Het ‘schone’ virus en nostalgie

Ik lijd aan een milde vorm van smetvrees. Voordat iedereen schrikt zal ik het wat positiever formuleren: ik heb een grote behoefte aan een schone omgeving. Ik had een schone moeder. Niet dat ze 24/7 aan het poetsen was, maar ze was wel schoon. Ze had een routine die ze tot op hoge leeftijd volgde: ’s ochtends ‘werken’, vervolgens de middagboterham, dan een korte dut. Daarna boodschappen doen en dán (pas nadat de kinderen de deur uit waren)  een uurtje ontspanning. In haar geval, lezen of oer-moeilijke cryptogrammen oplossen. Toen we allemaal nog thuis woonden kwam de ontspanning pas na negen uur. Na het sokken stoppen en elastiek rijgen in de ontelbare onderbroeken.

In mijn kinderjaren kwam op vrijdag altijd de onovertroffen werkster, juffrouw Boenders. (Ja, zo heette ze echt). Ze was overigens getrouwd met meneer Boenders, dus het ‘juffrouw’ was nog een laatste verwijzing naar de Nederlandse standenmaatschappij, waarin ‘lagere’ klassen zich geen mevrouw lieten noemen, denk ik. Juffrouw Boenders was een klein, gerimpeld, hardwerkend vrouwtje. Ze had zelf geen kinderen en ze was gek op mij. Ik was nog thuis (3 jaar) toen ze bij mijn moeder kwam werken en ik heb veel herinneringen aan haar en de uren die ze werkend doorbracht.

De geur van meubelwas en koperpoets (mijn moeder hield van koper), de koude tocht omdat alles open moest, de fascinerende bewegingen van het uitslaan van een stofdoek of een zeem (iedere week de ramen zemen!). Het holle geluid van de mattenklopper op tapijt dat werd uitgeklopt. En ik raakte  besmet door het voldane gevoel dat moeder en juffrouw Boenders uitwasemden als alles weer op z’n plek stond. Schoon, glimmend en stofvrij.

Mijn moeder hield zelfs, tot op enkele jaren voor haar sterven, de gewoonte vol om ’s ochtends ‘werkkleding’ te dragen. Daarin kon ze niet naar buiten eigenlijk, vond ze. En er bezoek in ontvangen kon helemaal niet. Als ik haar wel eens verraste was dat meestal het eerste wat ze uitriep: Maar ik loop nog in mijn werkkleding! Ik zag slechts een keurig geklede oude dame, maar voor haar gevoel liep ze er ‘onverzorgd’ bij.

Een schone, nette, gedisciplineerde moeder dus. Voor wie gezelligheid overigens heel belangrijk was. Poetsen deed ze als we weg waren op school. Als we thuis waren was het ´klaar´. Zogenaamd, want met vijf kinderen was er constant werk aan de winkel.

Naast deze schone moeder was ik ook nog eens belast met een hele schone vader, die ook nog eens uiterst opgeruimd was. Overal keurige stapeltjes, gesorteerd en wel. Uiterst schoon op zichzelf. Ik zie hem nog altijd na z’n middag- of ´na-het-eten´-dut, uitgebreid zich wassend bij de wasbak. Of de vaat spoelend, zo grondig dat afwassen in mijn ogen bijna overbodig leek. En in de tuin hadden vallende herfstblaadjes geen schijn van kans. Desnoods met stoffer en blik werden ze onverbiddelijk verwijderd van het gras. Mijn vader hield van opgeruimd en netjes. Ik ben dus van beide kanten besmet.

Nu is het probleem dat ik wel graag wíl dat mijn omgeving schoon is, maar dat ik geen zin heb in de inspanningen die het vergt om zover te komen. Ik ben namelijk ook enigszins lui in aanleg. Mijn moeder vroeg zich altijd af van wie ik dat toch had. Het rommelige en vooral het knoeien en wild rond ´spatten en sproeien´ met koken. ‘Bourgondisch’ vond ze dat. En het leek wel een beetje op mijn oma Sonneveld, die ook graag kookte en wat minder netjes was. (Alle mindere kwaliteiten kwamen van de Sonneveld kant van de familie, als ik mijn moeder moest geloven, haha)

Hoe dan ook, er bestaat dus een waar spanningsveld in mijn leven tussen schoon willen zijn, maar geen zin hebben in poetsen.

Al mijn hele leven zoek ik naar slimme, weinig inspanning vereisende oplossingen. (jammer dat de kinderen de deur uit zijn) maar als puntje bij paaltje komt is er geen ontkomen aan: emmers, soppen en zweten.

Ik heb het dan vooral over WC’s en badkamers (haren in het putje!), gevolgd door keukens en vloeren. Ik hoop altijd dat één keer goed zuigen en soppen afdoende is, maar de ellende is dat het nooit ophoudt. Voordat je het weet is er al weer (ruim) een week voorbij en heb ik niks gedaan in mijn huis. Ik zie de bacteriën zweven, verbeeld me dat ik ziek word, alles plakt en de stofpluizen en poezenharen vliegen me om de oren. Er móet weer iets gebeuren, dat is duidelijk, maar heeft het werkelijk zin? Haalt mijn sopdoek de bacteriën echt weg of is het maar een illusie?

Zuchtend haal ik de emmers maar weer tevoorschijn. In mijn werkkleding. En in tegenstelling tot ooit mijn moeder, kan ik daar echt niemand in ontvangen.

In weelde baden

‘Tachtig procent van de voorraden op de wereld wordt opgebruikt door twintig procent van de wereldbewoners. Of ik er nu voor mijn gevoel krap bij zit of niet. Ik behoor tot de rijkste groep mensen ter wereld’.

Auw..!Ik schoot rechtop in mijn stoel. Ik zat in de kerk en de opmerking kwam van de predikant in zijn preek. Het relativeerde onmiddellijk mijn kleine sores van onverwachte rekeningen, huurverhogingen en oplopende prijzen voor gas en licht. Genoeg, dreunde het door me heen. Ik heb méér dan genoeg. Drie maaltijden per dag (overvloedige), tussendoortjes, koffie, thee, een wijntje op zijn tijd en taart op mijn verjaardag. Ik hoor bij de “happy few”…!

Het kan me aanvliegen, al die miljoenen mensen met honger (870 miljoen mensen in Gods wereld gaan met honger naar bed) en gebrek. Volgens de website Time to Turn http://www.timetoturn.nl/downloads/armoede/ kunnen we zelf  zoveel meer doen voor een eerlijker wereld. Er gaat een roep uit van de armen op deze wereld, zegt Jacobus in hoofdstuk 5 van zijn brief in het NT, ‘U hebt op aarde in weelde gebaad ….en uzelf vetgemest’ . Hij spreekt de rijken aan en als vanzelf denk je, dat gaat niet over mij…Maar tijdens de preek schrok ik. Het gaat wel over mij. Ik hoor bij de twintig procent die het brood als het ware steelt uit de monden van miljoenen armen.

Hoe kan het anders? In Sophie (uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie ) las ik over een theorie voor een nieuwe economie, ontwikkeld door medewerkers van een denktank op Europees niveau van christendemocraten. Niet het kapitalisme (winst, winst en groei),  maar een ‘relationele economie’. ‘God wil goede relaties, tussen Hemzelf en de mensheid en tussen mensen onderling’. Ook in de economie zijn relaties en vertrouwen belangrijk. En in relaties gaat het om verantwoordelijkheid voor de ander en niet alleen om eigen belang. Recht doen aan mensen, ook in economisch verband, is waar het om draait in een door Gods gerechtigheid geïnspireerde maatschappij.

Ik ben geen econoom en kan zo’n theorie niet geheel beoordelen, maar mijn hart wordt er wel warm van. Ik hoor de adem van de Geest er in. De ander zoeken. Ons niet verrijken ten koste van de zwakke ander. Niet een ‘alsmaar méér’ economie, maar een economie van het ‘genoeg’.

Idealistisch? Nee, ik durf te geloven in de zegen van God wanneer personen en naties zich bekeren en gaan leven volgens Gods principes. Stel je voor, iedere 50 jaar kreeg een Israëliet zijn land terug, hoe arm en aan lager wal hij ook was geraakt. Een nieuwe kans. Het land was immers niet van hem of iemand anders? Het behoorde gewoon aan God (Leviticus 25). Rente vragen op een lening aan iemand die tot armoede was vervallen was ongeoorloofd. Griekenland en Spanje zouden er wel wat aan hebben! Om over landen in Afrika maar te zwijgen.

Die grootmoedigheid van God wil ik weerspiegelen in mijn eigen leven. En het vertrouwen dat Hij vroeg aan de Israëliet in het OT wil ik ontwikkelen in een leven zonder duizend en één vastigheden. Eenmaal in de zeven jaar moesten zij het land braak laten liggen. Als een oefening in vertrouwen. ‘Als je je afvraagt waar je van moet leven in het zevende jaar, als je niet mag zaaien en oogsten, bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is’ (Lev. 25:20-22).

Vertrouwen als geloofsdaad, als het lijkt dat je er alleen op achteruit zal gaan wanneer je anderen te hulp schiet. Eens kijken of hier iets van terug te vinden is in het nieuwe regeerakkoord.

Aangrijpende cijfers op deze pagina:
FAO-infographic-SOFI-2012-

Een predikant is zijn pensioen waard

De redactie van Pro Minesterio (een tijdschrift waaruit ik citeer in deze blog) wees me op zachtmoedige wijze erop dat PM alleen voor intern gebruik is en dus niet geciteerd mag worden zonder toestemming. Als ik dit er even bij wilde zetten was er verder geen probleem. Bedankt redactie voor de vriendelijke, terechte correctie!

Pensioenrechten opgeven

In het Nederlands Dagblad van 22 oktober stond een, op het oog, sympathiek artikeltje van ds. Jaap Oosterhuis. Een oproep aan collega predikanten in de vrijgemaakte kerken om hun pensioenrechten af te staan. Zoals Paulus ooit zijn recht op salaris opgaf (opdat men hem niet zou verdenken van geldzucht), zo zouden vrijgemaakte predikanten moeten afzien van hun recht op pensioen. Het wordt immers steeds duurder voor de kerken om voor de pensioenen van hun predikanten te sparen (nu al € 120,00 per kerklid per jaar). Het gevaar dreigt dat het geld van de kerken opgaat aan dit soort zaken, in plaats van meer belangrijke.

Het klinkt sympathiek. En gelovig. Vertrouwen op Gods zorg, nu en voor de dag van morgen. Niet steeds bezig zijn met je schaapjes op het droge te krijgen, zodat je van een ‘onbezorgde oude dag’ mag genieten, zoals de reclame ons nog steeds wil doen geloven dat dat kan. Als je 65 bent, pardon, 67, mag je gaan reizen, een boot kopen, vakantie vieren op Bali, op wintersport gaan, en voor de variatie nog een leuke stedentrip maken of een tuinenreis in Engeland. Daar heb je toch voor gewerkt?

Goed, dit soort Zwitserleven is nog maar voor een zeer kleine, rijke elite mogelijk. Geen predikant, vrijgemaakt of niet, die dáár ook voor werkt. Integendeel. Ik ken heel wat predikanten en ik heb de indruk dat ze hard werken voor hun loon. En dat hun loon niet vaak naar werken is. Dat hoeft ook niet. De diepste motivatie voor een beroep als predikant is tenslotte een andere dan de vergoeding die er tegenover staat. Dat is ook zo met veel andere beroepen!

De werkelijkheid

Maar de rekeningen moeten wel betaald. Zo nuchter is het leven en zo nuchter is Paulus gelukkig ook. Een arbeider is zijn loon waard. Ook een predikant heeft tenslotte (meestal) gewoon een gezin, gewoon een huis en gewoon een (tweedehands) auto die naar de garage moet voor de APK. En daar heeft hij gewoon harde euro’s voor nodig. Met een gemiddeld salaris betekent dat geen vetpot. Bijvoorbeeld:  tot voor kort werd er van vrijgemaakte dominees verwacht dat ze hun kinderen naar (verre) vrijgemaakte scholen stuurden. Treinabonnementen door de jaren heen worden steeds duurder en aangezien predikanten gemiddeld gezien grotere gezinnen hebben, tikt dat behoorlijk aan. Ieder jaar kwam het bij ons terug in september: drie of vier kinderen elk voor 1000-1500 gulden (toen nog) een jaarabonnement. Het bankkrediet was geduldig. Maar van sparen komt het dan niet. En als kleine zelfstandige (ja, al jaren houden predikanten een winst- en verliesrekening bij, alsof we een winkel hebben) val je te vaak in de meest ongunstige belasting tarieven.

Sparen

In een ander tijdschrift, Pro Ministerio, las ik een bijdrage van de eveneens vrijgemaakte ds. Ernst Leeftink. Ook over pensioenvoorzieningen. Hij rekende zijn collega’s voor dat er makkelijk te sparen valt omdat de meeste predikanten in een pastorie van de kerk wonen en daarvoor minder hoeven te betalen dan de gemiddelde Nederlander betaalt aan woonkosten. Het geld dat overblijft kan dan op de spaarrekening voor het extra pensioen bijvoorbeeld.

Tja. Fijn al die collega predikanten die blijkbaar hun financiën op orde hebben en zelfs aan sparen toekomen, dacht ik, toen ik het las. Minder fijn voor al die collega predikanten die  in andere omstandigheden verkeren. Want er wordt een beeld geschapen dat niet met mijn werkelijkheid overeenkomt. Veel predikanten moeten sappelen om rond te komen. Dat geeft niet, zo sta je dichtbij het gemiddelde gemeentelid dat ook moet bikkelen. Zolang dat maar gezien en erkend wordt. Maar het drama vind ik, dat er nog altijd een beeld bestaat dat een predikant makkelijk rond komt en geen financiële zorgen kent. Dat beeld wordt onder meer bevestigd door artikelen zoals boven genoemd.

Geen zorgen?

Net als de meeste Nederlanders hebben predikanten in de vrijgemaakte kerken ook hun financiële noden. Voor iedereen is de situatie anders. Ieder gezin is anders en heeft zo zijn bijzondere financiële behoeftes. Vergeet ook niet dat de meeste predikanten geen kapitaal opbouwen door het bezit van een huis. Bij pensionering verlaat je de laatste pastorie met je boeltje en dat is het dan. Een schat aan vrienden en bekenden uit alle gemeentes waar je hebt gewoond, maar geen schatten aan geld of bezittingen. Gelukkig maar. Zo ga je lichter door het leven. Maar zonder pensioen kan ik geen huis huren in de vrije sector waar ik noodgedwongen terecht kom omdat ik nergens een economische binding heb. En ik kan ook niet rusten op mijn lauweren, er moet gewoon bij geklust worden om de rekeningen te betalen. Niks aan de hand, zolang God ons gezondheid geeft. Heel Nederland moet harder werken. Maar er komt een moment dat we mogen minderen en op een andere manier de maatschappij mogen dienen.

Ik zeg: Een predikant is zijn pensioen waard.

Nog een aantal tips voor predikanten die na hun pensioen er wél warmpjes bij willen zitten, zonder bijbaan:

1. Ga niet een periode voor de kerk naar het buitenland waarna je helemaal opnieuw moet starten op eigen kosten

2. Ga niet in een gemeente wonen waar geen scholen in de buurt zijn

3. Verhuis vooral niet te vaak

4. Gebruik altijd het vakantiegeld om extra rekeningen te betalen

5. Ga vooral als vrouw van de predikant werken

6. Laat je kinderen niet studeren

7. Koop nooit een (geldverslindende, tweedehands) auto, laat je rond rijden door je gemeenteleden

8.  Bid veel

Kiezen?

Een weg kiezen die afwijkt van het gemiddelde is eng en moeilijk. Kuddedieren die we zijn als mensen, voelt het gewoon beter om te ‘passen’ in je omgeving. Anders zijn vraagt energie en moed en ja, wat eigenlijk nog meer? Vooral ook niet belangrijk vinden wat anderen denken of zeggen. En hoe moeilijk is dat niet?

OK, dat zijn al genoeg redenen om te blijven steken in je leven. Liever meer van ‘hetzelfde’ en passen bij jouw groep en daarmee verder leven, maar wel een vaag gevoel hebben dat je ‘mislukt’ bent, dan datgene te doen waar je wellicht constant bij moet uitleggen waarom, en hoe dan en wat dan als er dit en wat dan als er dat gebeurt, enzovoort. Vragen waar je zelf nauwelijks een antwoord op weet. Je hebt misschien minder aanzien, minder geld, minder luxe, minder vul zelf maar in. En toch.

Maar is zo’n keuze altijd te maken? Het leven is toch veel te weerbarstig om te ‘kiezen’ voor de ideale situatie waar al je talenten tot groei en bloei komen en waar je ondanks alles je ‘helemaal op je plek’ voelt?

Dat is meestal het volgende excuus om te blijven zitten waar je zit. Het wordt toch niks. Laat maar. Ik heb nu zekerheid, vastigheid, weet waar ik aan toe ben, ik heb mijn verantwoordelijkheden en ga zo maar door.

Dat is gewoon ook helemaal waar. De boeken van beroemde goeroes waarin je in 10 stappen leert je van niks of niemand wat aan te trekken en gewoon je eigen plan te trekken worden gretig gelezen (het lijkt zo heerlijk) maar er zijn maar weinig mensen die het ook in praktijk (kunnen/durven) brengen. Het is allemaal niet zo simpel als ze je willen doen geloven. Eigen ervaring.

Maar wat dan? Vaak weet je zelf al heel lang dat de weg waar je op zit niet de juiste is. Ik heb het nu vooral over werk. Je weet het vanwege de sloten energie die het opzuigt, de onvrede die je bijna lijfelijk ervaart. Ik had het er over met mijn buurvrouw vanmorgen die net haar baan had opgezegd als docente. Ze combineerde die met een praktijk als coach en aanvankelijk leek het elkaar goed aan te vullen, maar na verloop van tijd voelde het steeds zwaarder, o.a. ook door de toenemende (administratieve) werkdruk in het onderwijs. Je weet het al lang, zei ze en toch volgt zo’n beslissing dan vrij radicaal en plotseling. Ik káp er mee!

Dat is ook wel mijn eigen ervaring. Terugkijkend zie je vaak dat je om allerlei redenen blijft hangen, collega’s, geld, twijfel, maar in feite weet je, dit loopt op niets uit. De beslissing te stoppen is dan een bevrijding. En daarna de vraag: En nu?

Ik heb altijd veel gehad aan de raad van een wijze oudere christen vriend: Als je God wilt zien handelen in je leven, moet je wel in beweging komen. Het is maar een beeld natuurlijk want God is niet van mij afhankelijk. Maar zo werkt Hij wel meestal. Maak een keus en leg die in Gods Hand en sla de richting in die je zelf denkt dat het beste is en bij je past. God stuurt het wel bij.

En als je dan heel anders kiest dan de meeste mensen in je omgeving? Die succesvol zijn of hoogopgeleid, of wellicht juist niet. Die niet werken of juist wel. Dan wordt het nog belangrijker om je keus met God te maken. Het is Zijn weg met jou. Het is Jouw weg met Hem. Punt. Die vrijheid is er in Hem. En om met Henri Nouwen te spreken: je bent niet wat je doet of wat je hebt, je bent Gods geliefde kind vóór alles. Dat is een rustplek waar je iedere dag opnieuw mag starten.

Ik heb tot op zekere hoogte makkelijk praten omdat mijn dagelijkse leven niet van mijn inkomen afhangt.Ik ben benieuwd naar ervaringen van anderen, die worstelen met toekomst- of carrièrekeuzes. Wat telt er voor je, hoe maak je je overwegingen? Is een maandsalaris uiteindelijk het belangrijkst, of telt geld dan toch minder? Vaak zit je al zo vast in veel verplichtingen dat ‘beweging’ onmogelijk lijkt. In hoeverre mag je dan toch vertrouwen op Gods hulp en leiding?

Spinnen, naaktslakken en de was

Toen ik vanmorgen eindelijk weer eens de stofzuiger ter hand nam kwam ik ze tegen: spinnen en spinnenwebben, overal, in de hoogte langs de plafonds en deuren. En laag, langs de vloer. En van die stoffige in elkaar geschrompelde nestjes met ongedierte in vlokkerige, witte coconnetjes en verder nog wel meer niet nader te definiëren beestjes. Heerlijk zo’n stofzuigerslang, met één grote zuig alles naar binnen.   Een poos niet zuigen geeft veel meer bevrediging wanneer je het eindelijk wel doet. Straks wel even de zak eruit halen, bedenk ik me nu.

Toen ik eindelijk vanmorgen de tuin weer eens ging opruimen en hoopvol tussen de bladeren van de vrouwenmantel zocht naar eventuele knoppen (ik heb ze laat geplant) zag ik ze: Naaktslakken. Vieze, bruine, glibberige, licht geribbelde,  op een bedje van oranje slijm rustende slakken. Naakt gespuis. Met een tang heb ik ze verwijderd. Mijn stofzuiger zou er te verstopt van raken. In de GFT bak ermee en deksel dicht.

Toen ik eindelijk vanmorgen weer eens een was ging draaien vond ik ze. De sporen van mensen in mijn huis in de vorm van handdoeken (en lakens). Stapels. De kleinzoons hadden een handdoekenparadijs gemaakt. Geen idee waar het vandaan kwam dat idee, maar het waren wel veel handdoeken op het terras naast het zwembadje. En de badhanddoeken van het strand vol zand. En de handdoeken van de dochters en vriendin die na het zwemmen nog even lekker gedoucht hadden. En de handdoeken van de logé’s. Ik telde er vijftien in totaal. Hier bood noch tang noch stofzuiger een oplossing. Alleen het gat van de wasmachinedeur.

Van de positieve kant bekeken, spinnen eten muggen en die zijn er hier veel, langs de IJsselsteinse sloot. En die handdoeken (wat heb ik er eigenlijk ook veel van) duiden op geliefden die hier heerlijk hebben genoten van tuin, zwembad  en douche. Daar heb ik ze immers voor?

Maar die naaktslakken. Daar heb ik nog geen positieve duiding voor.

Het leven kan zo vermoeiend zijn, voicemail instellen….

Ik heb het niet over de grote dingen, waar je meestal op wonderlijke wijze kracht voor ontvangt, maar over die kleine stomvervelende klusjes die zo tijdrovend zijn dat je er het liefst helemaal niet aan begint.

Al enkele maanden klagen bellers dat onze voicemail het niet meer doet. Inderdaad erg vervelend. Ik vind het ook altijd prettig een boodschapje achter te kunnen laten. Ik denk dus al even lang, daar moet ik eens naar kijken. Een poging gedaan door op allerlei knopjes te drukken via het menu van mijn vaste telefoon, zonder resultaat. Hmm, later nog maar een keertje kijken.

Vanmorgen dacht ik nu zal’t wezen. Via een bepaald nummer opnieuw een boodschap ingesproken, * ingedrukt, nu moet ’t toch goed zijn. Bellen met mijn mobiel, heeeeel lang laten overgaan, geen stemmetje.

Tja, ligt het aan de telefoon, aan de telefoondienst, is er een kantoor dat Voicemail heet dat ik bellen kan? Onze provider gebeld. Inmiddels zeker 45 minuten later. Vrijwel direct contact (hoera, dat is wel anders geweest) en ik krijg de helpdesk. Dat voelt altijd goed. Dat zijn slimme jongens en aangezien Caiway een imago probleem had zijn ze uiterst vriendelijk en behulpzaam. Probleem uitgelegd, hij kan zien wat er aan schort, doorschakelen naar Voicemail service staat op 65 seconden. Lekker, dat houdt geen mens vol natuurlijk.

Kan dat aangepast worden door hen? Ja hoor, geen probleem, als ik even uw wachtwoord en gebruikersnaam mag van MyCaiway. Gloeiende nog aan toe, wat is in VREDESNAAM mijn wachtwoord? Gebruikersnaam bij Caiway?? Enigzins radeloos vraag ik of ik het ook zelf kan oplossen wanneer ik die ellendige codes ergens gevonden heb. Ja, dat is makkelijk. Zus en zo, dat is binnen een seconde gepiept.

Nee dus. Want we hebben werkelijk geen idee waar we dat wachtwoord hebben bewaard. Echtgenoot schiet in een aanval van zelfkastijding. ‘Ik heb een lijst van 100 wachtwoorden en codes op mijn PC (allemaal  onleesbaar voor anderen) en net deze ENE CODE staat er niet tussen!’ En hij slaat met zijn vuist op zijn been.

‘Wachtwoord vergeten’ doen lukt niet want je moet je gebruikersnaam weten.

Ach ik bespaar jullie alle verdere kreten en frustraties. 90 minuten nadat ik onschuldig even mijn voicemail wilde aanpassen zijn we eindelijk zover dat ik op MyCaiway kan.

Jullie kunnen weer een boodschap inspreken, hoor!

Een dagje dierentuin- Ouwehands Zoo

Een dierentuin heeft iets dubbels. Sinds jaren bezochten we gisteren met onze kleinzoons van 19 maanden, 4 en 7 jaar Ouwehands Zoo in Rhenen. Ik vond het leuker dan verwacht. Lekker ruim, veel te zien, leuke speelplekken voor de kinderen. Ruime plekken voor de dieren. We zagen prachtige vogels, papegaaien en roofvogels, de meest waanzinnig gekleurde vissen, zo mooi, watermonsters, krokodillen. Vederlichte sterrekwalletjes, beren in het Berenbos (opgekocht in Oost-Europa, waar ze hun dansjes deden op straat), tijgers (slapend op hun zij), gorilla’s en orang oetans, olifanten, giraffen (die ógen..zo overweldigend donkerzacht als fluweel en doordringend).

Dus, ja ik heb met plezier rondgelopen, langer dan ik van te voren had ingeschat. De jongens hadden er plezier in, weten ook veel van dieren en vonden het fascinerend om van alles te herkennen en aan ons te vertellen. Kris (4 jaar) had het recente referentiekader van Madagascar 4. Alle dieren uit de film die hij tegenkwam kregen een naam. ‘Dat is die en die!!’ Ondanks het feit dat het een tekenfilm is krijgen ze er toch aardig wat dierenkennis in mee. Maar ze leren ook veel uit boeken. Niek (7) heeft dikke boeken met plaatjes van roofvogels, slangen en reptielen en Kris leert met hem mee. Ze weten meer dan ik!

Dubbel blijft voor mij dat hier dieren in gevangenschap leven die eigenlijk in de vrije natuur horen te zijn. Ter lering en vermaak van mensenkinderen zitten ze daar in krappe omstandigheden, hoe mooi die verder relatief gezien ook zijn.

Ik weet het niet. Het is leuk, leerzaam en de dieren worden goed verzorgd, geen twijfel aan, maar toch. Dubbel dus.

PS Een dagje dierentuin kost: €67,00, exclusief ijsjes en koffie. Ik had wel netjes zelf boterhammetjes meegebracht..

Dagboek van een verhuizing – inmiddels al 2012

Ik moet het maar gewoon toegeven. Mijn ziel is nog steeds niet helemaal geland in het IJsselsteinse waar ik nu anderhalf jaar geleden naar toe verhuisde vanuit Scheveningen.

Nee, ik klaag niet, ik ben blij, blij, blij met huis en uitzicht. Echt. Maar toen ik door de Stevinstraat reed vorige week, na een dagje strand en ‘mijn’ huis zag met ‘mijn’ rozegroen pronkende salixboompje in de voortuin en het gevoel kreeg dat er vreemde fietsen voor ‘mijn’ huis stonden, kreeg ik het echt even te kwaad. Wat is dat raar, zeg.

Dobberend op de golven aan het Scheveningse strand hoorde ik de meeuwen krijsen en herinnerde me hoe ik een bloedhekel aan die beesten had gekregen omdat ze me altijd ’s ochtends vroeg wakker maakten. Nu klonk het weer als muziek in de oren.

Scheveningen blijft Scheveningen. Prachtig, foeilelijk, steenrijk, verloederd, verstild en overvol, eindeloze ruim met de voortdurende aanwezigheid van de oceaan en volgebouwd met zestiger jaren monstrueuze gebouwen. Het hoort allemaal bij elkaar.

Ik heb mijn hart verpand aan Scheveningen. Het is niet anders.

Woudenberg boys

Woudenberg brothers

Ik heb weer een paar volle genietdagen achter de rug met mijn twee stoere kleinzoons van zeven en vier. Het was warm, dus we zijn veel buiten geweest, o.a. in het Julianapark in Utrecht. De jongens hadden niet zoveel trek in de speeltuin daar. Ik neem het ze niet kwalijk want het was er bloedje warm. Jammer genoeg is er geen zwembadje of iets dergelijks. Zou nog wel een idee zijn voor dit prachtige park. Er zijn een paar springfonteinen, maar je moet er aardig flink op stampen voor er water gaat spuiten. Niek en Kris zagen het niet zo zitten. Kris sprong drie keer achter elkaar heel hoog en kreeg aardig wat water aan het sproeien met dat stevige lijf van hem en viel vervolgens van het speeltuig. Niek is zo licht als een veertje dus hij moest zo hard springen dat het de moeite niet waard was.

speeltuin

We hebben zitten kijken naar een groepje kinderen van een NSO, met warme, paarse, polyester hesjes waarop de naam van het instituut stond. Saartje. Nou, zei Niek, met verachting in zijn stem, op zo’n opvang zou ik niet willen zitten, hoor. En veel zin om met ze te spelen hadden ze ook niet. Dus liepen we een rondje langs de dieren. Deze zaten achter gaas. Er lopen ook dieren rondjes langs de mensen in het park, kippen en hanen. Vooral voor de hanen moet je oppassen. Kris werd in zijn bil gepikt toen hij hem wilde wegjagen van ons eten.

Toen we alle dieren gezien hadden en we terug waren op onze plek, dreigde de verveling. Wat nu?   Als door een wonder, stond er opeens een ijscowagen in het park. Ik gaf Niek geld om ijsjes te kopen. De stemming schoot met een piek omhoog. Kris had opeens weer enorme energie en Niek zag de uitdaging zitten om zelf de bestelling te plaatsen.

Daar gingen ze samen. Ik wil een Skeleto, zei Niek. Ik ook, zei Kris, wat meestal zijn antwoord is op Niek’s plannen. In de verte zag ik Niek omhoog praten naar de meneer in het raampje van de wagen. De Man boog zich diep voorover, naar Niek, om te horen wat hij zei. Zou het lukken? Toch maar er even heen. Halverwege kom ik ze tegen, de mannetjes. Kris heeft een ijsje, maar huilt tranen met tuiten. Niek heeft zijn arm om hem heen. Wat is er aan de hand?
‘Ik wíl geen Cornetto’, roept Kris dramatisch door zijn tranen heen, ‘die lust ik niet!’
‘Ja’, zegt Niek, ‘die meneer begreep mij niet en toen gaf hij twee Cornetto’s.  Ik zei twee Skeleto’s, want ik wist niet meer precies hoe het heette. En nou wil Kris zijn ijsje niet’.

Oh, gelukkig, dit is op te lossen. Ik loop terug en bestel het ijsje dat Kris wilde, een Calypso cola. Helemaal gelukkig droogt hij zijn tranen. Calypso’s, Cornetto’s, ach ja waarom ook geen Skeleto’s?

Pannenkoeken eten met tante Sas

De volgende dag zijn we gaan zwemmen in het Henschotermeer. Een leuke plas in de buurt van Woudenberg, maar erg druk op een warme dag. ‘Wat gaan we doen, dan?’ vraagt Kris. Zwemmen natuurlijk. Oh..OK. Bandjes om en het water in. Een lauwwarme plas, maar Kris vind het steenkoud. ‘Ik hoef niet’, kondigt hij aan en loopt zo kordaat als hij kan in het water, naar de kant. Kris voegt meestal onmiddellijk de daad bij het woord.

Met veel moeite krijg ik hem het water weer in (ik laat mezelf nat maken met een waterflesje, een offer) en als hij eenmaal door is vindt hij het heerlijk. Als een hondje spartelt hij door de plas. Maar Niek heeft het al snel koud. We gaan er uit en liggen te bakken in de zon. Er is weinig ruimte om te spelen in de schaduw en in de zon is het te heet. ‘Ik wil naar huis’, zegt Kris,  ‘het is hier zo heet… En ik wil een ijsje’. Jammer genoeg voor hem heeft oma zich voorgenomen vandaag nog geen ijsjes te gaan kopen.

Tussen de dikke pannenkoek van de vorige avond en een hele snoepketting (met dank aan het pannenkoeken restaurant, kunnen ze niet een beker snoeptomaatjes meegeven of zo?) zit slechts een moeizaam ontbijt (‘dit is ander brood dan dat van mamma’).
‘Ik zie suiker uit je oren komen’, zeg ik. Kris vindt het niet grappig.

Ze hebben er geen van beiden meer zo’n zin in. Niek heeft een poos een Amerikaanse voetbal heen en weer gegooid met opa en is moe.

We leveren de jongens af bij hun mamma vanwege een afspraak bij de oogarts en rijden zelf linea recta naar Kijkduin, waar een andere dochter woont en springen de (koude!) zee in.

Kijkduin

Die zee…wat is dat toch een verrukkelijke plas.

Lang geleden en toch ook nu

18 juli zou het 45 jaar geleden zijn dat mijn oudste zus Loes trouwde met haar liefde vanaf de middelbare school, Gert. Het was die vrijdag in 1967 33 graden in de ruimte waar de receptie was, de Beukenhof in Velp. We droegen formele trouwkleding, inclusief jacquet en hoge hoed voor de mannen, waarbij ik het geluk had, als twaalfjarige puber, een mouwloze lange jurk te dragen. Genaaid door mijn tante Rie. Op de foto die ik nog heb is duidelijk dat hij niet zo mooi valt, maar ook zie ik (en herinner ik me) dat ik apetrots was, vooral dat ik aan de arm van Gert’s broer, 10 jaar of zo ouder dan ik, op de foto mocht.

Ik weet ook nog heel goed hoe ontzettend verkouden ik was. Ik durfde mijn neus niet te snuiten, dus maakte waarschijnlijk een voortdurend snottergeluid waarop mijn broer in de kerk reageerde door te zeggen dat ik mijn neus eens moest snuiten, dit tot mijn diepe vernedering. Ik voelde me weer een kleuter, terwijl ik net tot zo’n grote hoogte was geklommen aan de arm van mijn volwassen bruiloftspartner.

Veel meer herinnering dan de hitte, mijn verkoudheid en mijn eerste (legale) sigaret die dag heb ik niet. We hebben ongetwijfeld een lied gezongen, lekker gegeten en gelachen om de droge humor van de familie van Gert.

Mijn zus is midden jaren zeventig gescheiden van Gert. Pijnlijk, maar die dingen gebeuren. Gert was als een broer voor me want hij was al in de familie, als vriendje van Loes, toen ik tot bewustzijn kwam, zo rond mijn derde. Vreemde gewaarwording om dan een scheiding te ervaren. Wij bleven afzonderlijk contact houden met Gert, met wie het al enige tijd niet goed ging.

Om een lang, pijnlijk verhaal kort te houden, Gert stierf begin jaren tachtig aan een ongeluk, waarvan het sterke vermoeden bestaat dat hij bewust tot die fatale keuze kwam. Twaalf jaar later stierf mijn zus aan suïcide. Ik las die uitdrukking ergens en ik gebruik die bewust. Beiden kozen ervoor een einde aan hun leven te maken, maar wanneer je het zo zegt klinkt dat zo gewild, zo autonoom, er is geen ruimte in die woorden voor de ziekte, de boze geest, de vertwijfeling die mensen tot zoiets brengt.

Vijfenveertig jaar sinds ze trouwden, vol idealen en dromen. Vijfendertig jaar of zo sinds de scheiding, eenendertig jaar sinds het sterven van Gert, twintig jaar sinds mijn zusje stierf. De tragiek dringt zich aan je op maar is niet in woorden haast te vatten. En de jaren gaan zo ontzettend snel voorbij.

Soms doet dat voortjagen van de tijd geen recht aan levensomvattende, altijd weer onverwacht schurende en pijnlijke gebeurtenissen zoals deze. Ik heb de neiging mezelf te vermanen dat ‘het toch al zolang geleden is’ wanneer ik opeens weer terug ben bij ’toen’ en de littekens weer trekken en opspelen.  Maar het is goed er af en toe bij stil te staan. Gemeten naar het grote wereldleed is dit klein. Maar het grote leed is alleen te delen en begrijpen wanneer je het kleine leed mag voelen.

Trouwens wie ben ik om dit klein leed te noemen? Is er iets ergers dan je kind verliezen op deze manier? De beide moeders hebben hun kinderen jaren overleefd en hun verdriet gedragen als gelovige vrouwen doen. In hun zwakheid hun kracht gezocht bij God. Mijn moeder sprak er weinig over tot aan het einde van haar leven de blokkades wegvielen door dementie. Eigenlijk heeft ze toen voor het eerst echt gerouwd. Maar door de dementie bleef ze erin hangen, steeds weer kwamen de tranen en de het gemis. Tot, ‘dankzij’ diezelfde afschuwelijke ziekte, ook de herinnering aan Loesje (zoals mijn moeder haar noemde) vervaagde.

Tijdens haar begrafenis zongen we de psalmen en liederen die ze zelf had uitgezocht toen ze nog helder was. Niet één klaagpsalm, merkte de predikant op. Terwijl er toch genoeg reden tot klagen was. We zongen haar psalmen en liederen van verlangen. “Oh God, Gij weet hoe ik begeer, bij U te wonen in Uw hoven”. “Wien heb ik nevens u omhoog?”

Het is hoop en verlangen. Troost bij de God van Jacob, die ook de God van mijn moeder was, als het weer even pijn doet.