Hoe koud het was en hoe ver

Het voelt alsof ik dit verhaal al eerder vertelde op mijn blog. In de tijd dat het nog Batteaublog heette. Het maakt niet uit. Het is altijd weer een spannend verhaal om te vertellen. Zo eens in de zoveel jaar.

31 jaar geleden (1983) was het net zo’n stralende dag als vandaag. Alleen was het -5 in plaats van +10. Plaats van handeling: het land waar we toen woonden, Zuid Korea, (zuidelijke Busan_Porthavenstad) Busan. Tijd: Zaterdag, kinderen vrij van school, man vrij van school. Wat doe je op een koude, stralende, vrije dag? Eropuit. Even iets anders dan de dagelijkse routine. We namen een taxi naar het havengebied en gingen naar de Seamen’s Club. Restaurant voor Amerikaanse zeelieden en andere westers uitziende mensen. Ik weet niet meer of we daar naar binnen slopen terwijl echtgenoot een stoer zeeman’s gezicht trok, of dat we daar naar binnen mochten omdat we westers waren. Hoe dan ook, voor de kinderen was de Seamen’s Club het equivalent van McDonalds, alleen iets chiquer. Het was de enige plek waar je een fatsoenlijke hamburger met patatjes kon eten. Voor ons toen even exotisch als de Koreaan hier, zeg maar.

We aten lekker, de zon scheen, maar mijn bolle buik was onrustig. Twee kinderen aten lekker hun lunch, de derde was zich aan het voorbereiden op haar eerste maaltijd in deze wereld. Ik was uitgerekend die dag, maar behalve wat gezeur was er geen teken van een ophanden zijnde bevalling. Ik was er zeer op gespitst, nog meer dan vorige keren, want ik moest naar het ziekenhuis dit keer. Zeer tegen mijn zin, maar het was niet anders. In Korea was een thuisbevalling niet aan de orde, tenzij ik het met hulp van de buurvrouw wilde doen. Ook dat was geen optie.

Terug naar huis, dutje doen, en voor de zekerheid onder de douche. Ik wilde goed voorbereid zijn. Koffertje checken. Het koffertje wat ik volgens aanwijzingen van de Amerikaanse auteur van mijn pufboek had ingepakt. Voor de lange wachttijd in het ziekenhuis een boek, een tijdschrift. Een rol koekjes voor het geval mijn energie opraakte. Iets te drinken voor de droge keel. En ik weet ik niet wat ik er (behalve pyjama en babykleertjes) verder allemaal had ingestopt. Maar ik ontleende er een gevoel van veiligheid aan. Dit koffertje moest mijn troostkoffertje zijn, straks in dat vreselijke ziekenhuis.

Ik heb die middag twee of drie keer nog gedoucht. Dat was geloof ik ook een instructie: zo gauw je denkt dat het is begonnen, onder de douche gaan want dan ben je heerlijk schoon en ontspannen wanneer het écht begint. Blijkbaar begon het steeds en stopte weer. In ieder geval besloten we rond 18.30 uur dat we toch gewoon ons geplande bezoek aan Nederlandse vrienden zouden gaan brengen. Van weeën was immers geen sprake?

We zaten er nog niet zo lang toen ik opeens zeker wist dat de bevalling was gestart. Echtgenoot was nog bezig aan een of andere uiteenzetting, toen ik hem onderbrak met een beslistheid die voor geen andere uitleg vatbaar was. We moeten NU weg! Geen probleem. Binnen een paar minuten stonden we buiten. En toen? Een normaal denkend mens had iemand anders naar de weg (nogal een eind lopen) gestuurd om een taxi te halen en was linea recta naar het ziekenhuis gegaan (vlakbij). Maar ik dacht niet normaal. Ik had maar één woord in gedachten. Baby? Bevalling? Nee…Koffertje!

gospel hospital;Zonder koffer ging ik niet naar dat ziekenhuis. Zoveel wist ik zeker. We liepen dus 15 minuten naar de weg. In het pikkedonker. In de ijzige kou. En ja, door het lopen kwamen de weeën goed op gang. Eindelijk een taxi, die al bezet was, maar soms kon je daar bij in, voor de taxichauffeur een extraatje. Via een lange omweg (ook dat nog!) kwamen we aan bij ons huis, waar ik naar binnen strompelde terwijl echtgenoot de taxi bewaakte. Onze oppas hielp me de auto in, mét koffertje, en toen begon de spannendste rit van ons leven. Over de hobbels in de toen nog slechte wegen van de stad, door een lange donkere tunnel, waarin de taxichauffeur benauwd riep dat ‘het niet in zijn auto mocht gebeuren!’ en echtgenoot een jaar ouder werd van de zenuwen.

Wat een opluchting toen het ziekenhuis opdoemde. We meldden ons bij de Eerste Hulp en In het Koreaans en het Engels vertelde ik de dienstdoende verpleegkundige dat mijn baby NU aan het komen was. Ze keek me meewarig aan, met een blik van ‘dat denken ze allemaal’ ,en vroeg mij vervolgens om mijn verzekeringspapieren. Die had ik zowaar bij de hand, Zaten waarschijnlijk in het koffertje! Opnieuw waarschuwde ik haar dat het moment van geboorte op handen was, maar ze nam me niet serieus. Goed, dan maar zelf het heft in handen nemen. Ik ben op de eerste de beste brancard gaan liggen, hevig steunend om aandacht te trekken, terwijl echtgenoot verder bleef aandringen dat er onmiddelijk een dokter nodig was. De co-assistent die die nacht dienst had verwaardigde zich eindelijk om me te onderzoeken. (Deed hij dat daar midden in de hal??) En opeens kwam er beweging in het team. Verloskamer zoveel, lift, rennen!

Met al mijn kleren aan, de assistent zonder kapje, met een in allerijl opgetrommelde zuster, kwam na luttele minuten ons derde kind ter wereld. Echtgenoot was druk met foto’s maken, arts met andere zaken, assistente met eerste opvang baby en ik wachtte op de vreugdekreet van het publiek: een meisje of een jongetje! Niets. Tenslotte gilde ik dus zelf maar: wat is het? Oh, een meisje, werd er meegedeeld. Zo terloops, tussen neus en lippen door. Pas later begreep ik dat bij géén mededeling een Koreaanse moeder automatisch weet dat er een meisje is geboren. Alleen een zoon wordt met vreugdegeroep ontvangen. Toen (1983) was dat zo in elk geval. Ik hoop dat het inmiddels anders is.

Zo lagen we aan het einde van die stralende, ijskoude, vrije, lánge zaterdag, met z’n drietjes in de ziekenhuiskamer. Het koffertje, met de rollen koek, boeken, tijdschrift en alle andere, volkomen overbodige zaken onder mijn bed.

Door dat rotding was het toch bijna een taxibevalling geworden.

(Wie het leuk vindt over Korea te lezen, dit is een leuke blog  van een Amerikaans meisje die in Busan woonde en werkte tot vorig jaar)

The boys

KRIS6

Als ik mijn blogs van de laatste tijd doorkijk is het of de drie kleinzoons (the boys, zoals echtgenoot en ik ze noemen) er niet meer zijn. Ik heb weinig over ze geschreven. Toen ik erover nadacht waarom, realiseerde ik me dat je makkelijker schrijft over peuters en kleuters dan over grote schooljongens uit groep 3 en 5 (de Woudenberg boys). Ze kunnen tenslotte nu zelf uitstekend lezen en zijn zich maar al te goed bewust van het sociale mediagebeuren.

‘Niet op Facebook zetten, oma’, zegt mijn kleinzoon van 6 die me af en toe toestaat een plaatje te schieten. Dat doe ik dus (bijna) niet meer. Tenzij mijn trotse oma-hart op barsten staat…dan doe ik het stiekem toch, maar alléén als het geen foto’s zijn waarvoor ze zich zouden schamen. De oudste van 8 (bijna 9) heeft een hekel aan foto’s maken dus daar komt het dilemma zelden voor. 

De jongste kleinzoon van 3, (de Utrecht boy) is zeer moeilijk op de foto te krijgen door zijn bewegelijkheid. Fotogeniek is hij wel! Ik wil echter voorkómen dat de drie jongens later zich deze oma herinneren als de oma die altijd foto’s aan het maken was. ‘Oh ja, dat was die oma die de hele tijd riep: ‘joehoe, kijk ’s hierheen!’ En dan moest je stil zitten…verschrikkelijk! Wat een vervelend mens was dat.’

Ik vind het nog steeds fascinerend om te zien hoe persoonlijkheid van kinderen al vanaf de eerste weken 1186981_10201725724285752_522162900_naanwezig is. Ik vond dat al zo opvallend bij mijn eigen kinderen, maar je zit er dan bijna te dicht op om er veel mee bezig te zijn. Iets wat je iedere dag meemaakt valt minder op dan wanneer je het af en toe ziet. Competitief zijn, fantasie hebben, huiselijk zijn, handig zijn, of juist onhandig zijn, interesses, leergierigheid, gevoeligheid, creativiteit, muzikaliteit, allemaal eigenschappen die in beginsel aanwezig zijn en met de jaren zich nadrukkelijker ontwikkelen.

Kort gezegd vermoed ik dat onze oudste kleinzoon acrobaat wordt of Kung Fu meester. Niek KungfuMaar misschien ook wel iets in de richting van survival, of boswachter. Hij is altijd hutten aan het bouwen, pijl-en-bogen aan het maken, en heeft een complete gereedschapskist! Dus het kan ook iets worden als ontwerper, huizenbouwer of kunstenaar. Dat laatste zit er ook nog in.

Zijn broer is anders. Ik ontkom er niet aan met hem urenlang spelletjes te doen, die hij volgens zijn eigen spelregels speelt. Hoewel, nu hij wat ouder wordt begint de redelijkheid ook toe te nemen. De opmerking: ‘Wij doen het altijd zo’ (m.a.w zo wil ík het spelen), valt minder vaak. Zoals de eerste keer dat we samen scrabbelden en hij zijn eigen woorden maakte zonder aan te sluiten. ‘Dat doen wij nooit, oma’, luidde toen gedecideerd de verklaring. Ik denk dat hij directeur wordt van een spelletjesfabriek waar hij de regels bedenkt van nieuwe spelletjes. Of kok. Want hij is gek op lekker eten. ‘Dit is zó lekker, mamma, heerlijk!’, kan hij letterlijk verzuchten terwijl hij bijna zijn ogen sluit. Of filosoof, want hij denkt ook graag na en komt dan met conclusies: als A zo is en B zo, dan kan C natuurlijk niet zo zijn. ‘Dus’, zegt hij dan, terwijl hij zijn handen met de palm omhoog vooruit steekt. Logisch toch?

IMAG0724Scrabble, UNO, Legospelletjes (die ik werkelijk háát), sjoelen, Mens-erger-je-niet, Triominos, schaken, dammen, ik heb met mijn eigen kinderen nog nooit zoveel spelletjes gespeeld als nu. Vreemd, hoe je tegen je eigen kinderen makkelijker zei dat je ergens geen zin in had. Nu maakt het me niet uit wat we doen, het is gewoon zo leuk om die jongens mee te maken en hun reacties te zien en horen.

De jongste van het stel leeft al sinds hij liep en met praten begon (zo rond de 10 maanden), in een fantasiewereld waarin hij afwisselend politie-, brandweer- of ambulanceman is, met de bijbehorende petten, gebaren en geluiden. Je moet goed opletten, want voor je het weet word je als boef, vanuit de gevangenis, het ziekenhuis in gebonjourd, alwaar je ernstig onderzocht word met de ‘blote-buik-bekijker’ ( ik denk een stethoscoop). En hup, je bed weer uitgejaagd omdat er brand is uitgebroken, tu-hu-tu-hu! 

Alle drie de jongens zijn gek op films. Ze hebben geluk want dat zijn opa en oma ook. We kijken graag mee, behalve wanneer het de tiende Sam de Brandweerman is of de twaalfde keer dat we Karate Kid gaan kijken. Maar aangezien er dan even tijd is om het verstand op nul te zetten, zeggen we toch altijd enthousiast: ja, laten we een film kijken!

Last but not least: samen lezen, bedtijd ritueel voor de grote jongens en héél-de-dag-door ritueel voor de jongste. We hebben al wat afgelezen en gekeken in de steeds mooier wordende kinderboeken. Vroeger was ik bij het voorlezen ’s avonds soms zo moe dat ik al lezende van mijn eigen stem in slaap viel en door de kinderen wakker gepord. Dat gebeurt me nu niet meer.noah3

Verhaaltje opa?

Dat is echt het leukste aan kleinkinderen: de lusten….

 

PS De foto’s zijn aan een strenge keuring mijnerzijds onderworpen en ik ben ervan overtuigd dat geen van de jongens bezwaar zal hebben tegen deze foto’s!

Tonio

Tonio Een requiemroman
A.F.Th. van der Heijden
Uitgeverij Bezige Bij
ISBN 9789023479857

Hij stond al een tijd op mijn lijstje ‘te lezen boeken’, de roman Tonio van A.F.Th. van der Heijden, Requiemroman voor zijn verongelukte zoon. Een relaas van de ontreddering van een vader na het sterven van zijn enige zoon, 21 jaar,  ten gevolge van een auto ongeluk.

Het is een aangrijpend verslag, hartverscheurend om te lezen. De ouders van Tonio zijn volkomen verslagen en kapot na zijn overlijden. Er is geen troost. Dat hij zomaar, op het verkeerde moment, op de verkeerde plaats was, is een voor de schrijver kwellende gedachte. Waarom reed hij juist die route, middenin de nacht? Waarom ging hij alleen naar huis en niet mee met vrienden? Als hij een minuut vroeger of later was vertrokken had hij net die ene auto gemist. De schrijver raakt geobsedeerd door die gedachtes. Steeds maakt hij constructies waarbij Tonio seconden wint of verliest aan tijd om maar niet precies op het moment van de aanrijding ter plekke te zijn. Hij wil de pijn helemaal doormaken en begint aan een exacte reconstructie van de laatste dagen van Tonio’s leven. Wat vond er precies plaats die nacht? Zo leest het boek soms als thriller/detective, soms als dagboek, soms voelde ik me bijna voyeur wanneer hij intieme huiskamerscene’s  beschrijft waarin hij en zijn vrouw, avond aan avond, de alcohol hun pijn laat verdoven. 

Knap verweeft de schrijver, door de beschrijving van zijn zoektocht en zijn pijn heen, de geschiedenis van Tonio vanaf zijn geboorte tot het moment van overlijden op zijn 21e. De vreugde en vooral ook de zingeving die de auteur ervaart door de geboorte van zijn zoon is tastbaar. Nu Tonio er niet meer is valt ook de zin van het bestaan voor hem weg. Hij ervoer eigenwaarde door het voortbrengen van een mooi mens, maar die mens ligt nu in een graf te verteren. De enige manier om hem in leven te houden is zichzelf te dwingen de pijn ten volle te beleven. Alleen voor zijn vrouw wil hij nog verder. Om samen zo Tonio voor de vergetelheid te behoeden. Verder is er geen hoop, geen troost, geen perspectief. Het leven is een ruïne die nooit meer herbouwd kan worden.

Van der Heijden probeert tot het uiterste te gaan in het verwoorden van de leegte en de pijn die hij ervaart. Hij schrijft regelmatig ook over de schuld die hij voelt: ‘Ik kon mijn verlangen naar een kind nooit los zien van de heilige gelofte, de dure eed om dat kind, als het er eenmaal was, tot het uiterste te beschermen, desnoods met mijn eigen leven. Het kind is er gekomen, ik heb het zo beschermd mogelijk laten opgroeien, en dan, nog maar net onder mijn handen uit, sneuvelt het alsnog in de boze buitenwereld. Ik kan mijn falen wegredeneren zo veel ik wil (Tonio was volwassen, woonde zelfstandig, droeg de verantwoordelijkheid voor zijn eigen veiligheid), maar dat verlost me nog niet van de schaamte om mijn eigen tekortschieten.

Ik heb het boek achter elkaar uitgelezen. Het boeit en slokt je op. De troosteloosheid raakte me. Je enige kind verliezen. Het is intens verdrietig. Vorig jaar maakte ik van dichtbij het overlijden van een pasgeboren baby mee. De verslagenheid die er dan heerst is zo diep en pijnlijk.

Op bijbelkring vorige week spraken we onder andere over de tekst in Hebreeën 2: 17 en 18, dat Jezus ons in alles kan bijstaan omdat hij mens werd zoals wij. Ik noemde het boek Tonio en de ervaring van een vader en moeder die hun (enige) kind verliezen. Kan Jezus dat meevoelen? Niet getrouwd en zonder kinderen? Toen vielen plotseling een heel aantal teksten uit het Oude Testament op hun plek. Teksten over God de Vader die diep treurt over Zijn kind Israël, zijn enige kind. Die Abraham verhoedt zijn kind te doden omdat Hij het Zelf gaat doen. Zijn enige Zoon offeren.

Dat thema is het grote Thema in de Bijbel. De Zoon die door de Vader opgeofferd wordt. De Vader die zijn enige Zoon ziet lijden en sterven. Niet ten gevolge van een ongeluk, maar uit vrije keuze. Want zo had God ons lief, dat Hij zijn enige Zoon gaf, zodat wie in Hem gelooft voor altijd bij God mag leven, één van de kernteksten van het Johannes evangelie.

Ik bedoel hiermee niet het lijden te bagatelliseren. Dat doet de bijbel ook niet. Er wordt wat af gehuild en geklaagd in de bijbel! Daar kunnen we nog wat van leren. Maar we klagen en huilen niet in een leeg universum dat het worst zal wezen hoeveel tranen ik pleng op het graf van mijn gestorven kind. We mogen huilen en rouwen bij een God die weet wat sterven is, wat lijden is, wat rouwen is. Het gebed van David in psalm 56: bewaar mijn tranen in een fles, staan mijn klachten niet in Uw boek? geeft aan hoe zorgvuldig God met ons verdriet omgaat, met de belofte van troost.

Ik wens A.F. Th. van der Heijden en zijn vrouw die Troost toe. De troost van de Almachtige die niet loslaat wat Zijn hand ooit begon, de schepping van die mooie man: Tonio.

Ambitieuze meisjes

Wie behalve mijn avonturen in Ijsselstein ook die van dochter Saskia wil volgen in NYC, hier een leuk interview met haar op de site Ambitieuze Meisjes

Kringloop

Vorige week weer eens uitgebreid bij de Kringloop geweest. Oogst: Vier truien voor echtgenoot en mezelf,een vintage leren portemonneetje eeen West Germany fat lava vaas. Helaas zijn ze bij de Kringloop niet op hun achterhoofd gevallen en ben ik deze gedrochten te laat gaan verzamelen. Het duurde even voor ik in de grillig gevormde, kleurige, wat lompe vazen iets moois begon te zien. En dat hebben blijkbaar velen met mij gehad, want opeens schoten de prijzen omhoog. Een hele gave zag ik gisteren staan voor €17,50. Bij de Kringloop is dat kostbaar. Ik hou meer van alles onder de €5,00. Eigenlijk moet ik iets anders gaan verzamelen. Iets wat nu nog helemaal niet in is en waarvan je er 10 voor een euro koopt. Zoals koperen en bronzen objecten. Of tin. Pindastelletjes, maatbekertjes, schaaltjes, kannetjes. Planken vol. Niet in. Terwijl er vaak hele mooie tussen zitten.

portemonnaie tin

fatlavayellow fatlavabrown

De mooie Engelse bloemen kopjes, waaruit de generatie van mijn ouders thee en koffie dronk, zijn ook populair geworden de laatste paar jaren. Dat merk ik aan de prijs bij de tweedehandswinkels. Kocht je ze daar eerst voor €0,50, nu betaal je er zo €3, €4, of zelfs €5 voor. Mijn moeder had er een heel stel van. Herenkopjes (breed en ruim) en dameskopjes (smaller, iets hoger en kleiner). Ik had er een hekel aan. Ik nam expres al een herenkopje, maar zelfs dan dronk ik in twee slokken mijn kopje leeg en moest dan weer wachten tot de tweede ronde. Ik ben van de mokken. Ook die had mijn moeder in elegante vormen. Helaas hebben we de kopjes niet bewaard.

Van mijn moeder heb ik wel het plastic oranje plantengietertje dat ze ooit van mijn broer kreeg, ergens in de zestiger jaren. En de plastic kom waarin ze iedere verjaardag de slagroom stijf klopte met een handgedraaide slagroomklopper. Ook het roomlepeltje heb ik nog. Ooit zat er een haakje aan de achterkant van de steel om het aan de wand van de kom te hangen. Dat is inmiddels afgebroken. Verbazend hoe er vroeger voor alles een apart ‘werktuig’ bestond. Ik heb nog een zuurlepel. Een lepel-met-gaten waarmee je de zilveruitjes uit een potje kon scheppen. Je moet er maar op komen. Ik heb meer een kampeermentaliteit. Ik kan bij wijze van spreken met één mes/lepel/en vork een hele maaltijd in elkaar draaien. En een pannetje dan.  En vuur.

Yesterday

Yesterday. De oude Beatles hit vult met haar  klanken de kamer, en mijn hoofd met herinneringen. Mijn moeders favoriete nummer. Elke keer als ze het hoorde ging er een zucht van genot door haar heen. Stil, riep ze tegen iedereen die het waagde erdoorheen te praten. Het lied paste feilloos bij haar melancholieke aard. All my troubles seemed so far away.

Ik denk aan haar op oudejaarsdag en herinner me het oliebollen ritueel. Het was in Schiedam, in de jaren zestig, voor we verhuisden naar Gelderland. Mijn moeder maakte het beslag in de koude keuken van ons huis aan de Graaf Florisstraat. Ik mocht helpen roeren. Ik voel de houten lepel in mijn hand en het lichte gevoel van verbijstering dat dit beslag niet netjes in een kom zat, zoals wanneer we pannenkoeken, koekjes of een cake bakten. Dit spul zat in een emmer! De emmer die we ook gebruikten voor het ramen zemen en andere huishoudelijke klusjes. In verband met het rijzen van het beslag was de emmer het enige wat groot genoeg was. Mijn moeder stelde me gerust dat ze heus die emmer goed had schoon gemaakt, maar het bleef vreemd en een beetje spannend. Het hoorde bij het oudejaargevoel: bakken vanuit een emmer.

Het roeren klaar, de krenten als zwarte bolletjes drijvend in de wittige massa, moest de theedoek erover. En de emmer kreeg een plekje naast de kolenkachel inde achterkamer, waar het lekker warm was. Niet aankomen was het devies. Niemand was erin geïnteresseerd dus de vermaning zal wel aan mijn adres gericht geweest zijn.

En dan was het wachten geblazen. Niet makkelijk voor een meisje van rond de zes. Het
idee dat gist in het beslag ervoor ging zorgen dat het straks dubbel zoveel zou zijn, vond
ik uitermate fascinerend. Ik kon het dan ook niet helpen dat ik, ondanks de waarschuwing, om de vijf minuten stiekem onder de theedoek loerde. Net zo vaak tot mijn moeder riep dat ik er mee op moest houden omdat het beslag te veel zou afkoelen en helemaal niet rijzen. Dat hielp.

Gek genoeg heb ik geen herinnering aan het bakken van de oliebollen. Waarschijnlijk omdat mijn moeder dat in de koude schuur deed en mij daarbij niet kon gebruiken. Wel zie ik nog  voor me hoe raar ze gekleed was. Ze droeg een peignoir (zo heette dat toen, ‘penwaar’ zeiden we)  en had een doek om haar hoofd geknoopt.

Ik zie de oliebollen wel voor me. Ze lagen in de mooie, wit porseleinen Regout schalen te pronken. Grillig gevormd, met kronkelende eindjes en handvatten. Sommige leken op kippenpootjes. Maar lekker waren ze. Al was ik meestal na twee van de baksels al misselijk. Oliebollen en ‘gazeuse’. Smith chips (met zo’n rood stukje folie waar het zout in zat) en chocomel. Dodelijke combinaties. Zeker in een tijd waarin we nog weinig gewend waren aan veel vet en zoet.

Oudejaarsavond was altijd gezellig. Meestal kwamen er vrienden, of gingen wij naar vrienden toe. Kletsen, snoepen en het spannende wachten op de klok. Het indringende loeien van alle scheepshoorns op de werf Wilton-Feyenoord, niet ver bij ons vandaan, gaf aan wanneer het precies 12 uur was. En dan was het lachen, zoenen en proosten geblazen. Daarna gingen we naar buiten.

Ik heb geen herinnering aan vuurwerk behalve wat toen ‘Gillende Keukenmeiden’ heette, of voetzoekers. Die schoten sissend tussen je voeten door en maakten mij aan het schrikken, angstig kind als ik was. Rotjes waren er ook en natuurlijk de in populariteit onverwoestbare sterretjes, meer mijn type vuurwerk. Om de hoek van de Graaf Florisstraat lag het Rubensplein. Daar was een door de gemeente aangewezen plek waar alle kerstbomen uit de buurt verbrand werden. Een groot en indrukwekkend vreugdevuur. Als kind vond ik dat laaiende vuur angstaanjagend en hield mijn vaders hand stevig vast.

Het was een avond die voor mij als kind een echte belevenis was! Terugkijkend realiseer ik me dat Ik als jongste van vijf kinderen duidelijk meer vrijheden genoot dan de anderen, want ik mocht (bij gebrek aan oppas waarschijnlijk) al jong de hele avond opblijven. Mijn moeder spande zich in om een gezellige sfeer te creëren. Pas later realiseer je je  hoeveel moeite dat gekost moet hebben. Eindeloze boodschappen aan het stuur van haar fiets, niet heel veel extra geld, al de voorbereiding om voor een groot gezelschap oliebollen te bakken, terwijl het gewone leven ook door ging. Wassen, strijken, eten koken en alles zonder de moderne machines van nu.

Chapeau Coba van Katwijk! Je hebt me voor een heel leven goeie herinneringen bezorgd.

Repeterende breuk en pillen

Ik moet eerlijk toegeven dat ik niet meer weet waar het rekenkundig voor staat: repeterende breuk. Maar in de overdrachtelijke betekenis weet ik het maar al te goed. Ik heb laatst mijn eigen blogs herlezen in de categorie Depressie en was verbaasd om te zien hoe die repeterende breuk mijn leven van de afgelopen, laten we zeggen, acht jaar bepaalde.

Ik heb een aantal blogs geschreven over mijn Black Dog, (zoals Winston Churchill de depressies waar hij aan leed noemde). Die achtervolgt me namelijk bij tijden genadeloos. Na het herlezen van de blogs besefte ik dat er wel degelijk  een patroon zit in de schijnbaar willekeurige periodes van depressie die me overvallen. Iedere keer ben ik op de terugweg van het afbouwen van de anti-depressiva.

Het verloopt zo: Het gaat een tijd goed– Het gaat nog steeds goed– Het gaat in feite prima! –Waarom eigenlijk nog steeds die pillen slikken?– Voorzichtig begint deze vrouw met kruimeltjes minderen. Heel langzaam ga ik terug in dosering. Ik neem na iedere stap de tijd om aan te zien hoe het gaat. Best wel goed, is dan de conclusie, en ik noteer een klein gevoel van triomf.

En dan, na verloop van een aantal maanden, begint de schommeling. Die heb ik aanvankelijk niet door. Logisch. Iedereen is wel eens onevenwichtig, toch? Prikkelbaar, somber, lusteloos of wat dies meer zij. Langzaam, maar wel zeker, begint die stemming echter te overheersen. Het kost steeds meer energie om ‘gewoon’ te leven. Oh, dat heerlijke ‘gewone’ leven….Het is moeilijk uit leggen hoe moeizaam het leven verloopt van iemand die depressief is. Het malen in je hoofd, het negatieve wat dreigt over te nemen, de zelfbeschuldigingen die je steeds het hoofd moet bieden, de gevoelens van minderwaardigheid, het ontbreken van iedere natuurlijke vorm van ‘zin’. Weten dat het de depressie is, maar toch…Vooral dat constante ‘gesprek’ met jezelf is zo uitputtend.

Als het eenmaal zó ver is weet ik: tijd voor actie. En dat is tot nu toe iedere keer weer een gang naar de huisarts die zegt dat ik gewoon mijn pillen moet slikken en niet moet minderen. Blijkbaar heeft mijn brein die dosis nodig om ‘gewoon’ te functioneren. (Mijn grote zus zegt het trouwens ook altijd, ga nou niet minderen..)

Goed de conclusie is dat ik accepteren ga dat 2 pillen per dag er ‘gewoon’ bij horen. Naast het diabetes pilletje. De hogere dosering begint weer aan te slaan en het leven begint weer ‘gewoon’ te worden. Goddank.

En nu weer regelmatig bloggen. Want daar is geen ruimte voor als de Black Dog in mijn nek hijgt.  Ik zie zijn staart nu in de verte en hoop dat hij lang weg blijft. Ik beloof geen dingen te doen die hem terugroepen!

Deze YouTube video is van de WHO (World Health Organisation) en gebruikt ook het beeld van de Black Dog op een hele verhelderende en humoristische manier. De moeite waard om even te kijken.

Het journaal om mijn tafel

cursus-nederlands

Het is een klein groepje vrouwen. Minder dan tien. We zitten om de tafel in een lokaal van een plaatselijke kerk, met materiaal om de Nederlandse taal te leren, en met een whiteboard voor mij om af en toe wat op te schrijven of te tekenen. Als ik zeven paar glazige ogen zie maak ik soms gebruik van mijn gebrek aan tekentalent om iets te verduidelijken. Dan snappen ze het vaak helemaal niet meer!

We hebben veel lol, vooral om mijn tekeningen of om een plotseling doorbrekend begrip waarom iets fout is. Of omdat we als vrouwen uit zes, zeven verschillende landen en culturen opeens iets hebben wat we allemaal begrijpen. Over kinderen of het huishouden, en vaak: mannen. Dat schept een band. Interculturele taalles is integratie op een diep, of liever nog, hoog, niveau,

Het acht uur journaal zit om mijn kleine tafel. De arbeidsimmigranten uit Oost-Europa, de hoogopgeleiden die uit Zuid-Europa wegtrekken en hier naar werk komen zoeken binnen EU verband. De Oost-Europese bruiden voor Nederlandse mannen. De bruiden van tweede generatie asielzoekers uit het Midden-Oosten, zoals Iran of Irak. De vluchtelingen voor het terrorisme geweld in Irak. Twee deelnemers met gehoorschade vanwege autobommen die naast hen afgingen. Slachtoffers van ontvoeringen in de familie.

Dit zijn vrouwen met een verhaal. Vrouwen die weten dat het leven niet uit alleen maar gezelligheid bestaat. Die dóór knokken. Die weer opnieuw moeten, maar ook willen beginnen. Zelf twintig jaar onderwijzeres geweest zit een van mijn leerlingen nu weer achter de opdrachtjes over Sinterklaas en Zwarte Piet (ja voor de inburgering moet je alles weten van de Nederlandse tradities!). Eén groot voordeel: ze leert snel.

Deze vrouwen zijn helden. Ik voel me zeer met ze verbonden en ik vind het een eer ze te mogen helpen de (lastige) Nederlandse taal te leren.

Een herfstige volkstuin en het kerkhof

Het was me nog niet eerder zo opgevallen. De volkstuintjes in onze buurt (IJsselveld Noord) liggen pal naast de begraafplaats De Hoge Akker aan de Noord IJsseldijk. Prachtig plekje tussen de weilanden, boerderijen en de Hollandse IJssel. Ik loop vaak een rondje langs de dijk, links richting de IJssel en dan langs het water weer met een bocht terug naar de dijk. Aan mijn rechterhand zie ik dan de moestuinen en vervolgens de begraafplaats.

volkstuinen IJsselstein november 2013 volkstuinen Ijsselstein

Een week of wat terug, op één van die prachtige herfstdagen, wilde ik wat foto’s maken van de volkstuinen. In de herfst vind ik de tuinen haast nog mooier dan in de lente of zomer. Er groeit niet zoveel meer. Wat boerenkool, van het donkerste groen, een lapje grond met prei, een rijtje spruitenplanten.  Grillige, leeggeplukte bramentakken, een late rode dahlia, kleurige kalebassen die nog langs de grond kruipen. En veel grond met overgebleven resten van planten en takken van zomerbegroeiing. Het lijkt kaal en knoestig, maar als tuinier zie ik al wat het straks  weer worden gaat. Her en der ligt al zaad te wachten in de grond. Die grond moet eerst hard en koud worden. De winter  moet er overheen voordat er groene sprietjes verschijnen.

Al dwalend zag ik het hek tussen de tuinen en de begraafplaats open. Normaal kun je niet doorlopen, maar men was bezig met onderhoud. En zo liep ik van die kale, zonovergoten volkstuinen naar de groene, beschutte begraafplaats. Prachtig onderhouden, met mooie, grote bomen, veel gras en heesters in herfstkleur. Geschiedenis boeit me  en ik liep dus een rondje over het kerkhof. Veel oude graven zijn er niet. Maar het is altijd indrukwekkend om te zien hoe mensen over hun geliefden spreken in steen. Helemaal de kindergrafjes. Wat een liefde spreekt er uit de tekst op zo’n grafsteen voor kinderen die soms maar een dag geleefd hebben. Knuffels, hartjes, speelgoed, uit alles blijkt het pijnlijke gemis.

kerkhof De Hoge Akker, Ijsselstein

Het is geen nieuwe gedachte maar wat trof me het die dag weer: De overeenkomst tussen de kale, herfstknoestige volkstuinen en het groene, maar dode kerkhof. Op beide plekken moet er eerst gezaaid en ‘gestorven’ worden voor er weer nieuw leven kan komen. De kou moet er over, de droogte, de sneeuw en alles moet als het ware verdwijnen. En dan komt de lente weer. Met verrassend nieuw leven.

Op veel van de grafstenen kwam die hoop tot uiting : wie in Christus sterven zullen leven!