Vakantie-ervaringen met ons nageslacht – 2

We zitten in de auto op weg naar het strand. Ditmaal met kleinzoon Niek van 9. Strandspullen achterin, water bij de hand, rijden maar, naar Wassenaarse Slag. Mooier en schoner strand dan Scheveningen, vinden we inmiddels. Ik ben voorbereid op een interactieve autotocht. Eindeloze spelletjes en zo als een paar dagen daarvoor met broer Kris. Maar Niek vraagt of Sky radio aan mag. Natuurlijk! Ik babbel er gezellig tussendoor, gewillig als ik ben verveling te voorkomen.
‘Oma, ssshtt’, zegt Niek, ‘zo kan ik niks horen!’
‘Oh, ok…goed hoor, sorry’. Ik kijk naar buiten en geniet van de groene Hollandse weilanden.

 

meMMandniek
Niek keurt mijn selfie van nieuwe #MaliaMills tankini uit de VS

We rijden in een weldadige stilte, behalve de muziek dan, naar het strand. Niek droomt. Ik had het kunnen weten. Als klein jongetje al vertrok hij naar zijn eigen wereldje, vooral in de auto. ‘Nu even niet, oma’, zei hij dan, als ik contact zocht. Op mijn vraag waaraan hij dan dacht schudde hij zijn schouders: ‘gewoon, niks’.

Dat vraag ik nu niet meer. Af en toe vragen we of hij iets van het Engels verstaat, maar eigenlijk interesseert hem de tekst niet zo. Het is de muziek die hem betovert, of niet.

Niek bestudeert de andere gasten in het pannenkoekenhuis
Niek bestudeert de andere gasten in het pannenkoekenhuis

De volgende ochtend, na een geslaagde stranddag word ik rond kwart over acht wakker. Er ligt iets over me heen gedrapeerd. Het is het tanige, gespierde lijf van Niek.
‘Oma, word ’s wakker, hoe werken de afstandsbedieningen van de TV?’ Ik wrijf de slaap uit mijn ogen en zeg slinks dat hij dat aan opa moet vragen, die weet precies hoe het moet. En ik draai me nog een keertje om.

Als ik beneden kom is hij de klassieker Karate Kid uit de jaren tachtig aan het kijken. Geweldige film. Twee delen zelfs. Niek is een Kungfu’er en vind de Karate Kid uit 2000 nog interessanter. De oudere gaat over karate, de nieuwere over zijn geliefde kungfu. Ook die is meegekomen in de rugzak.

Ik vraag: ‘Hoe vaak heb je die film al gezien inmiddels?’, in de veronderstelling dat het de tachtigste keer is of zo.
‘Niet zo vaak nog, want als ik hem thuis kijk gaat Kris (6) erdoor heen praten en klieren en dan doen we een andere film’. Het lot van de oudste. Hij kijkt er vrij laconiek bij dus hij lijdt er blijkbaar niet onder. Maar nu wil hij dan ook achter elkaar alle twee delen zien! Om half elf is hij nog aan het kijken. Dan komen de tantes en andere oma en mamma om met deze oma te gaan kringlopen. De mannen gaan naar het strand, met de (klein)zoons.

Na een lange warme middag verzamelen we ons weer om iets te eten van de Chinees. Niek is in een scherpe schelp gestapt (een scheermesje) en is bij de reddingsbrigade geholpen. Nu zit hij met zijn voet in een bak (groene) Biotex sopwater, op aanraden van de EHBO’er daar, verzorgd door opa, die zelfs de Biotex vond. Wat een wonder is, aangezien ik zelf niet wist dat we dat in huis hadden. De vrouwen hebben allemaal erg medelijden, maar Niek is een kanjer. Hij heeft niet gehuild zelfs. Met het laptopkussen op zijn schoot smult hij van het bordje bami+saté, met stokjes.

Een tweede nachtje wil hij niet meer blijven. Dat heeft misschien te maken met de schelpensnee. Of misschien met de kerkgang de volgende morgen…een beetje saai. En nu jongere broer nog wel een nachtje bij de andere oma blijft heeft hij nog mooi gelegenheid de rest van de films af te kijken!

Vakantie-ervaringen met ons nageslacht I

Vakanties zijn aangebroken, ook de late, dus het is tijd voor ‘quality time’ met de kleinkinderen. De eerste die bij ons logeren kwam, was onze zesjarige Kris. Gebracht door mamma gaf hij haar al snel te verstaan dat het eigenlijk niet de bedoeling was dat ze nog bleef koffiedrinken. Als kind vond ik dat ook vervelend. Logeren betekent dat jij het onderwerp van aandacht bent en niet je moeder. Mijn moeder bleef altijd eindeloos kwekken en plakken omdat ik nogal heimwee-achtig was aangelegd. Maar dat kwam altijd pas later.

Kris raakte helemaal ongeduldig toen bleek dat zijn moeder ook nog een cd’tje met foto’s van haar recente promotie bij zich had. Of we die allemaal gingen kijken? Dat was wel de bedoeling. We vluchtten dus naar boven, terwijl opa zich over de logé ontfermde.

Eindelijk vertrok mamma en konden we tot zaken komen. Wat gaan we doen? Dat wil Kris altijd graag weten. Gefocust als hij is op zijn ruim twee jaar oudere broer Niek (9), is hij meestal wat gedesoriënteerd in het begin van een partijtje logeren. Hij loopt wat rond. Haalt vervolgens de spelletjes uit zijn rugzak die hij van huis heeft meegenomen en stelt een rondje UNO voor. Ik ben geheel op twee dagen spelletjes doen voorbereid (Kris is de spelletjesman), dus stem van harte in. Tuurlijk! Gezellig!

krispizzaHet regent buiten. Minder geslaagd. Maar niet getreurd, opa is de filmman, en Kris is een kleinkind van deze opa, dus de bioscoop is een goeie optie voor de middag. Welke film er speelt, wil Kris wel eerst weten. Planes 2, zegt opa. Hmmm, reageert Kris twijfelend: ik ben niet zo van Cars en zo… is er niet een andere film? Helaas nee, IJsselstein heeft maar één theater, met één filmzaal. Daar zijn we al trots op. Nou ja, ok dan, zucht Kris. Dan gaan we wel naar Planes. Ook hier blijkt de invloed van zijn broer van 9…Die vindt Cars ‘kinderachtig’…(Hoewel die op zijn zesde er nog mee speelde). Na afloop blijkt dat Kris genoten heeft!

En nu? Even TV kijken, stelt Kris voor. Nee joh, je hebt net 2 uur een film gezien! We gaan boodschappen doen, op de fiets! Dat blijkt nog een hele onderneming, want Kris converseert graag en doet dat het liefst met oogcontact en een omgedraaid hoofd. Als ik achter hem rijd is dat bij tijden niet geheel zonder gevaar. Ik kies zoveel mogelijk achteraf paden. Bij ‘rechts’ verstaat Kris soms ‘rechtdoor’ wat tot twee bijna valpartijen leidt. Oma…!! Je moet ook zeggen waar je heen wil!! Kris staat zijn mannetje. Thuis maakt hij pizzadeeg, met overgave, en houdt nauwkeurig in de gaten dat er op zijn helft géén tomatenschijfjes gelegd worden. Alleen salami en kaas, oma! De pizza smaakt geweldig. De vitamientjes eten we door er rauwe paprika bij te eten. Géén groene, oma.

kriskimstrand14De volgende dag is het stralend weer en besluiten we naar het strand te gaan. Dit keer niet naar Scheveningen maar naar Wassenaarse Slag. Prachtig strand, woelige zee, felle zon. We genieten. De tocht erheen was zo voorbij door het eindeloos spelen van ABC zoeken langs de weg en ‘Ken je mijn vriend?’, een spelletje dat ik al speelde met mijn moeder in de auto. Als we even geen spelletjes spelen is er altijd nog de vragende Kris. Kris reflecteert namelijk op alles wat hij ziet. Hij slikt ook niets voor zoete koek. Waarom? Dat is zijn levenshouding. Analyseren van de werkelijkheid tot op het bot, zeg maar. Het strand bestaat uit zand, maar waarom? En waar komt al dat water in de zee eigenlijk vandaan? Waar was dat eerst? En de schelpen? waarom zitten die in het zand? En wat zit er onder het zand, als je diep graaft? Eerst water, maar dan? Wat dan? Soms heeft Kris zijn eigen antwoorden, en daar kun je dan niet veel aan toevoegen, of het nu juist is of niet. Ook hier staat Kris zijn mannetje. Dat blijkt op de terugweg ook weer tijdens een hernieuwde ronde van het ABC-spel. Volgens Kris komt eerst de O en dan de N. Als ik volhoud dat het alfabet echt vaststaat is Kris het daar zeer mee oneens. Kijk oma, ik doe het gewoon op mijn eigen manier. Jij weet niet hoe dat moet. Als ik (riskant, ik weet het) erop sta dat we het spel volgens mijn alfabet spelen, zoals hij het ook op school leert heerst er eerst een pijnlijk en diep stilzwijgen achterin. Okay dan…, zegt Kris. Als het dan per se moet van jou…

Op de terugweg observeerde Kris nog dat als er helemaal geen andere mensen op de aarde waren het wel heel zielig voor één persoon zou zijn. Wel dieren en zo maar niemand om mee te praten. Je hoorde daarin zijn eigen grote behoefte aan gesprekspartners. Ik zei dat het me deed denken aan het verhaal van Het Begin, over hoe God alles maakte en ook Adam. En dat Adam zei dat hij zich alleen voelde. Nou, zei Kris, dat kan ik me wel voorstellen. Dieren zijn leuk, en wij zijn ook een soort dieren maar toch anders. En vervolgens moesten we verder zingen, want dat vindt Kris ook ontzettend leuk.

En toen kwam na het eten pappa hem weer ophalen.

 

Home en thuis

Home. Een gevleugeld woord in ons gezin. Sinds de film ET, waarin het vertederende en komische buitenaardse wezentje terecht komt op planeet aarde en met zijn vinger blijft wijzen naar boven, naar de planeet waarheen hij terug wil: Hoooommme, ET hooooommme…!

Sindsdien gebruiken wij het woord in die betekenis. Als we ergens klaar mee zijn. Hoe leuk het verder ook was, hoe nuttig, hoe interessant, er komt dat moment waarop we elkaar aankijken en alleen maar ‘hoooomme’ hoeven te zeggen om te weten dat het menens is: echt tijd om naar huis te gaan. Echtgenoot, die altijd langer door kan dan ik, verzet geen stap meer als ik verlangend en smekend dat woord uit. Hooomme!

‘Home’ is niet: op tijd thuis zijn voor het eten, op tijd om nog wat andere klusjes af te maken, op tijd voor de oppas (vroeger), op tijd voor andere afspraken. Dan is het gewoon: tijd om naar huis te gaan. ‘Hooome’ is verlangen naar Thuis, naar rust, naar alles wat bij thuis hoort: geuren in de tuin, geluiden, plekken en gevoelens. Veilig. Weg van vreemden en anderen. Geborgen, omringd met vertrouwde en geliefde voorwerpen. Omringd met geliefden. Home.

Al dagen volg ik op TV en internet het nieuws over de repatriëring van de slachtoffers van vlucht MH 17 uit Oekraïne. Niet continu, maar met regelmaat. Ontzetting, verbijstering, ongeloof, verdriet, wanhoop, allemaal woorden die door de ether vliegen. Persoonlijke verhalen van overledenen brengen het drama dichterbij, geven het een gezicht. Maar toch. Hoe rouw ik zelf? Ik die niet persoonlijk betrokken ben, maar wel geraakt. Wat als mijn kind, mijn partner, collega, buurman/vrouw, broer of zus daar zou liggen, op dat brandend hete korenveld..? Als ik al die vreselijke details zou moeten toepassen op hun lichamen, hun bezittingen misschien zou herkennen..?

Maar die voorstelling laat ik niet toe, nou ja een moment, even, om iets van die zwaarte te voelen. Maar ik laat me er niet in meeslepen. Dus blijven mijn ogen droog, hoewel mijn hart huilt. Ik zie Maxima die de hand van Willem Alexander vasthoudt tijdens de indrukwekkende ceremonie op het vliegveld van Eindhoven, waar de eerste 40 kisten met slachtoffers gisteren aankwamen, en dat ontroert. Ik hoor de uitroep van een wanhopige nabestaande als de eerste kist uit de buik van het vliegtuig verschijnt.  Ik zie minister Timmermans met de armen om een nabestaande heen, terwijl ze duidelijk samen snikken. Ik zie de hand van minister Hennis later op de schouder van minister Timmermans, troostend. Ook dat ontroert.

De de lange stoet van 40 rouwwagens vertrekt, richting Hilversum. Met duizenden mensen langs de kant van de wegen, op de viaducten en vluchtstroken. En dan is er onderweg opeens dat ene spandoek. Op een viaduct opgehangen terwijl de stoet voorbij komt. Dan hangt daar zomaar een banner, met daarop in grote letters ‘HOME’  geschreven. Plotseling rollen de tranen over mijn wangen. Home. Na alle ellende en gesol en gedoe en onzekerheid en het ondragelijk lange wachten voor nabestaanden. Na dagenlang onbeschermd in een oorlogsgebied gelegen te hebben. Na in zakken, gestapeld in een soort Auschwitz-achtige treinwagons, vervoerd te zijn, zijn de gestorven geliefden eindelijk waardig en eervol ontvangen. Met diep respect voor hun geschonden lichamen.

Ze zijn nu in ieder geval thuis. HOME.

 

 

 

 

Dankbaar III – Schoonheid, geweld en rouw

Vandaag mijn derde dankbaarheidsstukje. Genomineerd door Willemien Wierenga Bremmer op Facebook.

Maar dankbaar voor wat? Schrijven over dankbaarheid op een dag dat bekend wordt dat er een vliegtuig in het  luchtruim boven Oekraine is neergeschoten met bijna 300 mensen aan boord, waaronder 173 Nederlanders. Niemand overleefde de aanslag, (bedoeld of onbedoeld).

In Gaza wordt zwaar gevochten en sterven mensen, in Syrie gaat de strijd maar door. In Nigeria worden meisjes ontvoerd en meerdere malen per dag verkracht. ik voel me bijna schuldig om nu over onbenullige dingen te schrijven waar ik dankbaar voor ben.

Dankbaar dat God de zee en het strand geschapen heeft, zonsondergangen boven de weilanden rondom mijn woonplaats, de geuren van het pas gemaaide gras dat straks als hooi gaat dienen, de mini-padjes in mijn tuin, die altijd net wegspringen als ik wat onkruid trek, de libellen die verzot zijn op onze vlinderstruik.

Dankbaar ben ik voor schoonheid. In de natuur, in kunst en in het alledaagse leven. De felle kleuren van kranen en boten die afsteken tegen de blauwe wolkenlucht in de havens van Rotterdam of Scheveningen, de blauwgroene roestkleur van verweerde materialen, het lijnenspel van machines en fabrieken op een industrieterrein. Overal vind je schoonheid, als je goed kijkt.

Ik zie de rokende puinhopen van het ontplofte vliegtuig in Oekraine. Ik luister naar het nieuws, ik hoor de verslagen. Wat is er gebeurd? Waarom? Wie zaten er allemaal in dat vliegtuig? Met een Marokkaanse jongen praat ik over Gaza. De haat tegen het beleid van Israel is groot, ook in Europa onder moslims. De haat van pro Russische separatisten in Oekraine tegen de regering in Kiev is groot. De haat van de ene moslim groepering in Syrie tegen de andere is groot. De haat van Boko Haram tegen de regering Nigeria is groot. En geweld is het antwoord. Steeds meer geweld. Waar gaat dit heen, nu Nederlanders en andere Europese inwoners betrokken raken bij deze conflicten?

Vandaag kies ik ervoor me te concentreren op dankbaarheid als tegenwicht tegen angst. Dankbaar zijn is niet hetzelfde als voelen. Soms is het ervoor kiezen en jezelf toespreken.  Zo ben ik dankbaar voor de belofte van Jezus dat Zijn Koninkrijk aan het komen is.  Dat daar vrede en gerechtigheid heersen. Dat wie rouwen daar worden getroost en haat overwonnen wordt door  liefde.

En daarom toch ruimte om dankbaar te zijn voor schoonheid! Een voorproef van hoe het worden zal! Geweld en haat hebben niet het laatste woord.

 

 

Dankbaar II – Potjes en dekseltjes

In het kader van mijn nominatie om drie dankbaarheids-stukjes te schrijven het volgende:

Gelukkig, zou ik zeggen, hebben alle potjes, doosjes en dozen in mijn huis een deksel. Om de een of andere reden ben ik gek op alles wat een dekseltje heeft. Potjes van aardewerk, porselein. Zachtgroene celadon doosjes, verzameld in Zuid Korea. Suikerpotjes en roomkannetjes uit de jaren ’50 en ’60, een tijd waarin de serviezen vaak zo’n elegante of juist robuuste vorm hadden. houten dozen en doosjes. De naaidoos nog door mijn opa gemaakt. Zo kom je er in de Kringloop winkels nog veel tegen. Of dozen geweven van riet, van papier maché, karton, handgemaakt, uniek of één uit velen. Sieradendozen, leren dozen, het maakt niet uit. Het deksel intrigeert. Het liefst heb ik dan een deksel met een knopje bovenop. Vooral suikerpotjes hebben de meest sierlijke knoppen. Waarom ik zo weg ben van dozen en potjes? Ik weet het niet. Ik kan me niet herinneren dat er een tijd was dat ik er niet verzot op was. Daarom heb ik er ook zoveel denk ik.

potjes en deksels4potjes en deksels5

potjes en deksels2Dankbaar ben ik dat die dus allemaal een deksel hebben. Want, hoe ik ook mijn best doe om dozen leeg te laten, er is altijd wel iets te vinden onder dat deksel. Munten vanuit de hele wereld bijvoorbeeld, zijn ideaal om weg te stoppen in doosjes met deksels. Wat doe je immers met munten uit India, Sri Lanka, Nepal of Japan die in het hele huis liggen te verkommeren op bureaus, vensterbanken en rommelplekken? Weggooien is ondenkbaar, maar wat moet je ermee?  In een doosje doen, met deksel erop. Opgeruimd staat netjes.

potjes en deksels3

Er zijn tijden dat er een opruimwoede zich van mij meester maakt en ik alle dozen, doosjes en potjes en manden léég wil hebben. Ik weet niet eens wat er in zit, dus kan het net zo goed weggegooid, toch? Ik begin met In ieder geval te sorteren. Niet én munten, én enkele oorbellen (die ik niet weg wil gooien), én schroefjes (die ik nog wel eens nodig kan hebben), én batterijen (waarvan ik nooit weet of ze nu oud of nieuw zijn), én naalden en veiligheidsspelden, én oude sleutels (die ik ook niet weg durf gooien, want ik weet niet uit welk huis ze komen) én eurocenten en dubbeltjes. En de verdwaalde punaises. Ik begin welgemoed. Overal stapeltjes soortgelijke rommel. Heel soms kom ik nog iets tegen wat ik allang kwijt was. De andere helft van de oorbellen bijvoorbeeld. Maar waar was nu ook weer die ene? Dat bevestigt me dan weer in mijn ‘gooi nooit iets weg, want je weet maar nooit’ overtuiging.

Na een uur of zo slaat de moeheid toe. En lonken de deksels. ‘Zet mij toch gewoon weer op mijn potje,mandje, doosje’ fluisteren ze me dan toe, ‘alles was zo netjes, voordat je ons opende..En je hebt toch geen last van onze inhoud? Wat maakt het uit dat er rommel in ons zit. Wij hebben er geen last van hoor….’ het duurt niet lang of ik stop de gesorteerde rommel (dat wél) weer terug in hun huisjes. Ik kan geen knopen doorhakken (oh ja die kom ik ook altijd tegen, overal, knopen). Wil eigenlijk helemaal niet zoveel tijd doorbrengen met onbenullige dingen als de rommeltjes in mijn doosjes.

Zeer dankbaar plaats ik de deksels er weer op. Je moet ook niet teveel overhoop willen halen. En zo weet ik dat ik altijd wel ergens knopen, naalden, punaises, munten, oorbellen enzovoort heb. Maar in welk doosje zag ik dat nu laatst?

potjes en deksels

 

Tivoli en Oranje

tivoliEchtgenoot wilde de wedstrijd Nederland-Costa Rica erg graag op een groot scherm zien. Het liefst met heel veel mensen. Het Museumplein in Amsterdam leek hem het Mekka. Ik zei, ga er vooral heen, mij krijg je niet mee. Hij trachtte wat anderen te ronselen, maar die bedankten ook vriendelijk voor de eer. Zoon nodigde hem uit mee te gaan naar TivoliVredenburg. Groot scherm, maar overdekt en iets minder grote massa’ s. Zo besloten. Voor E4,00 een kaartje besteld en het was geregeld. Naarmate de wedstrijd naderde kreeg ik ook de kriebels. Toch wel leuk een keer mee te maken…leuk om het samen te doen….en meer van dat soort gedachtes. In een overmoedige bui bestelde ik een kaartje voor mezelf.

Zaterdag was het zover. We weten nu hoe de wedstrijd verliep, maar dat was toen nog een open vraag. Om half tien schuifelden we naar binnen waar wij samen onmiddelijk de gemiddelde leeftijd  omhoog deden springen. Er was veel, heel veel jong spul. Uitgedost in oranje uiteraard. Ik had een keurig oranje bloesje aangetrokken op het laatste moment en echtgenoot droeg zijn sportshirt van het oranjeteam. De hoed met bellen had ik verboden, op straffe van dat ik dan thuis zou blijven. Dat hielp.

De muziek die vanuit de boomboxen klonk droeg bij aan de feeststemming maar was HARD. De decibellen denderden mijn oren in. Maar ik was flink. Ik ging niet direct als een ouwe knar met mijn vingers in mijn oren staan, natuurlijk! Er werd me bier aangeboden. Volgens mij, behalve water, het enige vocht dat te bestellen was. In afmetingen van glas tot halve emmer. Daar zouden we later meer van merken.

Halverwege het eerste pilsje begon de wedstrijd. Ik was ervan uitgegaan dat ik me na een kwartier behoorlijk zou gaan vervelen, maar niets was minder waar. Het samen kijken bracht een extra dimensie die alles spannender en boeiender maakte. Of was het gewoon een spannender en boeiender wedstrijd dan gemiddeld? De neiging tot juichen en schreeuwen was in ieder geval sterker aanwezig dan thuis. Met wel dit probleem dat ik geen stem had, door een kou. Veel juichen en schreeuwen in gedachten dus, met hier en daar een rauwe kreet.

Veilig aan de zijkant van de menigte, niet te ver van de uitgang, heb ik genoten van de wedstrijd. Tot aan de penalties toe. Om die te zien had ik de morele support van mijn groepje mannen nodig, dus begaf ik mij dapper tussen de menigte. Wat een spanning! Bij de eerste stop door Krul goot iemand van pure opwinding zijn bierglas leeg over mijn rechterkant. Bij de tweede stop brak er iets los wat ik alleen omschrijven kan als een oorverdovende extase. Het bier daalde op me neer als de neerdwarrellende mist van een fontein, de massa sprong op en neer, en op mijn tenen. Ik wist niet hoe snel ik mij weer naar de zijkant begeven kon. Muziek brak los, oranje schlagers die iedereen mee kon bulderen en het licht flitste onophoudelijk. Wat een sfeer.

Met een halfnatte  broek en mijn haar hard van het bierspray als van goedkope haarlak, liep ik,  moe van ruim 2 uur staan, voldaan naar de parkeergarage. Toch de moeite waard om een keer mee te maken.

Maar volgende keer weer gewoon thuis of bij vrienden en familie. De bierplensbui hoeft niet meer.

r

Trials and tribulations

Om kwart over 8 gaat de telefoon. Voor ons pensionados is dat super vroeg. Wel wakker, maar nog niet helemaal erbij, zeg maar. Echtgenoot neemt op, er is iemand ernstig ziek in de nabije kennissenkring, je weet maar nooit.

Ik hoor een vrouwenstem snel een verhaal afsteken. Kim steekt zijn vinger in één oor, altijd een teken dat hij het niet goed verstaat of begrijpt. Om kwart over 8 zeker een risico. ‘Wat?’, kraakt zijn stem, ‘zeg het nog eens? Ik zit in Engeland? Hoezo…Wàat??’. Met een ruk staat hij op en luistert nog eens naar het hele verhaal. Halverwege is het me al duidelijk…mailaccount gehackt. Iemand verstuurt mailtjes met Kim’s mail.

De telefoon gaat onophoudelijk. Ik heb nog nooit zoveel oude vrienden en volslagen onbekenden (voor mij) aan de telefoon gesproken, zelfs niet op mijn verjaardag!
De appjes stromen binnen, Facebook boodschappen. SMS’jes. En het lieve is dat veel mensen aangeven graag te willen helpen, maar voor de zekerheid toch even te willen checken of het echt klopt. Als we écht nog eens in hoge nood verkeren….. Een diaconie van een van onze vroegere gemeentes was zelfs zover gegaan het telefoonmummer in Engeland, Leeds, te bellen dat in de mail stond. Bleek niet te kloppen en toen hebben ze de moeite genomen om het nummer van het Marriott hotel op internet op te zoeken, waar echtgenoot berooid zou zitten. Daar hoorden ze dat het bedrog was. Het hotel had de politie er al bij gehaald. Want niet alleen mijn echtgenoot zou wanhopig zonder geld in daar zitten, maar meer dan 25 anderen. De hacker had het Marriott de rol van opvang van radelozen toebedeeld. Een soort Marriott des heils.

Echtgenoot belde zelf ook, nu als slachtoffer en kreeg de manager aan de lijn die gelukkig een goed gevoel voor humor bleek te hebben. Het werd een vrolijk gesprek waarbij veel gelachen werd. Dat was goed voor de stemming want die was onderhand tot onder het nulpunt gedaald.

We waren namelijk in de Kafkaiaanse wereld van Google terecht gekomen. Veel mensen wezen ons op mogelijkheden om via bepaalde links je account te herstellen en een nieuw wachtwoord in te stellen. Deze mensen zijn nooit serieus gehackt. Na ettelijke pogingen om alle stappen te volgen stuitten we steeds weer op bijvoorbeeld de belachelijke vraag: wanneer bent u precies begonnen met uw Gmailaccount? Alsof je daar aantekeningen van maakt. En als je er niet bij kunt kun je het ook niet checken. De hacker had de account compleet gestolen als in: verwijderd!
Of de vraag: wat was de naam van je eerste BAAS? Je eerste baas? Wij gebruiken geen lelijke woorden..,maar dachten ze wel. Nooit heeft echtgenoot deze strikvraag als verificatie ingevuld. Hoe kwamen ze erbij? Echtgenoot: ‘200% zeker nooit ingevuld, ik zou voor geen goud weten wie mijn eerste baas was!!’

We gaven het op. Nieuwe uitdaging. Nieuw mailadres, en dan proberen om te beginnen mijn contacten te importeren. Ook dat is minder makkelijk dan het lijkt. Maar dat is gelukt.
Nu naar de politie om aangifte van identiteitsfraude te doen. Ook op aanraden van enkelen.

We zouden een dagje naar zee. Maar dank zij onze hackers weten we in elk geval door schade en schande veel meer over hoe Gmail werkt én hoe Google een betere handleiding: What to do when you are hacked? moet schrijven!

Dagje zee maar uitgesteld. En bedankt zieke hacker.

Etsy of edgy?

Ik schreef laatst een opgewekte blog over een Etsy winkel. Ik beloof op mijn startpagina immers ‘zo mogelijk’ vrolijk commentaar te leveren op het dagelijkse leven. Dus, goeie intenties. Zelfs als er geen aanleiding is om vrolijk te zijn. Dan wordt het wel lastiger, maar achter de wolken schijnt de zon, aan iedere wolk zit een zilveren (of was het gouden?) randje, na regen komt zonneschijn,  enzovoorts. Je merkt wel aan deze uitdrukkingen wat het summum van geluk blijkt te zijn voor Nederlanders.

Om nu maar een keer te somberen: Zelfs aan de zon  kun je verslaafd raken volgens wetenschappers. Wie teveel zont krijgt niet alleen uiteindelijk huidkanker, maar moet ook uiteindelijk afkicken omdat, als de zon er niet is of de zonnebank is failliet, er ontwenningsverschijnselen ontstaan. Alles met mate. Dat blijft toch een goed motto van de oude wijzen. Overal waar te voor staat…

Dit was trouwens  het minst ernstige bericht dat ik tot me nam tijdens mijn dagelijkse krant-bij-het-ontbijt moment (understatement, dat ‘moment’) vorige week.

Steeds grotere ongelijkheid in verdeling rijkdom.  Op de een of andere slinkse manier is het een kleine groep slimmerikken in de wereld gelukt van de crisis zodanig te profiteren dat ze er rijker van geworden zijn. Ik ga geen procenten en statistieken reproduceren, ik ben geen nieuwssite, maar het is onthutsend. Kijk maar op allerlei dagbladsites, ik las het in het ND, maar er zijn ongetwijfeld anderen.

Wat zo erg is dat dit juist vaak mensen zijn (de goede niet te na gesproken, die zijn er gelukkig ook!) die voor anderen soberheidsmaatregelen moeten bedenken, doorvoeren of handhaven. Of ze werken in een sociale sector als de zorg, woningbouwverenigingen en wat dies meer zij.

Als ik mensen als Erik Staal of Marcel de Vries van woningbouwvereniging Vestia (o.a.verantwoordelijk voor sociale woningbouw voor mensen met een lager inkomen) bijvoorbeeld hoor spreken (achtergrond) kan ik mijn oren niet geloven. Terwijl ik toch gereformeerd ben. (Dat is dat geloof dat ervan uitgaat dat mensen van nature, zonder Gods hulp, tot alle kwaad geneigd zijn. Waarom, ben ik dan toch altijd weer verbaasd en verbijsterd als het ‘grote kwaad’ voorbij komt? Het is er immers altijd? Ondergronds, ver weg, verborgen, onopgemerkt omdat het klein blijft. Maar als het dan zijn klauwen uitslaat in bijvoorbeeld grove begeerte, het grote graaien, kan ik er niet overuit.

Het komt denk ik doordat het grote, grove kwaad ten alle tijde gepleegd wordt door gewone mensen. Ik zou het zelf kunnen zijn, als het ware. En dát maakt het voor mij zo schokkend. Is het grote graaien in wezen anders dan meedoen aan de loterij in de hoop een miljoen te winnen en er allerlei luxe dingen van te kopen? Dat wil ik wel. Opeens een zak geld voor de deur en er alles van kopen waar ik al jaren zonder doe.

Ik bedoel te zeggen, ik herken die lust naar geld. Dat ik het niet heb is maar goed ook, bij wijze van spreken. Het is niet mijn bedoeling om dingen goed te spreken of glad te strijken, helemaal niet! Maar toen ik een ‘bestorm de Bastille’ gevoel begon te krijgen bij het lezen en overwoog me aan te sluiten bij de communistische partij, (die bestaat niet meer, geloof ik) realiseerde ik me dat dat ook geen oplossing is. Het kwaad zit te diep. Ik bedoel, 56 miljoen vluchtelingen in de wereld! Waarvan de helft uit kinderen bestaat. Dat los je niet op met alleen maar de politiek en ook niet met geweld!

Geld corrumpeert, macht corrumpeert, aan de zon raak je verslaafd, kwetsbare kinderen worden misbruikt (“Volgens VirtualGlobalTaskforce-voorzitter Ian Quinn is de internethandel in filmpjes en afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen inmiddels zo omvangrijk geworden, dat ze gerust een epidemie genoemd mag worden”, ND 21-06-14).  De zee raakt verstikt door plastic afval, vluchtelingen leven op straat met hun gezin, en het Midden-Oosten is een tijdbom.

Ik ben maar even het gras gaan maaien toen. De randjes met de hand bijgewerkt. Contact met de aarde. De verrukkelijke geur van pas gemaaid gras maakte me rustig. De donkere aarde, de wind in de bomen, het zingen van de merels, het kleine padje onder de afgevallen bladeren, Gods schepping.

Diepe zucht en toen wist ik het weer: God is erbij. God is betrokken. Het loopt Hem niet uit de hand.

Zelf op deze aardbol  geleefd, Zelf arm geweest, Zelf met rijken en graaiers omgegaan en het onrecht ervaren, Zelf zieken meegemaakt, Zelf de rouwenden getroost, en uiteindelijk Zelf de marteldood gestorven.  En toen begon de nieuwe beweging, het nieuwe leven. Jezus opstanding uit de dood is het signaal dat er werkelijk een nieuwe start gekomen is. Voor de graaiers en de verbitterde armen, de misbruikers en de misbruikten, de zieken en de stervenden, en voor wie rouwen. Vluchtelingen en daklozen. Zwakke, luie burgers zoals ik, en overwerkte hulpverleners.

Worden de problemen nu allemaal opgelost? Zijn de schaduwen verdwenen, de zon breekt onmiddellijk door? Was dat maar waar. Geloven is in essentie vertrouwen. Vertrouwen in een Persoon, met Wie je een relatie kunt hebben die zoveel geeft dat je verder kunt, soms op je tandvlees, maar er is een band met Iemand die vult en vervuld. Daarover hoor je getuigen. De vervolgden, de armen, de rijken, de gevluchten, ze houden het vol vanwege hun band met Jezus nu en de belofte van het Koninkrijk.

Dat voelde ik weer even in mijn tuintje. Een geur, een geluid, een belofte van wat komen gaat. Is er ruimte voor Etsy naast al dit wereldleed? Toch wel. Het mooie, het schone, het artisitieke zijn als de tuin die vooruitblikt op wat er nog voor veel mooiers komen gaat. Maar ik wil ook ‘edgy’ blijven zodat ik mijn lijdende medemens niet vergeet.

Vaderdag

pappa (2)Ik was een echt moederskind. Lezers die mij al langer volgen zullen die conclusie al wel getrokken hebben. (bijvoorbeeld: nu is het welletjes, Yesterday, kijk verder op categorie Moeder ) Mijn wereld als kind bestond uit ik en mijn moeder, ergens ver weg was er een vader, en nog verder weg een aantal broers en zussen, maar die verstoorden in feite de rust en de eenheid met mijn moeder. Het kwam, als je zoiets al verklaren kunt misschien wel omdat mijn vader er meestal niet was. Zakenman, dus veel op reis. Ouderling of diaken in de kerk dus veel vergaderen en op pad voor de gemeente. Mijn moeder daarentegen was er altijd. Vóór ik naar school ging vanzelfsprekend, zij zorgde voor het gezin en de huishouding. En vanaf de kleuterschool iedere ochtend aan het ontbijt (mijn vader bleef liggen) en als ik thuis kwam ook. Het eten was in huis of we gingen samen nog wat halen in de buurt bij de groenteman of slager. Of bij de Végé op de hoek. Maar ik kan mij niet herinneren dat ik ooit werd opgevangen door mijn  vader. En als mijn moeder ziek was (en dat was ze regelmatig) stortte mijn wereld in.

Wanneer kreeg ik meer een band met mijn vader? Eerlijk gezegd pas laat in zijn leven. Ik vond het moeilijk met hem om te gaan. Hij was redelijk eigenwijs (dat zeggen mijn kinderen ook van mij, dus een ding heb ik alvast gemeen met hem) en kon op zijn punt blijven staan met in mijn ogen belachelijke argumenten, en als ik dan zover was dat ik hem onderuit gepraat had zei hij: we houden erover op! Woest maakte me dat.

Hij kon ook heel ongenuanceerd zijn, vond ik. Iets was wel zo of niet zo. Daar kon ik ook slecht tegen. Ik ben dan misschien eigenwijs, maar niet zwart wit!

Ik denk dat ik, omdat ik zo verbonden was met mijn moeder, heel lang mijn vader alleen kon zien door haar ogen. En veel van de leuke dingen van mijn vader kon zij niet zo waarderen. Dat voelden wij haarfijn aan. Mijn moeder wilde een gevoelige, empathische, zachtaardige, boeken verslindende man. Mijn vader was een nogal dikhuidige,’ís er soms iets met je of zo‘-achtige, driftige, lezen- als- er- geen- sport- op- tv was, van een borrel en lekker eten genietende man. Die gek was op zijn vrouw, maar af en toe he-le-maal niets van haar begreep. Dan bracht hij haar maar naar haar broer en zijn vrouw in Brabant om een paar daagjes begrepen te worden en verwend. En dan zat ik met de gebakken peren: een gezinsverzorgster, met een wit schort.

Want mijn vader had veel leuke eigenschappen. Zoals ik al zei: hij hield van een borrel, lekker eten, was zeer gelovig en serieus op dat vlak, hij kon uitbundig zijn, gieren van de lach en probeerde ons te leren stijldansen. Slechts een van de drie meiden had er feeling voor, en dat was ik niet! Hij was streng voor mijn oudere broers en zussen. Ik als laatste en vijfde heb een andere vader gekend dan zij. Make-up was een al lang gepasseerd station. Mijn oudste zus mocht nog geen lipstick, ik liep met dikke zwarte eyeliner op de middelbare school.

Mijn vader was, toen ik tiener was, niet in goeie doen. Hij was ontslagen wegens een fusie en kon het onrecht van aan de kant gezet te zijn niet verdragen, na veertig jaar trouwe dienst. Hij stortte in en kampte jaren met wat we nu een depressie zouden noemen. Lag lang op bed, was down en altijd bezig met De Zaak. Pas na een jaar of 10 kwam hij daar wat bovenop en hebben hij en mijn moeder nog wat kunnen genieten van hun tijd samen (hij overleed in 1986).  Lichamelijk had hij ook veel geleden. Zwakke rug, altijd pijn, een zwakke maag, en slechte longen (roker!). Maar uit die laatste  jaren stammen mijn beste herinneringen. Zijn liefde voor onze kinderen, zijn altijd beschikbare behulpzaamheid. Hij heeft wat afgeklust in onze huizen. Met echtgenoot voetbal kijken, met zijn vieren ergens koffie drinken (met een glaasje jenever erbij of een cognacje) en een gebakje met slagroom.

Waarin ik op mijn vader lijk? Eigenwijs dus (volgens mijn nageslacht), ik kan ook uitbundig zijn, hou van een wijntje en lekker eten. Kan ook moeilijk uit bed komen in de ochtend en naarmate de avond vordert word ik actiever. Eén ding wat ik, in navolging van hem, altijd doe is knielend bidden. Dat zag ik hem doen, ’s ochtends, op zijn knieën voor het bed, hardop biddend. Onbewust heb ik dat overgenomen. En wat ik helemaal aan hem te danken heb is mijn bijbelkennis. Geen maaltijd werd het overgeslagen, het bijbel lezen. En altijd zochten mijn ouders naar een goed te volgen vertaling van de bijbel. De Willibrordvertaling, moderne vertalingen, voorlopers van Groot Nieuws. Veel erover praten deden we niet, maar mijn vader las met passie en overtuiging  voor: Dit is het woord van God.

Ik bedank bij deze mijn vader voor veel. Zijn inzet, zijn harde werken zodat het ons aan niets ontbrak, voor de vakanties, de uitjes, de patatjes en kroketten, de badmintonspelletjes, zijn trouw in het bijbellezen en kerkbezoek. Voor alle klusjes, alle verhuishulp en vooral voor het feit dat hij van ons hield. Het leven was niet makkelijk. Vijf kinderen opvoeden was niet makkelijk. Zeker niet in een periode waarin alles veranderde en kinderen rebels waren en andere wegen gingen dan hij wilde. Maar uiteindelijk hebben we allemaal rond zijn sterfbed gewaakt en gewacht. Wel een maand lang rouleerden we en brachten tijd door met hem. Hij stierf op zijn 72e. Best jong eigenlijk. Maar het was goed. “Dan ga ik op tot Gods altaren, tot God mijn God de bron van vreugd”. Ik zie hem nog staan in de kerk, hard zingend, hoofd in de nek vol overgave. Zijn lievelingspsalm.

Korea town en NYC

We wanen ons terug in Pusan, Zuid Korea. Overal om ons heen winkels en restaurantjes met Koreaanse opschriften, de straten vol met Koreanen, de meisjes giegelend achter hun hand, vrouwen en mannen, kinderen in wandelwagens, af en toe een westerling. Eén groot verschil, we worden niet aangestaard of nageroepen. Flarden van Koreaanse gesprekken dwarrelen rond vermengd met Engelse woorden. Enigszins zoals wij Nederlands en Engels door elkaar spreken. Het voorrecht om van beide talen de meest expressieve woorden te combineren. Slechte gewoonte trouwens, maar onvermijdelijk voor wie in twee culturen verkeert. Wij gebruiken zelfs wel Koreaanse woorden die feilloos aangeven wat je bedoelt en waarvoor geen Engels of Nederlands equivalent bestaat. Maar dit terzijde.

korea town

We rijden rondjes in de buurt, op zoek naar een parkeerplek en vinden er een op enige afstand van het restaurant waar we gaan eten (San Su Kap San, een aanrader! Met gratis parkeren!) Een goeie vriend van onze dochter, die in New York woont, zelf van Koreaanse afkomst, heeft ons erheen gebracht. Korea Town in Flushing, Queens, New York. Volgens hem heerst hier nog de sfeer van de jaren ’80/’90, de tijd dat we zelf in Zuid Korea woonden.

SAM_1269
We lopen van St. Johns Place richting Eastern Parkway

Inderdaad, ik heb een ‘thuis’ gevoel. Dat had ik al in de (achter) buurt waar dochter woont en waar wij twee nachten logeren, Crown Heights, Brooklyn, NYC. (lees vooral 21st century renaissance) We slapen in haar bed, zij op een luchtbed op de grond. Haar dove katje Sy ligt tussen ons in. De eerste nacht, zaterdagavond, is er zoveel lawaai en is Sy zo blij weer gezelschap te hebben dat we weinig slapen.   In de straat staat een brandweerkazerne waarvandaan wel twee keer een wagen uitrukt met een oorverdovende sirene. In hun kielzog een blèrende politieauto.  Ik waan me in Law and Order. Voor de rest zit Sy regelmatig op mijn of echtgenoots hoofd. Maar als echte catwhisperer krijgt hij het beestje eindelijk rustig.

sy
sweet, crazy, deaf, smart little Sy foto Saskia Batteau
image-7
The bed is a little short           

In de wijk wonen overwegend zwarte mensen met een Caribische achtergrond (West Indies). De straten zijn rommelig, de voortuinen (eigenlijk omheinde plaatsjes) bezaaid met afval, en de ganse dag is het er druk op straat. Het tempo is laag, er is veel eten te koop en mensen groeten elkaar. Hier worden we wel wat aangestaard. Wat doen deze witte, rijke toeristen hier? Hoewel, dochter kent inmiddels wat winkeliers en wordt ook gegroet. Als ze af en toe roept dat haar ‘mom and dad’ op bezoek zijn krijgt ze een brede glimlach toegeworpen. Familie is heilig hier!

Foto Saskia Batteau
Foto Saskia Batteau

Op de zondag dat we er zijn ga ik uit mijn dak door de kleding om me heen. Kleurrijk, feestelijk, met prachtige hoofddeksels en klederdracht (Surinaams, Jamaican’s) voor de vrouwen, felgekleurde pakken voor de mannen, allemaal op weg naar een van de tientallen kerken en kerkjes in de buurt. Huiskamerkerken vaak. Er wordt uit volle borst gezongen, met de deuren wijd geopend voor wat frisse lucht in de volgepakte kleine ruimtes. De dominee preekt luid en duidelijk. Dit zijn gemeentes die zich niet schamen voor het evangelie! Alles samen brengt dit het Korea gevoel naar boven. Zo liepen we in de jaren tachtig ook op straat: Mensen her en der op weg naar hun kerk, gekleed vaak in hun schitterende Koreaanse hanboks, dikke bijbels onder de arm. De kerken met luidsprekers die, lelijk vervormd maar toch, hun oproep lieten horen ter kerke te gaan. De drukte op straat, de eettentjes, het chaotische verkeer.
Ik heb opeens een blij gevoel! Hier hoor ik thuis. (Ik vergeet gemakshalve alle minder leuke dingen, ik wil me even onderdompelen in het warme bad van goeie herinneringen)

We lopen van St. Johns Place via Eastern Parkway richting de buurt waar we vrienden van dochter gaan ontmoeten. Het is een prachtige, zonnige dag dus we kiezen ervoor te gaan lopen. Een half uurtje of zo. Eastern Parkway is een mooie, brede, groene avenue, dus prettig wandelen. Na 10 minuten zien we in de verte een afzetting van de weg voor verkeer, en we komen terecht in een parade van Chassidische joden die daar wonen.  Duizenden in lange zwarte jassen gekleedde mannen met baarden en pijpenkrullen langs de oren en hoge hoeden of grote vierkanten bontmutsen op hun hoofd. Vergezeld van Oosteuropees uitziende vrouwen. Lange rok, met dikke kousen, een trui of bloes lukraak uitgekozen, en een soms slecht passende pruik op het hoofd. Niet erg modieus, zeg maar. Kinderen idem dito. Kleine volwassenen. Maar ze lopen in een optocht, (Lag BaOmer) , begeleid door vrolijk ogende clowns en ze zingen en huppelen dat het een lieve lust is. En dit gaat maar door. Een onafzienbare menigte. Ik zie in Antwerpen wel eens Chassidische joden. Een paar of zo. Maar hier zijn het er letterlijk duizenden! Ik krijg er toch een beetje kippenvel van. Zeker als we op grote spandoeken lezen in het Hebreeuws en Engels dat deze mensen allemaal met smart wachten op de komst van de Messiah. Die een nieuwe aarde zal stichten, een rijk komt brengen waar het vrede zal zijn. Bizar. Daar wacht ik ook op, maar de Messiah is er volgens mij al een keer eerder geweest en het rijk heeft al een begin gekregen. Je zou er zo over willen beginnen. Dat doen we niet natuurlijk.

image-8 image-9

Het hele gebeuren heeft een zeer naar binnen gericht karakter. Je voelt je, hoewel het de openbare weg is, enigszins een voyeur. Als echtgenoot een jonge man aanspreekt om te vragen wat de achtergrond is van de parade, verschiet die een beetje van kleur. Maar hij doet zijn best in aarzelend Engels (ze spreken Yiddisch onderling) om uitleg te geven.  Later blijven we staan bij een podium waar een fantastische Klezmerband het mannelijk deel van de luisteraars (en dochter en mij ) tot een rondedans beweegt. Toch houden we het gevoel iets ongeoorloofds te doen. Bang om weggestuurd te worden lopen we verder.

Echtgenoot met hoed en baard wordt een paar maal gevraagd of hij Jood is. Waarom weet ik niet, maar wellicht zouden ze hem willen vermanen dat vrouw en dochter er dan niet zo wuft uit zouden mogen zien?

New York. Een overweldigend geweldige stad, zeker wanneer je Manhattan achter je laat. Over Manhattan nog een laatste blog.