Met die woorden nodigde mijn bet-betovergrootvader de commissaris van de koning (van Zuid-Holland) uit om bij hem langs te komen, wat de goede man daarna blijkbaar regelmatig deed. Mijn verre grootvader Cornelis Joppe (1819 – 1903) was een graag geziene notabele in Sommelsdijk, op het eiland Goeree-Overflakkee. Hij was er vele jaren wethouder en voorzag genoemde commissaris regelmatig van inlichtingen over het wel en wee op het eiland. Cornelis was de vader van Teuntje Joppe die met Frederik Willem Buschman trouwde (zie mijn blog over hen). Zij werden vervolgens de ouders van mijn oma Sonneveld.
Teuntje Joppe, bij verloving of trouwen? Circa 1873, 21 jaarGeen geld, wel charmes…Frederik Wilhelm Buschman, rond dezelfde tijd, vermoedelijk 27 jaar
Teuntje was de enige van de kinderen van Cornelis die het eiland verliet. Haar man Frederik was veehandelaar en kwam vanuit Schiedam naar de eilanden om koeien in te kopen voor verscheping naar de VS. Omdat die handel niet zo best verliep was het armoe troef vaak. Anders dan ze thuis gewend was zat Teuntje vaak om geld verlegen. Ik heb een grote familiefoto uit 1902 van haar ouders (en nageslacht) genomen op hun diamanten bruiloft (60 jaar) waarop alle dames met mooie Flakkeese keuvels op de foto staan. Behalve Teuntje. Die heeft niets op haar hoofd, opvallend genoeg. Waarschijnlijk was ze te stads geworden voor een kuivel. Of had ze de juwelen moeten verkopen waarmee je zo’n ding vastprikte. Ze heeft een zeer zwaar leven gehad, volgens mij. Van haar twaalf (!) kinderen overleven er slechts drie. Een zoon, en twee dochters, waaronder dus mijn oma.
Cornelis ondertussen heeft naam gemaakt op de eilanden. Hij woonde er in een redelijk mooi huis, we zijn er laatst wezen kijken. Het staat er nog net zo. Enkele Ring 9. Als erkentelijkheid voor zijn betekenis voor Sommelsdijk kreeg hij zelfs in 1892 een gouden bril. Dat waren nog eens praktische geschenken! Niks geen Maserati. Verder was hij diaken, ouderling, raadslid en uiteindelijk, tot twee jaar voor zijn dood, wethouder. En hij kon dus zomaar tegen een belangrijk persoon als de commissaris van de koning zeggen dat die maar eens: ‘aan kon komen lazeren’! Zou het Goerees zijn?
**met dank aan het door J.L. Braber samengestelde ‘Geschiedenis van het Sommelsdijkse geslacht Joppe’.
Weleens jaloers geweest? Dan weet je hoe dat voelt! Ik ben (soms) jaloers. Stikjaloers. Ik hou van de kleur groen en dat is niet voor niets! Waarop of op wie ik dan jaloers ben? Hou op schei uit, te veel om op te noemen. Ik wil slimmer, rijker, handiger, gezonder en knapper en het liefst ook wiskundiger zijn, haha!
Ik weet wanneer ik jaloers ben want ik voel het met mijn lijf. Het is moeilijk te omschrijven, maar het is een donker, verlammend gevoel. Ik kan een voorbeeld van heel lang geleden geven (lekker veilig!) Ik fietste met een Amerikaans meisje door Nederland, vóór ik echtgenoot zelfs maar ontmoet had, dus langer dan 40 jaar en twee maanden geleden. Mijn vriendin en ik hadden met een ander Amerikaans meisje afgesproken, ergens in een cafeetje. Tussen die twee ontspon zich een gesprek over de politiek. Ze lazen allebei Time-magazine (Amerikaans weekblad) en wisselden meningen uit. Ik zat erbij en keek er naar. Wist van toeten noch blazen over Amerika, en al helemaal niets over de politieke situatie daar. Maar ik wist eigenlijk net zo weinig over de Nederlandse politieke situatie. En zoals zij daar aan het praten waren, duidelijk een mening hadden, dát kon ik niet. Niet in het Engels, en ook niet in het Nederlands. Ik voelde me dom, neerslachtig en ik besefte na een tijdje dat ik barstte van de jaloezie.
Zij hadden iets wat ik niet had en wel begeerde. Ongeveer hoe je jaloezie definieert, volgens mij.
Het heeft ertoe geleid dat ik de kranten beter ben gaan lezen om ‘bij’ te blijven. Ik ben het leuk gaan vinden. In feite een positief resultaat op een negatief gevoel. Ik heb nog steeds niet overal een uitgesproken mening over. Er zitten vaak veel kanten aan een zaak en ik ben tot de ontdekking gekomen dat ik de neiging heb tot verregaande empathie voor verschillende meningen. Heeft eerlijk gezegd ook met conflictvermijding te maken.
Maar goed, even terug naar de jaloezie.
Jaloezie is vergelijken. Iets wat ik niet heb, maar wel zou willen hebben en wat een ander in mijn directe omgeving wél bezit. Materieel of immaterieel, dat maakt niet uit.
Het lastige is het grijze gebied tussen vergelijken en jaloezie, vind ik. Vergelijken is namelijk normaal. Ik bedoel, wanneer je met je oren en ogen open door het leven gaat zie je nu eenmaal verschillen. Tussen mensen, tussen bezittingen, tussen talenten, tussen arm en rijk, tussen gezondheid en ga zo maar door. Het gekke is dat wanneer iedereen om me heen ziek is, ik geen enkele jaloezie koester wanneer ik gezond ben. En als ik rijk ben en iedereen arm idem dito. Je moet dus iets echt als een gemis ervaren voor je jaloers kunt worden.
Facebook is, naast de bijbel, een bron van veel wijsheid. Je kunt werkelijk 24/7 doorbrengen met het aanklikken van links die weer doorverwijzen naar toespraken of artikelen van mensen die verstand hebben van de meest gevarieerde onderwerpen. Af en toe klik ik een link aan die me intrigeert. Zo hoorde ik iemand spreken over vergelijken en het voorkómen van jaloezie. Enigszins optimistisch en humanistisch want er zit nu eenmaal een donkere kant aan ieder mens, maar toch, leerzaam. Kern van de boodschap: bij het vergelijken met de ander en een opkomende jaloezie ontdek je dingen over jezelf. Dingen waar je blijkbaar naar verlangt of die belangrijk voor je zijn. En daar kun je iets mee…
Je reactie op de ander kun je zien als signaal: Als die ander blakend gezond is en ik ben ziek? Dan kan ik niet zoveel doen. Ik kan wel bewust zeggen: ik vind het moeilijk om ziek te zijn. Daar mag ik best af en toe verdrietig over zijn en om troost of steun vragen. Misschien doe ik dat wel te weinig. Als ik geen kinderen kan krijgen en mijn vriendinnen hebben allemaal een groeiend gezin, is de reden ook duidelijk en legitiem. Ook dan is het uiten van je verdriet heel belangrijk.
Tot dusver goed en prima. Maar nu de lastiger zaken. De mooie luxe keukens/badkamers van vrienden (veel van onze vrienden hebben hypotheken afgelost en zijn in de verbeter-het-huis-fase), de talenten of carrière van collega’s, hoe ga ik daar dan mee om? Hoezo wil ik wat zij heeft? Hoezo raak ik verdrietig, van streek of verlamd als hij zo makkelijk dit of dat heeft of doet? Wat leer ik dan over mezelf? Als ik te snel denk ‘ik mag niet jaloers zijn’ mis ik misschien wel goeie informatie over hoe mijn klokje tikt. En ‘ik wil hebben wat jij moeiteloos lijkt te bezitten’ is natuurlijk ook lariekoek. Je bereikt meestal dingen door inspanning. Wanneer je alleen een eindresultaat ziet is dat, scheel van jaloezie, makkelijk te begeren, maar wat eraan vooraf ging aan opoffering, hard werk en inzet zie je dan makkelijk over het hoofd. En heb ik dáár dan wel zin in?
Kortom, ja ik ben regelmatig jaloers. En ik heb veel over mezelf geleerd in de loop van de tijd. Heb me ook regelmatig laten inspireren door de ‘jaloezie’. Als ik dat echt wil zal ik die en die stappen moeten zetten. Zet je over je lamlendige gevoel heen en hoppa, accepteren of anders niet zeuren. Of zoek een creatieve oplossing als je minder geld hebt, of minder tijd of minder vul maar in.
Van jaloezie word je heel naar. Het is een soort gif en je gaat je slachtoffer voelen. Je kunt ook niet meer blij zijn voor een ander. Dat is de grootste levenskunst die ik met hulp van God steeds weer wil oefenen: tevredenheid als deugd. Tevredenheid met en dankbaarheid voor mijn eigen situatie, me laten inspireren waar het kan, als ik anders wil, maar binnen mijn grenzen. En blij zijn voor anderen wanneer ze hebben wat ik (soms) mis en vooral omzien naar mensen die in vele opzichten veel minder hebben dan ik. Hoezo jaloers?
Ach ja, en dan lees ik bij de kapper weer de Eigen Huis van deze maand. Gauw mijn eigen blog weer herlezen.
PS Tussen de duizenden filmpjes op de TED talks site kon ik het filmpje over jaloezie niet meer terug vinden.
Woensdag 12 november was het 100 jaar geleden dat mijn vader geboren werd. 1914, het beginjaar van de Eerste Wereldoorlog die dit jaar herdacht wordt, was tevens mijn vaders geboortejaar. Als vijfde zoon en achtste kind kwam hij ter wereld in Schiedam. Na hem volgden nog twee zonen, van wie er één overleed aan de Spaanse griep in 1918. De jongste werd, typisch voor die tijd, naar het gestorven broertje vernoemd.
Mijn vader werd naar zijn Duitse stamvader vernoemd, Carl Heinrich Buschman, Karel Hendrik. In de eerste helft van de 19e eeuw, rond 1840-45, kwam Carl Heinrich met zijn oudere broer naar Nederland vanuit het straatarme Essern, in de buurt van Hanover. Als Baumann, oftewel boer(-enknecht). Zijn vader, mijn betovergrootvader, Friedrich Wilhelm Buschman was daar in 1833 gestorven en zijn vrouw Catharina bleef achter met zeven jonge kinderen tussen de 16 en 1 jaar.
Carl Heinrich kwam dus met zijn oudste broer naar Nederland. Hij vertrok om hier zijn geluk te beproeven, zoals velen in die tijd vanuit Duitsland naar het relatief rijke Nederland trokken. Waarom Schiedam de bestemming werd weet ik niet. Misschien dat er al familieleden woonden? Als je Geert Mak leest over Schiedam in de 19e en begin 20e eeuw is het de laatste stad waar ik heen zou trekken. Brandersstad (vanwege het stoken van de jenever), Zwart Nazareth vanwege de zwart geblakerde muren, jenever die door de grachten stroomde in plaats van water, baby’s die jenever via de placenta binnenkregen, bij de geboorte met ontwenningsverschijnselen kampten en vervolgens zoet gehouden werden door een speen in gesuikerde jenever gedompeld. Alcoholisme en armoede alom. Carl Heinrich is er gaan werken in de jeneverindustrie als brandersknecht. Een ellendig bestaan dat ’s ochtends om 3 uur begon tot je om 7 uur ’s avonds weer naar huis kon, al of niet beschonken omdat het loon gedeeltelijk in jenever werd uitbetaald.
Later lees je bij geboorteaangiftes van zijn kinderen (hij trouwt met een Nederlandse dienstbode uit Dordrecht) dat Carl Heinrich zich bouwman en nog later veehandelaar gaat noemen. Hij handelt in vee, en wel met Amerika. Koeien opkopen en verschepen naar de VS. Hij moet zakelijk instinct hebben gehad om aan die koeien te komen!
geboortebewijs Carl Heinrich Buschman, bijgevoegd bij huwelijksaangifte
Het meest opmerkelijke is dat hij op zijn oude dag nog emigreert naar de VS. Zijn oudste zoon Friedrich Wilhelm, mijn overgrootvader, is dan al getrouwd en heeft kinderen. In 1878 vertrekt de reislustige Carl Heinrich per boot naar St.Louis, VS. Zijn jongste twee (of drie) kinderen en zijn vrouw Helena Poots volgen hem in april ’79. Ze zijn dan beiden in de zestig. Zijn zoons en twee neven van zijn vrouw, gebroeders Poots vertrekken echter naar Stockton, Kansas.
Ook mijn overgrootvader Friedrich Wilhelm handelt aanvankelijk in koeien met de VS. Misschien hield de emigratie van zijn vader wel verband met die handel. Een vertrouwd contact aan de andere kant van de oceaan? Maar de handel loopt voor FW uit op een faillissement. De ruwe zeereis is niet goed voor de dieren, ze komen regelmatig met gebroken poten aan in de VS. Ook overgrootvader FW Buschman moet de stokerij in als brandersknecht. Hoewel het op de geboorteaangiftes blijft wisselen tussen de verschillende beroepen van bouwman en brandersknecht. En is er in 1895 pas sprake van andere bewoners van het ‘keuter’boerderijtje aan de Schie, waar mijn grootmoeder nog geboren is.
Boerderijtje aan de Schie waar mijn grootmoeder Sonneveld-Buschmann geboren werd
Het ondernemersbloed heeft mijn vader zeker geërfd van zijn Duitse voorouders. Ook mijn oma (meisjesnaam Buschman) had een winkeltje aan huis. Voortgezet tot de jaren zestig door mijn ongetrouwde tante Nel. Als kind vond ik het magisch om zo’n winkel binnen te mogen stappen en dan áchter de toonbank te mogen! Een piepklein winkeltje in de Gorzen, de toenmalige arbeiderswijk in Schiedam. Zeer verbeterd sinds de grootschalige renovaties in 1902, toen alle bouwvallige krotten werden neergehaald en er in de plaats kleine, maar leefbare en hygiënische woningen kwamen voor de arbeiders. Met leidingwater en een eigen toilet. Mijn grootouders hebben hun hele leven in dat huisje gewoond. Een woonkamertje met een bedstee, een keuken, een plaats met plée en een zolder waar de kinderen sliepen. Zes stuks, Mijn broer heeft er ooit geslapen toen er alleen nog een vrijgezelle oom sliep in tweepersoonsbed 1. Eerder sliepen drie jongens in het ene en drie jongens in het andere bed. De meiden, ook drie, sliepen ergens in een afgeschutte ruimte beneden.
Winkel Groenelaan 75 Schiedam, jaren zestig
Mijn vader was vier toen de oorlog beëindigd werd. Hij zal er niet veel van mee gekregen hebben. Ook zijn vader werkte aanvankelijk voor een van de ruim driehonderd jeneverstokerijen. Voor dag en dauw de deur uit, de hele dag in de hitte van de vuren waarmee de alcohol gestookt werd. Weinig salaris, veel jenever, makkelijk verkrijgbaar. In hoeverre mijn opa alcoholist was, zoals de literatuur claimt dat iedereen die er werkte was, weet ik niet. Wel ben ik blij dat de jeneverindustrie in begon te storten. In 1881 waren er nog 392 branderijen, maar gaandeweg worden het er minder en moet men overgaan op een andere tak van industrie. Het werd de scheepsbouw. Mijn opa komt te werken voor Gusto, een veel betere werkomgeving kan ik me voorstellen. Uiteindelijk is hij daar magazijnmeester geworden.
Mijn vader leek op mijn oma, volgens mijn moeder. Ik heb haar nooit gekend, maar volgens mijn moeder was ze goedlachs, hield ze van lekker eten en koken en was ze gastvrij. Dat klopt wel met mijn vader’s karakter. Hij hield van een lolletje, van lekker eten en een glaasje (koken daar deed hij niet aan)en was zeer sociaal. (Zie ook mijn eerdere blog over hem, Vaderdag)
Kerkje in Lavelsloh, waar alle Buschmannen gedoopt zijn
Omdat hij voor zijn werk veel reisde heb ik hem als kind weinig meegemaakt. Natuurlijk was hij als ieder betrokken, mannelijk kerklid in die tijd ook altijd druk met kerkelijk werk. Hij had een zwakke rug en ik herinner me vooral dat hij veel lag te rusten en in mijn ogen acrobatische toeren uithaalde met z’n benen in de lucht. Dat had allemaal met die rug te maken.
Mijn vader, 20 jaar, 1934
Hij was heel gelovig (ik zie hem nog biddend op zijn knieën voor het bed) en kon op een soort gedragen manier over dat geloof spreken. Over de heerlijkheid en grootheid van God. Het zei me niet zoveel als kind omdat het woorden waren die ik niet in mijn dagelijkse vocabulaire had. Het was echter menens voor hem. Maar hij was ook zakenman en kon niet goed overweg met mensen die al te rechtlijnig dachten. Hij genoot van het contact met klanten en het binnenhalen van orders voor zijn bedrijf. Hij werkte (ja,ja, als je uit Schiedam komt..) voor een distilleerderij. Een distilleerderij kocht onbewerkte jenever in en gaf dat smaak met eigen recepten. Oorspronkelijk werkte hij voor Rijnbende, tot dat bedrijfje werd opgeslokt door de grotere spelers. Tegen die tijd was mijn vader ‘overtollig’ geworden, iets wat hem tot in het diepst van ziel gekrenkt heeft. Zijn beste jaren had hij in het bedrijf gestoken!
De laatste twintig jaar van zijn leven waren moeizaam. Eerst 24/7 bezig met zijn recht krijgen via een advocaat. Hij was op hele slechte voorwaarden ontslagen en kon dat niet accepteren. Ik vermoed dat hij ook depressief raakte. Een fenomeen dat we in de jaren zestig en zeventig nog niet herkenden, helaas. Het tastte zijn lichaam aan op den duur. Ernstige maagklachten, longemfyseem door het vele roken. kortom vanaf mijn prille puberteit kende ik alleen een sombere, zieke vader. In de jaren tachtig waren er enkele betere jaren. Hij is, met mijn moeder, tweemaal op bezoek geweest in de periode dat ik met mijn gezin in Azië woonde en daaraan heb ik goeie herinneringen overgehouden. Hij overleed toch nog vrij plotseling aan longkanker in 1986. Net 72 geworden.
Nu ik onderzoek ben gaan doen naar mijn familiewortels is het me pas duidelijk geworden hoe het leven van mijn vader en moeder en mijn voorouders verweven is met de lange geschiedenis van de stad Schiedam (1275). Behalve de Duitse wortels komen al mijn voorouders uit die stad. Eeuwen terug kan ik nog hun namen vinden. Ik krijg daar altijd kippenvel van. Onderdeel van zo’n lange keten van mensen die allemaal hun plekje in die stad innamen en hun levens leidden. Het heeft mijn interesse enorm verdiept in de stad die ik eerst alleen als mijn, enigszins naargeestige, geboortestad zag.
Als je soms niet bij je gevoelens van verlangen en gemis kunt, luister dit prachtige lied, een zogenaamde joïk, traditionele muziek van de Samen een volk in het noorden van Scandinavië, ook wel Lapland genoemd, maar je noemt hen geen Lappen, dat blijkt beledigend te zijn.
In een joïk zing je iemand toe die je mist, liefhebt (of haat , oeps..). Deze joïk is voor de gestorven beste vriend van de zanger. De joïk werd door de kerk verboden aanvankelijk omdat men zolang zong dat men in trance raakte en misschien ook wel vanwege het idee dat je een dode toezingt? En de ‘hatesongs’?
Hoe dan ook, ook de joïk is verwesterd en heeft een ander karakter gekregen dan het oeroude, wellicht ‘heidense’ karakter van toen.
De zanger, Jon Henrik Fjällgren is Combiaans van geboorte maar op de leeftijd van zes maanden geadopteerd en opgegroeid bij een Sami gezin. Hij werkt als rendierherder.
Ik schreef mijn vorige blog nog blinkend en bonkend van plezier over de geweldige vierdagen van onze veertigste trouwdag. Bij het publiceren was er wel een stemmetje in mijn hoofd dat iets riep van ‘zou je dat nou wel doen?’, maar ik wilde het graag delen.
Nu vind ik het tijd om te zeggen dat ik me realiseer dat er onder de lezers van mijn blog genoeg mensen zijn die mijn verslag met gemengde gevoelens lazen. Vrouwen of mannen van wie de partner gestorven is of chronisch ziek met dementie, of van wie de partner hen verlaten heeft. Mensen die graag een partner zouden willen, maar nooit hebben gevonden. Of stellen die graag kinderen hadden gewild en steeds tegen dat gemis aanlopen, ook of juist bij huwelijksjubilea.
Het blijft een raadsel waarom God ieders leven zo verschillend leidt. Wat maakt dat het ene stel elkaar wel trouw blijft en de andere, even gelovige man of vrouw, bedrogen wordt? Waarom is het ene huwelijk onhoudbaar vanwege bijvoorbeeld een (niet erkende) persoonlijkheidsstoornis van een van beiden? Waarom sterft de een zo vroeg en ben je jong weduwnaar of weduwe en bereiken wij veertig jaar en sommigen zelfs de 60e of de 70e trouwdag? Waarom krijgen mensen, soms zelfs tegen hun zin, kinderen en krijgen anderen die er naar smachten er geen?
Ik heb ook geen antwoord op die vraag. Zelfs de bijbel staat vol met klaagzangen over het verschil in zegen tussen mensen. Zeker als het ook nog zo is tussen gelovigen en ongelovigen. De laatsten hebben het dan vooral allemaal goed voor elkaar en de gelovigen bijten op een houtje en zitten in de misère. Hoe kan dat nou, God, bent u me soms vergeten, roepen de psalmenschrijvers (lees psalm 42 maar eens) De bijbel is heel eerlijk en realistisch over het leven. Geen rozentuin. Nog niet.
Eén ding is duidelijk. God die ons vergeten zou? De hele bijbel roept keihard nee: Nee, ik vergeet jullie niet. Het raadsel wordt niet opgelost, maar één antwoord kunnen we wegstrepen: dat God ons vergeten zou of nog erger dat Hij onverschillig zou zijn. Dat gevoel krijg je toch, als er mensen worden onthoofd, of kleine kinderen aan kanker sterven?
Ik heb eens een boek gelezen (titel helaas vergeten) over de vraag naar het waarom van het lijden waarin de schrijver redelijk nuchter stelt dat het er ‘gewoon’ bij hoort sinds de zondeval. Het is duidelijk niet meer goed op aarde. ‘The pain of the universe’, noemde ze het. Die term is altijd blijven hangen. Pijn is een motto, zoveel kun je van deze wereld wel zeggen. Of je nu veertig jaar getrouwd ben met kinderen of alleenstaand zonder kinderen, we kennen allemaal de zeerte, de leegte, de duisternis bij tijden in ons leven. Het wordt pijnlijker en donkerder wanneer je blijft vasthouden aan een soort ‘recht op geluk’. Dat recht bestaat niet namelijk. En dat gaat rechtstreeks tegen ons gevoel in.
Waarom heb ik al twintig jaar last van depressies en lopen anderen vrolijk en vitaal over deze aardbol? Die vraag verergert het lijden. En is ook eigenlijk een valse voorstelling. Want hoe weet ik dat anderen vrolijk en vitaal zijn? Wat weet ik van hun sores en moeiten?
Ziektes en tegenslagen, onvervulde verlangens zijn onderdeel van de ‘pain of the universe’ Iedereen krijgt zijn pakket te verwerken. Ergens opgenomen in een voor mij onbereikbaar, niet te bevatten script van God waar ik verder vanaf blijf. ‘Niets loopt uit de hand’ is de troostende betekenis. En verder gaan we een leerproces in: niet wat ik als geluk, maar wat God voor ons als geluk definieert: Hem kennen en dichtbij Hem zijn. Zo simpel. En zo moeilijk.
Veertig jaar getrouwd. Met een man die mijn depressies kan verdragen, die mijn geloofstwijfels steeds weer geduldig aanhoort en die geleerd heeft niet altijd oplossingen te bedenken maar gewoon er te zijn en te luisteren. Mijn depressies zijn vreselijk (geweest). Mijn twijfels vond ik nog erger. Mijn leven is anders gelopen door de ‘pain of the universe’, de gebrokenheid. Ik had heel anders gewild, Maar heel langzaam begin ik te zien dat wat gebrek en beperking is (dat blijft het) zélf de weg vormt naar een vruchtbaar leven. De bloembol, het zaad, dat moet sterven om tot bloei te komen. Veel groei in de natuur vindt plaats in het duister.
‘Waarom’ blijven vragen is vruchteloos en op den duur ziek- en bitter makend. ‘Waartoe’ vragen zet de Geest in beweging in je leven. En alle ‘pain in the universe’ , samengebald in een inktzwart moment van dood, is al een keer gedragen door één enkel mens, Jezus en het heeft hem niet gebroken. Hij kwam uit het graf op eigen kracht en Hij is God bekleedt met macht, zingt een oud lied. Sinds die tijd is de pijn nog niet geleden, maar de straf waar die pijn een uiting van is, is voorbij.
Helpt dat nou allemaal als je man er met een ander vandoor is, als je je lichaam oud ziet worden en er geen kinderen komen, als je in een oorlogsgebied woont, als je kind op sterven ligt, of gehandicapt? Wordt alles nu makkelijk en dragelijk? Nee. De tranen blijven. Met één verschil. Er is hoop: Dit is niet het einde, niet het enige, het is (maar) een fase in de eeuwigheid. En er is de nabijheid in liefde van Jezus, die weet wat het is om te huilen (en ongetwijfeld ook om te lachen!)
Zo simpel. Zo moeilijk. Augustinus zei al: Geef Heer wat U vraagt, en vraag dan wat U wilt.
Graag hoor ik reacties op wat ik schrijf. Hoe gaan jullie om met de pijn in je leven?
En toen zat ik opeens in een oud busje, een Volkswagen uit 1971. Met echtgenoot, zoon, dochter en kleinzoon. Op de laatste zou ik passen, echtgenoot had net ‘geschikt’ eten in huis gehaald. Mijn huis was een puinhoop omdat we opgeslagen spullen van onze dochter die in het buitenland woont aan het uitzoeken waren met haar. Overal stapels: Kringloop, Afvalstation, Mee, Oud Papier, Twijfelgevalletjes, enzovoort. Ergens tussen alle stapels lag nog een was te wachten.
We zouden een kop thee drinken voordat het oppassen een aanvang ging nemen. Bij de eerste slok zei mijn zoon: nou, drink je thee op en pak dan even een koffertje, we gaan weg namelijk. Ik had ter plekke een hartverzakking. Nu? Weg? Een koffer pakken? Geen enkele vezel in mijn lijf had dit aan voelen komen, terwijl ik toch redelijk helderziend ben, bij wijze van spreken.
Wat is het geval? Afgelopen zaterdag was ik 40 jaar getrouwd met mijn geliefde echtgenoot en dat gingen we vieren. Op zaterdag. De ‘echte’ dag. We hadden een aantal dingen geregeld. Mentaal was ik daarop voorbereid. ’s Ochtends nog rustig aan en dan rond 11 uur richting Amsterdam waar we naar het Van Gogh museum zouden en in een Koreaans restaurant dineren. For old times sake. (Mijn oorspronkelijke plannen waren vooral op de kleinkinderen afgestemd. Avifauna, Safaripark, Archeon. Tot mijn echtgenoot met een enigszins benauwd gezicht bekende dat hij helemaal geen zin had in een safari op zijn huwelijksjubileum.) De uiteindelijke plannen legden de culturele lat aanzienlijk hoger, maar hé, het was ook eens wat anders!
Goed, dat was het plan voor zaterdag. Vrijdagmiddag om 17.00 uur was hele andere koek. Met trillende knieën kroop ik de trap op, bijgestaan door een kordate dochter die natuurlijk in het complot zat. ’s Ochtends hadden we al een set kleding bij elkaar gezocht uit de kast en ik vond haar toen al bijzonder behulpzaam. Tenslotte had ze zelf ook van alles te doen. De feestoutfit lag dus klaar. Verder waren de instructies simpel. Het hoefde niet chique en ik hoefde me niet te verkleden. Dat elimineerde in elk geval de mogelijkheid dat er ergens 100 mensen zaten te wachten op hun paasbest! Een onderbroek en je tandenborstel, vatte zoon het samen. Minimalistisch als hij is. Het werd iets meer.
Buitengekomen zagen we de schitterende oldtimer, de volkswagenbus uit 1971. Na ettelijke fotomomenten reden we weg. Maar waarheen? Geen flauw idee. Een hotelletje? Een camping (ik moest wat warms pakken)? Een huisje? En waar? We reden naar het zuiden over de A2, echtgenoot’s hersenen kraakten en er kwam stoom uit zijn oren. Hij heeft een kaart in zijn hoofd en alle mogelijke routes en richtingen werden gesuggereerd. Zonder resultaat.
Allemaal in het busje
Tot we er bijna waren. Ik zag Kesteren op een bord staan en toen viel bij mij het kwartje. Kesteren is de Betuwe en de Betuwe is l’Abri waar echtgnoot en ik elkaar 40 jaar geleden ontmoetten. (Klik even op de link als je wilt weten wat l’Abri is) Maar ik mocht niets zeggen. ‘Ik zie hier geen enkel verband met ons leven’, riep echtgenoot wanhopig uit. Beesd waren we al voorbij. ‘In Beesd kwam Abraham Kuyper tot bekering en het is een mooi plaatsje’, vond hij. Maar daar gingen we niet heen. Langs de weg zagen we steeds meer fruitboomgaarden. ‘Appelbomen?’ Mijn dochter gaf nog een hint weg. We hebben namelijk vlak voor ons huwelijk nog een week appels geplukt bij l ‘Abri, toen nog in het bezit van een grote hoogstamboomgaard. Het mocht niet baten. Zijn gezicht bleef een groot vraagteken.
Pas toen we de oprijlaan opreden zag hij het. ‘Eck en Wiel! l’Abri, waar de liefde ooit begonnen is!’
Op l’Abri kregen we de tweepersoonskamer, die er in de tijd dat ik er woonde nog niet was. Een verbetering! We aten mee met de gasten voor het weekend, een vier sterren maaltijd, zoals het de gewoonte is daar. ’s Avonds hadden we de keus om een film mee te kijken met daarna een korte bespreking, net als in ‘the old days’. Geweldig.
Ontbijt op bed, taart versierd met bloemen van de Oost-Indische kers. Blijkbaar de bloem die bij een 40 jarig jubileum hoort. En vervolgens de fotoshoot. Met een fotograaf. In alle hoeken en standen, met z’n allen, samen, zittend, staand, in de bus, voor de bus en wat er verder nog voor mogelijkheden waren.
Toen op weg naar Amsterdam. Het busje reed prima, maar wat een lawaai! Maakten alle auto’s zo’n lawaai in de jaren zeventig? En wat was dat stuur zwaar. En wat zaten er weinig raampjes in voor frisse lucht. En wat gleed je van links naar rechts op de rotondes bij gebrek aan veiligheidsgordels of handgrepen. En maximum 80 km. Een hele rit dus. Leuk was dat we met de ‘eigen’ kinderen in het busje zaten, even een herinneringsmoment aan onze Korea tijd waar we ook in een (KIA Bongo)busje reden. De koude kant had zich teruggetrokken in een andere auto, zoals ze het zelf benoemden.
We arriveerden op tijd voor de lunch bij Small Talk, en om half drie stonden we in de hal van het Van Gogh museum voor de rondleiding. Het was mega druk maar onze gids schoof zonder pardon, tot ergernis van sommigen, iedereen opzij als ze iets uit wilde leggen. Ze richtte zich vooral op de kinderen, maar ook wij kregen opdrachten en voelden ons in het geheel niet betutteld. Tien, zo heette de gids, Tien voor Tineke. Een echte aanrader! De tour en de gids.
kids tijdens de rondleiding
Na de rondleiding en de film waren we allemaal toe aan een dutje in het bed van Vincent. Maar de karavaan ging verder, nu, na een korte tussenstop bij café Keyzer, naar het Koreaanse restaurant Miss Korea op de Albert Kuypstraat. Na 8 jaar in Zuid-Korea gewoond te hebben in de jaren tachtig is Koreaans eten voor ons allemaal altijd een soort thuiskomen. Met z’n twaalven hebben we een all-you-can-eat menu gedaan. Vijf rondes waarbij iedere persoon drie gerechten kan kiezen. In totaal dus 15 gerechten van een klein, koud, groente bijgerecht tot warme, (aan tafel) geroosterde vleesgerechten of grote kommen met gebakken rijst en toebehoren. Miss Korea krijgt van mij en kleinzonen Niek en Kris een 9.
tussenstop bij cafè Keijzer, Amsterdam
Uitgeput, maar blij en voldaan keerden we huiswaarts. Dat het busje inmiddels kuren vertoonde en in de drukke binnenstad in Amsterdam bij ieder stoplicht de motor afsloeg heeft de pret niet kunnen drukken.
God intens dankbaar voor alle jaren en liefde en zorg!
Tijdens mijn vakantie droomde ik over Loes. Het is onvermijdelijk. Bij iedere suïcide in mijn directe omgeving of van een bekend persoon, zoals onlangs die van Robin Williams of anderen in het verleden, komen de herinneringen aan het leven van mijn oudste zus naar boven. Zij maakte 22 jaar geleden een einde aan haar leven. Even weer trekt en schrijnt het litteken zoals bij iedere begrafenis er ook de herinnering is aan gestorven geliefden in het verleden.
In mijn droom waren allerlei familieleden bij elkaar. Ik moest een maaltijd voor ze maken (ik moet heel vaak koken in mijn dromen!), maar wilde ook naar de kerk. Ik vroeg Loes of ze vast rijst wilde koken dan zou ik een saus maken van reuzebonen en tomaten. Ik liep het te bedenken terwijl ik Loes riep. Uitje, knoflook, tomatenpuree, wat water dan was er genoeg voor iedereen en het zou best smaken. Als de rijst maar klaar was. Loes reageerde niet. Ik riep opnieuw, harder en liep naar haar toe. Ze leek diep in slaap. Ik schudde haar wat, riep in haar oor en eindelijk schrok ze wakker. Waar was je, zei ik. Ik was helemaal weg, af en toe heb ik dat. Ik maak me er wel zorgen over, voegde ze er aan toe.
Ze zag er niet goed uit. Haar huid was grauw. Ik wilde haar troosten en kuste haar op haar wangen en omhelsde haar. Het voelde zo goed haar vast te houden. Het was zo levensecht. Ik voelde en rook haar huid. Haar huid die bij leven wat ruw was, wel zacht, maar niet glad. Haar geur die altijd vermengd was met de geur van de shag die ze rookte.
Het was maar een droom, maar zo’n droom die iets met je doet. Het was eigenlijk de eerste droom over Loes sinds lange tijd. En de eerste die geen schurende pijn met zich meebracht.’ Ga jij maar’ zei ze, een beetje lachend vanwege het feit dat ik haar zo overlaadde met zoenen.
‘Ga jij maar naar de kerk, ik zorg wel dat de rijst klaar is’. Het had iets diep geruststellend, die boodschap.
Ik heb zoveel emoties ervaren na haar dood. Ik las een open brief, ik meen gepubliceerd in NRC, van een dochter over haar vaders zelfmoord. Ze stoorde zich eraan dat mensen reageerden met woede. Of zo’n daad egoïstisch noemen. Hoe kun je je kinderen, je vrouw/man, je geliefden zo achterlaten, redeneren veel mensen. Wij hebben het ook wel eens moeilijk, maar je piept er toch maar niet zo tussenuit. En je laat anderen met de rotzooi achter!
De schrijfster van de brief kon die woede niet plaatsen. Iemand moet toch juist heel ziek zijn om ondanks dat alles een einde aan zijn of haar leven te maken. Daar kun je alleen medelijden mee voelen, was haar opinie.
Ik kan zeggen dat ik alle emoties wel doorlopen heb, van woede, verdriet tot aan medelijden en schuldgevoel. Het hoofd kan beredeneren dat iemand ziek is en daarom niet meer weet wat ze doet, maar het hart zegt: wat doe je me aan?! Je laat me mooi met de ellende achter!
Ik ben gelukkig (na meer dan 20 jaar….)zover dat het meest pijnlijke gevoel dat ik ervaar nu een gevoel van heimwee, van niet-compleet zijn, is. Het is een litteken geworden dat af en toe trekt, vooral wanneer er in mijn nabijheid mensen geliefden verliezen aan dezelfde afschuwelijke dood. Het is zo’n lange weg om te gaan erna.
Ik bid voor de nabestaanden van Robin Williams, dat God ze mag helpen vrede te vinden.
Na onze stille week in het uitstervende Clermont-sur-Lauqet zijn we nu aangeland in het meest levendige deel van de vakantie, de reünie van de Franse familie van echtgenoot. Laat ik het even toelichten. De enige broer van echtgenoots moeder in de VS trouwde een Franse vrouw en kreeg met haar drie kinderen, eind jaren veertig tot midden jaren vijftig. Twee volle neven en een nicht van echtgenoot dus. Vanwege het werk van hun vader, echtgenoot’s uncle Woody, woonden ze in zowel Spanje en Frankrijk. Twee van hen werkten in de VS, nicht Christine niet. Deze neven en nicht vestigden zich in Frankrijk, waar ze zelf gezinnen kregen. En scheidden en andere kinderen kregen en stiefkinderen.
Zo waren we met een groep van 25 à 30 personen op camping Laroque des Albères aangekomen. Dat de andere campinggasten niet erg blij met ons waren zou later blijken, maar wij vonden het een lumineus idee om nu eens niet in één huis te zitten (zoals op vorige reünies in Puerto Rico in een hotelletje en de VS, in 2 grote huizen), maar ieder zijn eigen plek te laten hebben.
We waren door de campingbaas bij elkaar in de buurt geplaatst. Ieder had een tent, huisje, stacaravan of blokhut (wij: net genoeg ruimte voor een bed, een tafel en een aanrechtje, +badkamer. Type waardeloos huisje/ luxe tent, afhankelijk van hoe je er naar kijkt). We waren boven of onder elkaar gesitueerd, want de camping, aan de voet van Les Albères, uitlopers van de Pyreneeën, was steil. De benen zijn weer in goede conditie.
breathtaking view from the mountain all the way to the mediterranean
Het camping idee was dus prima, alleen hadden we er geen rekening mee gehouden dat we onderdeel uitmaakten van een rumoerige familie, die tot in de late uurtjes doorzakte en de hele buurt al ‘fluisterend’ uit de slaap hield. Drie families met twee vintage caravans en een aantal tenten hadden een soort nomadenkamp geïnstalleerd waar de hele dag en avond grote delen van de rest van de familie mee-at, dronk en -snackte. Ook alle aanwezige kinderen (zeven of zo) hingen er graag rond.
Deze familie begroet elkaar op ieder moment van de dag alsof ze elkaar in geen maanden gezien hebben, met veel kussen, lachen en uithalen van plezier. Zachtjes praten was er ook niet bij, vooral niet na tienen als de pastiche en vin rijkelijk vloeiden en iedere flauwe grap tien keer zo leuk is.
Bonte avondZebra’s
Het zat er dik in. Na een paar avonden werden we in de ban gedaan. Bij familiedingen moesten we naar een plek op het parkeerterrein alwaar een verzamelpunt werd ingericht, met licht van de camping. Ze hadden er zelfs een slinger opgehangen ter vergoeding van de verbanning. Daar beleefden we wél een hele leuke avond. De (franse) kinderen hadden met oma Christine een heel spektakel ingestudeerd. Dans, rap, zang, van alles. Christine is o.a regisseuse van beroep geweest, dus ze had de wind er goed onder. En sommige kinderen hadden absoluut talent! Inmiddels was het acht uur en er was wél gedronken maar nog niet gegeten. Dat heeft een uitwerking die ik niet hoef uit te leggen. Vooral op degenen (de meesten) die die dag waren raften. Nicht Christine had naast het regisseren ook de taak op zich genomen om voor iedereen te koken. Om half negen/negen uur kregen we na gazpacho (koude tomatensoep),een verrukkelijke varkenscurry met couscous. Alles uit plastic. Met zovelen moet je soms je principes opzij zetten…
Voor ons was dat late eten wel even aanpassen. Met onze sobere boterhammen lunch red je het niet tot negen uur ’s avonds. Na een aantal dagen wit, slap en hongerig naar de maaltijd te hebben zitten smachten zijn we ook een tussenmaaltijd in gaan lassen. ‘Gouter’ zoals de Fransen het noemen, rond vier of vijf uur.
Even pauze in de schaduw
In de hete felle zon beklommen we met zijn allen een berg, inclusief het jongste (3) lid van de familie. Met de hele club naar het strand in Collioure, een pittoresk stadje aan de Middellandse Zee. Als Nederlander zou ik gedacht hebben, dat is totaal onmogelijk. Maar ik heb in de loop van de tijd geleerd los te laten. Met grote groepen, zeker wanneer het om Latino familie gaat is alles mogelijk. Of niet. Je moet het laten gebeuren. Of niet. Geen haast hebben, niet denken ‘dit kan efficiënter’. ‘Go with the flow’ is het devies. En dan gebeuren er ongelofelijke dingen. Of anders morgen wel. Of ooit. Of niet. Geen probleem. Maar na lang zoeken hebben we elkaar allemaal gevonden op het strandje, línks van het paleis van de koningen van Mallorca! Rechts en achter zijn namelijk ook strandjes. Die hebben wij allemaal gezien… Maar een duik in de heldere, koele, licht golvende Middellandse Zee spoelde al het stof en zweet weer weg.
Met de hele groep raften zat er niet in want de minimum leeftijd was 8 jaar. Tot groot verdriet van de 6 en 7 jarigen..Met een aantal zijn we naar een roofvogelshow gegaan in de buurt, maar niets woog op natuurlijk tegen de heftig spannende boottocht van de groteren. Zelfs niet de gigantische gieren die gezellig even naast ons kwamen zitten..
Op de laatste avond was ‘potluck’ en BBQ, de Amerikaanse inbreng, zeg maar, van de kant van echtgenoot en stamvader Woody. Inmiddels waren we echt naar de buitenste der buitenste ring van de camping verwezen. Op de vorige plek waren er namelijk klachten binnengekomen van nu weer een naburige camping over ‘lawaai’.
De camping bracht een spotlicht. En verder was er kaarslicht. Zo brachten we die avond opnieuw door met ‘spectacle’, ingestudeerd of niet. Niet alleen de kinderen hielden een modeshow en een dans-act, zelfs de volwassenen dartelden, onder begeleiding van muziek, over de geïmproviseerde catwalk omzoomd door kaarsjes. Iedere act werd begroet met gejoel en gejubel. Deze Franse familie kan een feestje bouwen! Alle uitbundige Spaanse, Franse, Griekse, en Antilliaanse genen gingen met ons aan de haal. Of we werden erdoor aangestoken. Mijn genen gaan niet verder terug dan Duitse..niet de meest exotische dus…
Heel bijzonder was nog dat neef Alain (61), kleinzoon Niek (9) wist over te halen zijn Kungfu vormen te doen. ‘Doe jij Kungfu voor mij? Dan doe ik Tai-chi voor jou!’ Met het felle licht van de lamp, de donkere sterrenhemel boven ons en de perfect gekozen muziek op de achtergrond deed Niek vol overgave en ernstig zijn Kungfu bewegingen. Vloeiend als een danser en krachtig als een krijger. Daarna wandelde Alain als een vogel over de catwalk.
Farewell pictures
Natuurlijk is er in deze familiegroep ook het verdriet en de pijn van het leven en wat ze hebben meegemaakt. Maar er was deze week duidelijk een drang om er een bijzondere week van te maken en te genieten van elkaar als familie. Er waren goeie gesprekken, we hebben elkaar veel beter leren kennen en wat ook mooi meegenomen is: ik heb nog nooit zoveel Frans gehakkeld als deze week. Ik heb er weer 25 familieleden bij!
‘Oma, ik wil bij jou logeren’, kleinzoon Noah’s (3) vaste verzoek. Als pappa en mamma zich opmaken om naar huis te gaan smeekt Noah, met een van verlangen en verdriet uitgestoken onderlip: ik wil bij jou blijven! Alsof hij in geen jaren meer terug zal komen. We beloven dan ook regelmatig dat hij een ‘ander keertje’ mag komen logeren. Noah is niet met een kluitje in het riet te sturen want hij wil dan wel graag weten wanneer.
Zo was het dan vorige week logeertijd. Uit de verte kwam hij aanhollen: ‘Ik kom bij jou logeren!’ Nog een kop koffie voor pappa en dan vertrekt die, enthousiast uitgezwaaid door Noah.
‘Zullen we even naar de speeltuin, oma?’ Ook Noah houdt van samen spelen, net als neef Kris (6). Maar ook met Noah vertrekken we richting het strand in de veronderstelling dat je een kind geen groter plezier kunt doen dan het strand. Van mamma hebben we een hele tas met strandspullen. Zelfs een reddingsvest. Noah wil dat graag aan in de auto. We kunnen hem gelukkig overtuigen dat dat echt te warm is nu.
We arriveren in Scheveningen, waar we naar het Zwarte pad wilden gaan, maar helaas om 10.15 was het daar al vol. Tegenvaller, want nu moeten we even opsplitsen…en het Zwarte Pad is te ver lopen voor een drie-jarige. We spreken af voor het Carlton. Echtgenoot gaat parkeren in de garage, ik neem Noah mee en een deel van de spullen. Het is heet. Noah is gelukkig zijn reddingsvest vergeten. Maar hij wil wel zijn duikerspak aan. Een donkerblauw zwemtopje. Met zwembroek in dezelfde tinten. Noah is namelijk altijd iets of iemand. Als hij ziet dat we vlakbij de reddingsbrigade zitten is hij helemaal gelukkig. ‘Het reddingsteam, oma! Zullen we daar straks even kijken?’ Noah houdt van kijkjes nemen, maar wel onder veilige begeleiding van een volwassene. Hij was er niet bij toen neef Niek bij de EHBO geholpen werd en in het gebouw van de reddingsbrigade naar binnen moest. Jammer. Hij zou ervan genoten hebben! Het laatste reddingsberoep dat hij heeft aangenomen is dat van de dierenambulance. Bij ieder beroep heeft hij ook een hoofddeksel, waardoor hij onmiddellijk in zijn rol zit.
Terug naar het Carlton Scheveningen. Als echtgenoot arriveert vinden we een plek om ons te installeren en spoeden we ons zo snel mogelijk naar de waterkant. Spelen in de golven, of pootjebaden. Maar als we bij de waterkant arriveren slaat Noah linksaf. ‘Zullen we een eindje die kant oplopen, oma?’ En hij dribbelt nogal snel die kant uit. Rennend om hem in te halen roep ik: ‘Noah, we gaan het water in! Kom lekker samen in het water spelen!’
Noah laat zich met moeite overhalen. Ongeveer 30 cm van het water vandaan blijft hij stokstijf staan en kijkt verschrikt naar zijn voetjes die, weliswaar in speciale waterschoentjes gehuld, nat worden en waaronder het zand door de stroming wegspoelt. Oma kan nog zo enthousiast zijn over de zee, Noah heeft ernstige bedenkingen tegen al dit onvoorspelbare gedoe. Het water is eng want er zitten vast haaien in (dat krijg je met al die tekenfilms en animaties van dieren), het water is koud en bovenal het water is NAT. En nat in gezicht of haar is een kwelling, dus hoezo lekker spelen in het water? In de golven al helemaal niet!
Letterlijk en figuurlijk duurt het een lange tijd voordat Noah dóór is. En echt dóór raakt hij nooit. Maar uiteindelijk spoelen de golven over zijn knieën en durft hij opa en oma nat te spetteren waarbij hij zelf ook af en toe natter wordt dan in de bedoeling lag. Gelukkig, want het is één van de warmste dagen en omdat hij ook nog zijn ‘duikerpak’ aan wil hebben, zweet hij wat af.
We gaan niet te laat terug. Alles weer meegesleept. Het blijft een onderneming, dat strand. Maar er gaat niets boven die verrukkelijke zee. Hopelijk gaat Noah het met me eens zijn later!
Noah geeft nauwkeurig de plantjes water
De volgende dag doen we een speeltuintocht. Noah kent de weg en brengt me bij de verschillende speeltuintjes in de buurt. We spelen politiebureau waarbij ik aangifte doe van diefstal en Noah nep opschrijft hoe mijn fiets eruit ziet. Dan springt hij in zijn nep politie-auto en vangt de nep-dief en stopt hem in een nep-gevangenis en mijn nep-fiets is gevonden. Als opa zich bij ons voegt herhalen we het spel maar nu is de portefeuille gestolen. Noah geniet. Zijn fantasie is vermakelijk. Het is echt, maar ook echt nep. Zoals hijzelf eigenwijs zegt. Babies in zijn buik, zusjes, dieven, tijgers, huizen in brand..alles nep.
Later speelt hij heel zoet met water in de badkamer. Geen golven, geen wegzuigend zand, maar een beheerste omgeving. Een wasbak met water en een stop erin. In het water drijven de reddingsboot en de politieboot. Redden uit het water is wat Noah wil.
Gered wórden uit het water is nog een brug te ver!