Toeren met een band heeft zo zijn voor- en nadelen…

Rauw maar realistisch en humoristisch verslag van singer-songwriter Lukas Batteau van drie weken toeren met een band door Duitsland.

http://www.lukasbatteau.com/tourverslag/

La Place, een neutrale plek?

Ik sprak af bij La Place met een goede vriendin van mijn overleden zus Loes (die ik alleen op haar begrafenis gezien had) om over haar laatste jaren (Loes overleed in 1992) te praten. Een neutrale plek leek me goed. Ook had ik besloten me niet voor te bereiden met een lijst vragen, maar het gewoon over me heen te laten komen. Ik had geen idee wie ik zou ontmoeten zou, geen enkel vermoeden hoe het verloop van het gesprek zou zijn. We hadden gemaild en via WhatsApp wat uitgewisseld over hoe en waar. Het zijn kleine dingen, maar ergens leidde ik eruit af dat deze vrouw redelijk toegankelijk zou zijn. Ik voelde me dus vrij rustig.

We ontmoeten elkaar op de afgesproken plek. Ik zie een wat gezette vrouw van mijn leeftijd (ze blijkt een paar jaar jonger), ietwat gespannen. We bestellen koffie en zitten eigenlijk direct in ons onderwerp van gesprek: Loes. De relatie van deze vriendin met Loes was niet ongecompliceerd. De vriendschap van Loes ging allereerst uit naar de (lesbische) partner van deze vriendin. Die was van Loes haar leeftijd. En als ik het me goed herinner een collega op het gymnasium waar Loes in de jaren zeventig/tachtig lerares Nederlands was. De vriendin die ik spreek blijkt een oud-leerling van Loes te zijn. Dat verbaast me even, maar bij nader inzien is dat natuurlijk goed mogelijk. Loes was waarschijnlijk een jaar of 27, 28 toen ze begon met lesgeven. En dan heb je in de bovenbouw leerlingen die 10 jaar met je schelen in leeftijd.

Hoe dan ook. Ik zit nu tegenover degene die Loes tot vlak voor haar dood als een van haar beste vriendinnen beschouwde. Mijn prangende vraag ( die bleek er dus wel degelijk te zitten) was hoe zij had aangekeken tegen de psychische gesteldheid van mijn zus. Was zij er ook schuldig aan dat Loes geen hulp zocht in het reguliere medische circuit? Kwam ze ook uit die vreemde, alternatieve do-it-yourself hoek? Niets bleek minder waar. Ook zij had herhaaldelijk erop aangedrongen hulp te zoeken, te stoppen met de kostbare ‘trainingen’ bij goeroe Godefriede die nergens toe leidden. Uiteindelijk verbrak Loes het contact met de vriendinnen. Ik weet nog dat ze dat vertelde aan me: Ik heb gebroken met vrienden die een slechte invloed op me hebben.…Ik had toen geen idee wat ze bedoelde. Zoals ik haar zo vaak niet volgen kon.

In het adressenboekje staan bij sommige namen een kruisje. Ook bij de namen van de vriendin met wie ik sprak. Ik heb het boekje aan haar laten zien. Kon zij een patroon ontdekken? Kende zij de mensen die aangekruist waren? Na een poosje gebladerd te hebben kwam ze tot de conclusie dat de meeste kruisjes stonden bij namen van de beste vrienden Loes. Zeer waarschijnlijk omdat ze aandrongen op het zoeken van hulp, heeft ze het contact met hen verbroken. De vriendin heeft een fotoboek meegenomen. Ze wandelden veel samen. Echte tochten, dat was Loes haar grote hobby. Eén keer eerder sprak ik een kennis van Loes, die ook foto’s meenam van wandeltochten die ze met een groepje maakten. Wandelen door Toscane, door Limburg, door Zwitserland. Ze maakte prachtige tochten met verschillende reisgezelschappen, en ook alleen. En met deze vriendinnen.

Ik zie een jonge Loes. De vervreemdende ervaring van een jongste zusje, die nu haar grote zus ziet als een jonge vrouw. Zo heb ik haar nooit gezien in het werkelijke leven, want ze was altijd ouder dan ik. Ook als we foto’s van vroeger keken was ze er bij, leefde ze, 8 jaar ouder. Nu ben ik 14 jaar ouder dan zij ooit geworden is. 45 jaar. Heel raar is dat, het voelt onwerkelijk, het klopt niet. Nog steeds niet. Al 22 jaar niet.

Maar de foto’s zijn mooi. Limburgse valleien, zonnige heuvels, luierende koeien in een schaduwrijke plek onder de bomen en daarnaast een lachende zus, met haar eeuwige Samson ‘shaggie’ in de hand. Toen was het leven nog goed, denk ik. Mijn zoektocht is naar wanneer de ommekeer kwam. Ook de vriendin verwijt goeroe Godefriede Loes te hebben weerhouden van een realistische kijk op zichzelf. Maar Loes heeft daar natuurlijk ook een aandeel in. Ze was hoogbegaafd denk ik, pienter genoeg om te kunnen beslissen wat het verschil is tussen ziekte en  gezondheid. Maar ze weigerde in die termen te denken. Het was uiteindelijk ook een keuze die ze maakte.

Het adresboekje van Loes

22 jaar geleden stierf mijn oudste zus Loes. Op 28 juni, op een snikhete dag. Ze benam zichzelf het leven, niet meer in staat verder te gaan op de manier zoals ze de laatste jaren leefde en zich voelde. Omdat ze iedere vorm van medische hulp weigerde werd haar toestand alleen maar erger. Ik vermoed dat ze leed aan een bipolaire stoornis. In Rotterdam volgde ze jarenlang zg. trainingen bij een psychologe die zonder meer in de alternatieve hoek behoorde. Ze adverteert nog steeds in de paranormale/alternatieve hoek.

Alles werd uit de kast gehaald om cliënten te doen geloven dat de goddelijke vonk, de eigen kracht, de innerlijke ziel enzovoort het uiteindelijk zou winnen. De kracht was er, die moest je alleen kunnen mobiliseren. Door rebirthing, door schreeuwsessies, door massages, door weet ik wat voor andere methodes werd er jaren (!) getracht mensen te ‘helen’. Dit was uiteraard een kostbare zaak. Mijn zus heeft in de loop der jaren duizenden guldens (toen nog) besteed aan de ‘lessen’ (het was GEEN therapie) van deze vrouw. Het waren de jaren zeventig en tachtig. De jaren van de sensitivity trainingen, de jaren dat we alles eruit moesten gooien, onszelf moesten vinden ten koste van alles en iedereen. Ik denk dat dit tegenwoordig zou vallen onder het misbruik maken van iemands kwetsbaarheid.

Mijn zus werd er niet door ‘geheeld’, al verkeerde ze zelf vaak wel in die overtuiging. Hoe meer ze het ‘decorum’ losliet, des te ‘sterker’en ‘vrijer’ voelde ze zich. Terwijl haar omgeving zich er steeds ongemakkelijker bij voelde. Ze had veel vrienden. Ik kende die niet, omdat we in verschillende werelden leefden. Loes was 8 jaar ouder, had gebroken met kerk en geloof, en ook binnen de familie waren de verhoudingen bepaald niet warm. Ik heb wel blogs (bijvoorbeeld deze) geschreven over mijn relatie met haar. Na een periode in het buitenland waarin ze bij ons logeerde toen ik in het ziekenhuis terecht kwam, (kabeljauw in Korea) waren we dichter tot elkaar gekomen. Ik was altijd voor haar het lieve jonge zusje geweest, maar zij was voor mij een oudere zus met wie ik moeilijk om kon gaan. Ze deed vreemd, won het verbaal altijd van mij, was zeer dominant aanwezig, kortom ik was na een bezoek van haar altijd gevloerd.  Na de logeerpartij en haar hulp toen, groeide er voor het eerst een gevoel van verbondenheid, van genegenheid. Toen haar kleine waanzin toenam heb ik me veel om haar bekommerd. Haar dood kwam als een opluchting aan de ene kant maar ook als een dolksteek. ‘Na alles wat ik had gedaan doe je me dit aan??’ Er is niets wat zoveel gemengde en verwarde gevoelens oproept als de zelfdoding van een geliefde.

Feit bleef dat ik pas een paar jaar voor haar dood Loes enigszins leerde kennen. Haar kon zien zonder de angst voor haar scherpe tong, die ik altijd ervoer als kind en tiener. En toen was ze er niet meer. Vijftien jaar later is mijn moeder gestorven. Ze leed aan de ziekte van Alzheimer en was een aantal jaren geobsedeerd door de herinnering aan Loes. Een zware tijd, voor ons allemaal. Het gesprek ging nergens anders over. Steeds weer dezelfde verhalen, de herinneringen, haar lieve Loesje. In een houten kistje bewaarde ze alle documenten die Loes had nagelaten. Rapporten, diploma’s, foto’s enzovoort. Elke keer als ik op bezoek kwam brak het moment weer aan dat mijn moeder onder haar stoel naar het kistje greep: heb je dit al gezien, Margreet? Voor haar steeds weer nieuw, voor mij de zoveelste maal. Ik heb dat kistje niet zelden verwenst. In het kistje zat ook een adressenboekje en een agenda.

Bij het opruimen van de spullen van mijn moeder heb ik de inhoud van het kistje meegenomen. Het kistje zelf mocht mijn andere zus hebben. In de laatste 22 jaar zijn er momenten geweest dat ik de papieren uit mijn archiefkast haalde en ze door bladerde. Het adressenboekje, de agenda bekeken. Maar steeds legde ik alles weer terug, ik vond het te pijnlijk. Ik heb me ook vaak afgevraagd of ik het wel bewaren moest.

Twee, drie weken geleden vatte ik moed en ben gaan googlen om te zien wie van haar vrienden uit het adressenboekje nog te traceren waren. Ik begon met de namen van twee vrouwen, in die periode een lesbisch stel, over wie Loes het vaak had. Zonder enige moeite vond ik de gegevens. En ik heb een van de vriendinnen gemaild. We hebben afgesproken en een paar uur gepraat met elkaar. Heel bijzonder om Loes te zien door de ogen van een ‘vreemde’ die haar zeer goed kende. In een volgende blog wil ik wat meer vertellen over de ontmoeting.

 

CP in Rotterdam

Apart. Al sinds 1986 hebben wij een dochter met CP. Dat is de Engelse afkorting voor Cerebral Palsy. Het staat voor een stoornis aan het bewegingsapparaat ten gevolge van een hersenbeschadiging, opgelopen voor, tijdens of direct na de bevalling. Een hele mondvol, maar wel een duidelijke omschrijving. In het Nederlands wordt deze afkorting pas sinds het jaar 2000 gebezigd. De Nederlandse term is dan Cerebrale Parese.

Ik was verbaasd dat deze term voor de stoornis eigenlijk pas zo kort in gebruik is. In alle contacten die wij in de loop van de tijd met de medische wereld hadden werd de term al wel gebruikt, maar inderdaad, als wij die gebruikten in gesprek met ‘gewone’ mensen dan wist men meestal niet wat het was. Als ik dan ‘spastisch’ zei klaarden de gezichten op, maar betrok het gezicht van mijn dochter…Begrijpelijk want spastisch is helaas een veel gebruikt scheldwoord.

Onze dochter heeft dus Cerebrale Parese. De stoornis treft haar vanaf haar heupen en daaronder. Met andere woorden, ze heeft moeite met lopen. De hersenbeschadiging (die niet te zien is op hersenfoto’s) heeft tot gevolg dat de seinen die naar benen en armen moeten worden overgebracht om de juiste beweging te maken, niet in balans zijn, waardoor er verkramping optreedt. Er zijn zeer ernstige vormen waarbij het hele lichaam overheerst wordt door spasmen, en ‘mildere’ vormen, zoals ik zag op de info-avond van CP voor volwassenen in Rotterdam. Bij sommige aanwezigen zag je nauwelijks dat er iets niet helemaal ‘goed’ was. Anderen waren niet te verstaan vanwege de hevige spasmen. Onze dochter zit daar tussenin, zo leek het.

De info-avond werd belegd om toelichting te geven op twee proefschriften* die zijn verschenen in de afgelopen jaren. De zorg voor kinderen in Nederland met CP is uitstekend, dat hebben wij ook ondervonden. Maar wanneer deze kinderen volwassen worden houdt van de ene op de andere dag de zorg op. Je valt niet meer onder specialistische zorg, er is geen vanzelfsprekende fysiotherapie, ergotherapie, maatschappelijke zorg enzovoort. Als je het tot je 18e gered hebt wordt er vanuit gegaan dat je blijkbaar de rest van je leven zelf (of je ouders) wel op de rit kunt krijgen.

In onze ervaring vangt dan een lange weg van eindeloos gezeur en formulierenbrij aan om bij gemeentelijke instanties voorzieningen, tegemoetkomingen en subsidies aan te vragen. Tenslotte wil je als volwassene met CP ook leven zoals je leeftijdsgenoten. Zo veel als mogelijk tenminste. Mobiel blijven, niet afhankelijk van altijd anderen om je hier en daar heen te brengen en weer op te halen. Te werken zoals alle anderen, maar wel met begrip voor je beperkingen in energie en wellicht concentratie of geheugen.

1-cerebral-palsy.

Onze dochter heeft ook meegewerkt aan allerlei testen die gedaan werden in het kader van het onderzoek hoe volwassenen met CP zich handhaven. Via de Sophia Revalidatiekliniek heeft ze bijvoorbeeld twee dagen met een meetinstrument gelopen om te zien hoe het zuurstofgebruik is bij haar dagelijkse bezigheden. In het onderzoek van Channah Nieuwenhuizen wordt dit, en allerlei andere meetpunten, afgezet tegen hoe gezonde leeftijdsgenoten het doen. Je ziet in de grafieken dat in alle opzichten menen met CP minder scoren op energie, participatie e.d. Wat wel een hele leuke conclusie was is het feit dat CP’ers beter scoorden op het punt: Doorzettingsvermogen!

Onze dochter is absoluut een kanjer op dat gebied. Ze woont geheel zelfstandig, crosst heel Nederland af in haar Volkswagen automaat en werkt 40 uur per week. Toch zegt ze zelf dat dit wel steeds zwaarder wordt nu ze ouder wordt (36). Lopen kost haar veel energie. Ook het autorijden wordt steeds lastiger. Niet lichamelijk, maar financieel. Er is geen enkele tegemoetkoming om dat autorijden te blijven faciliteren, terwijl het een kostbare bezigheid is. Op het gemeentehuis zegt men dat ze maar met het taxibusvervoer verder moet. Hoezeer dat haar zelfstandigheid ook zou beperken. De auto is een vervanging voor haar benen.

Op die avond in Rotterdam kwamen weer vele herinneringen boven, inclusief de frustraties die ik alweer vergeten was. Maar verwoord door de aanwezige CP’ers kwam er veel bovendrijven. De onbekendheid van veel goedwillende hulpverleners met CP, de onwetendheid van bedrijfsartsen, de ongemakkelijke benadering van de ‘gezonde’ wereld ten opzichte van CP’ers. De conclusie van de avond was dat je behoorlijk assertief moet zijn om je staande te houden en daarnaast ook verder te komen, vooral in de medische wereld.

*mede nav proefschrift van Wilma van der Slot:
Health Issues and Participation in adults with Cerebral Palsy
en een infoavond in Rotterdam georganiseerd door BOSK, organisatie voor mensen met een handicap

Overgevoelige zintuigen

Het eerste wat me opviel, of beter gezegd, wat óp me viel, was de rookwalm. Dit huis was doordrenkt van zware shagrook. Tijdens mijn bezoekje werd er gelukkig niet gerookt, maar eigenlijk
maakte dat geen verschil. Later toen ik naar huis fietste rook ik mezelf. Achter mij zweefden slierten rookgeur in de wind. Nou ja, als dat het ergste was?

In mijn drang de zwakken in de samenleving te helpen word ik erg gehinderd door een afwijking in mijn zintuigen. Ik kan niet tegen stank en viezigheid. Ik zag ooit Majoor Bosshardt op televisie Herman Brood in bad doen, op zijn verzoek. Hij wilde haar misschien wel choqueren, maar daar had ze in de verste verte geen last van. ‘Ach, meneer Brood, u moest eens weten hoeveel vuile mannen ik al in bad heb gedaan, ik sta van een paar blote mannenbillen meer of minder echt niet meer te kijken’.

Ik stelde me dat voor: daklozen die binnenkomen bij het Leger des Heils, die misschien al maanden geen douche hebben gezien, laat staan eronder hebben gestaan, die dan gewassen moeten worden. Heeft een van jullie wel eens een dakloze in de metro in Amsterdam of zo geroken? Geen pretje om naast te zitten. Ik zou graag die liefde willen hebben, die Jezus ongetwijfeld ook had. Die bezetene in het land van de Gerasenen, die Hij aanraakte en heelde( Marcus 5), zou door ons waarschijnlijk niet zonder handschoenen en een mondkapje benaderd zijn.

Als ik nu geen neus had zou het makkelijker zijn. Zonder zicht zou ook helpen, want bij het zien van slijm en snot ga ik kokhalzen… Zucht.
Nou ja, dan maar verstokte rokers af en toe een handje helpen. En misschien, als het echte werk op mijn pad komt, krijg ik van Jezus kracht om (onzichtbaar) mijn neus dicht te knijpen en mijn ogen op een kiertje te houden. En, net als Hij, alleen maar ontferming uit te stralen.

Want het gaat om de Liefde.

De theepot van oom Bram

Voor ik het over de theepot ga hebben, eerst wat over oom Bram. Oom Bram was de ongetrouwde broer van mijn vader. Mijn vader’s familie scoorde niet zo hoog op de huwelijksmarkt. Van de acht zijn er maar vijf getrouwd. En van de vijf bleven er twee kinderloos. Dat valt eigenlijk wel mee, nu ik erover nadenk. Maar de twee ongetrouwde zussen en de broer die tot op hun zestigste of zo, in een mini huisje samenwoonden maakten op mij als kind diepe indruk. Ik snapte daar niets van. In mijn wereldbeeld trouwde iedereen en dan zaten daar in de Gorzen in Schiedam DRIE vrijgezelle grote mensen bij elkaar in een kabouterhuisje, met daaraan vast een heus winkeltje. Aan de overkant was nog zo’n huisje en daar woonde eveneens een ongetrouwde dame, door ons oude tante Leens genoemd. Zij was een zus van mijn oma, met de (voor mij)  exotische achternaam Buschman. Ja, wij zijn van Duitse afkomst. Dat mag ik tegenwoordig weer vrijmoedig zeggen.

Maar even terug in de tijd. Jaren dertig, vorige eeuw. Ik weet niet hoe het zo kwam (kerk?), maar op jonge leeftijd was oom Bram verliefd op mijn moeder, toen vijftien of zo. Hij uitte dat door haar steeds op te wachten na de gymnastiek. Hij liep dan een eindje met haar op, maar zei niets, waar mijn moeder zenuwachtig van werd. Mijn moeder kon absoluut niet tegen stiltes, toen ook al niet. Op een goed moment (voor mij in elk geval) stelde Bram voor ‘uit’ te gaan. Maar, vertelde mijn moeder mij later, voor geen goud wilde ze met deze zwijgzame jongen samen weg, voor zover dat al mocht in die tijd. Geen nood, hij zou zijn (jongere) broer meenemen en zij een vriendin. De rest van het verhaal is geschiedenis. Want de charmante, spraakzame, vrolijke dandy Henk (drie jaar ouder) stal haar hart. Bram had het nakijken. Hij heeft geen wrok gekoesterd, want ik weet niet beter dan dat hij iedere zondag, toen we nog in Schiedam woonden, na de kerk (waar hij niet heen ging) op de koffie kwam om de laatste stand van de belastingen door te spreken. Hij was belastinginspecteur geworden en mijn vader was graag op de hoogte van de mazen in de (belasting)wet als vader van een gezin van vijf kinderen.

-arzberg-golfbal-

 

Dan nu de theepot. Indirect is oom Bram de oorzaak van mijn interesse in servies. Ik heb serviesgoed altijd leuk gevonden, maar het servies dat bij hem in de kast stond bij zijn overlijden was het begin van een serieuze interesse. In zijn kast, bij de boedelverdeling, vonden we een Arzberg Loffelhardt Golfbal servies. Dat wist ik toen nog niet. Maar ik vond het mooi en instinctief voelde ik aan dat het een mooie kwaliteit porselein was. Niemand had interesse, behalve ik. Mee naar huis genomen alwaar het in een kast verdween. Ik verzamelde toen nog links en rechts, willekeurig en alles kwam naast het servies in de kast te staan of ergens op een pronkplaatsje. Maar op een gegeven moment heb ik een begin gemaakt met het me meer verdiepen in merken en namen van ontwerpers van serviezen.

Toen we verhuisden naar IJselstein moest er van alles de deur uit. We gingen kleiner wonen. En wat heb ik weg gedaan in een vlaag van verstandsverbijstering? Het Golfbalservies! Op een paar bordjes, de soepkommen en een schaal na. Ik had een aanval van ‘praktisch en nuttig’ en de rest: wég. Mijn hart bloedt nog steeds nu ik op internet de prijzen zie van de (ook nog eens zeldzame) onderdelen van dit mooie 50’er jaren servies. In elk geval heb ik weer een theepot gevonden, met kopje. En dan niet denken: ik had zes kopjes! Én een theepot. En zo’n geweldig leuke schaal-met-deksel!

Moraal van het verhaal? Bedenkt voordat gij iets aan de Kringloop schenkt!

golfbal schaal

 

Het graf jubelt – Esta Steyn

hetgrafjubeltHet graf jubelt – Kroniek van pijn en genezing na de dood van     een kind
139 pagina’s
Esta Steyn (vertaald uit het Afrikaans)
Uitgeverij Vuurbaak – Plateau
ISBN 978 90 5804 090 9

Als geschenk voor een bijdrage aan een bijbels dagboekje voor volgend jaar, kreeg echtgenoot dit boekje toegezonden. Ik bladerde het wat door om te zien waar het precies over ging, en dit met enige scepsis moet ik eerlijk zeggen. ‘Het graf jubelt’. Ik vond dat een nogal triomfantelijk klinkende titel, als ik in de ondertitel lees waar het over gaat: de dood van een kind. Maar de achterkant van het boekje zegt dat het ook gaat over de worsteling met God van de auteur. ‘Ze schreeuwt en klaagt en is boos op haar God’.

Ik ben gaan lezen en werd geraakt door het tragische verhaal van de dood van niet één, maar twee van de drie zoons van Esta Steyn! Beiden kwamen door een ongeluk om het leven. De eerste zoon verongelukt bij een motorongeluk. Jaren later verdrinkt een tweede zoon tijdens het surfen. Onvoorstelbaar verdrietig. Wat een leed.

De schrijfster verwoordt goed hoe intens haar verdriet is als moeder. Hoe ze schuld ervaart. Had ze niet iets moeten doen, iets moeten laten. Waarom kon zij als moeder haar zoons niet behoeden voor een te vroege dood? Dat is toch je enige roeping als moeder, je kind beschermen tegen de kwade machten van ziekte en dood. Ze beseft dat haar krachten daarin beperkt zijn. En vraagt waarom God haar kinderen dan niet behoedde voor de dood.

De pijn en machteloosheid zijn zeer invoelbaar beschreven. Ik heb de dikke pil Tonio (over de dood van zijn zoon door A.F.Th. van der Heijden) gelezen met mededogen en een idee van hoe het geweest moest zijn, maar er bleef een zekere afstand. Deze moeder schrijft zodat je het lijfelijk ervaart: “Die avond en die hele nacht dacht ze: hij is koud en alleen. Hij heeft niets bij zich. Alleen zijn groene pyjama en zijn pantoffels” (bldz.35). Je zoon achterlaten in dat koude gat in de grond…je wilt hem een deken brengen…Ja dan knijpt bij mij van binnen ook alles samen. Misschien beleeft een moeder dit meer fysiek dan een vader?

Het vertrouwen dat God er is en haar niet alleen laat is, ondanks veel worsteling en twijfel, sterk. De auteur beschrijft een periode van minstens 10 jaar en daar zit tegelijk de zwakte van het boek. Het evenwicht wat iemand eventueel weer terugvindt na zeer traumatische gebeurtenissen zijn moeilijk geloofwaardig samen te vatten in een verhaal van pakweg 130 bladzijdes. Het gaat, voor mijn gevoel, te snel en kan al gauw een gevoel van weerstand oproepen. Zeker wanneer je zelf een kind aan de dood verloren hebt (ikzelf niet) kan het lezen van het boekje ontmoedigen wanneer je nog middenin die strijd met God zit. Aan de andere kant, wie werkelijk met God eruit wil komen kan troost ervaren. Er is licht aan het einde van de tunnel. Deze vrouw getuigt daarvan.

Levende geschiedenis – Zuid Korea 1982

1982 - Pusan fotograaf Choi Min Shik maakt familiefoto
1982 – Pusan fotograaf Choi Min Shik maakt familiefoto

We woonden nog niet zo lang in Zuid Korea. Ik zie aan de foto dat we nog in ons eerste flatje wonen, Urim Mansion, een nogal weidse naam (Bosrijke Appartementen, zoiets) voor een betonnen blokje met een stuk of 40 woningen. Wel afgelegen, dus minder luchtvervuiling. Vandaar misschien dat Bosrijk.

Een (volgens onze Koreaanse kennissen) beroemde fotograaf, Choi Min Shik, wilde ons fotograferen voor een nieuw te verschijnen boek. Pusan, waar wij woonden, was toen nog een stad waar je weinig buitenlanders tegenkwam, dus een foto van een Westers gezinnetje in zijn boek was een bonus. Het was in een mum gepiept. Onze oudste zong geen liedje op verzoek, onze jongste leefde duidelijk mee in haar dilemma.

Vandaag, op zoek naar een ander boek, vond ik het fotoboek weer in de kast. Met handtekening van de fotograaf voorin. Even Googlen en het blijkt inderdaad een belangrijke fotograaf in de Koreaanse fotografie-geschiedenis. Ik ben het op mijn gemak door gaan bladeren en raakte er helemaal van in de ban. De foto’s zijn rauw en grof van pixel, en stralen een ongekende kracht uit. Dwars door de stad Pusan en elders maakt de fotograaf foto’s van het dagelijkse leven van de Koreanen. Op markten, tijdens uitjes, aan het (zware) werk. Van oude van dagen en pasgeboren baby’s, van kinderen verdiept in hun spel, tot oude mannen, evenzeer verdiept in go-spel. Geweldig mooie beelden in hun alledaagsheid. De armoede en hardheid van het leven van toen spat er af. Maar evenzeer de levenslust, de fierheid en de opgewekte aard van het Koreaanse volk. Wij kwamen daar 27 jaar na het beëindigen van een verwoestende burgeroorlog in 1953. Het land (bijna volledig verwoest en ontbost)  had zich al groots hersteld, maar de armoede was nog zicht- en tastbaar. De gespannen verhouding met Noord Korea (tot op de dag van vandaag een staakt-het-vuren, geen vrede!) legde een zware wissel op de samenleving.

Dat heeft deze fotograaf vastgelegd. Ook voor ons. Nu ik 34 jaar later deze foto’s weer zie, en zelfs mensen herken die daar op straat (onder onmenselijke omstandigheden soms) de kost verdienden, nu realiseer ik me pas hoe arm het Koreaanse volk nog was, maar ook weer, hoe sterk.

The late Choi Min-shik (Courtesy Noonbit Publishing Co / Yonhap News)
The late Choi Min-shik
(Courtesy Noonbit Publishing Co / Yonhap News)

Dat Choi metterdaad een belangrijke fotograaf was/werd blijkt uit het feit dat er in 2013 (jaar van overlijden) in zijn naam een prijs is ingesteld. De eerste in zijn soort in Zuid Korea. Choi kwam zelf uit een arme familie. Hij werd geboren in 1928 (tijdens de Japanse overheersing) en koesterde lange tijd de droom om kunstschilder te worden. Op een kunstacademie in Japan kwam hij in aanraking met het fotowerk van  Edward Steichen: “The Family of Man”. De zwart-wit foto’s troffen hem omdat ze niets verhulden. Dit leidde er toe dat hij zelf de camera oppakte en begon met het vastleggen op beeld van de harde realiteit die het dagelijks leven voor vele Koreanen inhield. Hij was niet geliefd bij het regime van dictator Park Chung hee (net vermoord door zijn body-guard, in 1979, toen wij in Korea aankwamen) die het land alleen als een succesverhaal wilde zien.
(vrij vertaald van http://enkr.blouinartinfo.com/)

Photos taken by Choi Min-shik in Busan in 1965. Courtesy of Choi Min-shik and Noonbit Publishing
Photos taken by Choi Min-shik in Busan in 1965. Courtesy of Choi Min-shik and Noonbit Publishing

Oma, moeder, draagt haar kind op de rug, terwijl ze op de markt haar spullen verkoopt. Samen eten ze zo een bakje noodles.

PS Hopelijk is met de bronvermelding het publiceren van deze foto’s niet illegaal…

Zacht en knapperig, pitjespap

Eenmaal in de week kook ik bij de kleinzoons. Ik haal ze uit school, één gaat na de boterham weer terug en de jongste blijft thuis. Dat is de spelletjes-man. Dit keer gaat hij uit spelen, dus de middag is rustig. Tegen vijven, de jongens achter de tv, begin ik aan de maaltijd. Vandaag wordt het nasi. Groente snijden, rijst koken, en oh ja, ik zou ook boontjes maken. Met sajoer kruiden. En saté saus.

foto  www.goddelijke-recepten.nl
foto http://www.goddelijke-recepten.nl

Ik maak het zelf wel, had ik tegen mijn dochter gezegd. Is ook simpel. Uitje, knoflookje, pindakaas, water erbij en kruiden. Niet te pittig, want dat vinden de kinderen niet lekker. Geen sambal dus. Ik schud vrolijk met de potjes kerrie, de koriander en zoek nog iets anders lekkers. Ah, komijn, ook altijd pittig van smaak. Ik strooi wat in de saté en zie tot mijn schrik dat het zaadjes zijn. En in mijn enthousiasme waren er best veel zaadjes in de prut gevallen. Ik proef. De smaak is prima, maar oh, oh, de substantie is wat vreemd. Het heeft iets weg van pitjespap…

Weet je wat, denk ik, ik zeg niks. Over de rijst heen merk je er vast niets van. Ik weet namelijk dat de jongste kleinzoon niet van zaadjes en pitjes houdt. Op brood. Maar dit is anders. Hoop ik. Alles staat op tafel, de jongens hebben trek en we scheppen de borden vol. De eerste happen gaan naar binnen. Ik kijk stiekem richting de jongste en zie aan zijn gezicht dat er iets niet helemaal in orde is. Nu zul je het hebben!  ‘Mamma, ik proef iets wat ik niet ken. Iets raars’. ‘Oh ja?’, zegt mamma met een stalen gezicht. Ze eet rustig verder. ‘Ja’, hij draait zich in haar richting ‘ik weet niet wat het is’, hij zoekt naar woorden en kijkt er niet vrolijk bij. ‘Het is’, (smak, smak) ‘het is zacht en knapperig…en ik vind het niet lekker’,

Uit alle combinatie van groente, rijst, vlees en kruiden haalt hij precies de vermaledijde komijnzaadjes eruit. Inderdaad, zacht en knapperig. Pitjespap, zeg maar.

Heerenveen en Somalië

Vanmorgen mijn wekelijkse taalles gegeven. Mijn nieuwe groep bestaat uit drie Somalische, een Syrische, een Irakese, een Taiwanese en een Poolse vrouw. Een zeer gevarieerde groep. Zowel wat betreft cultuur als niveau. Sommigen zijn al lang en andere sinds korte tijd in Nederland. Mijn eerste warm-up oefening is, vertel één ding wat je gisteren gedaan hebt. De meesten meldden iets huishoudelijks, eentje had een glas appelsap gedronken (?), eentje had Lingo gekeken. Ik had voorbereid om over mijn uitstapje naar Heerenveen te vertellen. Ik was daar (na een urenlange treinreis) naar Facing Nature geweest in museum Belvedere.

Ik zoek altijd van tevoren enigszins zenuwachtig naar een onderwerp om wat van de Nederlandse cultuur te delen. Dat is leuk, maar vindt maar eens iets wat niet al te moeilijk is. En dat in eenvoudig Nederlands besproken kan worden. Ik heb geen onderwijsachtergrond en zie iedere keer op tegen de les. Hoe leuk ik die vrouwen ook vind, op een gegeven moment verwachten ze van mij toch dat ik hen anderhalf uur bezig hou. Het gaat altijd goed en het is altijd leuk, maar ja. Soort plankenkoorts zal het wel zijn. Nodig om er een leuke les van te maken….

Terug naar Heerenveen. Ik was er nog nooit eerder geweest, Friesland is ver en ik ging ons clubje over de groene weiden en ruime blauwe luchten vertellen van ons Friese lâand.

‘Eerfeen!’, roept een van de Somalische dames onmiddellijk als ze het woord ziet staan op de flip-over. ‘Ja’, ik verbeter automatisch, ‘Heerenveen’. ‘HeereFeen!’, roept ze nogmaals enthousiast. ‘Is oude dochter geboren! daar gewoond!’ Echt? Ik ben verbaasd, maar realiseer me opeens dat veel van de asielzoekerscentra in verre oorden staan. ‘Heerefeen, Frieslan, mooi!’. Het plezier straalt van haar gezicht. Omdat ze weet waar het ligt, en om de herinnering. ‘Leuke mensen daar, Heerefeen. 1 jaar gewoond, toen Utrecht’. Minder leuk, duidelijk. Degenen die geslaagd zijn voor hun inburgering weten tenslotte allemaal hoeveel provincies Nederland heeft. Hele nuttige kennis uiteraard.

Ik vertel verder over het museum en zoek naar een definitie van ‘een tentoonstelling’. Taal is zo lastig als je geen gezamenlijk referentiepunt hebt. Museum is makkelijker. IJsselstein heeft een klein museum en dat kent een van de Somalische vrouwen. In het Arabisch legt ze dan even uit hoe en wat. Arabisch als het Engels van het Oosten en (sommige delen van) Noord Afrika. De Irakese, Syrische, Somalische, Sudanese en Marokkaanse vrouwen kunnen elkaar redelijk volgen in het Arabisch.

We gaan verder met de les en liggen met elkaar in een deuk omdat ‘kaboutertje’ zo vreselijk moeilijk is om uit te spreken. De les bevat een verhaaltje met vragen en er komen steeds verkleinwoordjes in voor, die vanwege de – tjes, en -ntjes zó lastig zijn. ‘Moeilijk, moeilijk’, roepen ze om beurten, gierend van de lach, als hun tong in een dubbele knoop is geraakt. Ik zeg, praat nou wat langzamer en knip het woord in stukjes…en zo waar het gaat beter. We oefenen man-ne-tje, schoen-tje, mut-s, allemaal tonguetwisters! Vooral muts is voorlopig ‘must’. Hopelijk hoeven ze die niet ergens te kopen.

Altijd geïnteresseerd in vreemde culturen vraag ik de vrouwen of ze ook ka- bou-ter-tje-s kennen in hun sprookjes en verhalen. Ze zeggen allemaal onmiddellijk ja, maar uit de beschrijving lijkt het wel of ze het over de Kerstman hebben. Bij doorvragen blijkt dat de meesten het over westerse sprookjes hebben, Sneeuwwitje en zo. Maar in jullie eigen verhalen, van héél vroeger dan, probeer ik nog. Ze blijven het over rode neuzen en witte baarden hebben, dus ik geef het op. Ga wel eens googlelen.

De Syrische vrouw woont al 13 jaar in Nederland, en komt vooral voor de gezelligheid. Toch zegt ze iedere les verwonderd dat ze voor het eerst een woord heeft gehoord: ‘ik woon al zolang in Nederland, maar nog nooit het woord ‘sinds’ gehoord.’ Gisteren was het het woord ‘organisatie’ wat ik met veel zweet uit probeerde te leggen. Wat is nou een organisatie in eenvoudig Nederlands? Het licht ging eindelijk op. Aah! Organisatie, ja ik begrijp het!

Nog nooit van het woord ‘organisatie’ gehoord na 13 jaar Nederland…Knap van haar!