zijn, het kan een opmaat zijn naar betoon en ervaring van liefde en bewogenheid, van God en mensen. Jezus Christus heeft ontzettend geleden. Hij werd juist totaal van God en mens verlaten. Voor ons! Zo hoeven wij nooit te lijden.  Hij loopt nu vlak  naast je, of je dat nou voelt of niet. Tot het allerlaatste einde. En ook dan worden we opgevangen in liefdevolle armen. En mogen we eindelijk bijkomen. Van alle verdriet en alle pijn en al het lijden. Helemaal getroost worden zoals een kind dat het uitbrult, tot rust komt bij mamma op schoot.

Heb de weg die God met je gaat lief
Het is Zijn weg met jouw ziel en leven

(vrij naar) Augustinus

NB Ik wil ter verduidelijking toevoegen dat ik hier niet bedoel te zeggen dat we ieder leven tot het uiterste moeten rekken; wie stervende is mag sterven. Noch dat we het lijden moeten verheerlijken of zoeken. Lijden zelf is niet goed. Het is iets wat God niet bedoeld heeft oorspronkelijk. Maar nu het er is, in een wereld na de zonde, kan zelfs dát niet een barriẽre vormen voor Gods liefde voor en Zijn doel met ons.  Integendeel! Hij maakt het kwade goed.

De trouwjurk van Parvaneh

Ik vind dit zo’n leuk verhaal! En zo’n perfect voorbeeld van hoe vluchtelingen ons verrijken! Lees en geniet van het verhaal over Parvaneh van Frouckje

Frouckje's avatarBusyBeezzz

Mirjam en Parvaneh Mirjam en Parvaneh

Toen student Mirjam afgelopen dinsdag de trouwjurk aantrok die Parvaneh uit Iran meenam brak er een spontaan feestje los in Huis van Vrede. 

Een trouwjurk uit Iran
Stel dat jij je geboorteland misschien wel voorgoed achter je zou laten op weg naar een onbekend bestaan, wat zou je dan meenemen? Waarschijnlijk geen trouwjurk! Toch was dat precies wat Parvaneh meenam uit Iran toen ze zich bij haar man in Nederland kon voegen, die hier een paar jaar eerder asiel aanvroeg en een status kreeg.

Waarom een trouwjurk? Omdat het haar visitekaartje is!

Bruidsatelier in Iran
In Iran had Parvaneh een eigen bruidsatelier waar ze bruidsjurken ontwierp en maakte. Ze had vier medewerkers in dienst, die haar hierbij hielpen. Dat alles moest ze opgeven toen ze naar Nederland kwam. Naaien en met name het maken van (bruids)jurken is een passie van Parvaneh. We zijn daarom heel blij dat we…

View original post 448 woorden meer

Ziel en zaligheid

orthodox1

Dominee Vonk
Mijn vader was een trouwe volgeling van zijn Schiedamse predikant, ds. C. Vonk (1904-1993). Tijdens kerkenraadsvergaderingen gaf deze dominee les. Hij doceerde over Barth, over de gereformeerde belijdenissen, over Kuyper en weet ik wie/wat nog meer. Voor ouderlingen en diakenen zoals mijn vader, die na de lagere school direct moesten gaan werken, zonder verdere opleiding, kwam zulk onderwijs als een geschenk. Mijn vader was een intelligente man, maar in zijn jeugd  (jaren ’20 )was het bij hem armoe troef thuis en was iedere gulden bittere noodzaak. Op zijn twaalfde ging hij aan de slag als ‘jongste bediende’.

Mijn vader dronk het onderwijs van Vonk dus op als het borreltje wat hij dagelijks nuttigde : als een kostbare lekkernij. Kritisch luisteren was er niet bij:  Vonk’s woord was als Gods woord. Gelukkig heeft Vonk vele mooie en leerzame dingen gezegd en geschreven. Toen ik belijdenis deed kreeg ik 3 delen van de serie ‘De voorzeide leer’. Over de eerste vijf bijbelboeken, met veel interessante exegese en informatie. Sleutelwoord: Het verbond van God met Zijn volk.

Slapende zielen
Maar Vonk (net als ds. Telder uit Breda) ontwikkelde ook een bijzondere opvatting die veel tweestrijd en conflict veroorzaakten in de toenmalige ongedeelde, vrijgemaakte kerk. Die ook mede ten grondslag lag aan de latere scheuring in de kerk. Eerst schreef  ds. Telder het boek, ‘Sterven en dan?’ Later gevolgd door een boek(je) van ds. Vonk met de titel ‘De doden weten niets’ (waarop ik eens de humoristische toevoeging hoorde: En Vonk weet alles…maar dat terzijde) In beide boeken werd afgerekend met de klassiek, christelijke gedachte, nl. dat nadat het lichaam sterft, de ziel van de gelovige, met God verenigd, in de hemel wacht op de opstanding van het lichaam, bij de terugkomst van de Here Jezus.

In reactie op een ontaarding van dit klassieke geloof, (nl. een grote nadruk op de ziel als het méést belangrijke onderdeel van de mens, het lichaam was maar aards en deed er niet toe) kwamen Telder en Vonk met een theorie die het andere uiterste benadrukte (juist, de bekende pendulum), nl dat er helemaal niet zoiets bestaat als de onsterfelijke ziel. Dat zou een Griekse, gnostische gedachte zijn.  De kerkgeschiedenis ingeslopen.  Ziel en lichaam waren één. De hemel was voor God, daar hadden wij niets te zoeken. En God zei toch tegen Adam: wie van de boom eet zal voorzeker sterven! Wie durfde te zeggen, de ziel leeft eeuwig voort, ook als het lichaam sterft, gaf in feite toe aan de leugen van Satan. Die was een volgeling van Satan geworden.(Vonk)

Persoonlijke ervaring
Ik was een vrij serieuze tiener en las dit soort lectuur op aanraden van mijn vader. Geschokt was ik dan als mensen die ik als gelovig zag, het over de hemel en de ziel hadden. Dat was zoiets als gelovig zijn en stelen, of gelovig zijn en vloeken. Mijn jonge, consciëntieuze hart voelde zich daar niet senang bij.

Daaruit blijkt maar weer hoe sterk de invloed is van datgene wat je als kind meekrijgt. Het zijn de eerste vertrouwde werktuigen waarmee je de werkelijkheid om je heen interpreteert. Het anders doen of er anders tegenaan kijken is onveilig, wekt angstige gevoelens (bij mij i.e.g.).

Toch werden veel van mijn eerste, prille overtuigingen op de proef gesteld toen ik op de (vaag christelijke) middelbare school zat, daarna het huis uitging om te studeren en uiteindelijk mijn theologisch geschoolde man ontmoette. Die was nogal verbaasd over de Vonkiaanse leer. Had die ideeën alleen nog maar gezien bij meer sektarische groepen als de Zevendedags Adventisten.

Na ruim veertig jaar eigen bijbelleeservaring, en groeien in een relatie met God, ben ik wel zover dat ik kan zien dat de grote belofte en hoop die Jezus geeft door Zijn sterven en opstanding, juist die onbreekbare band van liefde is, door de dood heen. Is het zo klaar als een klontje wat er na mijn dood gebeurt? Nee, natuurlijk niet. Waar de hemel is, wat de hemel is, uit de glimp die we opvangen vanuit de bijbel is het er in elk geval als een koninklijk paleis. Versailles in het kwadraat, zeg maar en dan nog mooier.  Alles om te benadrukken hoe groot God is.  Maar daar gaat het ten diepste niet om. Waarom dan wel? Dat ik geen ogenblik zonder de ervaring van Gods liefde zal zijn. Dat blijkt  uit zoveel plaatsen in het NT. Ik heb er, tijdens een slapeloze nacht (door jetlag) o.a. Johannes 10-17 weer eens op nagelezen.

Hemel op aarde
Dat we voor eeuwig in de hemel zullen zingen in een witte jurk, is ook zeker niet mijn overtuiging. Integendeel. Wat Vonk benadrukte, dat de hemel niet onze eindbestemming is, lijkt me ook duidelijk in de bijbel. De hemel komt straks naar de aarde (laatste hoofdstukken van het boek Openbaring). Maar in heel de bijbel gaat het altijd eerst om onze relatie met God Zelf. Johannes 17:3, één van de mooiste teksten in de bijbel, vind ik: “Eeuwig leven is dat (wij) U kennen en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus”. Vooral als je beseft dat kennen niet ‘weten over’ is, maar liefhebben en gekend zijn.  De vorige paus zei het zo: ‘Onsterfelijkheid huist niet in de mens zelf. Ze berust op een relatie (met Jezus MB)’.

(Een mooi artikel van ds. Gert van den Brink (die overigens mijn vader begraven heeft) kun je hier lezen: RE2010_86-02.pdf. Een gezamenlijke uitgave van het weekblad de Reformatie en Opbouw, tegenwoordig Onderweg geheten.)

Het troost me om te weten dat de geesten van mijn geliefden nu al bij God zijn en het goed hebben. Mogen rusten en genieten,  iets wat ze door lichamelijke afbraak niet meer konden. Als ik ze mis vraag ik weleens aan God hen te groeten…

En straks zien we elkaar weer.

Jubileum

DUIZEND!!!

Ik moet hier toch wel even vermelden dat ik vorige week mijn
1000e (duizendste!) bericht publiceerde! Ik ben al geruime tijd bezig om mijn blog vanaf het eerste bericht in 2005 te herzien. Veel foto’s zijn weggevallen bij de migratie van de eerste provider Sanoma, naar WordPress. Leestekens zijn in vreemde $ en % tekens veranderd….Wie in mijn archief duikt zal zich weleens afgevraagd hebben wat er met me aan de hand was toen. Dat dus.

Ook zijn sommige posts geschreven in eens stijl die ik nu niet meer zou hanteren. Het is wel heel leerzaam en grappig om die oude blogs door te nemen. Ik lees over de geboorte van de kleinzoons, van wie de oudste nu een pre-puber is van bijna 11. Over mijn eigen depressies, die momenteel ver weg lijken (bemoediging voor wie nu in het donker zit: het gaat ook weer voorbij). Over het sterven van mijn moeder en alles wat eraan vooraf ging.

Toen ik begon met schrijven was ik net nog geen vijftig….ook dat lijkt lang geleden.

Hoe dan ook: duizend blogs, best een prestatie! Veel dingen in mijn leven heb ik minder lang volgehouden dan dit. Blijkbaar heeft dit echt mijn hart!

Reboot your Commute

De Fitnessbus

Alleen nog maar gezien in de VS. Waar anders starten dit soort innovatieve bedrijven? De Fitnessbus. Lopend in de stad reed er een bus langs me. Niets opzienbarends, alleen de zin die met grote letters op de zijkant was geschilderd viel me op: Reboote your Commute. Terwijl ik de betekenis tot me door liet dringen, zag ik hoofden op en neer bewegen door bewasemde ramen. De bus stopte voor een stoplicht, lang genoeg voor mij om te constateren dat in de bus een groep vrouwen aan het spinnen (fietsen) was. Geen banken of zitplaatsen maar een rij spinfietsen. Voorin de instructeur die ik net kon horen roepen: And here we go again! Voor alle duidelijkheid, de chauffeur zat niet op een fiets. Haha.

Je moet er maar opkomen. Je stapt ’s ochtends in de bus op weg naar je werk, in je gymkleding en terwijl je rijdt of eventueel in de file staat ben je lekker (? ik sluit mezelf hier niet bij in) aan het fitnessen. Ik ga ervan uit dat er op het werk dan douches zijn, want zover zal het in de bus nog niet zijn. Een goed begin van je werkdag natuurlijk!

Gat in de markt in Nederland?