En dan zing je Happy Birthday

34 jaar geleden werd ze geboren, de jongste dochter. Het verhaal van de barre kou en hoe ver de rit in de taxi was voor ik in het Koreaanse ziekenhuis aankwam met een volledige ontsluiting heb ik al eens verteld. Ik werd daar weg gebonjourd naar de wachtkamer: ja, ja, dat zeggen ze allemaal…ga maar rustig wachten, u wordt zo geroepen! Binnen een half uur was ze er. De avond vóór het Koreaanse nieuwjaar geboren. Bij de geboorte is een Koreaans kind één jaar en met Nieuwjaar  wordt iedereen een jaar ouder.Wij hadden dus een prille, net geboren baby van twee jaar oud!

Deze baby, geboren in Korea, opgegroeid vanaf haar vijfde in Nederland en nu alweer bijna vier jaar in Amerika. Toen ze werd geboren belden we snel vanwege de hoge kosten met onze ouders om de geboorte aan te kondigen. Ze zagen haar pas een half jaar later. En nu zongen echtgenoot en ik gratis via WhatsApp- video Happy Birthday en zwaaiden we haar vrolijk een fijne dag toe.

Wat er in ruim dertig jaar ten goede veranderd is, zal ik maar zeggen, afgezien van de baby natuurlijk! Die is aanzienlijk mooier dan toen…

Op deze site staat een leuke uitleg van het fenomeen ‘Koreaanse leeftijd’ en waarom het zo werkt.

De wijngaard in City Life

Zondagen zijn altijd een moment van opladen. Citylife Church waar we meestal de dienst bezoeken (zie deze blog), is een half uur lopen van waar we logeren in het gebied bij de haven van Boston. Een heerlijke wandeling door China Town dat om half elf zondagochtend zo druk is als de Kalverstraat op koopavond. Een enorm contrast met het compleet uitgestorven financiële district een of twee wijken verderop. Niemand woont daar en er is in het weekeinde niets te zoeken. Zelfs de cafe’s zijn er dicht. In China Town staan de mensen in de rij bij de bakkerijen waar rijen weelderig versierde, maar lichtelijk kunstmatig uitziende taarten in de schappen staan.  De restaurants met de lekkerste dumplings, dim sum’s en andere voor mij onbekende gerechten zitten, hoe vroeg ook, al propvol. Vlakbij de Chinese Poort verzamelen zich oudere Chinese mannen om te kaarten en mahjong te spelen. Verderop staat een groepje van de Falun Gong beweging Tai Chi te doen. Gewoon met winterjas aan, maar toch zo sierlijk als maar kan.

Het is een komen en gaan van auto’s en mensen, allemaal op weg naar ik weet niet wat. Er is een Chinese kerk hier, dus ongetwijfeld zijn er kerkgangers net als wij. Onder jonge Chinezen is een sterke beweging gaande van christenen. Net als onder Koreanen.

Terug naar de straten. We lopen op de smalle trottoirs en bereiken wat hier het Theater District genoemd wordt. Daar, in een hotel op de 6e verdieping, komt City Life samen, iedere zondag om 10.30 en om 14.00 uur. Als je binnenkomt waan je je in Azië. 80% van de gemeente is van Chinese of Koreaanse afkomst. Wij voelen ons daarom heel erg thuis gelijk. Na 9 jaar in Korea is het iedere keer een soort thuiskomen ervaring. De meeste leden wonen hier als tweede generatie, maar er zijn ook veel studenten die weer terug gaan naar hun land na hun studie. Iedere zondag spreken we tijdens het kennismakingsmoment (zó’n goede gewoonte: groet de mensen in je omgeving!) weer anderen. Vandaag zat ik naast iemand van Chinese afkomst. Zijn ouders hadden in Finland een opleiding gedaan, en waren daar christen geworden. Ze hadden hem in China achtergelaten en later meegenomen naar Amerika. Achter ons zat een man uit Shanghai. Hij studeert hier aan een theologische opleiding en is part-time predikant van een Chinese kerk. Vol enthousiasme over gereformeerde theologie. Bavinck was net vertaald in het Chinees, vertelde hij stralend.

We beginnen met muziek. Als senioren hebben we af en toe de neiging om oordoppen in te doen, maar zo flauw willen we niet zijn. Het is begeleiding met electrische gitaar, keyboard en drums. De kwaliteit van de muziek is goed. Gewoon wat hard. Er heerst een ontspannen en tegelijk zeer ordelijke sfeer. Mensen komen binnen tot het moment dat de preek begint. In groepjes. De deur gaat dicht tot er weer een binnenlaat moment is. Iedereen draagt natuurlijk bekers met koffie, sap of water. Maar er wordt niet gegeten! Nog geen pepermuntje. Ik aarzel om een snoepje te pakken en denk dan, bekijk het, als iedereen hier kartonnen emmers meeneemt om uit te drinken mag ik toch wel een mini-mint pakken!

We zingen, we bidden, we lezen uit de bijbel en luisteren dan naar een uiteenzetting over de gelijkenis van de wijngaard. Een zeer boeiend verhaal dat de dood van Jezus presenteert als het ondersteboven van God. Luister hier wanneer je de preek wilt horen.

En dan blijkt het toch niet je moeder te zijn

Al vrij snel na aankomst in Zuidkorea kreeg onze dochter daar alle hulp om een zoektocht naar haar biologische ouders te starten. Zie ook mijn vorige blog en die daarvoor

Twee televisiereportages, hulp bij het maken van flyers door Koroot, die ze zelf (met partner Mark)verspreidde in de stad waar ze oorspronkelijk door de politie gevonden werd bij het busstation daar. In de televisiebeelden zie ik haar daar lopen, op mensen afstappen en een folder geven. De mensen reageren wat aarzelend zoals iedereen die iets in zijn handen krijgt gedrukt, maar de camera en de foto’s op de flyer maken hen nieuwsgierig. Je ziet ze een stapeltje uit haar handen nemen en ze gaan zelf aan het uitdelen of opplakken. Men overlegt en kijkt.

Het veroorzaakt een moeilijk te definiëren emotie in me. Het ontroert me, het maakt mijn hart heel week en pijnlijk. En ik voel ook iets van boosheid en onmacht. Dat zou toch niet moeten kunnen bestaan, dat een dochter op die manier naar haar ouders moet zoeken. Het zou toch eerder andersom moeten! Daar loopt een prachtig mens, wie kan zo iemand verstoten hebben? Wat een schrijnende omstandigheden moeten er toch zijn vóór een moeder haar eigen kind achterlaat. En wat is het aangrijpend als dat kind dan zelf weer die daad ongedaan probeert te  maken. ‘Wat er ook gebeurd is, het geeft niet. Kom maar gewoon. Ik hou van jullie’, hoor ik onze dochter zeggen, vergevingsgezind als ze is. Het is heftig. Zegt ze ook zelf wanneer ik haar spreek: ‘Als ik een dag later op het bussation kom om een bus naar elders te nemen, zie ik mezelf daar hangen! Zo vervreemdend…’

En dan wordt er gebeld door het televisiestation: Iemand heeft zich gemeld. Een vrouw die haar dochtertje is kwijtgeraakt, ze was drie. De informatie is incompleet en vaag. We schrikken er allemaal wel van op. Zou het dan echt gelukt zijn? Via de WhatsApp worden we voortdurend op de hoogte gehouden en we leven mee alsof we er zelf bij zijn. Spoorloos live! We krijgen een foto van de vrouw en een van haar gezin. We menen gelijkenis te zien, maar houden onszelf voor dat wij Aziatische gezichten niet even goed kunnen ‘lezen’ als Europese/westerse gezichten…

Een echtpaar dat onze dochter helpt en een Nederlandse vriendin die al 30 jaar in Korea woont en al veel zoekers heeft bijgestaan, gaan op visite bij de vrouw. Stellen haar vele vragen en krijgen een verdrietig verhaal te horen. Deze vrouw nam haar kind mee naar het werk om het te beschermen tegen haar man die alcoholist was. Ze speelde in een ruimte terwijl de moeder aan het werk was. Op een gegeven moment is het naar buiten gegaan en nooit meer terug gevonden. Het verhaal is tragisch en was het maar de geschiedenis van onze dochter. Maar dit meisje kon goed lopen, en de jaartallen kloppen niet.

Toch besluit onze dochter deze vrouw te bezoeken,ook al weet ze dat het niet haar moeder kan zijn. En ze vindt daar toch een zekere troost in. Deze vrouw behandelt haar, tegen beter weten in, als haar verloren gewaande dochter. Vertroetelt haar en blijft maar zeggen ‘was je maar mijn dochter!’ Iets van het  verlies en het verlangen delen ze. En dat is een gedeelde smart.

 

 

 

 

Geadopteerd zijn is ook een werkwoord

De blogs over adoptie publiceer ik uitsluitend met instemming en na lezing ervan door mijn dochter! Zie ook mijn vorige blog Adoptie is een werkwoord en Arirang en adoptie

Onze Koreaanse dochter is voor het eerst sinds 1988 terug in haar geboorteland.  In 1984, op haar zesde, kwam ze bij ons wonen. ‘Bij ons’ was: echtgenoot en ik en onze drie kinderen. Toen acht, vijf en anderhalf jaar oud. Wij woonden sinds 1980 in Pusan, Zuid Korea, in verband met het werk van echtgenoot. Na Sook-hi’s komst hebben we samen nog vier jaar in Korea gewoond.

Na terugkomst in Nederland is Korea altijd een rol blijven spelen in ons gezamenlijk familieleven. Gedeelde warme herinneringen aan de tochten in onze Bongobus (KIA), de vakanties aan zee in Kangnung, aan het eten, aan onze adzjoemoni (hulp) op wie we allemaal zeer suusinseoulgesteld waren. Die de allerlekkerste ramyun kon maken die we nergens meer zo gegeten hebben.

Voor onze dochter was Nederland een beter oord om te wonen. Door C(erebral) P(alsey) met moeite lopend, was het steile en vaak trottoirloze Pusan geen makkelijke woonplek. In Nederland was er onmiddellijk een team van specialisten die haar monitorden, er was wekelijkse fysiotherapie, ergotherapie, er kwam een aangepaste fiets, een rolstoel, een douchestoel, enzovoort. In Nederland werd je als mens met een handicap verzorgd (het waren betere tijden toen!) en gerespecteerd, in Korea werd je (ik schrijf de jaren tachtig van de vorige eeuw!) erom veracht, verstoten, te vondeling gelegd. Niet omdat de moeder haar eigen kind niet wilde, maar meestal omdat de schoonfamilie het gehandicapte kind niet accepteerde. De moeder had gefaald in haar plicht een gezonde, liefst mannelijke, nakomeling op de wereld te zetten.

Zo werden veel kinderen (gehandicapt of soms slechts omdat ze meisjes waren) op straat of in busstations achtergelaten. Op straat zag je ernstig gehandicapte mensen zich voortbewegen met de meest primitieve hulpmiddelen  en om aan de kost te komen, kranten verkopen of andersoortige zaken. Heel triest en tegelijk ook heel sterk. Ik had een enorme bewondering voor de strijdlust van deze mensen die zich toch maar staande wisten te houden!

Er is intussen veel veranderd. Volgens mijn goed ingelichte schoonzoon zijn de sportfaciliteiten voor gehandicapte sporters in Korea tegenwoordig bijvoorbeeld state of the art. Ook in de jaren tachtig werd onze dochter overigens goed opgevangen in het weeshuis annex revalidatiecentrum waar ze heen werd gebracht door hulpverleners. Mede door de Amerikaanse sponsoring was er gemiddeld betere zorg dan elders, denk ik.

Nu, na 32 jaar is dochter er voor het eerst terug dus. Onvervaard rijdend in haar rolstoel door megapool Seoul, en nu reizend met OV door het land. Maar eerst heeft ze een flyer gemaakt. Op een kantoor dat mensen zoals zij bijstaat in het zoeken naar familie.

Abandoned enz

Ze stuurde ons deze foto. Een poster die op het kantoor hangt van Koroot (spreek uit Ko-roet) een organisatie die geadopteerde Koreanen bijstaat in het zoeken naar familie en het mogelijk maakt voor hen om kennis te maken met de cultuur van hun geboorteland.

De poster sloeg in als een bom bij mij. Al die kinderen, afgestaan ter adoptie, of achtergelaten op straat; de nood, het verdriet van de biologische moeders, de problemen en leegte voor veel van de adoptiekinderen en daardoor ook voor hun adoptie-ouders. Zo’n poster brengt het allemaal in één klap samen. Door staccato, op alfabetische volgorde steekwoorden te noemen die waarschijnlijk verzameld zijn onder de geadopteerden zelf.

Als het leven ‘plaatsvindt’, van dag tot dag, met een druk gezin, met alle verplichtingen van school, sport, kerk en muziek en de dagen zich sneller aaneenrijgen dan je kunt bijhouden, wordt geadopteerd zijn in een bestaand gezin een gewoon feit. Je kunt daar ook niet voortdurend bij stilstaan.

Maar nu is het opeens weer dáár. Verlaten worden slaat een wond in iemands leven die misschien wel dichtgroeit, maar altijd een litteken achterlaat, dat schuurt en trekt. Onze dochter is geen klager. Dat heeft mij meerdere malen op het verkeerde pad gezet. Haar intense verdriet om de dood van haar cavia en andere huisdieren was een signaal wat, denk ik nu, duidde op een dieper verdriet waar ze niet bij kon.

Adopteren is hard werken en geadopteerd zijn ook. Zonder hulp van derden red je het nauwelijks. Maar dat is opvoeden natuurlijk ook. Kinderen in huis hebben, of ze nu geadopteerd zijn of niet, betekent confrontatie met jezelf. Al je eigenschappen worden op een nieuwe manier uitgedaagd, de goeie én de slechte. De goeie blijken soms minder geworteld dan je dacht en de slechte heb je minder onder controle dan je dacht. Zo verging het mij tenminste. Daar maak je als ouder de fouten in de omgang met je kinderen. Die weer verzacht worden (hopelijk) door een sterke basis van wederzijdse liefde, als het goed is.

In het geval van adoptie, in ons geval van een ouder kind, lag daar de angel.  Niet alleen ons adoptiekind had/ heeft moeite met zich geliefd te voelen, maar dat bleek andersom ook voor mij zo. Liefhebben is bij een dergelijke adoptie een proces. Een bewust proces. Een keuze. Ik ga mijn best doen jou lief te hebben als mijn kind. Dat lijkt een tegenstelling, maar is in feite de basis van echte liefde: doen. Handelen in de geest van liefde, het goede zoeken, de ander goed gezind zijn. Dat is de intentie…maar dan volgt de praktijk die weerbarstiger was dan ik wilde of vermoedde.

In  iedere opvoeding maak je fouten. Alleen ontbreekt bij adoptie of geadopteerd zijn de vanzelfsprekende basis. Iedere fout van de kant van de ouder is voor het geadopteerde kind vaak een bevestiging van het ‘vreemd’ zijn, van ‘er niet bijhoren’.  Voor mij gaf dat het gevoel iedere keer weer opnieuw te moeten beginnen. De keuze was onvoorwaardelijk, maar de gevoelens niet vanzelfsprekend. Ik merkte, om dit wat vage verhaal kort samen te vatten, dat ik wederkerigheid veel meer nodig bleek te hebben dan ik verwachtte.

Ondanks dat dit een redelijk warrig verhaal is, is het voor mensen in een vergelijkbare situatie misschien toch wel herkenbaar?

Het heeft me uiteindelijk ontzettend veel geleerd over Gods liefde voor mij. Ik ben tenslotte ook geadopteerd in Zijn gezin en ik begrijp beter dan ooit hoe die liefde van Hem voor mij een keuze is en dat die onvoorwaardelijk is. Als ik me dat al voor kan nemen, laat staan God Zelf. Het grote verschil is dat mijn ‘gedrag’ geen invloed heeft op die liefde van Hem, omdat ik door Jezus Christus vergeving krijg.  En God is Zelf liefde, daar heeft Hij mij niet voor nodig. Uit die liefde kon ik wel putten, steeds weer.

In een volgende blog hoop ik meer te vertellen over de spannende zoektocht die nu gaande is in Korea! Televisie en radio zijn bijgesprongen in de zoektocht!

Loes op het strand

loesheaundai
Deze foto vond ik (eindelijk weer) terug bij het opruimen van papieren die al máánden op mijn bureau lagen. Het is een fantastische momentopname uit 1986. Plaats: Zuid Korea, Busan, Haeundae strand. Het strand was toen nog redelijk ongerept en de boulevard nog niet zo dicht bebouwd als nu.  Heel in de verte zie je het hotel dat wij liefhadden omdat beneden een winkel was waar je Duits zuurdesembrood kon kopen. We reden wel een uur door de stad soms om een voorraadje brood te halen. Er was toen nog slechts plakbrood verkrijgbaar bij de bakkers, wit brood dat zich tot levensbedreigende cementballetjes vormde als de kleintjes erop sabbelden. We woonden in Busan (nieuwste spelling) van 1980 tot 1988, in verband met het werk van echtgenoot. Een mooie tijd, met uiteraard zijn ups en downs. Maar het leven in een andere cultuur, het leren van een totaal onbekende taal was heel uitdagend op een (meestal) positieve manier.

Op de foto sta ik niet zelf, maar mijn zus Loes. Ze is zes jaar later overleden door een zelfgekozen dood, dus deze foto is me heel dierbaar. Ze is hier zo blij en vrolijk dat ik me haast niet kan voorstellen dat het zes jaar later toch nog zo fout kon gaan. Loes logeerde bij ons indertijd en had haar verblijf verlengd omdat ik in het ziekenhuis terecht kwam met een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Ik heb hier over dat verblijf geschreven en over hoe Loes mij  toen (Hollandse Pot in Korea) verzorgde en wat dat voor me betekende.

Ik vind deze foto zo leuk omdat alle vier de kinderen erop staan, met de paraplu’s als bescherming tegen de regen. Loes houdt ze alle drie vast, wat klopte met haar rol van verzorgende voor mijn kinderen. Ze genoot daarvan. En ik had er rust door ondanks het gemis. En het is altijd weer heerlijk om een foto te zien die me herinnert aan de goeie tijden van mijn grote zus, voordat ze zo de weg kwijt raakte!

hae.jpg (280×333)

Wie overigens mocht denken dat Haeundae een idyllisch strand is op een vergeten plekje….zie de foto! Anno nu.

De foto van het strand hierboven, met de papraplu’s, is genomen tijdens ‘zangmachul’, het regenseizoen (van midden juni tot eind augustus). Wij zijn verstokte strandgangers, zeker als de temperatuur rond de 30 gr. is. Met grijze luchten en een hoge luchtvochtigheid (soms wel 80/90%) is de zee het meest verfrissende wat je je kunt voorstellen!

Adoptie is een werkwoord, net als liefde

KIA busje

Er zijn waarschijnlijk verschillende motivaties van waaruit je een kind adopteert. Wie geen biologische kinderen heeft, adopteert, denk ik, allereerst om een kinderwens te vervullen. Een heel natuurlijk verlangen naar nageslacht. Naar zorgen voor iets kleins en afhankelijks, met wie je een diepere band ontwikkelt dan met de gemiddelde kat of hond. Iemand met wie je je leven kunt delen.

Ik had in die zin geen kinderwens in de jaren tachtig, aangezien we al drie kinderen hadden mogen krijgen. Maar er was plaats voor meer. We stonden open voor zowel meer biologische kinderen als voor een adoptiekind. De beslissing om voor een adoptiekind te gaan kwam vooral voort uit idealisme. Of beter gezegd misschien, uit onze overtuiging dat we moeten delen van de rijkdom die we ontvangen van God de Vader, met wie het minder heeft. Wat zouden we een kind in een weeshuis laten zitten met weinig toekomstperspectief terwijl wij van alles te bieden hadden? Een gezinsleven, veel meer toekomst, geborgenheid, een broertje en zusjes, en nog veel meer. Zo begonnen we aan ons avontuur. 

Maar elk ideaal, zelfs als het vanuit een diepe overtuiging  voortkomt, wordt uiteindelijk getest door de werkelijkheid van alledag. De dagen waarop niks lukt, het eten aanbrandt, de kinderen zich als etters gedragen en het kind dat je zo vol geloof in huis haalde, zich afsluit voor je.

Dat zijn de dagen waarop het opeens tot je doordringt dat liefde niet iets vanzelfsprekends is. Dat kinderen uit jou geboren, die dan wel het bloed onder je nagels vandaan kunnen zeuren, wel op een voortstromende basisliefde van je kunnen terugvallen, maar dat bij een ‘nieuw’ kind (van 7) er geen ‘terugval – liefde’ in jouw reservoir zit opgeslagen. 

Ik was jong, had nog niet veel levenswijsheid en zeker nog niet genoeg zelfkennis om dat allemaal te kunnen benoemen. Ik weet wel dat ik in dat eerste jaar van de adoptie  regelmatig een hele duistere Margreet tegenkwam, die ik niet kende en waar ik van schrok. Mijn frustratie en boosheid golfden soms als een storm over ons arme adoptiekind heen. Pas veel later, jaren later, ben ik (tot op zekere hoogte) gaan begrijpen wat daar gebeurde.

Ik was de jongste thuis. Met twee oudere zussen en twee oudere broers. In ons gezin werden ruzies meestal niet uitgepraat, maar resulteerden in zwijgen. Negeren. Om de een of andere reden herinner ik me heel vaak genegeerd te zijn. Ik was waarschijnlijk een verwend jongste zusje, dat lastig was en als gevolg kreeg ik dan de ‘cold shoulder’. Of het echt zo vaak was? Mijn moeder zei altijd dat ze zich er niets van kan herinneren en dat iedereen juist gek op me was. Maar moeders hebben soms een te rooskleurig beeld van hun kroost.

Hoe dan ook, genegeerd worden is voor mij een hele rauwe, gevoelige plek.  En wat ik, met hulp van deskundigen, op den duur duidelijk kreeg is dat ik in sommige situaties heftig reageer op een vermeend negeren, terwijl dat helemaal niet de intentie is van de persoon die ik dan bijna vermoorden wil…(Voor de duidelijkheid, het is natuurlijk meestal echtgenoot die het moet ontgelden)

Ik vertel dit allemaal omdat dit mechanisme ook speelde tussen mij en onze adoptiedochter. Zwijgzaam en teruggetrokken van karakter als ze was, ervoer ik dat als  een afwijzing. Alle jaren door is dat een spanningsveld gebleven. Door haar heb ik pas echt geleerd, door schade en schande, met vallen en opstaan, dat ik een mens moet accepteren zoals die is.  Niet willen veranderen, niet willen omvormen om bij mijn behoeftes aan te sluiten.  Ook iets leren proeven van wat agapé is. Liefde die er is, niet omdat het vanzelfsprekend is van je eigen kind te houden, maar liefde omdat je ervoor kiest. 

Onze dochter leest mee. Ze keurt de blog van tevoren goed. 

 

Arirang en adoptie

Onze Koreaanse dochter  is sinds een paar jaar actief in Arirang, een vereniging van geadopteerde Koreaanse ‘kinderen’, nu allemaal volwassen (onze dochter is inmiddels 39!). De internationale adoptie is eigenlijk met hen gestart. Ik lees op de website van Andere Tijden dat de oorlog in Korea (1950-1952) de directe aanleiding was tot het ‘redden’ van vele wezen of verstoten kinderen daar.

In Korea werden kinderen, geboren uit een Koreaanse moeder en een  blanke of zwarte Amerikaanse soldaat (gestationeerd in Zuid Korea vanwege de oorlog), verstoten.  Niet alleen in de vijftiger jaren, ook in de jaren tachtig, toen wij er woonden merkte je nog heel duidelijk  dat er een taboe lag op het mengen van rassen. Korea is lang geïsoleerd geweest van de rest van de wereld en dat heeft ertoe geleid dat het land uiterst homogeen was en is. Er zijn altijd wel immigranten geweest, maar dat waren overwegend andere Aziaten. Chinezen en Japanners bijvoorbeeld. En die leven op zichzelf. Niet snel zul je een relatie zien tussen de verschillende nationaliteiten.

De schrijver Jan den Hartog en zijn vrouw waren de eersten die twee kinderen vanuit Korea adopteerden. Zij waren zeer bewogen met het lot van de verstoten kinderen  na de burgeroorlog daar, aan het begin van de jaren vijftig. Zij lobbyden in Nederland om meer kinderen geadopteerd te krijgen. Internationale adoptie was toen nog een onbekend fenomeen. Maar de behoefte aan adoptiekinderen was toegenomen door het gebruik van de pil. Er waren daardoor minder ongewenste zwangerschappen, en als gevolg minder babies die ter adoptie werden aangeboden.

In de jaren zestig werd  met groot idealisme begonnen om kinderen vanuit Zuid Korea naar Nederland te halen. Het was een vorm van ontwikkelingswerk bijna. De kinderen die in eigen land geen kansen hadden, werden naar hier gehaald om ze een beter leven te bezorgen. In de jaren zeventig was het een heel normaal beeld: gezinnen met één of twee buitenlandse kinderen. Toen ook al uit andere landen, behalve Zuid-Korea. Het sprak mij ook erg aan. Zo gaf je kansloze kinderen een nieuwe kans op een goed leven.

Er werd nog heel weinig nagedacht over de vraag in hoeverre je er goed aan doet een kind uit de eigen, sociaal culturele omgeving weg te halen. Een baby is een onbeschreven blad, dus die is nog helemaal te vormen, was de gedachte. Maar de buitenkant veranderde niet. Het Aziatische, Afrikaanse of Colombiaanse uiterlijk bleef zichtbaar. En niet alle kinderen kwamen als baby. Bij het opgroeien ervoeren de kinderen vaak een leegte in hun leven. Op wie leken ze? Waar kwamen hun karaktertrekken vandaan?

Na verloop van tijd ging blijken dat adoptie niet zo eenvoudig was als het leek. Bij de vereniging Arirang, die ik hierboven noemde, vertellen de leden allemaal een eigen verhaal. Sommigen voelen zich thuis, aangepast en tevreden. Anderen ervaren een gemis en zijn op zoek, naar familie, naar identiteit, naar wortels. Velen gingen door moeilijke periodes. Rebels of depressief.

Zelf adopteerden wij onze dochter terwijl we in Zuid-Korea woonden, in de jaren tachtig. We leerden haar kennen in een weeshuis/revalidatiecentrum waar een Nederlandse vriendin werkte. Zij bracht ons in contact met elkaar. Onze dochter was toen 6 jaar. Gevonden op straat, ruim een jaar daarvoor. Een veel voorkomend verschijnsel in die tijd. Kinderen met een lichamelijke of verstandelijke handicap werden als een schande gezien en vaak afgestaan of achtergelaten. In bussations of andere drukke plekken. In de hoop dat ze gevonden zouden worden en meegenomen naar een weeshuis om wellicht naar het buitenland geadopteerd te worden. In de jaren tachtig was er nog veel armoede in het land. En iedere afwijking in het kind werd toegeschreven aan de moeder. Het was haar schuld. In de Confuciaanse maatschappij hoort een vrouw haar man een gezonde zoon te schenken. Zodat de generaties elkaar op gepaste wijze mogen opvolgen en vereren. En zo niet, dan bleef de vrouw in gebreke.

Een wreed lot dus, voor de vele kinderen met polio, CP (spastisch), downsyndroom enzovoort. We zagen de kinderen en volwassenen bedelen op straat, soms op heel vernederende wijze. Dat deed in ons de wens  groeien om te helpen. Iets te doen. Ons oude verlangen te adopteren en het nieuwe verlangen iets te doen om het lot van al die gehandicapte medemensen op straat te verbeteren, kwamen eigenlijk samen toen we het meisje ontmoetten, dat onze dochte zou worden. Door CP kon ze moeilijk lopen. Waarschijnlijk om die reden was ze achtergelaten in een drukke straat en door de politie naar het weeshuis in Masan gebracht. Getraumatiseerd had ze een jaar niets gezegd, tot ze langzaamaan zich thuis ging voelen en veilig. Veel meer dan naam en leeftijd vertelde ze aanvankelijk niet.

Toen wij haar ontmoetten was ze een vrolijk meisje geworden, verknocht aan haar Amerikaanse ergotherapeut en zeer bereidwillig om af en toe met ons mee naar huis te gaan. We hadden toen drie kinderen van wie de jongste 2 was en de oudste 8 jaar. Niet een makkelijke startsituatie voor haar, zo’n bestaand gezin waar jij dan in moet gaan passen. School was in het Nederlands, thuis werd Engels gesproken en met de vriendjes op straat weer Koreaans of Nederlands. Ga dan je talen maar eens leren….

Wordt vervolgd.

 

Observations of a non-American visiting Boston – New York, rythm and gentrification

I was going to New York to pay a visit to my daughter who lives there. First things first though: I had to do a load of laundry. This is a very exerting job in my father-in-law’s appartement. It requires me going up and down the elevator four  times. Down, to the laundry room in the basement of the building to put my load into the machines. Up, to wait for 25 minutes and read the paper. Down again, to stick the same load into the dryer for 30 minutes. Up again, 16 floors and read while waiting and yes, down again, to fold the laundry. Such an effort! I was exhausted after all that work (note: irony! Husband said, after reading this: really? Were you tired?)

Well, I took the Megabus of four o’clock pm to NYC. A great way to travel! I reserved tickets a couple of days in advance and paid $13! Because I wanted an aisle seat, I reserved a chair for $6 extra. Total for one way ticket: $19,00! Return ticket the same. For a 4,5 hour trip not bad. (Prices depend on type of days and how much in advance you book!).

feetbus
I have a terrific view
columbus av NYC
Coming into New York City – Columbus Ave

Seats are reasonably comfy. I ended up on the top deck, in the very first front seat. Great view, but with the fast driving and the potholes in the road, a little bumpy and scary! Could take some good pictures, though.

On my way to the bus in Boston, I walked among the many commuters, well dressed, well groomed. And passed the chique restaurants with tables on their sidewalk patio’s. They  have opened since the Greenway was established. So pleasant, so beautiful. Above the Greenway a gorgeous piece of art by Janet Echelman was installed. A gauzy looking, hammock like, enormous (ruim 2000 m2) netting/cloth in mainly orange, blue/green, oily colours. It  moves and softly changes color in the wind (always blowing in this part of Boston) Very impressive. I was told it weighs more than a ton and is carefully anchored unto the buildings around the area. Title: As If It Were Already Here.

greenway

crown heights
Crown Heights

After my 4,5 hour trip on the bus plus an 1,5 hour by subway to daughters place in Crown Heights, I got off the train in a different world, it seemed. Litter everywhere on the streets. Whereas in Boston (my neighborhood) black people are an exception, here I am the stranger. I feel very white and Dutch. Millions of little shops, colorful people with rasta hats or other custumes,  cars with boom boxes playing rap or reggea driving around. Many of the black people come from Jamaica, originally. And many of the women I see have ‘rythm’. Meaning: big wiggly buts. This was said to daughters’ black friend by somebody in the street: Sista’, you got rythm!’ It is a compliment!

Hassidic Jews are also quite a sight around Crown Heights. There is a large community here. The high hats, the women wearing wigs, the teenagers dressed not for fashion but only, it seems, to cover themselves completely. Long sleeves, long skirts, stockings, nothing really attractive is allowed.

How colorful though, how noisy, how wonderfully messy. I feel I’ve come back to reality. The affluence and the many tourists of my Boston neighborhood creates a kind of distance and isolation.

Crown Heights

Here people more easily engage in a conversation, they live outside and comment on what’s going on (like the Rythm comment, :)) Daughter tells some of the shopowners I’m her mom and from that moment on I’m ‘Momma‘. ‘How you’re doin’, Momma?’, they will call to me in the next coming days. It feels homey and warm. It reminds me of Korea where my tall, blond, whiteness also made me stand out. Sometimes annoyingly so, but also a privilege! I was always greeted in stores and at the market. At first, standing anonymously in line at supermarkets in Holland took getting used to. It felt cold and lonely. Of course, it takes missing something before you really come to appreciate it! I was probably more irritated at the time in Korea…longing to be anonymous. Anyhow, now I feel at home in this sloppy, colorful. multicultural neighborhood, even when it means being adressed as Momma.

But the noíse…! At night I have a hard time sleeping, to put it mildly. People yell, play music, party and to top it off there is a firestation in daughters street, with huge trucks taking off once an hour or so, with loud sirens. When I finally dose off, I’m woken again by the screams, spouting from a church below the appartement. Doors wide open, people sing and dance and clap their hands. And the pastor gets going. This is no yelling. No screaming, This is what I call, having a fit! How can they stand it? The man has screamed his voice all hoarse and hardly has a voice left, and still he continues. It is a sign of the presence of the Spirit, is what they believe, I guess. An organ plays chords in an ever increasing crescendo.

churchsign

This church is not the only one. On our way to our own church later we walk by several, small but loud gatherings of the saints. Many peope in the streets are in their sunday best, literally! Beautiful to see.

After church (Trinity Grace, Crown Heights) we walk around for a long time. We have a bite at Franklin Park, also called Dutch Boy Burger. Dutch Boy turns out to be an old paint brand. Next day we go to Park Slope, another area in Brooklyn. Much gentrified since the ’70s.

map park slope mapcrownheights

 

This happens to many neighborhoods in New York. Because rent is so extremely high, young people, students, artists, will move into cheap, poor neighborhoods because of affordable rents. But after a while these places become interesting to landlords who buy up whole blocks, renovate them minimally and then will rent them for double the price. Poor people are forced in the end to move away, out of these neighborhoods. The ‘hood  will look increasingly beautiful, more green, with the old brownstones and historic places. By than it is an easy guess, rents are once again unaffordable for the original inhabitants and for young people. It is an ongoing cycle.

This process is just beginning to happen  in the part of Crown Heights where daughter lives.

St. John's Place
St. John’s Place
5th_avebird
View of the Bird shop daughter works now. 5th ave, but in Brooklyn!

Levende geschiedenis – Zuid Korea 1982

1982 - Pusan fotograaf Choi Min Shik maakt familiefoto
1982 – Pusan fotograaf Choi Min Shik maakt familiefoto

We woonden nog niet zo lang in Zuid Korea. Ik zie aan de foto dat we nog in ons eerste flatje wonen, Urim Mansion, een nogal weidse naam (Bosrijke Appartementen, zoiets) voor een betonnen blokje met een stuk of 40 woningen. Wel afgelegen, dus minder luchtvervuiling. Vandaar misschien dat Bosrijk.

Een (volgens onze Koreaanse kennissen) beroemde fotograaf, Choi Min Shik, wilde ons fotograferen voor een nieuw te verschijnen boek. Pusan, waar wij woonden, was toen nog een stad waar je weinig buitenlanders tegenkwam, dus een foto van een Westers gezinnetje in zijn boek was een bonus. Het was in een mum gepiept. Onze oudste zong geen liedje op verzoek, onze jongste leefde duidelijk mee in haar dilemma.

Vandaag, op zoek naar een ander boek, vond ik het fotoboek weer in de kast. Met handtekening van de fotograaf voorin. Even Googlen en het blijkt inderdaad een belangrijke fotograaf in de Koreaanse fotografie-geschiedenis. Ik ben het op mijn gemak door gaan bladeren en raakte er helemaal van in de ban. De foto’s zijn rauw en grof van pixel, en stralen een ongekende kracht uit. Dwars door de stad Pusan en elders maakt de fotograaf foto’s van het dagelijkse leven van de Koreanen. Op markten, tijdens uitjes, aan het (zware) werk. Van oude van dagen en pasgeboren baby’s, van kinderen verdiept in hun spel, tot oude mannen, evenzeer verdiept in go-spel. Geweldig mooie beelden in hun alledaagsheid. De armoede en hardheid van het leven van toen spat er af. Maar evenzeer de levenslust, de fierheid en de opgewekte aard van het Koreaanse volk. Wij kwamen daar 27 jaar na het beëindigen van een verwoestende burgeroorlog in 1953. Het land (bijna volledig verwoest en ontbost)  had zich al groots hersteld, maar de armoede was nog zicht- en tastbaar. De gespannen verhouding met Noord Korea (tot op de dag van vandaag een staakt-het-vuren, geen vrede!) legde een zware wissel op de samenleving.

Dat heeft deze fotograaf vastgelegd. Ook voor ons. Nu ik 34 jaar later deze foto’s weer zie, en zelfs mensen herken die daar op straat (onder onmenselijke omstandigheden soms) de kost verdienden, nu realiseer ik me pas hoe arm het Koreaanse volk nog was, maar ook weer, hoe sterk.

The late Choi Min-shik (Courtesy Noonbit Publishing Co / Yonhap News)
The late Choi Min-shik
(Courtesy Noonbit Publishing Co / Yonhap News)

Dat Choi metterdaad een belangrijke fotograaf was/werd blijkt uit het feit dat er in 2013 (jaar van overlijden) in zijn naam een prijs is ingesteld. De eerste in zijn soort in Zuid Korea. Choi kwam zelf uit een arme familie. Hij werd geboren in 1928 (tijdens de Japanse overheersing) en koesterde lange tijd de droom om kunstschilder te worden. Op een kunstacademie in Japan kwam hij in aanraking met het fotowerk van  Edward Steichen: “The Family of Man”. De zwart-wit foto’s troffen hem omdat ze niets verhulden. Dit leidde er toe dat hij zelf de camera oppakte en begon met het vastleggen op beeld van de harde realiteit die het dagelijks leven voor vele Koreanen inhield. Hij was niet geliefd bij het regime van dictator Park Chung hee (net vermoord door zijn body-guard, in 1979, toen wij in Korea aankwamen) die het land alleen als een succesverhaal wilde zien.
(vrij vertaald van http://enkr.blouinartinfo.com/)

Photos taken by Choi Min-shik in Busan in 1965. Courtesy of Choi Min-shik and Noonbit Publishing
Photos taken by Choi Min-shik in Busan in 1965. Courtesy of Choi Min-shik and Noonbit Publishing

Oma, moeder, draagt haar kind op de rug, terwijl ze op de markt haar spullen verkoopt. Samen eten ze zo een bakje noodles.

PS Hopelijk is met de bronvermelding het publiceren van deze foto’s niet illegaal…

Hoe koud het was en hoe ver

Het voelt alsof ik dit verhaal al eerder vertelde op mijn blog. In de tijd dat het nog Batteaublog heette. Het maakt niet uit. Het is altijd weer een spannend verhaal om te vertellen. Zo eens in de zoveel jaar.

31 jaar geleden (1983) was het net zo’n stralende dag als vandaag. Alleen was het -5 in plaats van +10. Plaats van handeling: het land waar we toen woonden, Zuid Korea, (zuidelijke Busan_Porthavenstad) Busan. Tijd: Zaterdag, kinderen vrij van school, man vrij van school. Wat doe je op een koude, stralende, vrije dag? Eropuit. Even iets anders dan de dagelijkse routine. We namen een taxi naar het havengebied en gingen naar de Seamen’s Club. Restaurant voor Amerikaanse zeelieden en andere westers uitziende mensen. Ik weet niet meer of we daar naar binnen slopen terwijl echtgenoot een stoer zeeman’s gezicht trok, of dat we daar naar binnen mochten omdat we westers waren. Hoe dan ook, voor de kinderen was de Seamen’s Club het equivalent van McDonalds, alleen iets chiquer. Het was de enige plek waar je een fatsoenlijke hamburger met patatjes kon eten. Voor ons toen even exotisch als de Koreaan hier, zeg maar.

We aten lekker, de zon scheen, maar mijn bolle buik was onrustig. Twee kinderen aten lekker hun lunch, de derde was zich aan het voorbereiden op haar eerste maaltijd in deze wereld. Ik was uitgerekend die dag, maar behalve wat gezeur was er geen teken van een ophanden zijnde bevalling. Ik was er zeer op gespitst, nog meer dan vorige keren, want ik moest naar het ziekenhuis dit keer. Zeer tegen mijn zin, maar het was niet anders. In Korea was een thuisbevalling niet aan de orde, tenzij ik het met hulp van de buurvrouw wilde doen. Ook dat was geen optie.

Terug naar huis, dutje doen, en voor de zekerheid onder de douche. Ik wilde goed voorbereid zijn. Koffertje checken. Het koffertje wat ik volgens aanwijzingen van de Amerikaanse auteur van mijn pufboek had ingepakt. Voor de lange wachttijd in het ziekenhuis een boek, een tijdschrift. Een rol koekjes voor het geval mijn energie opraakte. Iets te drinken voor de droge keel. En ik weet ik niet wat ik er (behalve pyjama en babykleertjes) verder allemaal had ingestopt. Maar ik ontleende er een gevoel van veiligheid aan. Dit koffertje moest mijn troostkoffertje zijn, straks in dat vreselijke ziekenhuis.

Ik heb die middag twee of drie keer nog gedoucht. Dat was geloof ik ook een instructie: zo gauw je denkt dat het is begonnen, onder de douche gaan want dan ben je heerlijk schoon en ontspannen wanneer het écht begint. Blijkbaar begon het steeds en stopte weer. In ieder geval besloten we rond 18.30 uur dat we toch gewoon ons geplande bezoek aan Nederlandse vrienden zouden gaan brengen. Van weeën was immers geen sprake?

We zaten er nog niet zo lang toen ik opeens zeker wist dat de bevalling was gestart. Echtgenoot was nog bezig aan een of andere uiteenzetting, toen ik hem onderbrak met een beslistheid die voor geen andere uitleg vatbaar was. We moeten NU weg! Geen probleem. Binnen een paar minuten stonden we buiten. En toen? Een normaal denkend mens had iemand anders naar de weg (nogal een eind lopen) gestuurd om een taxi te halen en was linea recta naar het ziekenhuis gegaan (vlakbij). Maar ik dacht niet normaal. Ik had maar één woord in gedachten. Baby? Bevalling? Nee…Koffertje!

gospel hospital;Zonder koffer ging ik niet naar dat ziekenhuis. Zoveel wist ik zeker. We liepen dus 15 minuten naar de weg. In het pikkedonker. In de ijzige kou. En ja, door het lopen kwamen de weeën goed op gang. Eindelijk een taxi, die al bezet was, maar soms kon je daar bij in, voor de taxichauffeur een extraatje. Via een lange omweg (ook dat nog!) kwamen we aan bij ons huis, waar ik naar binnen strompelde terwijl echtgenoot de taxi bewaakte. Onze oppas hielp me de auto in, mét koffertje, en toen begon de spannendste rit van ons leven. Over de hobbels in de toen nog slechte wegen van de stad, door een lange donkere tunnel, waarin de taxichauffeur benauwd riep dat ‘het niet in zijn auto mocht gebeuren!’ en echtgenoot een jaar ouder werd van de zenuwen.

Wat een opluchting toen het ziekenhuis opdoemde. We meldden ons bij de Eerste Hulp en In het Koreaans en het Engels vertelde ik de dienstdoende verpleegkundige dat mijn baby NU aan het komen was. Ze keek me meewarig aan, met een blik van ‘dat denken ze allemaal’ ,en vroeg mij vervolgens om mijn verzekeringspapieren. Die had ik zowaar bij de hand, Zaten waarschijnlijk in het koffertje! Opnieuw waarschuwde ik haar dat het moment van geboorte op handen was, maar ze nam me niet serieus. Goed, dan maar zelf het heft in handen nemen. Ik ben op de eerste de beste brancard gaan liggen, hevig steunend om aandacht te trekken, terwijl echtgenoot verder bleef aandringen dat er onmiddelijk een dokter nodig was. De co-assistent die die nacht dienst had verwaardigde zich eindelijk om me te onderzoeken. (Deed hij dat daar midden in de hal??) En opeens kwam er beweging in het team. Verloskamer zoveel, lift, rennen!

Met al mijn kleren aan, de assistent zonder kapje, met een in allerijl opgetrommelde zuster, kwam na luttele minuten ons derde kind ter wereld. Echtgenoot was druk met foto’s maken, arts met andere zaken, assistente met eerste opvang baby en ik wachtte op de vreugdekreet van het publiek: een meisje of een jongetje! Niets. Tenslotte gilde ik dus zelf maar: wat is het? Oh, een meisje, werd er meegedeeld. Zo terloops, tussen neus en lippen door. Pas later begreep ik dat bij géén mededeling een Koreaanse moeder automatisch weet dat er een meisje is geboren. Alleen een zoon wordt met vreugdegeroep ontvangen. Toen (1983) was dat zo in elk geval. Ik hoop dat het inmiddels anders is.

Zo lagen we aan het einde van die stralende, ijskoude, vrije, lánge zaterdag, met z’n drietjes in de ziekenhuiskamer. Het koffertje, met de rollen koek, boeken, tijdschrift en alle andere, volkomen overbodige zaken onder mijn bed.

Door dat rotding was het toch bijna een taxibevalling geworden.

(Wie het leuk vindt over Korea te lezen, dit is een leuke blog  van een Amerikaans meisje die in Busan woonde en werkte tot vorig jaar)