Vrolijk Kerstfeest

Gloria In Excelsis Deo – Ere zij God in de Hoge

Vrolijk Kerstfeest en een gezegend 2016 voor mijn volgers

                                                        De lofzang van Maria – Sela

Maak me onrustig

In het Nederlands Dagblad van vandaag las ik in de rubriek Blogs en Bladen iets uit de Groene Amsterdammer. Hoofdredacteur Xandra Schutte schrijft daarin o.a. over naastenliefde. Ze bekijkt naastenliefde van verschillende kanten blijkbaar. Het thema van de Groene is ‘Heb uw naaste lief’. In het blad komt dan ook een priester- folosoof aan het woord, Roger Burggraeve.
Zijn woorden citeer ik hier want ze zijn heel treffend. Er bestaat namelijk een misverstand over wat naastenliefde met een mens doet. Je zou je er zo fijn bij voelen, dus uiteindelijk is het iets wat je voor jezelf doet.
Roger Burggraeve zegt heel nuchter: Naastenliefde is een voortdurende onrustige bewogenheid in jou, waardoor je zo over het lot van de ander in zit, dat die ander in jou komt te zitten. Het is dan ook geen pretje, naastenliefde.

Het deed me denken aan een lied, gezongen door Schrijvers voor Gerechtigheid: Maak ons hart onrustig.

Dagen om nooit te vergeten

‘Ik kan echt niet meer slapen, hoor…’
Het is pikdonker buiten, voor mijn gevoel nog middenin de nacht, en er staat een vierjarige kleinzoon aan ons bed.
‘Kom maar even bij ons liggen dan’, mompel ik.
Hij springt op het bed en kruipt tussen ons in. Het warme kleuterlijfje kruipt dicht tegen me aan.  Wie weet, niets zeggen, ogen dicht, misschien valt hij nog even in slaap. Het is stil. Maar eigenlijk ben ik stiekum toch wel benieuwd hoe laat het is. Misschien is het wel half acht en moet ik er gewoon uit met hem.
Ik pak mijn telefoon en kijk op het schermpje. Mijn eerste vermoeden blijkt waar. Het is vroeg. Niet meer middenin de nacht, maar, even pijnlijk: zes uur…
Ik doe mijn ogen weer dicht.
‘Oma’, hoor ik opeens luid en duidelijk naast me, ‘nu kan ik echt helemaal niet meer slapen, hoor!’
‘Hoezo dan?’
‘Nou, ik heb pappa en mamma en Nathan op je telefoon gezien..!’
Ik probeer het nog even, maar het mannetje wordt onrustig en begint het geluid van vliegtuigen te imiteren, dus ik besluit echtgenoot nog wat slaap te gunnen en ga naar beneden.

De dag verloopt goed. Noah speelt veel zelf, met het duplo Legovliegtuig dat zijn geld dubbel en dwars waard is geweest. Voor de oudste kleinzoon tweedehands aangeschaft, is het nu al 10 jaar in gebruik. Hij tekent ook enthousiast, hoewel ik vaak even iets moet ontwerpen.
‘Oma, teken jij even een onderzeeboot? Nee, niet zo, maar zó! Neée-eeh, zó-oo..!’
‘Doe jij het dan zelf!’
‘Nee, dat kan ik niet, oma, jij moet me helpen.’
Goed, ik doe mijn best mijn tekentalent te ontwikkelen. Legertrucks met badges (Badges?? Wat voor badges? Gewoon, een badge, oma! ok dan…), ambulances enzovoort.

2015-11-14 15.26.32

Het Indianenpak dat oudste dochter aan me uitleende is een doorslaand succes. We bekijken boeken over Indianen. Opa leert hem indianengeluiden, doet een indianendans en rijdt paard.  Als we naar buiten gaan, kan ik hem alleen overtuigen een jas aan te doen, mits die open mag blijven: ‘anders zien ze niet dat ik een indiaan ben.’ Als we vrijdag op de markt lopen om een patatje te halen, vraagt iemand hem waar zijn hoofdtooi is. Wat dat dan wel is? Ja, iets met veren en zo.

Thuis is het enige wat ik kan vinden een soort Hawaii-krans en daar steken we een vogelveer in. Voorlopig is Noah weer tevreden.

Tijdelijke hoofdtooi
Tijdelijke hoofdtooi

 

Echte hoofdtooi, later...
Echte hoofdtooi, later…

Ook zaterdag gaan we een frisse neus halen. Het regent al bijna de hele dag, maar het is even droog. We lopen naar de winkel. Met zijn kaplaarzen aan (én het indianenpak) stapt hij goed door. We komen langs een speeltuin, niet geheel toevallig, waar we even pauzeren. Er is een houten loopbrug waar hij een paar maanden geleden nog bang voor was, maar waar hij nu zonder aarzelen over heen loopt. We doen de boodschappen, kopen uiteraard iets lekkers en als we thuis komen kijken we de aankomst van Sinterklaas. Noah heeft weinig interesse. Al gauw pakt hij zijn tablet en kijkt eigen filmpjes. Zijn ogen gaan langzaam dicht. Even een dut. Voor hem en ook voor mij.

Geen spectaculaire dagen. Maar wel dagen die ik koester en meedraag in mijn herinneringen.

Schoonhoven, Sinterklaas en Schiedam

En toen liep ik opeens in mijn geboortestad, Schiedam. Op een uiterst miezerige, grijze, kille vrijdag.  Ik had echter warm gezelschap in de persoon van mijn oudste dochter, die het reisje had voorgesteld. We waren op weg naar het Stedelijk Museum voor een tentoonstelling van Jan Schoonhoven. Volgens de krantenberichten was hij een van de meest bekende beeldend kunstenaars in Nederland. Tot mijn schande had ik nog nooit van de goede man gehoord. Dochter, die in Trouw over hem had gelezen, attendeerde me erop. Het leek haar een leuke combi: het museum bezoeken en snuiven aan mijn wortels in Schiedam.

Het bleek ‘toevallig’ de sterfdag van mijn vader te zijn, de 27e november. Als familie hebben we bij het sterven van mijn moeder een graf gekocht omdat het ons speet dat de graven van mijn  vader en dat van mijn oudere zus (die in 1992 overleed), beide geruimd zijn. Er is geen graf meer om te bezoeken van die twee. Op mijn moeders graf staat nu een steen met (in liefdevolle herinnering) de drie namen. Vader, moeder en onze zus. Ik kom er niet zo vaak. Maar heb gemerkt dat in het memoreren van geliefden een tastbaar, zichtbaar monument(je) wel belangrijk is. Voor mezelf.

We dronken koffie onder het oude raadhuis. Boven ons de trappen waar mijn ouders, hun broers en zussen en generaties ooms en tantes, oma’s en opa’s, vrolijk vanaf zwierden in hun mooiste bruiloftskleding, op een van de belangrijkste dagen van hun leven (denk ik).

Vervolgens gingen we richting het museum, via een trieste winkelstraat in het centrum. De helft van de winkels staat leeg en de rest was òf gesloten of van vage herkomst. Niet fijn….Schiedam is zo’n prachtig oud stadje, maar economisch lijkt het niet goed te gaan. We ontdekten nog wel, op de valreep, een kringloopwinkel. Daar moesten we natuurlijk even snuffelen.

Bij het museum bleek dat dit tevens functioneert als slaappaleis van de Sint. Er is zelfs een aparte ingang voor zijn bezoekers. Binnenin de hal stond een grote troon waarop de goedheiligman even later in eigen persoon zelfs plaatsnam. Bijgestaan door de pieten (nog roetzwart in Schiedam, maar niet meer van de roet van de jeneverfabrieken) ontving hij groepen kleuters, waarmee hij plechtig de polonaise danste aan het einde van de audiëntie.

Wij bekeken ondertussen de abstracten van Schoonhoven (1914-1994). Hij hoorde bij een kunstenaarsbeweging die geen kunstenaar meer wilde heten of zijn, de zg. nul-kunstenaars. Ze maakten strakke geometrische ontwerpen, kleedden zich bewust in kostuum en zochten naar een uitdrukkingsvorm die zo neutraal mogelijk was. Schoonhoven (zijn hele leven ambtenaar bij de PTT in Den Haag) was gefascineerd, zo las ik, door radiatoren, putdeksels, luxaflex enzovoort. Van papier, karton, wc-rollen, creeërde hij, bijgestaan door een assistent, in de avonduren de meest strakke, regelmatige, ritmische werken.

Ambachtelijk zou ik het noemen. Zo arbeidsintensief moet het geweest zijn. In het begin gebruikt hij nog kleur, als rood, bruin of grijs. Maar later gaat hij over op wit. Als meest neutraal. Door de regelmaat, het lijnenspel, het ritme én de lichtval ontstaat er een bijna meditatieve kunst. Het woord sereen wordt ergens gebruikt. Rustgevend. Er zit ook, in mijn ogen, saai werk tussen. Rijen afdakjes van steigerhout. Hij kon ook niet weten dat je tegenwoordige bij iedere Blokker kerstbomen van steigerhout kunt kopen. Die lijken er namelijk op.

Later, in de motregen bij het graf, waren we allebei toch geroerd. De steen, met de namen, de herinneringen, het gemis, het definitieve en vijandige van de dood…het balt zich samen aan een graf. Op de steen staat: ‘Hoe lief heb ik Uw huis, oh Heer’, uit psalm 90. Hoe het er daar uitziet weet ik niet, maar de belofte troost. Zij zijn Thuis.

==========================================================

PS: voor recensies van de kunstkenners nog twee linkjes
NRC: De kunstenaar die van putdeksels hield
Volkskrant: Prachtige overdaad van wit.

 

De ingewikkeldheid van het familieleven

Onlangs heb ik een avondlang gesprekken gehad met sommige siblings (daar hebben wij helaas geen woord voor in het Nederlands, broers en zussen) over onze jeugd. Wat ging er goed, wat ging er fout? Hoe heeft het ons beïnvloed? Wat speelt er nog nu in ons leven? Hoe kijken we aan tegen onze vader en moeder? Er is altijd zoveel te bespreken. Wij waren met vijf kinderen en hebben allemaal onze eigen herinneringen en ervaringen.

Wanneer je als kind opgroeit met een driftige vader (of sibling) laat dat sporen na. Drift is namelijk onvoorspelbaar en onberekenbaar. Voor kinderen een factor van betekenis. Vooral in het ontwikkelen van een gevoel van veiligheid. Tegenover mijn driftige vader, stond mijn vredelievende en conflictmijdende moeder, die onder iedere woordenwisseling leed. Grotere tegenstelling kun je je niet voorstellen.

Mijn vader’s drift kwam, denk ik,  vaak voort uit onmacht. Wat hij wilde, was wat hij als ‘normaal’ ervoer. Wat hij belangrijk vond, maar waar hij geen woorden aan kon geven. Je gaat twee keer naar de kerk. Punt. We eten ś zondags om half negen ontbijt, dus moet je er om half acht uit. Punt. Je gaat naar catechisatie, proefwerk of niet. Punt.

In mijn herinnering slikten mijn broers en zussen niets voor zoete koek. Het was de beruchte generatielkloof die in de jaren zestig voor zo ontzettend veel onbegrip en wrijving zorgde tussen de generaties. Ik kwam net kijken (1955) dus was meer toeschouwer dan participant.

Terugkijkend, nu zelf ouder en wijzer (?) begrijp ik zoveel beter hoe vervreemdend alles geweest moet zijn voor mijn ouders. Zelf van de vooroorlogse generatie die geleerd had ouders niet te bekritiseren en te bevragen, kregen ze te maken met kinderen die opstandig waren, niet alles zomaar slikten en die het waarom wilden weten van iedere handeling of beslissing.

Iets van die ‘eigenwilligheid’ was mijn vader niet vreemd geweest in zijn eigen jonge jaren. Hij vertelde altijd met glinsterende ogen hoe hij zijn ouders te slim af was door in plaats van naar catechisatie (of iets dergelijks) naar dansles te gaan. Tot mijn grootvader hem een keer volgde (met een hoed diep over de ogen) en hem opwachtte bij het einde van de les…Maar hij erkende dat hij betrapt was en accepteerde de sancties. En dat was nu het verschil met de jaren zestig. Het gezag van ouders was niet langer vanzelfsprekend.

Mijn vader zei altijd dat mijn moeder hem op het rechte pad van kerk en geloof had teruggebracht. Hoewel hij altijd wel klaar stond voor een dansje met één van ons. Maar toch. Als het over het waarom van de dingen ging, gaf hij niet thuis. Vooral als hij voelde dat met die vraag ook zijn gezag werd aangetast, door de toon waarop die vraag dan gesteld werd. Stapje terug, de boel laten kalmeren en er dan nog eens over doorpraten was er niet bij. Er ontstond direct een aanvaring. ‘Omdat ik het zeg!’, was de standaard uitdrukking waarmee hij mijn broers en één van de zussen op de kast kreeg. Wóest was mijn oudste zus toen mijn vader bij mij de nagellak wegschrapte van mijn arme nageltjes, met een aardappelschilmesje. In mijn onschuld (ik was 6?) had ik die met mijn buurmeisje erop gekalkt. Het hoorde niet. Punt. Het was ordinair. Punt.

Mijn oudste broer en zus waren negen en tien jaar ouder dan ik. In mijn ogen bijna op het niveau van ‘grote mensen’. Een andere zus scheelde zes jaar en dan volgde de broer boven mij, drie-en-half jaar ouder. Met vijf goed gebekte, eigenwijze kinderen heeft mijn vader het wel erg te stellen gehad.

Wat meespeelde was dat hij, totdat ik een jaar of tien was, (dus ver voorbij de middelbare schooljaren van mijn oudste broer en zus) veel op reis was voor zijn werk. Soms wel een hele week, waarbij hij dan in een hotel overnachtte. Mijn moeder hield de boel draaiende, met moeite. Maar door haar zachte, conflictvermijdende aard,  was er minder ruzie. De sfeer was beter. Als mijn vader dan thuiskwam was het net of alles anders was.

Ik heb mijn vader, o.a. door het vele geruzie (in mijn beleving tenminste) tijdens mijn eerste tien levensjaren niet echt leren kennen. Toen mijn broers en zussen geleidelijk het huis verlieten om te gaan studeren of werken (of trouwen) werd de sfeer anders. Minder gespannen. Ik kreeg wat meer contact met hem.  Maar het bleef toch altijd wat moeizaam. Hoewel ik nooit heb getwijfeld aan zijn liefde voor me. Pas later heb ik me gerealiseerd hoe ik hem bekeek en beleefde door mijn moeders ogen. Zo vast zat ik aan haar, dat een eigen oordeel eigenlijk pas mogelijk werd toen een volkomen buitenstaander, in de persoon van mijn echtgenoot, de dynamiek van die relaties binnenkwam en (positief) beïnvloedde. Hij benaderde mijn vader als een gesprekspartner, zonder de lading van vroegere irritaties en gevoeligheden en dat gaf me een ander beeld.

Mijn vader was een kind van zijn tijd. Met veel inspanning en hard werken heeft hij een relatief groot gezin kunnen voorzien in alles wat nodig was en meer. Al heel vroeg gingen we op vakanties. Er waren altijd cadeautjes, met verjaardagen en Sinterklaas. Tweemaal per jaar werd er kleding gekocht. Hij hield van gezelligheid, trakteerde in de vakanties op drinken, op patat en kroketten.

Had hij verstand van opvoeden, nou nee…Was hij wijs, iemand bij wie je altijd terecht kon om je hart uit te storten? Nee, ook niet. Hij had weinig geduld, was geen pedagoog en zeker geen goede luisteraar. Hij ging gauw meppen, wat ook geen aanbeveling was. Was hij dus een slechte vader? Nee, absoluut niet. Hij was een vader met de beste bedoelingen en veel menselijke zwakheden, zou ik zeggen. Uit het feit dat hij alle kinderen koosnaampjes gaf en de manier waarop hij over ons praatte, heb ik altijd geproefd dat hij ten diepste gek op ons was. Met terugwerkende kracht realiseer ik me dat ik eigenlijk ook wel gek was op hem. Dat is het geschenk van ouder worden, vind ik. Je wordt milder, snapt beter waar gedrag vandaan komt en je weet zoveel beter hoe zwak en gebrekkig veel van je eigen reacties en handelingen waren en zijn.

De grootste invloed die mijn vader op mij heeft gehad is, dat ik nog steeds gek ben op ergens koffie te drinken, het super gezellig vind om met elkaar een glas wijn (liever geen jenever) te drinken en dat ik geknield bid. Dat zag ik hem vroeger doen, zoals ik al eens eerder schreef. Onbewust blijk ik dat overgenomen te hebben als gebedshouding. Het helpt concentreren is mijn ervaring. En dat is uiteindelijk de grootste invloed: die vaste, diepe overtuiging van mijn vader dat er een Vader in de hemel is, Die, wat er ook gebeurt ons liefheeft en dat Hij in Jezus naar ons toegekomen is. Het was een worsteling voor hem om daar op te vertrouwen, in de teleurstellingen die het leven hem brachten, maar eraan getwijfeld heeft hij niet.

Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen. de zekerheid van allen die U vrezen. Geslachten gaan, geslachten zullen komen: wij zijn in uw ontferming opgenomen (Psalm 90:1)

We hebben de psalm op zijn begrafenis gezongen en ik heb hem bijna mee horen zingen!

Karel Hendrik Sonneveld 1914 –1986

Mijn vader, 20 jaar, 1934
Mijn vader, 20 jaar, 1934

Vandaag zou hij 101 geworden zijn, mijn vader. Betrekkelijk jong gestorven, voor deze tijd tenminste, net na zijn twee-en-zeventigste verjaardag in 1986. Zo lang geleden al. Onze kinderen hebben slechts een vage herinnering aan hem. Behalve de jongste, die zich goed herinnerd aan zijn sterfbed nog een psalmversje gezongen te hebben (in het gebrekkige Nederlands van een Engelssprekende driejarige)

Op sterven

Wij woonden in die jaren in Zuid-Korea. Ik kreeg een telefoontje uit Nederland dat mijn vader op sterven lag. Zijn gezondheid was al jaren zwak, maar er was vrij laat longkanker geconstateerd. Vanwege zijn slechte conditie was een operatie niet mogelijk. Ik vertrok met onze jongste naar Nederland. Echtgenoot bleef achter met de drie andere kinderen, die op school zaten, bijgestaan door onze adjoemoni.

In Nederland aangekomen bleek het iets beter met mijn vader te gaan.  Hij was weer wat gaan drinken waardoor het onmiddelijke sterfgevaar was geweken. Altijd al mager en knokig, schrok ik alsnog van hem, zo intens mager als hij nu was. Een tijd van wachten begon. Beter zou hij niet meer worden. Lang had hij niet meer te leven. Maar geen dokter kon zeggen hoelang het zou gaan duren.

Ik logeerde bij vrienden in de buurt. Ons kleintje mocht daar blijven wanneer ik naar het ouderlijk huis ging. Daar werd een ziekenhuisbed neergezet in de huiskamer en kwam de thuiszorg om mijn vader te wassen en te verzorgen. Maar veel van de rest van de verzorging deden we zelf. Als vijf broers en zussen met mijn moeder. We draaiden een rooster. Ook ’s nachts. Omdat ik van ver kwam en ons dochtertje bij (voor haar) vreemden logeerde, hoefde ik niet in de nachtdienst mee te draaien. Als ik na een late avondwake in mijn koude logeerbed kroop, naast het kleintje, kwam er steevast een warm handje in mijn richting gekropen…mommy, fluisterde ze dan slaperig…Dat maakte de hele moeilijke dag weer goed.

Een lang proces

Het duurde en duurde maar. Mijn moeder raakte uitgeput en wilde graag dat mijn vader naar het ziekenhuis zou gaan. De huisarts raadde het af. Het zou het stervensproces verstoren. In het ziekenhuis moesten ze hem een infuus geven, een sonde voor voeding en alle organen zouden protesteren na weken van nauwelijks gefunctioneerd te hebben. We aanvaardden het advies van onze arts. Hoewel het me een licht ongemakkelijk gevoel gaf. Leed mijn vader nu dorst? Hoe beoordeelde je dat eigenlijk. Pijn had hij niet. Wel was hij erg benauwd en hoestte veel. Eten deed hij niet en heel af en toe nam hij een slokje ergens van. Meestal sliep hij, maar soms kon je een gesprekje voeren. Het vreemde was dat hij steeds bleef vragen wat er met hem was. En dat hij bleef zeggen dat ‘als het maar weer lente wordt, knap ik weer op’.

Over het sterven zelf konden we niet praten. Hij ontkende de ernst van de situatie. pappa (2)Dat herinner ik me als heel vervreemdend. We konden geen afscheid nemen, niet echt terugkijken. Volgens de huisarts was het mogelijk een uitzaaiing naar de hersenen, die hem zo vreemd deed reageren. Hij bleef mijn vader voorhouden dat hij ernstig ziek was en op sterven lag. Heel af en toe, meestal ’s nachts was er even een besef van het einde. Een van mijn broers las een psalm met hem, wel uit eigen beweging, geloof ik.

Kan ik blijven?

Mijn ticket was een maand geldig. Opnieuw een ticket kopen was uitgesloten, zo duur als dat was. Ik begon me zorgen te maken of ik wel aanwezig zou kunnen zijn bij het sterven en alles wat daarop volgt. Zou ik wel kunnen rouwen samen met mijn familie? Of zou ik dat opnieuw moeten missen?  Een aantal jaren daarvoor was een van mijn zwagers plotseling overleden en ik had ervaren dat ik, geografisch zo ver verwijderd van iedereen, daar nooit echt over had kunnen rouwen. Voor rouw heb je anderen nodig, die de persoon net zo hebben lief gehad als jij en hem net zo missen zullen. Op je eentje rouwen is een raar, eenzaam proces.

Een paar dagen voor mijn ticket verliep overleed mijn vader. Ik was erbij en weet nog hoe schokkend het was. Hij stierf in mijn moeders armen, met mijn zus en mij aan het bed. Hij stierf tijdens een hoestbui. Niet rustig en vredig zoals later mijn moeder en schoonmoeder in hun diepe comaslaap. Dat had ik hem achteraf gegund. Palliatieve zorg was er in die jaren nog niet echt.

Veel mensen ervaren aanvankelijk opluchting als één van de emoties na het sterven van iemand met een lang en moeilijk ziekbed. Dat was bij ons allemaal zeker het geval. Mijn vader was een gelovige man die zijn hele leven vol overgave psalmen en gezangen had gezongen en een rotsvast vertrouwen had in zijn Heer en Heiland Jezus Christus. Hoewel gebrekkig en menselijk falend in gedrag en levensstijl (zoals iedereen), was hij een kind van God. Voor hem brak nu eindelijk de tijd van rust en vrede aan, na lange jaren van onrust en zakelijke conflicten die zijn gezondheid hadden aangetast. Ruimte voor opluchting alom dus.

Naar die stad wilde ik terug, Busan Zuid-Korea
Naar die stad wilde ik terug, Busan, Zuid-Korea

Ook de begrafenis heb ik nog mee kunnen maken. Na vier weken was ik verscheurd van binnen. Man en drie kinderen aan de andere kant van de wereld. Geen contact, behalve door brieven en héél af en toe een telefoontje. Onvoorstelbaar voor mensen van nu om te bedenken hóe ver je van elkaar gescheiden was, zonder internet en smartphone. Ik kon nu wel rouwen met mijn familie. Maar nu miste ik mijn man en soulmate, en mijn kinderen, die me konden troosten. Gelukkig was mijn terugreis aanstaande. De dag na de begrafenis liep ik alweer inkopen te doen voor Sinterklaas, om echte Hollandse cadeau’s aan de kinderen te kunnen geven. Ik kon niet wachten tot we samen weer in het vliegtuig konden stappen om de lange reis (23 uur, van deur tot deur, toen) terug te aanvaarden.

Het is allemaal vele jaren geleden, 29 jaar om precies te zijn. Maar het is een ervaring die diep in mijn ziel gegrift staat. Ik besef pas nu dat ik het die maand altijd koud had. En dat dat natuurlijk kwam omdat ik mijn gezin zo miste. Ik werd pas weer warm als ik dat kleine handje voelde ’s nachts….Toch ben ik dankbaar dat ik die maand heb kunnen doorbrengen met mijn vader en mijn familie. Ik heb me afhankelijk gevoeld van God en het heeft me sterker gemaakt in wie ik ben. Dat is een beetje een cliché, maar ik kan er geen andere woorden voor vinden. Juist het alleen doormaken van zo’n moeilijke periode heeft mijn vertrouwen doen groeien dat God er is, ook als ik er alleen voor sta. In dat kleine warme handje ’s nachts, heb ik Zijn Hand gevoeld.

Toch nog de zee

CAM00954

CAM00956

Gisteren voor het eerst sinds lange maanden de zee weer geroken. Mijn ziel opende zich als de longen van iemand die onder water haar adem heeft moeten inhouden. De zoute geur van het water; het kraken van de schelpen langs de vloedlijn waar we liepen; dat voortdurende, zacht aanwezige geruis van het bewegende water. Als balsem op deze enigszins gepijnigde ziel na een lange ziekte- en herstelperiode.

Wanneer je daar loopt, diep ademhalend van genot, zou je bijna vergeten hoe woest en gevaarlijk de zee kan zijn. Orkaan Patricia was nog niet geland in Mexico toen we langs het Scheveningse strand liepen, maar ’s avonds wist ik weer waarom er in de Bijbel staat dat de zee er niet meer zijn zal op de nieuwe aarde, wanneer Jezus terugkomt (Openb.21:1). Voor mij als ‘zeemens’ altijd een lastige boodschap, maar ik denk dat het duidt op de verwoestende kracht van de golven, die een alles vernietigende tsunami kunnen vormen of boten op zee in grote moeite brengen. In vissersdorpen is men niet lyrisch over de oceaan, zoals ik. Als je geliefden verloren hebt op zee, verandert die in een vijand. Kijk de video maar om te zien hoe de zee kan huishouden bij een storm.

Daarvan was zaterdag geen sprake. Veel  mensen liepen aan het strand te genieten van het zachte herfstweer, de golfslag en de wind die je wangen dat rozige gevoel geven naderhand. Er waren nog enkele strandtenten open die het laatste restje omzet binnen probeerden te krijgen met open terrasjes.

Verder was het strand weer bijna in oorspronkelijke staat. Breed, groots en vol merkwaardige voorwerpen die waren aangespoeld. Verwijzingen naar lange, luie, zomerse stranddagen. Flessen, koelboxen, koelelementen en meer van dat soort rotzooi. Spijtig. Maar ach, het strand is geduldig en er is zoveel van, dat we er weinig last van hadden. Hoewel de vraag wel altijd door mijn hoofd blijft spelen wat mensen bezielt om, bij het naar huis gaan, doodleuk hun spullen in te pakken en de rotzooi op een hoopje achter te laten…Hoe krijg je dat voor elkaar?

Maar goed. Het weer was lekker, de zee rook zalig en ik liet mijn stemming niet bederven.

CAM00957

19 oktober, vakantie en een verjaardag

Co van Katwijk, 19/10/1997
Co van Katwijk, 19/10/1997

Herfstvakanties ontgaan me nooit. Al twee decennia geen kinderen meer thuis, laat staan op school en toch weet ik feilloos wanneer de herfstvakantie is. De 19e oktober, de verjaardag van mijn moeder tot 2006, haar sterfjaar, valt er altijd in. Je moeder jarig en vakantie, wat wil je als kind nog meer? Verjaardagen werden thuis altijd gevierd en zeker voor die tijd, uitbundig.

Uiteraard met cadeautjes, al kan ik me niet een van mijn eigen cadeau’s herinneren. Mijn moeder had later wel prullaria staan waarvan ik dan zei, gooi toch weg, maar ieder ding had een speciale herinnering. Gekregen van die en die, waarbij dan een naam van een broer of zus voorbij kwam. Bijzonder dierbaar waren prullen die voor een eerst verdiende vakantiegeld gekocht werden. Ik was als jongste wellicht wat zuunig, want er stond nooit iets van mij bij…

Voor haar verjaardag was mijn moeder dagen van tevoren al boodschappen aan het slepen. Zware tassen aan haar stuur, maar geen fietstassen want dat stond ordinair. Mijn moeder was zich van haar stand bewust. Dat het een hoop gesjouw scheelde mocht niet baten. Liever driemaal op en neer.

Mijn vader zorgde voor de sterke drank. Specialiteit van het huis, want mijn vader handelde in jenever en aanverwante dranken (citroenjenever, bessenjenever, oude jenever, jonge jenever en wat er verder nog meer gebrouwen werd). Ook voor de sherry en de advocaat werd gezorgd. Wijn werd niet gedronken. Tenzij het de mierzoete Spaanse variant was. Maar advocaat was verreweg de meest populaire damesdrank. En boerenjongens, rozijnen ingemaakt in brandewijn. Pittige rozijnen werden dat! Een tante dronk jonge jenever. Dat viel wel op. Met haar sigaret zonder filter, borreltje en doorrookte stem was ze een aparte tante. Maar wel lief!

Terug naar de dagen van voorbereiding. Ik maakte die met gespannen verwachting mee. Met de boodschappen eenmaal in huis, uitgestald in de kelder als een waar luilekkerland, begon de rest: Cakes bakken in het losse oventje dat uit de schuur werd gehaald, op het aanrecht geplaatst en met een slang werd aangesloten op het gas. Mijn moeder maakte heerlijke, goudgele cake. De geur alleen al!

In het primitieve jaren vijftig keukentje ging ondertussen de rest van het werk ook door. Naast de verjaardagsdrukte, moest er gezorgd worden voor het gezin met vijf kinderen. Gekookt, gewassen, afgewassen en het huis netjes en schoon gehouden…wat een eindeloze dagen moeten dat geweest zijn. Mijn moeder was geen enorme poetser, maar alles moest voor het oog in elk geval netjes en schoon zijn. Zeker als er een stoet mensen op bezoek kwam!

Later vertelde ze me wel dat ze op dat soort dagen valium slikte omdat ze stijf stond van de spanning. Eigenlijk was het allemaal veel te veel. Kwestbaar als ze was, kon ze die drukte in feite niet aan. Maar het hoorde zo. Verjaardagen vier je. Punt. De familie moest langskomen. En daar dacht je ook niet over na.

Ik had dat natuurlijk allemaal niet door als kind. Ik kon niet wachten tot de ooms en tantes kwamen en het huis bruiste van hun aanwezigheid. Vooral mijn moeders broers en zussen waren geliefd bij ons als kinderen. Ze hadden een groot gevoel voor humor en vertelden altijd de gekste verhalen. Het gillende gelach van mijn tantes kan ik nog horen!

Mijn vaders broers en zussen waren heel verschillend. Je had de ‘stillen’, die niets zeiden en wat humeurig leken. En je had de lolbroeken die van een borreltje en een geintje hielden, zoals mijn vader en twee van zijn broers. Maar de humor was meestal niet naar mijn moeders smaak, dat voelde ik als kind wel aan…Henk!, zei ze dan, op zachte toon.

Ik herinner me de verjaardagen als geluksmomenten in mijn jeugd. Ik was een wat tobberig en angstig kind (leefde heel erg verbonden met mijn onzekere, sociaal angstige moeder), maar de avonden dat ik boven in bed lag, luisterend naar het geroezemoes en gelach beneden, voelde ik me warm en veilig.

Verjaardagen en vakantie…een perfecte combo!

Back to normal?

Het leven is weer terug naar normaal. Maar wat is normaal eigenlijk? Van de infectieziekte en alles wat daarmee te maken had kan ik zeggen, dat is afgesloten en voorbij. De pijn is hanteerbaar en verder doe ik (bijna) alles weer zoals anders. En wanneer ik teveel doe waarschuwt mijn lichaam me. Heel nuttig af en toe een pijnscheut!

Nu moet ik de dingen weer gaan oppakken die ik voor de ziekteperiode deed. Mijn vrijwilligerswerk met buitenlandse vrouwen heeft stil gelegen en dat gaat na de vakantie weer van start. Ik heb er een taalklasje bij, wel met buitenlanders, maar ditmaal gemengd en van Duits en Engels sprekenden. Dat is weer een ander soort aanpak, want dit zijn hoogopgeleide mensen. Een uitdaging dus.

Verder ga ik voor ons vertaalbedrijfje Claritas weer wat klussen doen. Genoeg om me niet te vervelen dus. Maar ik zit wel in een raar tussenland. Heel lang kon ik alles op afstand houden vanwege mijn ziekte. En nu begint ‘ het gewone leven’ weer. Daar zou ik heel dankbaar en blij om moeten zijn, maar ik merk een soort aarzeling. Ik wil nog even vasthouden aan het beschermde, zeg maar afgeschermde, leventje. Misschien dezelfde heimwee als die ik voelde na de ziekenhuisopname?

Het is wel echt een genot weer eropuit te kunnen gaan. De kinderen en kleinkinderen zien en dingen te ondernemen. Kleinzoon Noah van 4 zet nog steeds een hoge stoel klaar met een ‘ kussen – voor -de – zere rug’. Nu ik beter ben mag hij weer komen logeren, iets wat hij het liefste doet, logeren bij anderen. Ik kan ook broertje Nathan (3 mnd) weer dragen en op schoot hebben. Een minpuntje: hij is eenkennig en omdat hij me niet veel heeft gezien kijkt hij me eerst met grote ogen aan en trekt dan een langzame pruillip, waarna hij klagelijk in huilen uitbarst. Mamma moet dan snel ingrijpen!

Met de grote kleinzoons van 10 en 7, de Woudenberg boys, is het minder een probleem. Die hebben meegeleefd en zijn blij me weer in normale doen te kunnen zien. Nu is kleinzoon Niek het middelpunt van de belangstelling met zijn gebroken pols. De pols moest onder narcose  gezet worden in het ziekenhuis. Nu hebben we gedeelde ziekenhuiservaring en keuvelen we gezellig samen over infusen en narcoses.

Ik heb een lichttherapielamp besteld in de hoop dat die me wat door de grauwgrijze dagen heen gaat loodsen. Want wat trekt mijn bed dan hard aan me. Slapen wil ik. Zodat het weer snel avond is….Dan kunnen de gordijnen dicht en de lampen aan en lijkt het weer wat tenminste. En naar buiten toe, ook dat is een opdracht iedere dag. Lopen en fietsen. Conditie opvijzelen en goed voor de rug en de grijze cellen. Maar ik moet mezelf wel aan de haren meeslepen op de grijze dagen. Het natte, schimmelige, koude, met naaktslakken bedekte pad langs ons huis is niet erg aantrekkelijk…

Ik heb van alles gelezen in de afgelopen maanden. Ik zal er in een volgend blog wat over vertellen.

Spondylodiscitis – Verslag van een vreemde aandoening III, slot

Mijn tweede blog eindigde ik met de opmerking dat ik heimwee had naar het ziekenhuis, de eerste week thuis. Ik voelde me er een beetje schuldig over. Wat is er nu fijner om thuis te zijn? Dat bleek een normatieve gedachte. Want ik vond het niet echt fijn. Ik voelde me onveilig. Ik miste het vaste ritme van de ziekenhuisdagen waardoor die eigenlijk snel voorbij gingen. Ik miste het permanente gezelschap van mensen om me heen, die er gewoon waren. Weliswaar bezig met hun eigen ziekte en pijn, maar dat maakte ook dat we een soort lotsverbondenheid hadden. Of we nu met elkaar praatten of niet. Er was geluid, leven, er werd constant heen en weer gelopen, ik werd niet alleen gelaten. Soms was dat irritant, als ik wilde dutten en de rest van de zaal opeens een geanimeerde conversatie meende te moeten hebben. Maar meestal had het iets troostends en het leidde af.

Hoe ik dus ook verlangde naar toestemming om naar huis te mogen, na die 17 dagen was het toch flink wennen.  Maar de artsen achtten het veilig genoeg. Het bezinksel in mijn bloed was dusdanig gezakt dat de infectie overwonnen leek. Een voorraad antibioticapillen mee en thuis weer verder opknappen en aansterken. Een voordeel: Ik was nu wel van de infuus-kwelling af.

Thuis was het stil. Mijn ziek-zijn kwam meer op me af, ik voelde het sterker, omdat een ziekenhuis is ingericht op gemak voor zieken en een huis juist niet. Traplopen, mini-wc’s, smalle gang en donkere nachten. Als ik slecht sliep liep ik in het ziekenhuis over de verlichte gangen waar altijd wel iemand anders liep te strompelen. In elk geval was er de (altijd vriendelijke) verpleging. Thuis moest ik naast mijn bed lopen met de rollator, niet echt handig. Twee meter heen, twee meter terug. En zo zacht mogelijk om de slaap van een vermoeide echtgenooot niet te verstoren.

Thuis werd er door echtgenoot uiterst lief en toegewijd voor mij gezorgd. Waar ik het meest naar uitgekeken had, was mijn eigen bed. Wat een teleurstelling toen het niet lekker bleek te liggen. Met mijn gevoelig-pijnlijke achterkant leek ik in een putje te zakken. Maar aan de andere kant,  ieder bed voelt waarschijnlijk zacht na het stevige ziekenhuisbed waarin ik comfortabel had gelegen. Vooral de electrische bediening van het bed was fantastisch. Die ontbreekt thuis, dus werd er meer van mijn verslapte spieren gevraagd, die protesteerden. Maar die ook hoognodig weer aan de slag moesten.

Toen het leven na een week weer wat gewoner werd kwam de tweede overgang. Het afbouwen van de zware pijnstillers. Keurig volgens het schemaatje gedaan, in zes dagen. Waar ik helemaal niet op was voorbereid waren de ‘afkickverschijnselen’. Ik had dat aaanvankelijk ook niet door, tot een vriendin het suggereerde en het later werd bevestigd. Ik was drie dagen meer dan ellendig. Misselijk, braken, raar hoofd en een algeheel gevoel van malaise. Bij alles biggelden de tranen me over de wangen. Dat overkomt een mens dus wanneer je stopt met  zware, op morfine gebaseerde pijnstillers. Geen wonder dat ik het zo fijn vond in het ziekenhuis! Mijn vriendin: Er zit ook een pretstofje in. En opeens knalt de werkelijkheid na weken weer onversluierd en onverzacht binnen. Dankbaar dat de medicijnen bestaan, maar afbouwen was minder.

Ook dat slijt weer. Na drie dagen voelde ik me hersteld en mijn lichaam begon werkelijk vooruitgang te maken. Ik liep alweer buiten, zonder rollator. De pijn was duidelijk minder, en ik kreeg weer trek in eten! Van alles was er weer een eerste keer. Naar buiten, verder lopen, een keer naar de stad in de auto en een kop koffie drinken, geen bezoek ontvangen, maar bij iemand langs. Allemaal mijlpalen. Met fysio en langzaam opbouwen van conditie en energie ga ik er weer langzaam bijhoren: het gewone leven. En wat is dat eigenlijk bijzonder, dat doodgewone leven…

Tot zover mijn blogs over het verloop van het ziekteproces Spondylodiscitis.