Vrouw van een dominee 7, Wat als?

Iedereen loopt wel eens rond met de vraag, wat als? Wat als dit of dat niet was gebeurd, wat als ik toen zus of zo had besloten. Niet altijd in negatieve zin bedoeld. Stel je voor dat ik bijna 40 jaar geleden niet had besloten naar l’Abri te gaan in Eck en Wiel voor een paar maanden? dan had ik nu niet Batteau als familienaam gevoerd. Ik zeg maar wat. Natuurlijk, ik hoop dat God misschien wel iets anders bedacht
Geen enkele gebeurtenis is toeval, geloof ik. De goeie en de slechte krijgen allemaal hun plek in het kunstwerk dat God van ons wil maken. Nu zeg ik er wel direct bij dat ik dat kunstwerk niet altijd kan waarderen, zo ik er al zicht op mag hebben in het hier en nu. Het is grotendeels een kwestie van vertrouwen op wat God daarover zegt in de bijbel. Wij hopen op iets dat we nog niet zien, en we wachten daarop met volharding.(Romeinen 8)

Ik kom hierop, omdat ik mijn vorige blog eindigde met de vermelding van mijn zus Loes. Hoe haar leven een grote invloed had op het mijne tijdens de eerste jaren in de pastorie, na onze terugkeer in Nederland.

Ik wilde me voor de volle 100% inzetten als gemeentelid en als vrouw van de dominee. Maar het moeizame leven van mijn zus maakte dat het anders liep. Zij was een tweemaal gescheiden vrouw, 9 jaar ouder dan ik, met psychische problemen die door haarzelf niet genoeg onderkend werden.

Inmiddels is het 25 jaar geleden en hoe ‘populair’ tot op zekere hoogte therapieën toen aan het worden waren, het taboe op psychisch ziek zijn was, net als tegenwoordig, nog altijd groot.

Mijn zus koos voor het alternatieve circuit waarin men niet over ziekte of kwalen wilde spreken, maar steeds bezig was om (uitsluitend) vanuit zogenaamde innerlijke kracht het pijnlijke in de ziel te overwinnen. Terugkijkend geloof ik dat zij aan een bipolaire stoornis leed, die zich steeds sterker manifesteerde, omdat de alternatieve ‘trainingen’ een averechts effect hadden. Ze versterkten het ongeremde in haar en na periodes van hoge adrenaline pieken, stortte ze in en kon dan dagen en weken alleen maar slapen en huilen.

Ik beschrijf het zo uitvoerig omdat ik een indruk wil geven van hoezeer het mij bezig hield. Ik heb in vorige blogs, o.a. Kabeljauw in Korea, verteld hoe Loes ruim een maand bij ons was in Korea tijdens een periode waarin ik in het ziekenhuis lag. Zij heeft toen voor me gezorgd (in Koreaanse ziekenhuizen verzorgt de familie de patiënt, uitgezonderd medische handelingen) en er was een sterke zussenband tussen ons gegroeid. Daarom viel ze later vaak op mij terug wanneer ze zich slecht voelde. En juist in die eerste periode in Nederland, waarin ik mijn weg moest zoeken in nieuwe levensomstandigheden, kwam dat op mijn pad.

Ik zag dat toen als een hinderlijke, storende factor. Het was zo belangrijk voor me om een goeie start te maken, om bezig te zijn met wat ik misschien wel zag als een roeping, dat ik een huilende, psychisch gekwelde zus helemaal niet gebruiken kon. Ik wilde het dus graag oplossen voor haar. Als zij zich beter voelde en het leven weer aan zou kunnen, kon ik eindelijk met het mijne verder. Ik had dan wel niet gestudeerd, maar ik ging carrière maken als domineesvrouw.

Hoe help je een zieke zus die geen hulp wil, geen medicijnen, geen therapie, geen arts? Wat ik me vooral herinner uit die tijd was dat onbeschrijfelijke gevoel van machteloosheid.

Het is erop uitgelopen, dat mijn zus een einde aan haar leven heeft gemaakt. Ze zette een streep door haar eigen toekomst en indirect ook door al mijn grootse toekomstplannen. Als nabestaande van een familielid dat suïcide pleegt, heb ik vooral dit ervaren: er loopt vanaf dat moment een scheur door de bodem van je bestaan. Tegelijk is het zo dat die scheur ervoor zorgde dat ik gedwongen werd te leren kijken naar de gesteldheid van de bodem die ik zo stevig achtte. Die was misschien wel brozer dan ik dacht.

Wat als Loes een andere zus was geweest? Zonder problemen en eerder een steun voor mij dan andersom? Zou alles anders gelopen zijn? Zou ik inmiddels bevorderd zijn tot engel? Want dat was immers waar ik naar streefde (besefte ik later), zo sterk te zijn dat ik er voor anderen helemaal zou kunnen zijn. De eerste symptomen van wat in vaktermen wel het Messiascomplex genoemd wordt.

Ook zonder de tragiek van Loes zou het tot een ‘scheur’ gekomen zijn.

Vrouw van een dominee 1 1988-2011 – Het Begin

De vraag komt regelmatig voorbij: hoe kijk je terug op je leven als vrouw van een dominee? Het leven in de pastorie, zoals het ook vaak genoemd wordt. Het leek me leuk er een serie blogs aan te wijden. Dat leven begint voor mij pas in 1988, nadat wij acht jaar in het buitenland gewoond hebben als gezin.

via Plazilla, Ragasto

In de afgelopen dagen hoorde ik het vaak op de radio: waar was je op de avond dat Nederland het EK voetbal won? Nou, ik weet het nog goed:Vers uit het buitenland, op een bovenetage, achter een joekel van een TV, in Bunschoten. Eindelijk konden we een Nederlandse voetbalwedstrijd volgen.

Het Begin
Het is mei 1988. Onze tijd in het buitenland zit erop. Vanuit het Aziatische Zuid-Korea verhuis ik met ons gezin in mei naar Nederland terug. We zijn ruim acht jaar weg geweest. In 1980 vertrokken we als studentengezinnetje met twee kleintjes (een dochter van drie jaar en een zoon van drie maanden) naar een onbekende bestemming in het Verre Oosten. Het enige dat we toen zeker wisten was dat mijn echtgenoot als docent zou gaan werken aan een theologische opleiding in Busan, de meest zuidelijke havenstad in Zuid-Korea, samen met een collega. De aanstaande collega was al een aantal jaren predikant en verlaat zijn gemeente in Leiden om samen met vrouw en kinderen naar dezelfde stad te vertrekken als wij. Hun kinderen waren nog jonger dan de onze. Twee jongens, één van twee jaar en één van tien maanden. We troffen elkaar in 1980, ergens in januari op het vliegveld in Tokio om van daaruit verder te vliegen naar Busan. En aan een avontuur te beginnen dat ons leven voor altijd zou veranderen. (momenteel ,2024, ben ik een serie aan het schrijven over onze tijd in Zuid Korea. De eerste kun je hier vinden)

Acht jaar later keren wij terug naar Nederland. Nu met vier kinderen. Onze oudste is twaalf en klaar voor de middelbare school. Er is, behalve een internaat, geen geschikte school voor haar in Zuid-Korea. Tijd om terug te gaan dus. De kinderen zijn respectievelijk twaalf, acht en vier jaar. En we hebben een meisje geadopteerd dat inmiddels elf is. Opnieuw is onze uiteindelijke bestemming onbekend. Er is een tijdelijk verblijf geregeld in Bunschoten-Spakenburg. Van daaruit zullen we werken aan een nieuwe invulling van ons leven. Het ligt voor de hand dat echtgenoot zich beroepbaar zal stellen als predikant. Maar de eerste maand is hij er nog niet.

Busan Photos

This photo of Busan is courtesy of TripAdvisor

Bunschoten-Spakenburg

Vanuit de miljoenenstad Busan zit ik dan opeens alleen, met de vier kinderen, op een etagewoning in Bunschoten, met onder ons de RABO bank. Met meubels, bedden, dekens, linnengoed en servies van de zolders van vriendelijke mensen. Nu allemaal tóp-vintage, toen lichtelijk deprimerend en ouderwets. Maar met wat plantjes, een paar prulletjes die ik in de koffer mee had kunnen nemen en een dosis humor, is het ook wel weer gezellig te maken. Echtgenoot moet in Busan examens afronden en zou half juni komen.

Het schoolseizoen is nog niet afgelopen. Dat is ook een van de redenen waarom we eerder zijn gekomen. De oudste wil wat wennen voordat ze in het diepe van de middelbare school springt. Uit een privéklasje van acht leerlingen overstappen naar een grote school als de Guido de Brès in Amersfoort is wel erg drastisch. Maar wennen als buitenlands kind in de hoogste klas van een basisschool, waarin de kinderen elkaar al vanaf de kleuterleeftijd kennen, is ook niet eenvoudig. We zien er anders uit (mode is zo landgebonden), onze kinderen spreken goed Nederlands, maar met een (Engels) accent dat de Bunschotense kinderen maar raar vinden (Kak!). (Ze hadden natuurlijk nooit hun eigen rare accent gehoord). Echt veilig voelt de oudste zich niet. Maar er is geen keus. Dit is de school, hier wonen we nu tijdelijk en vanaf hier begint het nieuwe leven.

We fietsen door de weilanden rondom Bunschoten en genieten. Fietsen was in Busan nauwelijks een optie. Geen fietspaden, chaotisch verkeer en veel te heuvelachtig. We kopen lekker patatjes-mèt op de markt, krijgen kilo’s haring, kijken het WK voetbal, genieten van series op televisie die we kunnen verstaan en volgen (maar niet A-team, we waren toch wat wereldvreemd geworden en ik vond het te gewelddadig..). De eerste weken overweegt het vakantiegevoel. Hoewel het tussen de middag heen en weer racen, om (vier!) kinderen van school te halen en weer terug te brengen na de lunch, mij al snel de keel uithangt. Vooral omdat de kleuterschool een half uur eerder uit is dan de groepen 4 t/m 8. Ik ben dat helemaal niet gewend en heb het gevoel dat mijn dag in honderd stukjes gesneden is. Wachten bij de schoolpoort waar niemand me aanspreekt vind ik ook een opgave.

Ondertussen moet er van alles geregeld. Er is geen wasmachine. Ik moet financiële regelingen aanpassen omdat we ons weer in Nederland vestigen (vergeet niet, dit is het pré-digitale tijdperk! Alles moet persoonlijk en/of schriftelijk gedaan worden. In november van 1988 sluit Nederland zich als tweede land aan op het internet. Alleen nog voor wetenschappers en militaire doeleinden). Verzekeringen moeten veranderd. De container met onze spullen arriveert en moet door de douane geloodst (= formulieren invullen), fietsen moeten aangeschaft, de kinderen willen weer op sport, op muziek (te laat in het seizoen, nieuw voor mij, in Zuid-Korea werkt het anders). Het vakantiegevoel wordt langzamerhand overstemd door een gevoel van vervreemding. Bij de Postbank (zo heette die toen nog) staan mensen een soort kaartje door een apparaatje te schuiven waarna ze een nummer intoetsen voor ze geld krijgen. Ik heb de ontwikkeling gemist en sta verlegen te hannesen. Terwijl ik in Busan precies mijn weg wist.

Ik ben niet terug in mijn eigen land. Ik ben (te)lang weg geweest en mijn land is veranderd. En ik ben zelf veranderd. Bij alles denk ik: in Korea deden we dat zus of zo…Eerst zeg ik dat nog hardop, maar de glazige blik in de ogen van de anderen maakt dat ik dat al snel inslik.

Dit is Nederland. En hier blijven we wonen.

Cultuurschokje

Mijn echtgenoot reist momenteel van hot naar her in Zuid Korea. Prachtig land, met vriendelijke mensen en ongelofelijk lekker eten. We hebben er bijna 9 jaar mogen wonen. Er zijn contacten met vrienden maar ook op kerkelijk niveau. In dat kader is echtgenoot er nu een paar weken.

Met zijn gastgezin ging hij naar de sauna. Nu is een sauna in Korea per definitie gescheiden. Dat was geen probleem, dus. Alvorens de sauna in te duiken werd er fitness gedaan. Rennen, toestellen en wat dies meer zij. Na afloop splitste de familie zich in tweeën om het sauna gedeelte in te stappen. Echtgenoot was al opgelucht toen bleek dat hij gewoon lekker kon gaan douchen. Gezellig in één ruimte, zoals hij dat in Nederland ook gewend is.

Na het douchen bracht zijn gastheer een spiernaakte man naar hem en toe en kondigde aan dat die hem ging masseren. Enigszins in verlegenheid gebracht probeerde echtgenoot eronder uit te komen. ‘Niet nodig, zo ook al lekker gedoucht…’ en meer zwak verweer. Want een naakte man aan zijn lijf, daar zat hij niet op te wachten. Na aandrang van de gastheer (kom op, Korean Style, hoppa!) belandde hij dan toch op zijn buik op de massagetafel. Met een scrubdoek werd het vel van zijn rug geschrobd, zodat hij gillend langzaamaan in brand stond.

Al met al was het toch wel een heerlijk massage. Je moet je gewoon aanpassen aan je omgeving.

PS Ter verduidelijking: in de 80’er jaren toen wij daar woonden waren er wel badhuizen en dergelijke voorzieningen waar keurig aangeklede mannen en vrouwen (vaak blind!) massages gaven. Sauna’s en fitness ruimtes zijn een latere ontwikkeling, net als hier in het Westen.

Jammer genoeg, geen Koreaans vandaag

Ik was gevraagd door het hoofd van de basisschool mee te gaan naar een oudergesprek. Het betrof een Koreaanse vrouw die graag haar kind op de school wilde inschrijven. Aangezien het om een gereformeerde basisschool gaat is het toelatingsbeleid gematigd open. Je hoeft niet persé lid van een bepaalde kerk te zijn, maar het is wel belangrijk dat je gelooft in de grondslag van de school. In dit geval was het dus belangrijk om na te gaan wat de vrouw geloofde en of ze besefte wat voor soort school het was waar ze haar kind heen wilde sturen. Omdat haar Nederlands wellicht niet toereikend zou zijn werd ik gevraagd te assisteren.

Nu is mijn Koreaans behoorlijk roestig! Toen we 2 weken geleden onverwacht Koreaans bezoek kregen was ik letterlijk volkomen (Koreaans) sprakeloos. De meest simpele woordjes en zinnen kwamen me niet in gedachten. Gelukkig spraken de vrienden vloeiend Nederlands, zodat we toch nog een plezierige avond hadden!

Maar na het verzoek mee te gaan begon het Koreaans wel weer op te borrelen. Ik kreeg er zin in. Die heerlijke Koreaanse geluidjes van instemming en be-aming, ook al ben je het ergens totaal niet mee eens. Nèèèè…met een sprongetje omhoog in het midden en dan langzaam afzakken naar beneden in toonhoogte. Of: Ahhhhh, nèèèè! Ahhhh=hoog, maar rustig en nèèèèè=laag en lang uitgerekt. Heerlijke taal.

Ik heb helaas geen kans gekregen. De Koreaanse moeder kon zich goed redden in het Nederlands. Af en toe liet ik even een woordje vallen om te bewijzen dat ik ook wel wat Koreaans sprak, maar ze hield het Nederlands dapper vol. Mijn complimenten!

Een tweede leven voor alles – Korea 1980-1988

Ik heb de oorlog niet meegemaakt . Maar ik ben wel een kind van ouders die de 2e WO hebben meegemaakt en de crisis van de jaren dertig en niet uit rijke gezinnen kwamen. Dat vormde hen en vanzelfsprekend ook mij. Hun opvattingen over spullen en materiële zaken adem je in tijdens je kinderjaren. Grappig is dat sommige ervan al in die tijd spreekwoordelijk waren. Het zuinige beleg op je beschuitje wanneer moeder het smeerde was reden om haar niet de kans te geven dat te doen. Tenzij je het op bed geserveerd kreeg, ’s zondagsochtends. Een likje boter en 10 korrels suiker, een droge hap die je wegspoelde met de erbij geleverde thee. Zo kon je in ieder geval wat langer blijven liggen tot je naar de kerk moest.

Zuinig opgevoed dus, hoewel mijn ouders geen krentenkakkers waren. Ik miste niks. We aten lekker, tenminste dat was mijn algemene indruk want ik lustte weinig, maar kreeg altijd een alternatief aangeboden. Mijn moeder kookte ook lekker en met aandacht. En toe was er immer yoghurt met suiker, of voor de liefhebbers, grutjes met stroop. Ik griezelde daarvan, maar er waren er onder mijn broers en zussen die het lekker vonden. Rijstebrij daarentegen vond ik heerlijk. Met boter en bruine suiker. En op zondag was er extra lekker eten en voor toe steevast vla.

Er waren in je omgeving  gewoon geen luxe artikelen, speelgoed of voedsel, wat maakte dat je ook niks miste. We woonden in een straat met mensen die allemaal zo’n beetje dezelfde levens leiden. Het onderscheid zat er meer in of en wie er naar de kerk gingen.

Een koelkast was luxe, die hadden wij pas laat geloof ik. En ook een normale wasmachine die zelf de was centrifugeerde. Mijn vader was een conservatief man die alles niet direct zo nodig vond, behalve een TV die we al heel vroeg hadden. Dat was pech voor mijn moeder, die wel bij haar zussen en vriendinnen de begeerde huishoudelijke artikelen zag verschijnen.

Wat me het meest aan die sobere tijd, zuinig op materialen, deed denken tijdens ons verblijf in  Korea in de jaren tachtig, was de vanzelfsprekendheid waarmee alles dat kapot was werd gerepareerd. Dat bracht onbewust opgeslagen kinderherinneringen terug. Poppen die naar de poppendokter gingen (een speelgoedzaak waar ze de touwtjes van armen en benen binnenin het lijf weer aan elkaar knoopten), kleding die versteld werd, sokken gestopt en gebroken servies gelijmd. Dat was niks bijzonders, dat gebeurde gewoon.

In Z- Korea, arm als het in de jaren tachtig nog was, was men zeer vaardig op reparatie gebied. Rubberen emmers werden genaaid met ijzerdraad wanneer ze een scheur vertoonden, apparaten als tv’s en radio’s werden eindeloos opgelapt. Langs de wegen zaten in rijen dik de naaisters die waar je bij stond ritsen inzetten, scheuren in kleding verstelden, een zoom ergens in- of uithaalden. De mooiste winkel vond ik die waar alleen paraplu’s werden verkocht en gerepareerd. Niks geen uit elkaar gewaaide paraplu’s in vuilnisbakken langs de weg. Alles, letterlijk alles, werd gerepareerd of opnieuw gebruikt.

Dat gaf me een enorme voldoening. Ik heb een genetische aanleg tot recycling geërfd geloof ik. Ik heb er lol in en vind het fijn dat het weer in is tegenwoordig. Alles en iedereen verdient een tweede kans!

 

Een leger knoflookhaksters

Geluiden bepalen voor mij heel sterk de plek waar ik woon. Nu zijn het bijvoorbeeld de geluiden van krijsende zeemeeuwen en het getingel van de tram in de verte die me thuis doen voelen. Hoewel de meeuwen ook mijn slaap behoorlijk kunnen verstoren als ze in de zomer al om vijf uur aan hun dag beginnen.

Een van de eerste woningen die we hadden is voor altijd verbonden met het nare geluid van een schreeuwende zoon tegen zijn bejaarde vader. Die woonde op de eerste verdieping en was eigenaar van het pand. Een vriendelijke, oude man waar wij prima mee konden opschieten. Maar als zijn zoon op bezoek kwam hoorden we die al gauw met overslaande stem tegen zijn vader tekeer gaan. Wat de aanleiding was? We zijn het nooit te weten gekomen.

In Amsterdam kregen we ons eerste kind en ik associeer die woning ook met het snerpende huilgeluid van een pasgeboren baby. Waarschijnlijk door de verantwoording die bij zo’n eerste baby zwaar op mij drukte herinner ik me dat zo goed, de andere kinderen hebben minder indruk gemaakt.

Na verloop van tijd verhuisden we naar Zuid-Korea. In de tijd dat we daar woonden heeft een heel eigenaardig geluid zich in mijn geheugen gegrift. Dit keer geen gekrijs, geschreeuw of gehuil. Een warmer en ronder geluid. In iedere woning die we daar hadden (en dat waren er nogal wat) te horen. Het had met de meeuwen gemeen dat het ’s ochtends al heel vroeg waarneembaar was. Een hakkend, kloppend geluid van messen op hout. Uit alle huizen, of ze nu van steen of van hout, van rijke mensen of van arme waren steeg het op totdat een hele buurt ervan zong. Het gaf me een heel veilig gevoel van verbondenheid. Wie je ook was, ’s ochtends vroeg waren alle vrouwen bezig met het snijden en hakken van groentes, uien, vlees en knoflook voor het ontbijt van alle huisgenoten. Gehurkt op de vloer met een houten plank voor zich verenigden de vrouwen zich bij zonsopgang tot een groot leger knoflookhaksters. Ik verbeeldde me dan dat ik door alleen maar te snuiven mijn portie vitamine-C al binnen had.

Ik ben benieuwd of nu, 20-25 jaar later, het ontbijt nog net zo arbeidsintensief is als toen. Ik mis dat hakkende geluid nog wel, evenals het resultaat ervan, die heerlijke Koreaanse maaltijden!

Eten doe je zwijgend? – Korea 1980-1988

Koreanen houden van eten. Zo veel dat er tijdens het eten niet gesproken wordt. Nou ja, beperkt. Eigenlijk is eten zoiets speciaals dat we wel eens voor het eten uitgenodigd werden en in een apart kamertje werden geserveerd, terwijl de gastheer en -vrouw elders waren. Het voorzien worden van lekker eten was het teken van gastvrijheid, niet dat je daar eindeloos bij kletst met je gasten. Laat ze maar rustig genieten…

Maar ja daar zit je dan. We voelden ons toch niet erg welkom, hoe vaak we ook tegen elkaar zeiden dat het een cultureel verschil was. We hadden een donkerbruin vermoeden dat onze gastheer geen zin had in een moeizaam Koreaans/Engels gesprek….Dit was gelukkig de enige keer dat we alleen in kamertje werden gezet.

Maar het niet praten tijdens het eten is in zijn algemeenheid waar. Eerst eten, dit met veel geluid en gesmak en daarna eventueel praten.  In een restaurant krijg je voor dat praten echter nauwelijks de tijd. Je lege kom en alle andere schaaltjes en bakjes worden schielijk verwijderd en men verwacht dat je weer plaats maakt voor een volgende gast. Je eet niet voor de gezelligheid, maar om een volle buik te krijgen. Is dat bereikt dan is het tijd voor andere dingen.

Dit zijn herinneringen die alweer aardig wat jaren terug gaan. Ik vraag me af of het inmiddels anders is. Ik kan me voorstellen dat armoede en honger lang doorwerkt in een cultuur wat betreft eetgewoontes. Denk maar aan de generatie van na de oorlog in ons land. Nooit kliekjes weggooien, altijd je bord leeg eten enz. Wellicht dat het gebrek aan voldoende voedsel onder de meerderheid van de Koreaanse bevolking tot ver in de 20e eeuw het eetgedrag daarom zo beïnvloedde. Eten is zo kostbaar, daaraan besteed je alle aandacht.

Onder zakenmensen was het een van de eerste lessen over de Koreaanse cultuur. Begin geen gesprek over zaken, ga niet onderhandelen tijdens het eten. Dat is de grootste vergissing die je maken kunt.

Er had van alles kunnen gebeuren – Korea 1980-1988

Ik heb de afgelopen week een cursus EHBO voor kinderen gevolgd. Heel leerzaam en interessant. Vooral de reanimatie-training vond ik heel fijn om te leren. Verder was er een (verontrustend) onderdeel speciaal gericht op alles wat er met een kind gebeuren kan aan ongelukken, verwondingen, ziektes en zeertes. Vooral alle gevaren die een kind loopt wanneer er niet voortdurend een volwassene toezicht houdt, werden flink uit de doeken gedaan. Niet alleen naar een speeltuin, niet zonder begeleiding ergens heen laten gaan, alles mag, maar niet alleen, want jonge kinderen overzien de gevolgen niet van wat ze doen.

Tijdens de les kreeg ik het langzaamaan lichtelijk benauwd. Ik heb nl. mijn kinderen al heel snel veel alleen laten doen, zonder toezicht, maar met de afspraak dat ze bepaalde dingen wel of niet zouden doen. Ik had toen de illusie dat het ok was. Het ging ook allemaal goed, ondanks de risico’s die ze blijkbaar hebben gelopen.

Het gekke is dat het in die tijd in de Koreaanse maatschappij waarin we leefden een natuurijke keuze leek. Onze zoon ging nog voor hij vier was, tot zijn grote vreugde, naar de KOSINDIS, (Nederlandse schooltje waar een juf of meester uit Nederland les gaf. Het was een lokaal van de school waar mijn echtgenoot theologie doceerde). Omdat hij nog zo jong was ging hij maar een dagdeel. Dat betekende dat hij op de een of andere manier thuis moest komen. Daar hadden we wat op gevonden. De juf zette hem op de stadsbus en vroeg het busmeisje dat de passagiers de bus introk en er uitgooide of ze op hem wou letten en hem bij die en die halte eruit wilde zetten. Vervolgens pikten wij hem daar op.

Als ik nu mijn kleinzoons zie, van 5 en 2,5 en ik stel me voor dat ik ze in een stad van 4 miljoen inwoners van de ene kant naar de andere zou sturen in de bus, op hun eentje, verklaar ik mezelf voor gek.

En toch. Er speelde waarschijnlijk mee dat we als buitenlanders een uitzonderingspositie innamen. De Koreanen waren vriendelijk, gek op kinderen en zorgzaam. Zo’n busmeisje was in haar rol als ‘conducteur’  heel serieus, dus daar vertrouwden we ook op.

Het was ook een kwestie van roeien met de riemen die je hebt en de noodzaak van met beperkte middelen je doel zo goed mogelijk zien te bereiken. Onze zoon had er geen enkele moeite mee. Die wilde heel graag naar school, sprak genoeg Koreaans om vervelende nieuwsgierige Koreanen van zich af te schudden en wachtte geduldig tot een van ons hem ophaalde bij de halte. Ik vertel maar niet hoe schuldig we ons voelden toen we hem door een misverstand niet ophaalden en hij na een uur zelf naar huis terug kwam.

Ik had na deze EHBO cursus niet meer in Korea mijn kinderen durven opvoeden…

Het is een kwestie van balans – Korea 1980-1988

In Nederland verdronk ik de eerste jaren, na onze terugkomst van een verblijf in Zuid-Korea, in de was van een gezin van 6 personen. Onze Koreaanse hulp, die wij adzjoemoni noemden, miste ik pijnlijk. Ze was meer voor me geweest dan een hulp in de huishouding. Eerder had ze me geholpen staande te blijven in de nieuwe wereld waar ik in terecht was gekomen. Ik kende de cultuur niet, sprak de taal niet, kende de gebruiken niet. Zij was er drie of vier dagen in de week en op een heel natuurlijke wijze kreeg ik door haar meer vat op mijn Aziatische omgeving.

Het begon al toen ik nog maar een paar maanden in Pusan woonde. We waren net in ons eigen flatje getrokken in een complex met de weidse naam, Urim Mansion, op de 3e verdieping. Woon- en eetkamer, keuken, twee slaapkamers en een badkamertje. Helemaal niet slecht, zeker vergeleken met onze collega en zijn gezin die op de 1e verdieping waren beland en op een muur uitkeken. Wij keken naar overburen die nog in een primitief boerderijtje woonden.

De jongste was een maand of 6, de oudste 4 jaar. Samen sliepen ze op 1 kamer, dat ging prima voor zover ik me herinner.  Boodschappen doen was een uitdaging. Er waren supermarktjes, grote markten met groenten, vis, vlees, huishoudelijke artikelen en alles wat je maar bedenken kon. Maar zonder de Koreaanse taal te beheersen was het een hele toer de juiste spullen te vinden. De Koreanen spraken geen Engels en kregen onmiddelijk de slappe lach als we probeerden te communiceren. Ze waren in het geheel niet gewend met westerlingen om te gaan.

Als ik weg was paste adzjoemoni op. Dat ging goed, ze was lief en de kinderen mochten haar graag. Maar de eerste keer dat ik haar duidelijk probeerde te maken dat de baby om een bepaalde tijd moest slapen had ze grote moeite me te volgen. Ik snapte het niet waarom het zo moeilijk was. Een baby doet een dutje,(baby aanwijzen en bedje) en op mijn horloge liet ik de tijd zien. Eerst dacht ik dat het kwam omdat ze zelf geen horloge had, dus ik gaf haar het mijne. Ze bleef me aarzelend en onzeker aankijken, maar ik kon gaan.

Later, toen ik beter Koreaans sprak, vertelde ze me dat ze nog nooit op de klok had gekeken om een kind naar bed te brengen. Die combinatie kwam haar heel vreemd voor. Een kind slaapt wanneer het slaapt. Je bindt het op je rug en je ziet wel. Maar een kind wegleggen, helemaal alleen in een bedje, terwijl het nog wakker is, zelfs gaat huilen en dan de deur dichtdoen achter je, kwam op haar over alsof je je kind op straat te vondeling zou leggen. Een kind hou je ten alle tijden bij je.

Toen onze derde daar werd geboren had adzjoemoni  helemaal de neiging om, ware het mogelijk geweest, een melding van verwaarlozing te doen. Een pasgeborene, moederziel alleen in een koude kamer (met kruikjes, dat wel) te slapen leggen en dan maar wachten tot het gaat huilen voor je het weer oppakt…Dat ging haar verstand werkelijk te boven en stak haar als een pijl in haar hart. Ernstig sprak ze me erop aan. Hoe ik dat nu doen kon….

Kijkend door haar ogen ben ik het ook wel vreemd gaan vinden dat we onze kinderen (toen) zo afzonderden. Consultatiebureaus en tradities hadden grote invloed. Rust, reinheid en regelmaat zijn nog steeds een gulden regel, maar de Aziatische aanvulling van de lichamelijke nabijheid van de moeder is wel heel waardevol. Gelukkig zie je tegenwoordig meer die koestering door het dragen van de baby in een draagdoek- of zak.  Het is een kwestie van balans. In Korea droegen de moeders 24 uur per dag de babies met zich mee. Ze sliepen er ’s nachts mee, en overdag droegen ze de baby op hun rug. Al het werk dat gedaan moest worden deden ze op die manier. Soms als de baby in een hele diepe slaap was legden ze het even neer, vlak in de buurt om wat gemakkelijker zich te kunnen bewegen. Maar nooit lang.

Daar zou ik dus gek van geworden zijn.

Zaandam

Zaandam. Onze eerste gemeente na acht jaar buitenland. Geen ervaring nog in de pastorie. Geen ervaring als huisvrouw in een Nederlandse context. Mijn hulp voor drie dagen in de week in Zuid-Korea had ik snikkend (zij en ik) achter moeten laten op het vliegveld van Pusan. Acht jaar had ze me bijgestaan. Met huishoudelijk werk (de was bijv.), met liefde voor onze vier kinderen zorgen, en meest nog wel met mij Koreaans leren spreken.

adjoemoni bijafstuderenvanzoonZij kende geen Engels dus ons contact bestond in het begin slechts uit moeizaam handen en voeten werk. Maar langzaamaan nam mijn kennis van het Koreaans toe en zij hielp me met het benoemen van de dingen waaruit het dagelijks leven bestond. Haar reacties en commentaar op onze (in haar ogen vreemde) gewoontes, gaf me mijn eerste kijkje in de intrigerende Koreaanse cultuur.

Na acht jaar was ik verknocht geraakt aan haar. Ze functioneerde enigzins als een moederfiguur, realiseer ik me. Ze was er altijd, zorgde, nam me zware dingen uit handen, was gek op de kinderen en was stand-by, zoals ik nu voor mijn kinderen en kleinkinderen ben.

Na acht jaar werd het dus weer Nederland, Zaandam. Een hoekhuis in een woonwijk, een tuin, een normaal Nederlands leven. Kinderen naar school. Naar muziek, naar sport. Echtgenoot toegewijd aan gemeentewerk en ik moest zoeken naar een andere levensinvulling.

Dat viel niet mee. Vrienden, die we nu nog hebben, hebben me daar zonder dat zij en ik het beseften doorheen gesleept. Door er te zijn met hun hartelijkheid en vriendschap. Gelukkig wel. Want wat is het een omschakeling.

Mijn scherpste herinnering is aan de eindeloze was, waar ik in verdronk. Ik had zelf nauwelijks ervaring met het bijhouden van de was voor een gezin van 6 personen. En opeens was dat het voornaamste karwei wat ik moest leren beheersen. Ik had er nachtmerries van. Overal in huis lagen er hopen was in verschillende stadia. Vieze was, in hopen lciht en donker, was in de machine die er nodig uitgehaald moest worden, natte was die nodig opgehangen moest worden, was die nodig van de rekken af moest, was die al lang gevouwen moest worden, en een berg strijkwas waar ik niet meer over heen kon kijken …Het kwam gewoon nooit klaar. Iedere keer weer zat die wasmand barstens vol.

Voorzichtig peilde ik bij andere vrouwen in mijn omgeving hoe zij ˜de was” ervoeren, maar aan niets kon ik merken dat ze er een probleem mee hadden. Sommigen hadden het dan over ˜tussendoor”dingen doen en ik vroeg me dan af wáár in vredesnaam tussendoor. Al het huishoudelijk werk was een grote brei voor me. Ik miste mijn Koreaanse adzjoemoni smartelijk.