Goeie zaak die nazorg

Ik heb me voor het eerst gemeld bij de ‘nazorg’ van onze gemeente, afgelopen zondag. Na iedere dienst staan twee mensen in de kerkzaal met een badge ‘Nazorg’. Wie wil kan hen aanspreken, napraten over iets in de dienst dat hen raakte, met hen bidden, whatever.

Het loopt geen storm. Er zijn geen wachtrijen, er hoeven geen nummertjes te worden getrokken. Integendeel, er is voor zover ik kan zien zelden iemand die zich meldt. Hoe komt dat, vroeg ik me af.

Op mezelf afgaand heeft het te maken met een onbekend fenomeen. Gereformeerden zijn erg goed in het over van alles te hebben na een dienst, behalve over de dienst. Hoe geraakt men van binnen misschien ook is. Het is (nog) niet de gewoonte er met elkaar over verder te praten. Dat is één reden, misschien.

Samen bidden zijn we ook nog niet zo gewend. We hebben onze vaste momenten, bij de maaltijd, in de diensten, wellicht alleen of met vriend/partner. Maar zomaar, in een lege kerkzaal met iemand die je persoonlijk misschien niet eens goed kent, dat is wat onwennig.

Verder, wat is er de meerwaarde van? Opnieuw voor mezelf redenerend, ik kan het thuis aan iemand vertellen en er eventueel met diegene ook voor bidden. Of ik bid in mijn uppie. Waarom hier en waarom direct na een dienst?

Eigenlijk ook erg gereformeerd, om zo na te denken over iets..Maar het zijn gedachten die ik nu pas formuleer, die in feite in mijn onderbewustzijn speelden, blijkbaar.

Hoe dan ook. Afgelopen zondag raakte de dienst me. Het Bijbelgedeelte, Romeinen 12, de liederen, de boodschap over het Bijbelgedeelte, alles paste in elkaar en vormde een boodschap voor me: laat je enthousiasme niet bekoelen, zet je gaven in voor de gemeente en vertrouw de Geest van Christus dat je er weer zin in krijgt. Ik worstel daar mee, na voor de zoveelste keer opnieuw te moeten starten in een gemeente.

Na afloop van de dienst dacht ik, weet je wat, ik ga naar de nazorgdame. We kregen een goed gesprek, samen gebeden en wat de meerwaarde was? Ik denk het onmiddellijk delen terwijl de indruk nog vers en nieuw was. Het me opgevangen weten door een ander, als een teken van Gods zorg voor mij. Het vormde een natuurlijke afsluiting van de dienst voor me.

Toch een goeie zaak, die nazorg.