Bourgondiërs in Venlo en Brugge

   Onlangs was ik voor het eerst in Venlo, voor een tentoonstelling in het Limburgs Museum, Bourgondiërs in Limburg.
Voor wie denkt wat zijn dat voor lui, Bourgondiërs waren oorspronkelijk Franse hertogen (familie van de Franse koningen, in de 14 en 15e eeuw) die door slimme huwelijken hun bezit uitbreidden naar het noorden en ook delen van Nederland tot hun rijk konden rekenden. Vanaf Dijon tot aan de zuidelijke Nederlanden regeerden ze als vorsten. Ze waren steenrijk en hielden van grote, overvloedige feesten, van kunst, van muziek en eten. Daar komt dus ons begrip ‘Bourgondische levensstijl‘ vandaan.
    In de tentoonstelling wordt uitgelegd dat het begrip in feite pas in de 19e/20e eeuw gebruikt ging worden in Limburg, als een soort verkooptechniek. De associatie met zo’n term is aantrekkelijk en positief. Bourgondisch eten, dat moet wel lekker zijn, toch? Dus alles onder de grote rivieren kreeg de naam Bourgondisch als eretitel. De samenstellers van de tentoonstelling willen juist het Limburgse karakter benadrukken. Dat heeft eigenheid genoeg, zonder de leenterm Bourgondisch. Ik weet niet of het zo is.

   Mijn zus zei altijd dat ik Bourgondisch kookte. Omdat er overal kruimels en klodders rondvlogen en de kruiden, potten en pannen zich opstapelden. Tja. Ook een gebruik van het begrip.

Middeleeuwen

   Ik heb iets met de middeleeuwen. De schilderijen, de beeldhouwkunst, de muziek. Het is allemaal zo tot de verbeelding sprekend. Ik romantiseer die tijd ongetwijfeld, want het grootste gedeelte van de mensen leefden in bittere armoede. Maar wat een bijzondere periode is het geweest. Pracht en praal. Alles was heftig en vol emotie. En de hele maatschappij was doordrenkt van het christelijk geloof. En dat als vanzelfsprekend. De kerk en de bisschoppen en pastores beheersten alles. Gewone mensen lazen geen bijbel. Die was niet vertaald, men geloofde op grond van wat de priester zei.  De bijbelse verhalen werden verbeeld in schilderijen, tableaus en beeldhouwwerken, gewoon te zien op openbare plekken en kerken. (Niet, zoals nu, elitair, in dure en gesloten musea). En sommigen daarvan zijn zo onwaarschijnlijk mooi! De details, de devotie, de kleding. Ik kan er uren naar kijken. De fijne gelaatstrekken, de mantels die in rijke plooien vallen en zo overtuigend echt geschilderd zijn dat je de stoffen kunt voelen. Zacht fluweel, brokaat, het koele, glanzende zijde. En de juwelen! Goud en edelstenen. En dan de gezichten. De expressie, de fijn geschilderde huid, de ogen, en de blik in die ogen. Ik vind het een genot om naar te kijken!

Philips de Goede, graaf van Bourgondie, 14e eeuw
Jan van Eyck, Madonna en kanselier Rolin

Brugge

   Vorige week was ik in het mooie Brugge, de vroegere zetel van de hertogen van Bourgondië. Nou ja, een van de zetels dan, want de heren reisden graag rond, met hun gevolg en hun hele hebben en houden, in een lange, indrukwekkende stoet. Daar hadden ze meer dan een paleis voor nodig, maar een hele serie paleizen. In Gent, in Brussel, in Dijon enzovoort. In Brugge staat er nog een deel van het paleis. Maar het is slechts een zevende van het oorspronkelijke gebouw.

   Bart van Loo heeft een boek geschreven over het tijdperk van deze heren. En een zeer vermakelijke podcast erover gemaakt. Als je van geschiedenis houdt, een aanrader! Hij is zelf de verteller en het verhaal wordt bij tijden onderbroken door muziek uit dezelfde periode. Hij is echt een geweldige verteller. Vol humor en eindeloos veel kennis.

   Nog wat foto’s uit de Brugse musea. In Gent stopten we nog om Het Lam Gods te bekijken. Dat moet je werkelijk in het echt zien. Het is 3,4 meter breed en 4,4 meter hoog! Te zien in de St.Baafskathedraal in Gent.

We hebben het altaarstuk nog gezien in een opstelling waar je het bijna aan kon raken. Nu, jaren later, is het heel anders. Duidelijk aangepast aan de stromen toeristen die er jaarlijks aan voorbij trekken. Dit seizoen, januari, ná de feestdagen, was de beste tijd om te komen zei een vriendelijke vrijwilligster, in een soort skipak. Want wat was het stervenskoud daar, in die uit marmer opgetrokken kathedraal. Heel lang hielden we het niet uit, maar we waren blij toch de extra stop gemaakt te hebben

 

Kringloop

  Wie denkt dat ik tijdens vier dagen in een stad als Brugge alleen musea bezoek, zonder een tweedehands winkel of Kringloop te vinden…..die heeft het dus mis. Brugge heeft in ieder geval een fantastisch leuke Kringloop met twee locaties. Heel netjes en leuk ingericht. Zelfs een beetje artistiek. Voorin zit een naaiatelier. Je kunt er koffie drinken aan een lange tafel. De kleding is van redelijke kwaliteit. Ik heb er een paar leuke dingen gescoord!

Het dilemma van de zee

Wie me blij wil krijgen, moet me meenemen naar water. Een haven of een weidse rivier, maakt niet uit welk seizoen. Het liefst nog de zee. Ik ben een waterkind. Zou het in mijn genen zitten? Mijn moeders familie heet Van Katwijk. Een van de van Katwijk genealogieën gaat terug naar een voorvader uit de 17e eeuw of zo, uit Catwijck. Hij trouwde met een Schiedamse jongedochter en vestigde  zich in Schiedam. Dan zit de zee wel een beetje in mijn bloed. (Hoewel, mijn moeder was geen ‘strandmens’ zoals ze het zelf altijd noemde) Een andere genealogie zegt dat de familie uit een wijk bij het kasteel (=Cat) in Schiedam kwam…Stadskinderen dus. 

Ik ga gewoon voor de eerste, als waterkind spreekt me die meer aan!

Mijn overgrootmoeder (Teuntje Joppe) aan vaders kant kwam van de eilanden, Goeree en Overflakkee. Dat is ook een redelijk waterige omgeving. Als kind gingen we vaak op vakantie in Ouddorp en één van de hoogtepunten was de oversteek met de pont. Auto en al. Als we dat zwarte gat van de laadruimte van de boot in reden, voelde ik zo’n heerlijke mengeling van angst en opwinding. Tussen al die auto’s vond ik het eng en overweldigend, maar eenmaal boven op het dek, geweldig. Wind in mijn haren, de mengeling van de geur van de zee en de boot, ik was op vakantie.

Veel van mijn beste herinneringen zijn van dagjes uit aan het strand, vakanties aan zee, of soms, later met de kinderen nog, na school, rond 4 uur naar de kust rijden om op het strand van Castricum, bij ondergaande zon, onze meegebrachte maaltijdsalades te eten. 

Tijdens een Nederlandse taalles aan statushouders uit allerlei verschillende landen, was de opdracht om over hobby’s, leuke dingen om te doen, enzovoort te praten. De woordenschat was nog beperkt, maar we deden ons best. Meestal begon ik zo’n conversatie-les met wat te vertellen over wat ik zelf leuk vind, ter inspiratie, zeg maar. Nou, het laat zich raden waar ik over begon…het strand en zwemmen in de zee natuurlijk. Om de studenten aan het praten te krijgen vroeg ik of ze al eens in Scheveningen geweest waren? Een paar zeiden ja, maar eentje zei ‘daar wil ik niet heen’. In mijn onschuld vroeg ik door, wat was de reden? ‘Ik ben met een boot gevlucht en bijna verdronken in de Middellandse Zee’.

Boem, ik kon mezelf wel voor het hoofd slaan, zo was ik uitgegaan van mijn verwende westerse opvatting over strand en zee.

De zee is immers zo lang een vijand geweest, ook als je geboren werd in een vissersdorp als Katwijk of Scheveningen. Niet voor niets staan in al die dorpen monumenten van vissersvrouwen starend over zee, tevergeefs wachtend op hun man of zoon, verdronken tijdens het vissen.

Nog maar zo kort is de zee een bron van vermaak geworden. Ik geloof pas begin 20e eeuw. Ik heb foto’s van mijn moeder met haar jongste  zusje in de jaren twintig op het strand van Scheveningen. Maar aangekleed en wel, het water ging ze niet in. 

Gisteren liepen we opgewekt naar het strand in Argeles- sur- mer. Een bekende badplaats voor Nederlanders, maar nu in het laagseizoen is er bijna niemand.. Langs het strand loopt een lange zandweg, met aan beide zijden hoge dennenbomen, die in de warmte heerlijk schaduw bieden. Nietsvermoedend liepen we naar de ingang van het pad en zagen daar een paneel, met foto’s en tekst. Altijd benieuwd naar de geschiedenis van een omgeving, begonnen we te lezen. 

We zagen een grote zwart-wit foto van mensen achter prikkeldraad. De tekst was schokkend. Op diezelfde plek, dat lange zandpad langs de zee, en op het strand waren in 1939 meer dan 100.000 Spaanse vluchtelingen opgesloten, republikeinen die zich verzetten tegen Franco. De Franse overheid stond niet toe dat ze het land introkken en de vluchtelingen, met duizenden kinderen, werden in erbarmelijke omstandigheden vastgehouden achter prikkeldraad. Gebrek aan voedsel, hygiene en drinkwater maakte dat duizenden, vooral kinderen stierven. En de bomen die aan ons schaduw boden waren er nog niet. Later na het uitbreken van de oorlog voegden zich ook Joodse vluchtelingen bij hen.

Argeles camp “is on a sandy expanse by the sea. There is no shelter of any sort from wind, sand, or rain. A bitterly cold wind from the mountains has produced a raging sandstorm…There is a great deal of dysentery probably from lack of good water and absence of sanitary arrangements.”[14] Refugees built shacks and dug holes in the sand for shelter.[15] (Wiki)

Gedenksteen voor de Retirada, de vlucht van Spaanse republikeinen voor Franco naar Frankrijk.

Het geeft een schaduwrand aan het plezier dat de Middellandse Zee ons biedt. De stranden, het water voor zoveel duizenden een plek van dood en misère. Ontheemden, vluchtend voor oorlog en geweld, toen en nu. Denk aan Lesbos waar o.a. Stichting Bootvluchteling al zoveel jaren hulp biedt aan vluchtelingen die in gammele rubberbootjes aankomen. De moeite waard om te steunen!

De bijbeltekst in Openbaring 21 komt in me naar boven:  ‘en de zee zal niet meer zijn’. Als we die tekst lazen na het eten snapte ik er als kind, met mijn emmertje en zandschepjes niets van. Wat was er nou mis met de zee?

Hier dringt het weer even door: De zee is en blijft ook een vijand.