Logeren, leuke gesprekken en de Kerstman

kris, kerstvakantie 2013

Mijn kleinzoon van net 5 is nogal goed van de tongriem gesneden. Hij gebruikt lange volzinnen, met veel komma’s en bijzinnen, zoals: dat heb ik in de film gehoord, dat is die film die heet Madagascar, die film ken jij waarschijnlijk niet, maar in ieder geval, daar zei dat ene figuur, die heet zo-en- zo, dat weet je natuurlijk ook niet, het was trouwens Madagascar 3, maar die zei dat  en dan volgt het feit dat hij oorspronkelijk wilde meedelen. Hij logeert momenteel bij ons dus ik kan weer volop genieten van zijn talenknobbel. Ik moet in verschillende talen zeggen wat blij is. Begin maar met Koreaans, dan Duits.. En na iedere uitleg volgt het woord: logisch, dus, met twee geheven handjes.

We zitten in de auto, op weg naar huis, na bij familie gegeten te hebben, z’n geliefde tante Saskia. Wat zullen we morgen eten, Kris, vraag ik, om wat te kletsen te hebben. Jij vindt schelpjes toch lekker? Met vragende stem: Schelpjes? Ja, van die macaroni, weet je wel? Of vlindertjes? Opnieuw vragend: Vlindertjes? Ik krijg het gevoel dat ik niet helemaal overkom en bedenk dat hij geen macaroni zegt thuis, maar pasta. Pasta schelpjes, voeg ik er dan ter verduidelijking aan toe. Ik draai me naar hem om, verwachtingsvol. Hij kijkt me koel aan. Ik begrijp totaal niet waar je het over hebt, oma. Ik draai me snel weer terug, omdat ik hem niet wil laten zien dat ik moet lachen. Trouwens, ik hou van alle pasta, hoor, klinkt het nog troostend  van de achterbank.

Voor we weer gaan eten gaan we eerst slapen en is er nog de hele dag om te leven en dingen te doen. Na een vroege start, is er van alles om mee te spelen, maar wel het liefst mét oma of opa. Puzzels, werkboekjes van de HEMA, Boggle, alles in nauwe samenwerking met de op dat moment beschikbare volwassene. Die om en om nog even een dut doen om het vroege opstaan te compenseren. Na de koffie gaan we naar het Universiteitsmuseum in Utrecht, enigszins twijfelend of het al wel interessant genoeg is voor hem, maar a la, we zien wel.

Binnentuin Universiteitsmuseum
Binnentuin Universiteitsmuseum

Bij de ingang krijgen we een speurtocht. Er moeten 8 sneeuwballen gevonden en vragen beantwoord. Van de antwoorden verzamel je de letters en als je het goede woord hebt krijg je een verrassing. Dat is een scherpe motivator voor de kleine man. We worden het museum door gejaagd in een afmattend tempo. Iedere poging iets te bekijken, of zelfs hem tot een proefje te verleiden wordt direct getorpedeerd: Ja, maar we gingen toch sneeuwballen zoeken? Kom!

Na een uurtje hebben we de ballen allemaal gelokaliseerd en de (moeilijke!) vragen beantwoord. Echtgenoot neemt Kris mee om de verrassing uit te zoeken: een kompas. Wellicht heeft hij nu wat rust om nog het een en ander te bekijken. Voor ons plezier sjouwt hij nog wat mee, sjok, sjok, bekijkt een verzameling geprepareerde dierentongen op sterk water met ontzag en zegt dan gedecideerd: nu wil ik naar huis. We doen nog een rondje tuin, prachtige binnenhof. In de auto hebben we een vermoeiende conversatie over het kompas. Leg maar eens uit aan een 5 jarige wat nu precies Noord-Zuid-Oost-West is. En Kris geeft niet snel op. Ik ben blij als we bij de Jumbo aankomen!

Kris kerst vakantie12-13

Na de Jumbo waar we pizza’s halen en na Happy Feet gekeken te hebben, oma half slapend, is de dag alweer voorbij. De pizza gaat er in als koek. Nu wil ik een boekje over God. Kris bedoelt de Bijbelboekjes die we vroeger ook aan onze kinderen voorlazen. Tijdens het opruimen zegt hij: Jezus is toch de kleinzoon van de Kerstman? Dat zei jij, oma, vorige keer. Ik wil hem niet gelijk afvallen, maar ondanks het feit dat ik erg flexibel ben in de beleving van religie van mijn kleinzoons, kan ik me niet voorstellen dat ik dit ooit beweerd zou hebben.

Ik probeer mee te denken, Jezus de kleinzoon van de Kerstman….Bedoel je dat Jezus de zoon van God is, heb je dat gehoord? Dat blijkt het goede antwoord. Het is ook erg verwarrend allemaal. De maand december zit zo vol met Personen- met- betekenis voor een kind. En dan bij opa en oma ook nog God en Jezus.

Want er zijn drie Jezussen, zegt Kris en één is de Kerstman en de andere God.

Dat is nog eens een uitdagende Triniteitsleer voor opa Kim!

Het houten kistje

Mijn moeder bezat een houten kistje. Het kwam uit haar familie, een mooi, klein, bewerkt naaikistje. Het was al een eeuw oud, gemaakt door een voorvader voor zijn verloofde, ik geloof mijn betovergrootmoeder. Op de voorkant was ruimte voor een miniscuul fotootje van de geliefde, en mooie, donkerharige vrouw.

Het was niet zomaar een simpel doosje, rechthoekig, gemaakt van vurenhout of zo. Nee, het was van mahonie en ingelegd met een lichter soort hout, met rondingen en welvingen. Een heel vrouwelijk, sierlijk kistje. Thuis stond het altijd bovenop de antieke kast, die mijn ouders koesterden. Die kast kwam uit de schoonfamilie van één van mijn zussen, maar was permanent uitgeleend aan mijn ouders door haar.

Die kast is tot de één na laatste woning van mijn moeder meeverhuisd. In het verpleeghuis, waar ze uiteindelijk terecht kwam vanwege dementie, was er geen plek meer voor. Het kistje heeft haar wel tot het laatst vergezeld. Op een gegeven moment verhuisde het van bovenop de kast naar een (oneerbiedig) plekje half onder haar stoel. Het diende nu een doel. Het werd weer gebruikt, zoals het wellicht ooit dagelijks was gebruikt door mijn overgrootmoeder.

Maar er zaten geen naaispulletjes in. Het kistje raakte gevuld met kostbaarheden. In mijn moeders ogen althans. Oude brieven, oude kaarten, oude rapporten, oude diploma’s, oude foto’s. Het overgrote deel kwam uit de nalatenschap van mijn zus Loes, die gestorven was in 1992. Mijn moeder was 75 jaar toen mijn zus zichzelf van het leven benam, na jaren van psychisch leed.

Sinds die tijd verzamelde mijn moeder van alles en nog wat in dat kistje dat haar aan Loes herinnerde. Zoals ooit de moeder van Mozes een biezen mandje maakte om haar kind te redden, zo gebruikte mijn moeder dat kistje om haar kind vast te houden. Bij ieder bezoek dat ik aan haar bracht reikte ze na een tijdje naar de grond en kwam het kistje op haar schoot te staan. De scharnieren waren al kapot, het deksel zat er nog maar half op, zo puilde het uit. Geen wonder. Werkelijk alles zat erin. Zwemdiploma’s uit de vijftiger jaren. Schoolrapporten van het gymnasium. De bul van de universiteit. (‘Wat was ze knap, hè? Cum Laude!’) Oude schoolfoto’s, oude kinderfoto’s, oude pasfoto’s. Foto’s van haar klas toen ze lerares was, sinterklaasgedichten uit lang vervlogen tijden, programma’s van concerten waar ze samen geweest waren. En bij ieder bezoek moest ik het allemaal bekijken en bewonderen. Keer op keer. Alsof het voor het eerste was.

Dat ging me niet altijd makkelijk af. Mijn zus was dood en ik zat springlevend bij mijn moeder in de kamer. Maar al haar aandacht ging op aan de herinnering. En alle energie aan het verdriet om haar sterven. Ik kreeg een hekel aan dat kistje. Hoe mooi het ook was en hoe dierbaar voor mijn moeder.

Ik realiseerde me dat het een heel oud kind gevoel was dat naar boven kwam. Als jongste in een groot gezin ervaar je vaak dat de meeste aandacht van je ouders uitgaat naar de sores en besognes van oudere broers en zussen. Jouw taak is het om lief te zijn en vooral niet nog meer problemen in het leven van je ouders te brengen. Zo heb ik tenminste mijn kindertijd ervaren.

Dus toen ik als vrouw van middelbare leeftijd in de kamer bij mijn moeder zat en weer moest  luisteren naar haar verdriet over mijn oudere zus kreeg soms sterk de neiging dat kistje over het balkon te smijten. Ik zit hier nu toch? Wees nou blij met mij!

Ach, nu, jaren verder, schaam ik me er wel voor, dat zo gevoeld te hebben bij een dementerende, oude vrouw. Dat kistje bevatte alle verlies voor haar, van haar geliefden. Man, jonge schoonzoons en dochter. Bij leven had ze daar nooit echt om kunnen rouwen, niet kunnen delen in elk geval. Daarvoor was ze te geremd en gesloten. Dat kwam pas toen de maskers afvielen door de dementie. Het was aan ons, de achtergebleven kinderen om dat nu op te vangen. Ik hoop dat we haar tot troost geweest zijn, ondanks alles.

Het houten kistje staat bij één van mijn broers nu, geloof ik.

Huis van Vrede

huisvanvredevrouwen

R. uit Iran overhandigt me gastvrij een bord met een vet gebakken ei. Of ik worstjes wil? Uh..nee bedankt, daar is mijn maag nog niet aan toe. Ik zit aan tafel met een Nederlandse vrouw uit Kanaleneiland met haar dochtertje van anderhalf, in een mooie kerstjurk. Naast haar een Indisch ogende jongen van een jaar of 8,9 met een groene snottebel. Mijn buurjongen, zegt de vrouw, hij komt mee naar de bijeenkomsten. En verder (behalve mijn echtgenoot) zit er dan R., politiek vluchteling uit Iran, mèt verblijfsvergunning. We eten een gezamenlijk kerstontbijt in Huis van Vrede, een geloofsgemeenschap op Kanaleneiland, een mooie wijk in Utrecht. Zo omschrijft de kerk zichzelf op haar blog huisvanvrede.org

Kanaleneiland, een mooie wijk? Dat is toch die wijk waar al die Marokkaanse jongeren je het leven onveilig maken? Daar is toch dat asbestschandaal pas geweest? Dat is toch die verpauperde Vogelaarwijk?

Ik geloof dat al die aannames wel een kern van waarheid in zich hebben. Het is een wijk waar je als vrouw, volgens mijn dochter die er werkt, soms hele rare woorden naar je hoofd geslingerd krijgt door jongetjes die nauwelijks uit de luiers zijn. Dat asbestschandaal was en is iets waar bewoners slachtoffer zijn van een woningbouwvereniging die zo min mogelijk geld wil uitgeven en dus de kantjes erbij afloopt. En de verpaupering is met het blote oog waar te nemen. Vooral in de wijken die op de lijst staan gesloopt te worden.

Maar vanmorgen zit ik aan de ontbijttafel in een nieuw gebouwde school, Hart van Noord, waar op zondagen Huis van Vrede samenkomt. Hier gaat het om mensen, om liefde, om relaties. En om Jezus. Daar wordt niet geheimzinnig over gedaan. Meneer Jezus, zoals een Marokkaans meisje hem, in antwoord op een vraag van de voorganger tijdens de overdenking, respectvol noemt.

Want na het ontbijt toveren vele handen de zaal om van eetcafé tot kerkzaal, met stoelen in rijen achter elkaar en ruimte voorin voor de voorganger en de muziek. Vandaag twee zangers en een celliste. We zingen wat liederen, ontvangen de zegen en alle kinderen mogen naar voren. Vandaag is de overdenking speciaal voor hen. Daar zitten ze dan. Wel dertig kids, uit alle stammen en talen. Chinese kinderen, Afrikaanse kinderen, blanke kinderen, kinderen uit het Nabije oosten, Turkije, Marokko, een zeer gemêleerd gezelschap.

Achterin komen er nog steeds mensen binnen voor het ontbijt. Er wordt zachtjes gekeuveld door de eters. Die zijn hier voor de gezelligheid en om hun kinderen mee laten doen. Zelf blijven de moeders achterin zitten. Maar de boodschap en de beamerplaatjes zijn overal hoor- en zichtbaar. De bevlogen voorganger communiceert de kerstboodschap helder en duidelijk: Het verdrietige lammetje dat gehoord had dat het geofferd moet worden, is blij als hij hoort dat iemand anders zich gaat offeren, zodat er geen dieren meer hoeven te sterven en alle mensen vergeven zijn en bij God mogen komen.huisvanvredekinderen

Na de bijeenkomst praat ik met Chinese vrouwen. Waar ze vandaan komen? Ze wonen al jaren in het A(siel) Z(oekers) C(entrum). Nieuw voor mij. Chinese asielzoekers. Ze zijn eenzaam, zitten opgesloten in kleine kamers, de gebruikelijke moeiten. Komen er wel mensen op bezoek soms, vraag ik aarzelend. Oh ja, mensen van de kerken doen heel veel en komen geregeld. Ik slaak een zucht van verlichting. Gelukkig wordt er naar hen omgezien.

Ik ben blij en dankbaar vanmorgen. Op Kanaleneiland. Vogelaarwijk, verpauperd en soms onveilig. Hier staat wel het Huis van Vrede. Jezus is er.

Kleinzoons

noahfietstochtjuni SAM_0380Kleinzoon Kris is nogal vlot van de tongriem gesneden, naast het feit dat hij zeer goed weet wat hij wel en niet wil. Gisteren op zijn verjaardag had hij veel Lego gekregen, wat direct met grote toewijding en concentratie in elkaar werd gezet. We hebben het hier niet over Duplo maar over Ninjago, vrachtauto’s en ander ingewikkeld bouwspul, wat mij in het geheel nooit heeft aangetrokken als kind. Niek (bìjna 8) en Kris (nu 5) zijn experts in Lego-constructie. Ook wel omdat hun moeder er altijd veel plezier in had en hen kan helpen als er even iets niet lukt. Daar had ik gelukkig toen de kinderen klein waren nooit ‘last’ van, van mij was geen steun te verwachten wanneer er iets niet ging zoals het moest. Ik zuchtte meestal diep en zei dat ik het heel vervelend voor ze vond en zo…

Kris was gisteren zo ingespannen bezig met zijn Lego dat andere cadeautjes op een stapeltje werden gelegd. ‘Maak je mijn cadeautje niet open, Kris’, had zijn tante Saskia al een paar keer aan gedrongen. ‘Nou nee, nu even niet, want ik moet eerst mijn lego af hebben’, antwoordde hij nogal vastbesloten. Om er vervolgens  troostend aan toe te voegen: ‘en dan maak ik het open hoor..’ Volgens mij had hij stiekem even gevoeld of er wellicht meer Lego aan zat te komen (het felst begeerd) en constaterend dat er in de platte pakjes andere dingen zaten, mochten ze wel in de wacht. Als kind heb je nog geen last van beleefdheidsconventies en zo. Later onder dwang van moeder gingen de pakjes alsnog open.

Zijn rapport van groep 2 was uitstekend, met een of twee ‘aandachtspuntjes’. Eén ervan was ‘zich presenteren in de groep’. Tot mijn verbazing, ik had niet de indruk dat hij ook maar enige moeite had met zichzelf te presenteren, groep of geen groep. Kris heeft een duidelijke stem, een duidelijke mening en geen moeite om die kenbaar te maken thuis en bij ons. Hij ging zelfs met Sinterklaas in discussie over het een of ander.  ‘Beetje minder mag ook wel’, roepen opa en oma af en toe vertwijfeld wanneer Kris iets in zijn hoofd heeft gezet.

Maar in de klas gaat het dus anders blijkbaar. Juf vertelde dat de kinderen tijdens het kringgesprek allemaal iets mogen vertellen wanneer ze hun vinger opsteken. Kris stak echter niet vaak zijn vinger op. Op een goeie dag wilde de juf Kris er wat meer bij betrekken. ‘En Kris, wil jij ons ook wat vertellen?’ Kris, nooit op zijn mondje gevallen antwoord: ‘heb ik soms mijn vinger opgestoken, dan? Als ik niet mijn vinger opsteek heb ik ook niet iets te vertellen, toch.’ Tja, je wilt je presenteren in de groep of niet….

Niek had een moeilijke dag gisteren tijdens de verjaardag van zijn jongere broertje. Al die aandacht, al die cadeaus…het gaat allemaal aan jouw neus voorbij. Maar na verloop van tijd knapte hij weer op, zeker nadat zijn pappa met hem was gaan tennissen buiten. Ook  Niek’s rapport was goed. Hij tennist, speelt piano bij een hele strenge juf…en knutselt zich drie keer in de rondte. Met zijn elastieken vingers knipt en snijdt en plakt en vouwt en bouwt hij dat het een lieve lust is. Later wil hij robots leren bouwen. Een veelbelovende tak van sport als je het mij vraagt.

Noah (bìjna 2) is volop de wereld aan het ontdekken. Vrolijk, ondernemend, nieuwsgierig (ís dat, oma? oma, dóe je?) en is al net zo’n (duplo)lego fanaat als zijn neefjes.

Prachtig om steeds weer vanaf zero die ontwikkeling te zien van geest en lichaam. Van volkomen afhankelijk babietjes, liggend in een wiegje, tot lopen, spreken, denken en een eigen persoonlijkheid.

Bron van vreugde.

 

Tussen IJsselstein en Schiedam

Ik weet het, ik ben er achter!

De allereerste keer dat ik in IJsselstein kwam wist ik het al: hier kom ik te wonen. Maar waarom? Er waren allerlei redenen, maar daarin onderscheidde IJsselstein zich niet van andere leuke stadjes. (Ik wist toen nog niet van het huis met prachtig uitzicht waarin we uiteindelijk kwamen te wonen). Nee, het was een onmiddellijke, onverklaarbare en instinctieve ervaring. Hier hoor ik, hier voel ik me thuis. Hoe kwam ik toch aan dat gevoel?

Nu weet ik waarom. Het heeft met Schiedam te maken. Schiedam is mijn geboortestad. Maar niet alleen die van mij.  Generaties en geslachten Sonnevelden en van Katwijken komen er vandaan. Vanaf minstens de 17e eeuw wonen en werken ze er.

Behalve die familiegenen is er nog iets wat bijna wel in het DNA van alle Schiedammers moet zitten: jenever. Schiedam is nu nog bekend in de hele wereld vanwege Ketel 1. Maar in de 18e en 19e eeuw stikte het in de stad van jeneverstokerijen. Het vervaardigen van jenever was een van de voornaamste bronnen van werkgelegenheid. Van de zakkendragers (met graan), de tonnenmakers, de brandersknechten die het vuur in de stokerijen dag en nacht brandende moesten houden, de flessenblazers, tot aan de hoge directeuren.

Nu terug naar IJsselstein. Tussen Schiedam en IJsselstein stroomt jenever. Grote delen van en rondom IJsselstein werden in de 19e eeuw opgekocht door twee directeuren van jeneverstokerijen uit Schiedam! Van het geld van de verkochte stokerijen, kochten ze in deze buurt landerijen en polders.

Ik róók het. De eerste keer dat ik hier was. Dat Schiedamse geurtje. En ik voelde me thuis. Zoals ik me thuis voel zo gauw ik mensen die met een Schiedams accent spreken, om me heen hoor.

Ik ben dus niet voor niets lid geworden van de Historische Vereniging IJsselstein! Mijn onverklaarbare band met dit stadje is door een artikel in hun blad duidelijk geworden…

Nestgeur?

oostersorthodoxpinkster-dienst

Ze gaat graag mee. Om half tien haal ik haar op, mijn taalmaatje. Ze is gelovig, komt uit een Oosters-orthodoxe kerk en mist de kerkgang in Nederland. Ik heb aangeboden haar mee te nemen naar een kerk in de buurt van haar huis. Met de achterliggende gedachte: dan kan ze er zelf heen lopen, ze kan er mensen leren kennen die haar door de week ook kunnen steunen waar nodig. Want ze heeft het niet makkelijk. Financieel, sociaal, in haar huwelijk, ze is eenzaam en mist haar moeder in de opvoeding van haar kindje.

We gaan naar de Nieuw Testamentische Gemeente in mijn woonplaats. Een nogal weidse naam, maar ik ken er iemand die ik vertrouw en die ook bij de ChristenUnie betrokken is. Zelfs raadslid is geweest. Wie weet kan zij een rol spelen in de ‘aarding’ van mijn taalmaatje.

We worden vriendelijk welkom geheten in de verbouwde school. Iedereen is vriendelijk, er lopen mensen van allerlei leeftijden, etnische en sociale achtergronden. De straatkrant verkoper die altijd bij onze Jumbo staat komt naast me zitten en we maken even verder kennis. Hij herkent mij (oh, oh, was ik wel vriendelijk genoeg? Gelukkig koopt echtgenoot altijd de krant..). En hij blijkt uit hetzelfde land te komen als mijn taalmaatje. Ze babbelen wat. Hij is aardig en legt wat dingen uit.

De dienst start. Met aanbidding. Veel zingen, staan, geheven handen, de band, nou ja, al met al ook niet geheel onbekend in mijn eigen gereformeerde wereld. Wel wat langer, wat veel herhaling en tussendoor meer praten. Na een poosje kijk ik links naar mijn gaste die één stoel verder zit. Haar hoofd is gebogen en ze frunnikt wat aan haar broek. Ik voel dat ze niet op haar gemak is. Ik ruil van plaats met degene die naast haar zit en vraag haar hoe ze het vindt? ‘Dit is niet mijn kerk..het is vreemd’ zegt ze enigszins beteuterd. ‘Zoveel lawaai’. Ik heb een beetje meelij met haar. Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik voor het eerst een dienst bijwoonde in een Pinkstergemeente. Ik had het liefst direct de kerk verlaten. De persoonlijke emoties van de mensen om je heen voelen heel vervreemdend wanneer je daar niet aan gewend bent.

Na een poosje begint de preek. Een goede boodschap over Jezus die kwam om te dienen, niet om gediend te worden, hoewel Hij alle recht had daarvoor gekozen te hebben. De spreker is vlot van de tongriem gesneden, maakt grapjes en spreekt snel. Het ontgaat N. volledig. Haar Nederlands is niet goed genoeg. Ook de krantverkoper kan het niet volgen en leest de bijbel in zijn taal.

Na de dienst geeft N. aan dat ze het gevoel had dat ze God aan het verraden was door bij deze dienst te zijn. Het is niet wat ze wil. Ik leg haar uit dat het ook niet het soort dienst is waar ik me echt thuis voel, maar dat het belangrijkste voor God niet is welke vorm een dienst heeft, maar of er uit Zijn woord gesproken en gezongen wordt. Maar dat gaat er niet in bij haar. Zo ga je toch niet met God om? Mensen slaan geen kruis….de muziek is lawaaierig, mensen knielen niet. Ze mist eerbied. Tenminste, zoals die vorm krijgt in de Oosters orthodoxe traditie.

Welaan. Om haar een (steun)kring van mensen te bezorgen bedacht ik dat de Pinkstergemeente daar de meeste kans op bood. Maarrr..mijn plan dient bijgesteld.

Volgende keer maar de katholieke kerk bezoeken. Mijn eigen kerk bevindt zich helaas niet in mijn woonplaats. Het doet me wel al meer gemotiveerd raken met mijn mede stadsgenoten een (huis)gemeente te beginnen.

Alles goed?

´Alles goed?´ Hoe vaak wordt het je niet gevraagd door willekeurig wie. Op straat, door de buurman, door kennissen, door collega’s. ´Ja hoor, alles goed´, roep je dan flink. Hoe het ervan binnen ook uit ziet soms. ´Prima! ’t Zonnetje schijnt, toch?´ Ondertussen ben je misschien wel zo depressief als een deur!

Net weer een stukje gelezen van een goede bekende die na de dood van haar kindje de vraag niet meer kan horen. Hoe bedoel je ‘alles goed’? Hoe kan nu ook maar één moment alles goed zijn, wanneer jouw kindje in een grafje ligt, in plaats van in het warme wiegje dat jij had klaar gemaakt?

Of,
Wanneer je weet dat de ziekte waaraan je lijdt niet meer over gaat?

Wanneer je kind verslaafd is aan drugs en van kwaad tot erger kom?

Wanneer je geliefde man of vrouw niet meer bij je is?

Wanneer je alleen door het leven moet gaan, terwijl je diep verlangt naar een partner?

Ik kan de lijst aanvullen met tientalle andere situaties, ieder voege de hare of zijne toe.

Ik pleit ervoor nooit meer te zeggen ´gaat het goed?’ Maar om een open vraag te stellen, zodat de ander, als die wil en de gelegenheid er is, ook kan vertellen hoe het echt is.

´Hoe gaat het met je?´ Met ruimte voor een antwoord. Want iedereen die je ontmoet voert zijn of haar eigen strijd.  Dan kunnen we die maar beter delen, toch?

Het ‘schone’ virus en nostalgie

Ik lijd aan een milde vorm van smetvrees. Voordat iedereen schrikt zal ik het wat positiever formuleren: ik heb een grote behoefte aan een schone omgeving. Ik had een schone moeder. Niet dat ze 24/7 aan het poetsen was, maar ze was wel schoon. Ze had een routine die ze tot op hoge leeftijd volgde: ’s ochtends ‘werken’, vervolgens de middagboterham, dan een korte dut. Daarna boodschappen doen en dán (pas nadat de kinderen de deur uit waren)  een uurtje ontspanning. In haar geval, lezen of oer-moeilijke cryptogrammen oplossen. Toen we allemaal nog thuis woonden kwam de ontspanning pas na negen uur. Na het sokken stoppen en elastiek rijgen in de ontelbare onderbroeken.

In mijn kinderjaren kwam op vrijdag altijd de onovertroffen werkster, juffrouw Boenders. (Ja, zo heette ze echt). Ze was overigens getrouwd met meneer Boenders, dus het ‘juffrouw’ was nog een laatste verwijzing naar de Nederlandse standenmaatschappij, waarin ‘lagere’ klassen zich geen mevrouw lieten noemen, denk ik. Juffrouw Boenders was een klein, gerimpeld, hardwerkend vrouwtje. Ze had zelf geen kinderen en ze was gek op mij. Ik was nog thuis (3 jaar) toen ze bij mijn moeder kwam werken en ik heb veel herinneringen aan haar en de uren die ze werkend doorbracht.

De geur van meubelwas en koperpoets (mijn moeder hield van koper), de koude tocht omdat alles open moest, de fascinerende bewegingen van het uitslaan van een stofdoek of een zeem (iedere week de ramen zemen!). Het holle geluid van de mattenklopper op tapijt dat werd uitgeklopt. En ik raakte  besmet door het voldane gevoel dat moeder en juffrouw Boenders uitwasemden als alles weer op z’n plek stond. Schoon, glimmend en stofvrij.

Mijn moeder hield zelfs, tot op enkele jaren voor haar sterven, de gewoonte vol om ’s ochtends ‘werkkleding’ te dragen. Daarin kon ze niet naar buiten eigenlijk, vond ze. En er bezoek in ontvangen kon helemaal niet. Als ik haar wel eens verraste was dat meestal het eerste wat ze uitriep: Maar ik loop nog in mijn werkkleding! Ik zag slechts een keurig geklede oude dame, maar voor haar gevoel liep ze er ‘onverzorgd’ bij.

Een schone, nette, gedisciplineerde moeder dus. Voor wie gezelligheid overigens heel belangrijk was. Poetsen deed ze als we weg waren op school. Als we thuis waren was het ´klaar´. Zogenaamd, want met vijf kinderen was er constant werk aan de winkel.

Naast deze schone moeder was ik ook nog eens belast met een hele schone vader, die ook nog eens uiterst opgeruimd was. Overal keurige stapeltjes, gesorteerd en wel. Uiterst schoon op zichzelf. Ik zie hem nog altijd na z’n middag- of ´na-het-eten´-dut, uitgebreid zich wassend bij de wasbak. Of de vaat spoelend, zo grondig dat afwassen in mijn ogen bijna overbodig leek. En in de tuin hadden vallende herfstblaadjes geen schijn van kans. Desnoods met stoffer en blik werden ze onverbiddelijk verwijderd van het gras. Mijn vader hield van opgeruimd en netjes. Ik ben dus van beide kanten besmet.

Nu is het probleem dat ik wel graag wíl dat mijn omgeving schoon is, maar dat ik geen zin heb in de inspanningen die het vergt om zover te komen. Ik ben namelijk ook enigszins lui in aanleg. Mijn moeder vroeg zich altijd af van wie ik dat toch had. Het rommelige en vooral het knoeien en wild rond ´spatten en sproeien´ met koken. ‘Bourgondisch’ vond ze dat. En het leek wel een beetje op mijn oma Sonneveld, die ook graag kookte en wat minder netjes was. (Alle mindere kwaliteiten kwamen van de Sonneveld kant van de familie, als ik mijn moeder moest geloven, haha)

Hoe dan ook, er bestaat dus een waar spanningsveld in mijn leven tussen schoon willen zijn, maar geen zin hebben in poetsen.

Al mijn hele leven zoek ik naar slimme, weinig inspanning vereisende oplossingen. (jammer dat de kinderen de deur uit zijn) maar als puntje bij paaltje komt is er geen ontkomen aan: emmers, soppen en zweten.

Ik heb het dan vooral over WC’s en badkamers (haren in het putje!), gevolgd door keukens en vloeren. Ik hoop altijd dat één keer goed zuigen en soppen afdoende is, maar de ellende is dat het nooit ophoudt. Voordat je het weet is er al weer (ruim) een week voorbij en heb ik niks gedaan in mijn huis. Ik zie de bacteriën zweven, verbeeld me dat ik ziek word, alles plakt en de stofpluizen en poezenharen vliegen me om de oren. Er móet weer iets gebeuren, dat is duidelijk, maar heeft het werkelijk zin? Haalt mijn sopdoek de bacteriën echt weg of is het maar een illusie?

Zuchtend haal ik de emmers maar weer tevoorschijn. In mijn werkkleding. En in tegenstelling tot ooit mijn moeder, kan ik daar echt niemand in ontvangen.

In weelde baden

‘Tachtig procent van de voorraden op de wereld wordt opgebruikt door twintig procent van de wereldbewoners. Of ik er nu voor mijn gevoel krap bij zit of niet. Ik behoor tot de rijkste groep mensen ter wereld’.

Auw..!Ik schoot rechtop in mijn stoel. Ik zat in de kerk en de opmerking kwam van de predikant in zijn preek. Het relativeerde onmiddellijk mijn kleine sores van onverwachte rekeningen, huurverhogingen en oplopende prijzen voor gas en licht. Genoeg, dreunde het door me heen. Ik heb méér dan genoeg. Drie maaltijden per dag (overvloedige), tussendoortjes, koffie, thee, een wijntje op zijn tijd en taart op mijn verjaardag. Ik hoor bij de “happy few”…!

Het kan me aanvliegen, al die miljoenen mensen met honger (870 miljoen mensen in Gods wereld gaan met honger naar bed) en gebrek. Volgens de website Time to Turn http://www.timetoturn.nl/downloads/armoede/ kunnen we zelf  zoveel meer doen voor een eerlijker wereld. Er gaat een roep uit van de armen op deze wereld, zegt Jacobus in hoofdstuk 5 van zijn brief in het NT, ‘U hebt op aarde in weelde gebaad ….en uzelf vetgemest’ . Hij spreekt de rijken aan en als vanzelf denk je, dat gaat niet over mij…Maar tijdens de preek schrok ik. Het gaat wel over mij. Ik hoor bij de twintig procent die het brood als het ware steelt uit de monden van miljoenen armen.

Hoe kan het anders? In Sophie (uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie ) las ik over een theorie voor een nieuwe economie, ontwikkeld door medewerkers van een denktank op Europees niveau van christendemocraten. Niet het kapitalisme (winst, winst en groei),  maar een ‘relationele economie’. ‘God wil goede relaties, tussen Hemzelf en de mensheid en tussen mensen onderling’. Ook in de economie zijn relaties en vertrouwen belangrijk. En in relaties gaat het om verantwoordelijkheid voor de ander en niet alleen om eigen belang. Recht doen aan mensen, ook in economisch verband, is waar het om draait in een door Gods gerechtigheid geïnspireerde maatschappij.

Ik ben geen econoom en kan zo’n theorie niet geheel beoordelen, maar mijn hart wordt er wel warm van. Ik hoor de adem van de Geest er in. De ander zoeken. Ons niet verrijken ten koste van de zwakke ander. Niet een ‘alsmaar méér’ economie, maar een economie van het ‘genoeg’.

Idealistisch? Nee, ik durf te geloven in de zegen van God wanneer personen en naties zich bekeren en gaan leven volgens Gods principes. Stel je voor, iedere 50 jaar kreeg een Israëliet zijn land terug, hoe arm en aan lager wal hij ook was geraakt. Een nieuwe kans. Het land was immers niet van hem of iemand anders? Het behoorde gewoon aan God (Leviticus 25). Rente vragen op een lening aan iemand die tot armoede was vervallen was ongeoorloofd. Griekenland en Spanje zouden er wel wat aan hebben! Om over landen in Afrika maar te zwijgen.

Die grootmoedigheid van God wil ik weerspiegelen in mijn eigen leven. En het vertrouwen dat Hij vroeg aan de Israëliet in het OT wil ik ontwikkelen in een leven zonder duizend en één vastigheden. Eenmaal in de zeven jaar moesten zij het land braak laten liggen. Als een oefening in vertrouwen. ‘Als je je afvraagt waar je van moet leven in het zevende jaar, als je niet mag zaaien en oogsten, bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is’ (Lev. 25:20-22).

Vertrouwen als geloofsdaad, als het lijkt dat je er alleen op achteruit zal gaan wanneer je anderen te hulp schiet. Eens kijken of hier iets van terug te vinden is in het nieuwe regeerakkoord.

Aangrijpende cijfers op deze pagina:
FAO-infographic-SOFI-2012-

Een predikant is zijn pensioen waard

De redactie van Pro Minesterio (een tijdschrift waaruit ik citeer in deze blog) wees me op zachtmoedige wijze erop dat PM alleen voor intern gebruik is en dus niet geciteerd mag worden zonder toestemming. Als ik dit er even bij wilde zetten was er verder geen probleem. Bedankt redactie voor de vriendelijke, terechte correctie!

Pensioenrechten opgeven

In het Nederlands Dagblad van 22 oktober stond een, op het oog, sympathiek artikeltje van ds. Jaap Oosterhuis. Een oproep aan collega predikanten in de vrijgemaakte kerken om hun pensioenrechten af te staan. Zoals Paulus ooit zijn recht op salaris opgaf (opdat men hem niet zou verdenken van geldzucht), zo zouden vrijgemaakte predikanten moeten afzien van hun recht op pensioen. Het wordt immers steeds duurder voor de kerken om voor de pensioenen van hun predikanten te sparen (nu al € 120,00 per kerklid per jaar). Het gevaar dreigt dat het geld van de kerken opgaat aan dit soort zaken, in plaats van meer belangrijke.

Het klinkt sympathiek. En gelovig. Vertrouwen op Gods zorg, nu en voor de dag van morgen. Niet steeds bezig zijn met je schaapjes op het droge te krijgen, zodat je van een ‘onbezorgde oude dag’ mag genieten, zoals de reclame ons nog steeds wil doen geloven dat dat kan. Als je 65 bent, pardon, 67, mag je gaan reizen, een boot kopen, vakantie vieren op Bali, op wintersport gaan, en voor de variatie nog een leuke stedentrip maken of een tuinenreis in Engeland. Daar heb je toch voor gewerkt?

Goed, dit soort Zwitserleven is nog maar voor een zeer kleine, rijke elite mogelijk. Geen predikant, vrijgemaakt of niet, die dáár ook voor werkt. Integendeel. Ik ken heel wat predikanten en ik heb de indruk dat ze hard werken voor hun loon. En dat hun loon niet vaak naar werken is. Dat hoeft ook niet. De diepste motivatie voor een beroep als predikant is tenslotte een andere dan de vergoeding die er tegenover staat. Dat is ook zo met veel andere beroepen!

De werkelijkheid

Maar de rekeningen moeten wel betaald. Zo nuchter is het leven en zo nuchter is Paulus gelukkig ook. Een arbeider is zijn loon waard. Ook een predikant heeft tenslotte (meestal) gewoon een gezin, gewoon een huis en gewoon een (tweedehands) auto die naar de garage moet voor de APK. En daar heeft hij gewoon harde euro’s voor nodig. Met een gemiddeld salaris betekent dat geen vetpot. Bijvoorbeeld:  tot voor kort werd er van vrijgemaakte dominees verwacht dat ze hun kinderen naar (verre) vrijgemaakte scholen stuurden. Treinabonnementen door de jaren heen worden steeds duurder en aangezien predikanten gemiddeld gezien grotere gezinnen hebben, tikt dat behoorlijk aan. Ieder jaar kwam het bij ons terug in september: drie of vier kinderen elk voor 1000-1500 gulden (toen nog) een jaarabonnement. Het bankkrediet was geduldig. Maar van sparen komt het dan niet. En als kleine zelfstandige (ja, al jaren houden predikanten een winst- en verliesrekening bij, alsof we een winkel hebben) val je te vaak in de meest ongunstige belasting tarieven.

Sparen

In een ander tijdschrift, Pro Ministerio, las ik een bijdrage van de eveneens vrijgemaakte ds. Ernst Leeftink. Ook over pensioenvoorzieningen. Hij rekende zijn collega’s voor dat er makkelijk te sparen valt omdat de meeste predikanten in een pastorie van de kerk wonen en daarvoor minder hoeven te betalen dan de gemiddelde Nederlander betaalt aan woonkosten. Het geld dat overblijft kan dan op de spaarrekening voor het extra pensioen bijvoorbeeld.

Tja. Fijn al die collega predikanten die blijkbaar hun financiën op orde hebben en zelfs aan sparen toekomen, dacht ik, toen ik het las. Minder fijn voor al die collega predikanten die  in andere omstandigheden verkeren. Want er wordt een beeld geschapen dat niet met mijn werkelijkheid overeenkomt. Veel predikanten moeten sappelen om rond te komen. Dat geeft niet, zo sta je dichtbij het gemiddelde gemeentelid dat ook moet bikkelen. Zolang dat maar gezien en erkend wordt. Maar het drama vind ik, dat er nog altijd een beeld bestaat dat een predikant makkelijk rond komt en geen financiële zorgen kent. Dat beeld wordt onder meer bevestigd door artikelen zoals boven genoemd.

Geen zorgen?

Net als de meeste Nederlanders hebben predikanten in de vrijgemaakte kerken ook hun financiële noden. Voor iedereen is de situatie anders. Ieder gezin is anders en heeft zo zijn bijzondere financiële behoeftes. Vergeet ook niet dat de meeste predikanten geen kapitaal opbouwen door het bezit van een huis. Bij pensionering verlaat je de laatste pastorie met je boeltje en dat is het dan. Een schat aan vrienden en bekenden uit alle gemeentes waar je hebt gewoond, maar geen schatten aan geld of bezittingen. Gelukkig maar. Zo ga je lichter door het leven. Maar zonder pensioen kan ik geen huis huren in de vrije sector waar ik noodgedwongen terecht kom omdat ik nergens een economische binding heb. En ik kan ook niet rusten op mijn lauweren, er moet gewoon bij geklust worden om de rekeningen te betalen. Niks aan de hand, zolang God ons gezondheid geeft. Heel Nederland moet harder werken. Maar er komt een moment dat we mogen minderen en op een andere manier de maatschappij mogen dienen.

Ik zeg: Een predikant is zijn pensioen waard.

Nog een aantal tips voor predikanten die na hun pensioen er wél warmpjes bij willen zitten, zonder bijbaan:

1. Ga niet een periode voor de kerk naar het buitenland waarna je helemaal opnieuw moet starten op eigen kosten

2. Ga niet in een gemeente wonen waar geen scholen in de buurt zijn

3. Verhuis vooral niet te vaak

4. Gebruik altijd het vakantiegeld om extra rekeningen te betalen

5. Ga vooral als vrouw van de predikant werken

6. Laat je kinderen niet studeren

7. Koop nooit een (geldverslindende, tweedehands) auto, laat je rond rijden door je gemeenteleden

8.  Bid veel