Lazarus, de dood en het leven

De_opwekking_van_Lazarus_(naar_Rembrandt)_-_s0169V1962_-_Van_Gogh_Museum
De opwekking van Lazarus (naar Rembrandt) – Van Gogh

Een van de meest ontroerende geschiedenissen in de bijbel vind ik het verslag in het evangelie van Johannes (hfst.11) over de dood van Lazarus. Stel je voor, je bent goed bevriend met Jezus. Hij reist rond door je omgeving en je hoort het ene verhaal na het andere over genezingen. Blinde en dove mensen zien en horen weer; kreupelen en verlamden lopen; zelfs een jonge knul die hij terugroept uit de dood als enige zoon overgebleven voor zijn moeder. Niets lijkt onmogelijk voor Hem. Hij vergeeft ook steeds zonden, maar die genezingen zijn boeiender….

Dan wordt Lazarus ziek. De zussen weten zich geen raad. Waren ze afhankelijk van hem? Als enige man in huis? Hoe dan ook, er is een sterke band van liefde tussen hen. Ze willen niet dat hij sterft en ze sturen een dringende boodschap naar hun goede vriend Jezus van Nazareth: Kom, je vriend is ernstig ziek! In een WhatsApp-loos tijdperk zal het even geduurd hebben voor hij de boodschap kreeg, maar zelfs dan heeft Hij geen haast. Hij lijkt met opzet tijd te rekken. Als Hij aankomt is Lazarus allang dood. Hij is begraven en er zijn al vier dagen voorbij gegaan. Logisch is de reactie van de zussen: Waar was je nu?! Is dat nou vriendschap, op je dooie gemak Lazarus dood laten gaan en dan doodleuk langskomen?

Als Jezus Martha, een van de zussen, vraagt of ze gelooft in de opstanding van de doden wimpelt ze de vraag af als een troost op een verkeerd moment: ja, natuurlijk, maar daar heb ik nu toch niets aan? Dat is later, bij de Opstanding, maar nu is onze broer gewoon dood! Als jij je nu maar je wat gehaast had dan was dat niet gebeurd! Martha gaat er blijkbaar vanuit dat Jezus zeker zijn vriend genezen zou hebben, hoewel hij niet altijd iedereen overal genas. Er was vaak een bijzondere reden om iets duidelijk te maken aan de omstanders. En dat is blijkbaar nu ook het plan.

Jezus gaat naar het graf. Niet als een tovenaar of als een magiër, met een serene Boeddha-glimlach (niets kan ons deren), maar als mens. Helemaal, door en door mens. Want Hij is ‘hevig bewogen’. Hij huilt. Hij is woedend. Hij kan het niet uitstaan! De dood die al dit vreselijke verdriet brengt voor geliefden, de stank van de ontbinding, de schijnbare overwinning van de dood op het leven. Alles bij elkaar brengt hevige emotie bij Hem teweeg. De dood is de vijand. Hoort niet bij het leven ondanks wat velen willen beweren om het acceptabel te maken. De Kringloop van het leven. Opgaan, blinken en verzinken. Niet dus.

Jezus huilt. En Hij laat zien wat de uiteindelijk bedoeling is van Zijn komst: de dood wordt verslagen. De dood zal er niet meer zijn. De steen moet worden weg gerold en Hij zegt, nu helemaal God: Lazarus kom uit je graf! Lazarus komt eruit gewankeld, omwikkeld met doeken, als een pasgeborene. Het nieuwe leven straalt (?)hem tegemoet. Maar eerst moet iemand wel die vieze doeken van hem afhalen.

Ik zie al die mensen staan, volkomen verbijsterd, met hun handen voor hun neus en mond. Ooit bedorven vlees geroken? Die lucht moet er gehangen hebben. Maar Lazarus is compleet en gezond. Zal hij Jezus in de armen zijn gevallen? Ook gezegd hebben: waar was je nou, man? Ik dacht dat je nooit zou komen! Je moet een dode gezien hebben om te beseffen hoe onmogelijk het lijkt, dat dit gebeurde.

Dit was een ‘happy ending’ voor Lazarus en de zussen. Maar er kwam natuurlijk weer een moment dat zij alle drie, in doeken gewikkeld, in een graf gelegd zijn en hun lichamen wel tot ontbinding zijn overgegaan. Ook alle mensen die Jezus had genezen zijn uiteindelijk gestorven. Dus wat was de bedoeling? Wat was het ‘nut’?  Onze predikant verwoordde het mooi vanmiddag: Bij elk wonder tilt Jezus een tipje van de sluier op. Zó groot is God’s macht en zo gaat het worden straks, als Jezus terugkomt. Als het Koninkrijk uit de hemel op aarde komt. Ziekte, pijn en dood zullen verdwenen zijn. En de bron, de oorzaak, zal afwezig zijn: onze vervreemding van God. We zullen Hem dan kennen zoals Hij ons nu kent. En kennen is meer dan weten…Het is liefhebben.

Deze geschiedenis geeft me altijd veel hoop. Het wijst op Gods grote macht en wat Hij wil bereiken. Waarom de dood en het lijden zolang voortduren, dat blijft een moeilijk punt. Net als het voor Maria en Martha was…Blijkbaar mag je dat dus ook vragen, net als in de Psalmen die vraag steeds weer klinkt: Waar blijft u nu, God?

De sleutel zit’m in vertrouwen. Ik snap het niet en het vliegt me af en toe aan. Maar…ik vertrouw erop dat de Vader redenen heeft die ik niet kan peilen. In Jezus heeft Hij laten zien waar het Hem om gaat: de wereld en zijn bewoners redden door geloof in Jezus Die zelf door dood en lijden is gegaan en aan de kant van het leven weer is uitgekomen.

(Lees Johannes 11)

 Ter Sake

Die eerste (ná ontswagteling)
wat Lasarus nodig het

om die wonderkuur te keur
is ’n nuwe alfabet

Half-thuis nog in die grotland
waaruit ek tastend keer

moet ek van jou ’n huistaal
vir hierdie lewe leer

Jy sal die dinge opnoem
die pasmuntname sê

en wat op die punt van jou tong is
my op die lippe lê

 

Elisabeth Eybers (toelichting op haar gedichten)

Poetsmijmeringen

Vanmorgen was ik aan het poetsen. Dat gaat bij mij een beetje als in het (schitterende) gedicht over het voorjaar van Vasalis. Vooral de laatste regels bedoel ik dan. Wissel het woord Lente in voor Schoonmaken en je hebt een idee van hoe ik bezig ben. Het is een storm die losbarst.

Voorjaar

Het licht vlaagt over ’t land in stooten
wekkend het kort en straf geflonker
der blauwe wind-gefronste sloten;
het gras gloeit op, dooft uit, is donker.
Twee lamm’ren naast een stijf grauw schaap
staan wit, bedrukt van jeugd in ’t gras…
Ik had vergeten hoe het was
en dat de lente niet stil bloeien,
zacht droomen is, maar hevig groeien,
schoon hartstochtelijk beginnen,
opspringen uit een diepe slaap,
wegdansen zonder te bezinnen.

Lang denk ik, morgen ga ik echt schoonmaken. Ik haal dan voor vandaag maar weer voor de zoveelste keer een snelle doek over de WC-bril en veeg met een vochtig WC-papiertje de vlokken stof van de grond. Met m’n stoffer en blik veeg ik de keukenvloer en met een oud gescheurd t-shirt om mijn rubberen vloerveger verzamel ik de stofnesten op het laminaat van de slaapkamers. Klaar. Voor het oog alles netjes.

Voor mijn gevoel echter niet. Ik ben tenslotte opgegroeid met een dweilende juffrouw Boenders, onze werkster (ja, dat was echt haar naam!). Een dagelijks stoffende en wekelijks ramenzemende, koperpoetsende, bleekmiddel verspreidende, zeer regelmatig stofzuigende en tapijten kloppende moeder. Dat gaat in je DNA zitten, geloof ik. Schoon is voor altijd verbonden met ‘glans’. Ramen, badkamertegels, keukenkastjes, houten meubels die het licht weerkaatsen als spiegels. En de geur van bleek, koperpoets en Vim.

Maar ik trap er niet meer in! Vanmorgen was ik me weliswaar hartstochtelijk in het zweet aan het poetsen, maar ik ken mijn grenzen langzamerhand.  Ik dacht terug aan een periode rond mijn veertigste, toen ik een ernstige burnout had en moest leren inzien wat daar de aanleiding toe was geweest. Ik weet nog zo goed dat ik worstelde met mijn identiteit. Wie ben ik nou eigenlijk? Een serieuze zoektocht. Maar het komische was (dat denk ik nu, toen niet natuurlijk) dat ik die hele verwarrende en bij tijden beangstigende zoektocht samenvatte met de volgende ‘wanhopige’ woorden: Ik weet niet eens of ik nou wel of niet netjes ben! Zo diep zat dat ‘schoon-zijn’ blijkbaar. De therapeute glimlachte en zei heel bemoedigend: Da’s een goed teken! Je kunt beter maar onzeker zijn dan dat je precies denkt te weten wie je bent. Veel gezonder! Sindsdien geloof ik heilig in het nut van ‘professionals’.

Inmiddels weet ik wel zeker dat het schoon-zijn gen ook in mij schuilt. Ik ben er enigszins mee behept, zeg maar. Mijn moeder was netjes en schoon, maar meer op een ‘voor het oog’ wijze. Niet obsessief. Mijn vader was schoon, netjes, en dat zélfs waar geen mensenoog kon schouwen. Alles moest georganiseerd, gestructureerd, schoon en netjes zijn. Huis, tuin, kantoor en ook op zichzelf was hij zeer schoon (dat was heel fijn, hij rook altijd heel lekker…). Het gevolg was dat hij eigenlijk nooit klaar was. Het is een soort ‘afwijking’ die in zijn DNA zat en dat hij heeft doorgegeven. Als ik ergens aan begin kan ik maar moeilijk stoppen. Ik zie het bij andere leden van de familie ook. De een heeft het met tuinieren, de ander met projecten achter de PC, ik heb het met Netflix haha! Het kán goed van pas komen, maar kan ook tot stress leiden.

Ik heb geleerd mijn standaard te verlagen. Niet alles hoeft te glimmen, en dan ligt er maar wat rommel op de vloer. So what! Ik heb vandaag me uitgesloofd, maar hoe mijn moeder ooit een heel huis kon doen in één dag? Ik heb naast het schoon-zijn gen ook andere genen blijkbaar. Eén ervan is dat ik ook graag luier, met mijn voeten op de bank en Netflix aan. Hmmm, daar moet ik wel mee leren doseren…

In de pré-Netflix periode schreef ik een blog over hetzelfde onderwerp. Je kunt die hier lezen

 

 

Adoptie is een werkwoord, net als liefde

KIA busje

Er zijn waarschijnlijk verschillende motivaties van waaruit je een kind adopteert. Wie geen biologische kinderen heeft, adopteert, denk ik, allereerst om een kinderwens te vervullen. Een heel natuurlijk verlangen naar nageslacht. Naar zorgen voor iets kleins en afhankelijks, met wie je een diepere band ontwikkelt dan met de gemiddelde kat of hond. Iemand met wie je je leven kunt delen.

Ik had in die zin geen kinderwens in de jaren tachtig, aangezien we al drie kinderen hadden mogen krijgen. Maar er was plaats voor meer. We stonden open voor zowel meer biologische kinderen als voor een adoptiekind. De beslissing om voor een adoptiekind te gaan kwam vooral voort uit idealisme. Of beter gezegd misschien, uit onze overtuiging dat we moeten delen van de rijkdom die we ontvangen van God de Vader, met wie het minder heeft. Wat zouden we een kind in een weeshuis laten zitten met weinig toekomstperspectief terwijl wij van alles te bieden hadden? Een gezinsleven, veel meer toekomst, geborgenheid, een broertje en zusjes, en nog veel meer. Zo begonnen we aan ons avontuur. 

Maar elk ideaal, zelfs als het vanuit een diepe overtuiging  voortkomt, wordt uiteindelijk getest door de werkelijkheid van alledag. De dagen waarop niks lukt, het eten aanbrandt, de kinderen zich als etters gedragen en het kind dat je zo vol geloof in huis haalde, zich afsluit voor je.

Dat zijn de dagen waarop het opeens tot je doordringt dat liefde niet iets vanzelfsprekends is. Dat kinderen uit jou geboren, die dan wel het bloed onder je nagels vandaan kunnen zeuren, wel op een voortstromende basisliefde van je kunnen terugvallen, maar dat bij een ‘nieuw’ kind (van 7) er geen ‘terugval – liefde’ in jouw reservoir zit opgeslagen. 

Ik was jong, had nog niet veel levenswijsheid en zeker nog niet genoeg zelfkennis om dat allemaal te kunnen benoemen. Ik weet wel dat ik in dat eerste jaar van de adoptie  regelmatig een hele duistere Margreet tegenkwam, die ik niet kende en waar ik van schrok. Mijn frustratie en boosheid golfden soms als een storm over ons arme adoptiekind heen. Pas veel later, jaren later, ben ik (tot op zekere hoogte) gaan begrijpen wat daar gebeurde.

Ik was de jongste thuis. Met twee oudere zussen en twee oudere broers. In ons gezin werden ruzies meestal niet uitgepraat, maar resulteerden in zwijgen. Negeren. Om de een of andere reden herinner ik me heel vaak genegeerd te zijn. Ik was waarschijnlijk een verwend jongste zusje, dat lastig was en als gevolg kreeg ik dan de ‘cold shoulder’. Of het echt zo vaak was? Mijn moeder zei altijd dat ze zich er niets van kan herinneren en dat iedereen juist gek op me was. Maar moeders hebben soms een te rooskleurig beeld van hun kroost.

Hoe dan ook, genegeerd worden is voor mij een hele rauwe, gevoelige plek.  En wat ik, met hulp van deskundigen, op den duur duidelijk kreeg is dat ik in sommige situaties heftig reageer op een vermeend negeren, terwijl dat helemaal niet de intentie is van de persoon die ik dan bijna vermoorden wil…(Voor de duidelijkheid, het is natuurlijk meestal echtgenoot die het moet ontgelden)

Ik vertel dit allemaal omdat dit mechanisme ook speelde tussen mij en onze adoptiedochter. Zwijgzaam en teruggetrokken van karakter als ze was, ervoer ik dat als  een afwijzing. Alle jaren door is dat een spanningsveld gebleven. Door haar heb ik pas echt geleerd, door schade en schande, met vallen en opstaan, dat ik een mens moet accepteren zoals die is.  Niet willen veranderen, niet willen omvormen om bij mijn behoeftes aan te sluiten.  Ook iets leren proeven van wat agapé is. Liefde die er is, niet omdat het vanzelfsprekend is van je eigen kind te houden, maar liefde omdat je ervoor kiest. 

Onze dochter leest mee. Ze keurt de blog van tevoren goed. 

 

Arirang en adoptie

Onze Koreaanse dochter  is sinds een paar jaar actief in Arirang, een vereniging van geadopteerde Koreaanse ‘kinderen’, nu allemaal volwassen (onze dochter is inmiddels 39!). De internationale adoptie is eigenlijk met hen gestart. Ik lees op de website van Andere Tijden dat de oorlog in Korea (1950-1952) de directe aanleiding was tot het ‘redden’ van vele wezen of verstoten kinderen daar.

In Korea werden kinderen, geboren uit een Koreaanse moeder en een  blanke of zwarte Amerikaanse soldaat (gestationeerd in Zuid Korea vanwege de oorlog), verstoten.  Niet alleen in de vijftiger jaren, ook in de jaren tachtig, toen wij er woonden merkte je nog heel duidelijk  dat er een taboe lag op het mengen van rassen. Korea is lang geïsoleerd geweest van de rest van de wereld en dat heeft ertoe geleid dat het land uiterst homogeen was en is. Er zijn altijd wel immigranten geweest, maar dat waren overwegend andere Aziaten. Chinezen en Japanners bijvoorbeeld. En die leven op zichzelf. Niet snel zul je een relatie zien tussen de verschillende nationaliteiten.

De schrijver Jan den Hartog en zijn vrouw waren de eersten die twee kinderen vanuit Korea adopteerden. Zij waren zeer bewogen met het lot van de verstoten kinderen  na de burgeroorlog daar, aan het begin van de jaren vijftig. Zij lobbyden in Nederland om meer kinderen geadopteerd te krijgen. Internationale adoptie was toen nog een onbekend fenomeen. Maar de behoefte aan adoptiekinderen was toegenomen door het gebruik van de pil. Er waren daardoor minder ongewenste zwangerschappen, en als gevolg minder babies die ter adoptie werden aangeboden.

In de jaren zestig werd  met groot idealisme begonnen om kinderen vanuit Zuid Korea naar Nederland te halen. Het was een vorm van ontwikkelingswerk bijna. De kinderen die in eigen land geen kansen hadden, werden naar hier gehaald om ze een beter leven te bezorgen. In de jaren zeventig was het een heel normaal beeld: gezinnen met één of twee buitenlandse kinderen. Toen ook al uit andere landen, behalve Zuid-Korea. Het sprak mij ook erg aan. Zo gaf je kansloze kinderen een nieuwe kans op een goed leven.

Er werd nog heel weinig nagedacht over de vraag in hoeverre je er goed aan doet een kind uit de eigen, sociaal culturele omgeving weg te halen. Een baby is een onbeschreven blad, dus die is nog helemaal te vormen, was de gedachte. Maar de buitenkant veranderde niet. Het Aziatische, Afrikaanse of Colombiaanse uiterlijk bleef zichtbaar. En niet alle kinderen kwamen als baby. Bij het opgroeien ervoeren de kinderen vaak een leegte in hun leven. Op wie leken ze? Waar kwamen hun karaktertrekken vandaan?

Na verloop van tijd ging blijken dat adoptie niet zo eenvoudig was als het leek. Bij de vereniging Arirang, die ik hierboven noemde, vertellen de leden allemaal een eigen verhaal. Sommigen voelen zich thuis, aangepast en tevreden. Anderen ervaren een gemis en zijn op zoek, naar familie, naar identiteit, naar wortels. Velen gingen door moeilijke periodes. Rebels of depressief.

Zelf adopteerden wij onze dochter terwijl we in Zuid-Korea woonden, in de jaren tachtig. We leerden haar kennen in een weeshuis/revalidatiecentrum waar een Nederlandse vriendin werkte. Zij bracht ons in contact met elkaar. Onze dochter was toen 6 jaar. Gevonden op straat, ruim een jaar daarvoor. Een veel voorkomend verschijnsel in die tijd. Kinderen met een lichamelijke of verstandelijke handicap werden als een schande gezien en vaak afgestaan of achtergelaten. In bussations of andere drukke plekken. In de hoop dat ze gevonden zouden worden en meegenomen naar een weeshuis om wellicht naar het buitenland geadopteerd te worden. In de jaren tachtig was er nog veel armoede in het land. En iedere afwijking in het kind werd toegeschreven aan de moeder. Het was haar schuld. In de Confuciaanse maatschappij hoort een vrouw haar man een gezonde zoon te schenken. Zodat de generaties elkaar op gepaste wijze mogen opvolgen en vereren. En zo niet, dan bleef de vrouw in gebreke.

Een wreed lot dus, voor de vele kinderen met polio, CP (spastisch), downsyndroom enzovoort. We zagen de kinderen en volwassenen bedelen op straat, soms op heel vernederende wijze. Dat deed in ons de wens  groeien om te helpen. Iets te doen. Ons oude verlangen te adopteren en het nieuwe verlangen iets te doen om het lot van al die gehandicapte medemensen op straat te verbeteren, kwamen eigenlijk samen toen we het meisje ontmoetten, dat onze dochte zou worden. Door CP kon ze moeilijk lopen. Waarschijnlijk om die reden was ze achtergelaten in een drukke straat en door de politie naar het weeshuis in Masan gebracht. Getraumatiseerd had ze een jaar niets gezegd, tot ze langzaamaan zich thuis ging voelen en veilig. Veel meer dan naam en leeftijd vertelde ze aanvankelijk niet.

Toen wij haar ontmoetten was ze een vrolijk meisje geworden, verknocht aan haar Amerikaanse ergotherapeut en zeer bereidwillig om af en toe met ons mee naar huis te gaan. We hadden toen drie kinderen van wie de jongste 2 was en de oudste 8 jaar. Niet een makkelijke startsituatie voor haar, zo’n bestaand gezin waar jij dan in moet gaan passen. School was in het Nederlands, thuis werd Engels gesproken en met de vriendjes op straat weer Koreaans of Nederlands. Ga dan je talen maar eens leren….

Wordt vervolgd.

 

De zee en Zeeland

Ik was van de week in Kamperland. We reden langs plaatsjes als Kloetinge, Wissenkerke en zagen  oude kerken en een prachtig haventje in Goes. We aten een hapje in het Oude Postkantoor op de Grote Markt. Snuffelden wat bij een Terre des Hommes tweedehandswinkel. Ik kocht ik twee vintage broches bij een antiekzaakje voor E2,- en we liepen langs een onafzienbaar leeg en stil strand bij Breezand. Zeeland op en top. Dit watermens kwam getroost weer thuis. De luchten boven de zee, de geur, de stilte, de geluiden van de meeuwen die de stilte benadrukken, maar minder drukkend maken. De schittering van het zonlicht op de vlakke zee, het knisperend gevoel van zand onder mijn voeten. Het drellerige kwalletje, zelfs de half onder het zand verstopte plastic doppen en zooi….dit is het Strand, dit is de Zee. Dit was Zeeland.

strand bij Breezand
Strand bij Breezand

 

Ziel en zaligheid

orthodox1

Dominee Vonk
Mijn vader was een trouwe volgeling van zijn Schiedamse predikant, ds. C. Vonk (1904-1993). Tijdens kerkenraadsvergaderingen gaf deze dominee les. Hij doceerde over Barth, over de gereformeerde belijdenissen, over Kuyper en weet ik wie/wat nog meer. Voor ouderlingen en diakenen zoals mijn vader, die na de lagere school direct moesten gaan werken, zonder verdere opleiding, kwam zulk onderwijs als een geschenk. Mijn vader was een intelligente man, maar in zijn jeugd  (jaren ’20 )was het bij hem armoe troef thuis en was iedere gulden bittere noodzaak. Op zijn twaalfde ging hij aan de slag als ‘jongste bediende’.

Mijn vader dronk het onderwijs van Vonk dus op als het borreltje wat hij dagelijks nuttigde : als een kostbare lekkernij. Kritisch luisteren was er niet bij:  Vonk’s woord was als Gods woord. Gelukkig heeft Vonk vele mooie en leerzame dingen gezegd en geschreven. Toen ik belijdenis deed kreeg ik 3 delen van de serie ‘De voorzeide leer’. Over de eerste vijf bijbelboeken, met veel interessante exegese en informatie. Sleutelwoord: Het verbond van God met Zijn volk.

Slapende zielen
Maar Vonk (net als ds. Telder uit Breda) ontwikkelde ook een bijzondere opvatting die veel tweestrijd en conflict veroorzaakten in de toenmalige ongedeelde, vrijgemaakte kerk. Die ook mede ten grondslag lag aan de latere scheuring in de kerk. Eerst schreef  ds. Telder het boek, ‘Sterven en dan?’ Later gevolgd door een boek(je) van ds. Vonk met de titel ‘De doden weten niets’ (waarop ik eens de humoristische toevoeging hoorde: En Vonk weet alles…maar dat terzijde) In beide boeken werd afgerekend met de klassiek, christelijke gedachte, nl. dat nadat het lichaam sterft, de ziel van de gelovige, met God verenigd, in de hemel wacht op de opstanding van het lichaam, bij de terugkomst van de Here Jezus.

In reactie op een ontaarding van dit klassieke geloof, (nl. een grote nadruk op de ziel als het méést belangrijke onderdeel van de mens, het lichaam was maar aards en deed er niet toe) kwamen Telder en Vonk met een theorie die het andere uiterste benadrukte (juist, de bekende pendulum), nl dat er helemaal niet zoiets bestaat als de onsterfelijke ziel. Dat zou een Griekse, gnostische gedachte zijn.  De kerkgeschiedenis ingeslopen.  Ziel en lichaam waren één. De hemel was voor God, daar hadden wij niets te zoeken. En God zei toch tegen Adam: wie van de boom eet zal voorzeker sterven! Wie durfde te zeggen, de ziel leeft eeuwig voort, ook als het lichaam sterft, gaf in feite toe aan de leugen van Satan. Die was een volgeling van Satan geworden.(Vonk)

Persoonlijke ervaring
Ik was een vrij serieuze tiener en las dit soort lectuur op aanraden van mijn vader. Geschokt was ik dan als mensen die ik als gelovig zag, het over de hemel en de ziel hadden. Dat was zoiets als gelovig zijn en stelen, of gelovig zijn en vloeken. Mijn jonge, consciëntieuze hart voelde zich daar niet senang bij.

Daaruit blijkt maar weer hoe sterk de invloed is van datgene wat je als kind meekrijgt. Het zijn de eerste vertrouwde werktuigen waarmee je de werkelijkheid om je heen interpreteert. Het anders doen of er anders tegenaan kijken is onveilig, wekt angstige gevoelens (bij mij i.e.g.).

Toch werden veel van mijn eerste, prille overtuigingen op de proef gesteld toen ik op de (vaag christelijke) middelbare school zat, daarna het huis uitging om te studeren en uiteindelijk mijn theologisch geschoolde man ontmoette. Die was nogal verbaasd over de Vonkiaanse leer. Had die ideeën alleen nog maar gezien bij meer sektarische groepen als de Zevendedags Adventisten.

Na ruim veertig jaar eigen bijbelleeservaring, en groeien in een relatie met God, ben ik wel zover dat ik kan zien dat de grote belofte en hoop die Jezus geeft door Zijn sterven en opstanding, juist die onbreekbare band van liefde is, door de dood heen. Is het zo klaar als een klontje wat er na mijn dood gebeurt? Nee, natuurlijk niet. Waar de hemel is, wat de hemel is, uit de glimp die we opvangen vanuit de bijbel is het er in elk geval als een koninklijk paleis. Versailles in het kwadraat, zeg maar en dan nog mooier.  Alles om te benadrukken hoe groot God is.  Maar daar gaat het ten diepste niet om. Waarom dan wel? Dat ik geen ogenblik zonder de ervaring van Gods liefde zal zijn. Dat blijkt  uit zoveel plaatsen in het NT. Ik heb er, tijdens een slapeloze nacht (door jetlag) o.a. Johannes 10-17 weer eens op nagelezen.

Hemel op aarde
Dat we voor eeuwig in de hemel zullen zingen in een witte jurk, is ook zeker niet mijn overtuiging. Integendeel. Wat Vonk benadrukte, dat de hemel niet onze eindbestemming is, lijkt me ook duidelijk in de bijbel. De hemel komt straks naar de aarde (laatste hoofdstukken van het boek Openbaring). Maar in heel de bijbel gaat het altijd eerst om onze relatie met God Zelf. Johannes 17:3, één van de mooiste teksten in de bijbel, vind ik: “Eeuwig leven is dat (wij) U kennen en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus”. Vooral als je beseft dat kennen niet ‘weten over’ is, maar liefhebben en gekend zijn.  De vorige paus zei het zo: ‘Onsterfelijkheid huist niet in de mens zelf. Ze berust op een relatie (met Jezus MB)’.

(Een mooi artikel van ds. Gert van den Brink (die overigens mijn vader begraven heeft) kun je hier lezen: RE2010_86-02.pdf. Een gezamenlijke uitgave van het weekblad de Reformatie en Opbouw, tegenwoordig Onderweg geheten.)

Het troost me om te weten dat de geesten van mijn geliefden nu al bij God zijn en het goed hebben. Mogen rusten en genieten,  iets wat ze door lichamelijke afbraak niet meer konden. Als ik ze mis vraag ik weleens aan God hen te groeten…

En straks zien we elkaar weer.

Verkeerde kant van de oceaan

greenwayHet is vreemd. Wanneer er ernstige, urgente dingen gebeuren lijkt het of ik steeds weer net aan de verkeerde kant van de oceaan zit. Of aan de andere kant van de wereld. Toen mijn vader stervende was in 1986, kon ik terugkomen uit Azië, waar we toen woonden, om nog op tijd te zijn voor afscheid en begrafenis. Toen mijn eerste zwager onverwacht stierf (1981) waren we net in Zuid-Korea aangekomen en kon ik niet terug om bij de begrafenis te zijn. Dat heeft ertoe geleid dat ik nooit echt heb kunnen rouwen, omdat alles zo onwezenlijk bleef. Gelukkig was ik op de juiste plek toen mijn tweede zwager stierf in 1991. Zijn ziekte en sterven heb ik van dichtbij mee kunnen maken. Ook mijn zus stierf in mijn nabijheid in 1992.

God zij gedankt volgde toen een decennium zonder de dood van geliefden. Pas in 2013 bevond ik me weer aan de verkeerde kant van het water. Schoonmoeder kreeg een zwaar infarct en met spoed vlogen we naar de VS. In 2015  kwakkelde schoonvader met zijn gezondheid.  Begin 2016 waren we eindelijk in staat naar hem toe te gaan om hem een tijdje gezelschap te houden. En nu we hier zijn krijgen we bericht dat mijn derde zwager zo ziek is dat hij nog geen twee weken te leven heeft. Onze tickets zijn al een week naar voren geschoven om opnieuw over de grote plas te vliegen.

chrisme16We laten schoonvader straks achter in betere gezondheid.  Met hulp van vrienden en buren kan hij weer zelfstandig leven. Boodschappen worden bezorgd, de vriezer ligt vol met eten. Hij loopt niet langer met een rollator, maar met een wandelstok en redt zichzelf weer prima. De eettafel die werkelijk boog onder het gewicht van alle papieren, rekeningen, bonnetjes en afschriften begint langzaam weer leger te raken. Het ziekenhuisbed wordt opgehaald. Allemaal tekenen van zijn verbeterde gezondheid.

Maar voor we teruggaan nog een paar dagen naar New York om een andere geliefde te zien. Misschien moet ik me gewoon maar gezegend voelen dat ik zoveel geliefden heb dat er altijd iemand op de ‘verkeerde’ plek lijkt te zitten…

 

Thee, Driekoningen en konijnen

Vandaag weer eens een flinke wandeling gemaakt door mijn geliefde Boston. Gisteren kwam de regen met bakken uit de hemel, dus waren we gedwongen onze wandeling naar City Life Church Boston in het Revere Hotel, uit te stellen. We zijn toch maar met de auto gegaan. Ik heb een zware kou, dus dat was uiteindelijk een stuk comfortabeler.

2016-01-14 15.44.06

Vandaag compleet ander weer. Blauwe, vrieskoude lucht. Er staat een sterke wind waardoor het veel kouder aanvoelde dan de echte temperatuur, die rond het vriespunt lag. In plaats van de drie kwartier die we wilden lopen naar een (goedkopere) supermarkt, namen we voor een gedeelte de metro om de snijdende wind te vermijden. Maar van huis naar de metro en vice versa is ook nog een aardige wandeling. Het licht was fantastisch, vooral op de terugweg.

Ik had medelijden met de daklozen die op een dag als vandaag ook buiten moeten bivakeren tot de opvang opengaat. Het zijn er veel hier. Mensen op straat met een bordje naast zich waarop ze hun omstandigheden toelichten. ‘Veteraan’ of  ‘ik ben een goed doel'(?) enzovoort. ’s Nachts liggen ze in dikke dekens gehuld op stukken karton in de winkelportieken. Het blijft lastig. Geld geven? Eten geven? Er zijn shelters en een aantal kerken deelt eten uit.

Boston is goeddeels een kantoorstad en voor een ander deel toerististische trekpleister. Historisch als bijna geen andere stad in de VS, met soms eeuwen oude gebouwen. Boston is beroemd voor de ‘Tea Party’, de gebeurtenis in 1773 waarbij grote voorraden thee in de haven werden gedumpt als protest tegen belastingheffingen van ‘baas Engeland’. Niet lang daarna begon de Onafhankelijkheidsoorlog.

Politiek woelt het nog immer hier. (Inmiddels is de State of the Union uitgesproken door de president, te vergelijken met onze Troonrede). Met de verkiezingen in het vooruitzicht is het nieuws vergeven van vooral de Republikeinen Trump en Cruz, en de Democraten Hilary Clinton en Sanders. Trump is razend populair in de peilingen. Een soort Amerikaanse Wilders. Net zo populistisch en met een even bizar kapsel. Hij brengt ook net zoveel polarisatie teweeg, hoewel die er in Amerika al was vóór hij op het toneel verscheen. Volgens een dame die ik op een Drie-Koningenfeestje sprak is politiek één van de meest vermeden onderwerpen tegenwoordig in families en vriendenkringen. Normale gesprekken zijn niet langer mogelijk. Wie zijn vrienden wil behouden en geen verwijdering in de familie spreekt zo min mogelijk over politiek. In mijn schoonfamilie zijn er aanhangers van zeer links tot zeer rechts. Gelukkig wonen we te ver van elkaar om regelmatige verjaardagsfeestjes te hebben met allerlei ‘olifanten in de kamer’. De tegenstelling tussen echtgenoot en schoonvader is nog net te behappen.

 

20160106_203924
Kim haalt ‘goud’ uit de grabbelmand

 

20160106_203802
Drie elegante koningen in het huis van onze gastvrouw

Het Drie-Koningenfeestje was een primeur voor mij. In Zuid-Amerika en Spanje een jaarlijkse gelegenheid blijkbaar. De dame bij wie we te gast waren komt uit Panama oorspronkelijk en had, naast de gebruikelijke crackers-met-kaas, ook allerlei Panamese gerechten klaargemaakt, waaronder een aantal met gezoute vis. Bakkeljauw geheten in Suriname. Verder was er een grote taart met daarin een kroontje verstopt. Wie het kroontje vond kreeg een tiara te dragen en was de rest van de avond koning of koningin. Tot slot mochten we allemaal iets uit een grabbelmand pakken. We kregen kleine cadeautjes dat te maken had met mirre (parfumflesjes), wierook (stokjes om thuis te branden) of goud (chocolade munten).

Tijdens mijn Nederlandse les vorig jaar, vertelde de buitenlandse dames één voor één over een traditie in hun land van herkomst. Éen van hen, een Spaanse, vertelde over een feest met konijnen. Pasen, dacht ik. Néé, het was in januari. Drie konijnen en het was het einde van kerstfeest. Multiculti als ik ben sta ik open voor alle soorten tradities. En konijnen met kerst vond ik nog niet zó’n vreemde combi…Waarom het er per sé drie moesten zijn bevreemde wel enigszins. Het accent van de vrouw was sterk en het Nederlands gebrekkig. Het duurde nog een aantal minuten voor het licht eindelijk aanging:  Het ging hier over het Driekoningenfeest! Leg de nadruk op de -ningen en spreek het uit met een Spaans accent…

 

Broodjes kreeft en de kornoelje

Ik ben voor een periode in Boston, bij schoonvader Chris. Hoogbejaard maar nog scherp en betrokken bij de wereld en wat er in omgaat. Beperkt door een recente valpartij, waarbij hij een arm brak en door  ruggewervels die veel pijn veroorzaakten. Door een chirurgische ingreep zijn de wervels op elkaar ‘geplakt´ waardoor de pijn weg is. Wel is het lichaam stijver en minder mobiel geworden. Aanvankelijk aan huis gebonden, is hij nu zover dat we met een rollator weer een eind kunnen lopen buiten. Door osteoperose is zijn lange lichaam gekrompen en loopt hij gebogen. Maar hij loopt weer!  Langzaam, maar toch.

20140521_163955Vandaag wandelden we naar  Hook’s Lobster, een (historische) viskraam waar Chris al jaren verse vis en broodjes kreeft haalt. Heel lang (tijdens het leven van schoonmoeder) was dit een zondagse traditie wanneer we op bezoek waren: Echtgenoot, moeder Blanca en ik werden afgezet bij de kerk voor de ochtenddienst. In de tijd dat wij in de kerk waren reed Chris, die niet naar de kerk gaat, naar huis, haalde vier broodjes kreeft en haalde ons vervolgens weer op. Weer thuisgekomen maakte hij de broodjes klaar zoals hij ze het lekkerst vond. Ik vond er nooit zoveel bijzonders aan, proefde meer mayo dan kreeft, maar de traditie was bijzonder.

De broodjes kreeft die we vandaag haalden waren omgeven met een gevoel van nostalgie. Maar drie broodjes kopen leek niet juist. Het cijfer drie schuurt nog altijd na het sterven van (schoon)moeder Blanca.

Op weg naar de viskraam lopen we door het langgerekte park dat in de plaats van een gruwelijk lelijk viaduct gekomen is. Dwars langs de flat waar schoonouders wonen en midden door de stad liep, als een giftige slang, een groen monster op pilaren. Op het viaduct scheurde nacht en dag verkeer voorbij. Het lawaai en de stank waren vreselijk. Na twintig jaar werk en vele miljarden dollars (!) was er een tunnel. Op de vrijgekomen grond is een prachtig park aangelegd. Wat een schitterende verbetering was dat. Zoals veel in Amerika is er van alles in het park gefinancierd door particulieren. Zo kun je een tegel kopen, met je naam erop, voor $500. Veel mensen leggen een tegel om een geliefde te gedenken. Of puur om het parkinitiatief te ondersteunen.

20140521_152943

In het park staat ook een boompje. Een kornoelje. Geplant ter ere van en in herinnering aan schoonmoeder Blanca die veel betekend heeft voor de buurt en de ontwikkeling van het park. Als we gaan wandelen, gaan we er steeds even langs om Blanca gedag te zeggen, zoals schoonvader het noemt. ‘I miss you’, zegt hij dan zachtjes.

 

Het is hier zo warm….

IMG_20140522_025549Het eerste wat me overvalt is de warmte. Nee, niet buiten. Daar is het vrieskoud. Ik heb het over de verzengend droge, warme lucht die alle kamers van het appartement in wordt geblazen. Ik verkeer in een permanente staat van oververhitting sinds ik ben gearriveerd in de flat van mijn schoonvader, in Boston.

Sinds mijn vijftigste of zo verkeer ik al in een milde staat van onaangename warmte, en dit komt er nog eens bovenop. Ik wil bloot op het balkon gaan staan, met blote voeten in mijn hemd naar buiten, zo benauwd heb ik het. Het is minstens 23 gr. binnen! Zou ik eraan wennen in de vijf weken dat ik hier ben? Onze slaapkamer houden we KOEL. Verwarming uit en het raam op een kier. Echt open kan niet vanwege het lawaai. Maar ook vanwege de wind. Op de 16e verdieping, aan het water, is een zuchtje wind op de begane grond al snel een loeiende storm door het open raam. Maar de kier brengt al verlichting.

En dan mijn kleding. Gewaarschuwd door mijn kinderen, (die hier ook net gelogeerd hebben, apart van elkaar) niet te warme kleding mee te nemen, heb ik me reeds beperkt tot t-shirts en vestjes. Maar ik had korte mouwen en korte broeken mee moeten nemen! Behalve voor buiten dan. Daar is het koud. Gisteren vroor het en vandaag is het rond het vriespunt, met een helderblauwe lucht. Dat maakt veel goed. Als ik het maar niet zo heet had binnen!

Ik was vergeten hoe oude mensen hun huizen verwarmen als sauna’s. Mijn moeder was een koukleum van het eerste soort. Altijd koud wanneer ze bij ons logeerde. Een deken op haar benen, een andere om haar schouders en de kachel op 22…Niet te harden, maar ja, wat doe je als je gast het koud heeft? Uiteindelijk kun je beter te warm zijn vermoed ik, dan voortdurend koud.

Hoewel…koud zijn maakt bruin vet aan en dat schijnt heel gezond te zijn! Toch maar de schaars geklede methode op het balkon toepassen hier, een paar keer per dag!