Kleinzoons

noahfietstochtjuni SAM_0380Kleinzoon Kris is nogal vlot van de tongriem gesneden, naast het feit dat hij zeer goed weet wat hij wel en niet wil. Gisteren op zijn verjaardag had hij veel Lego gekregen, wat direct met grote toewijding en concentratie in elkaar werd gezet. We hebben het hier niet over Duplo maar over Ninjago, vrachtauto’s en ander ingewikkeld bouwspul, wat mij in het geheel nooit heeft aangetrokken als kind. Niek (bìjna 8) en Kris (nu 5) zijn experts in Lego-constructie. Ook wel omdat hun moeder er altijd veel plezier in had en hen kan helpen als er even iets niet lukt. Daar had ik gelukkig toen de kinderen klein waren nooit ‘last’ van, van mij was geen steun te verwachten wanneer er iets niet ging zoals het moest. Ik zuchtte meestal diep en zei dat ik het heel vervelend voor ze vond en zo…

Kris was gisteren zo ingespannen bezig met zijn Lego dat andere cadeautjes op een stapeltje werden gelegd. ‘Maak je mijn cadeautje niet open, Kris’, had zijn tante Saskia al een paar keer aan gedrongen. ‘Nou nee, nu even niet, want ik moet eerst mijn lego af hebben’, antwoordde hij nogal vastbesloten. Om er vervolgens  troostend aan toe te voegen: ‘en dan maak ik het open hoor..’ Volgens mij had hij stiekem even gevoeld of er wellicht meer Lego aan zat te komen (het felst begeerd) en constaterend dat er in de platte pakjes andere dingen zaten, mochten ze wel in de wacht. Als kind heb je nog geen last van beleefdheidsconventies en zo. Later onder dwang van moeder gingen de pakjes alsnog open.

Zijn rapport van groep 2 was uitstekend, met een of twee ‘aandachtspuntjes’. Eén ervan was ‘zich presenteren in de groep’. Tot mijn verbazing, ik had niet de indruk dat hij ook maar enige moeite had met zichzelf te presenteren, groep of geen groep. Kris heeft een duidelijke stem, een duidelijke mening en geen moeite om die kenbaar te maken thuis en bij ons. Hij ging zelfs met Sinterklaas in discussie over het een of ander.  ‘Beetje minder mag ook wel’, roepen opa en oma af en toe vertwijfeld wanneer Kris iets in zijn hoofd heeft gezet.

Maar in de klas gaat het dus anders blijkbaar. Juf vertelde dat de kinderen tijdens het kringgesprek allemaal iets mogen vertellen wanneer ze hun vinger opsteken. Kris stak echter niet vaak zijn vinger op. Op een goeie dag wilde de juf Kris er wat meer bij betrekken. ‘En Kris, wil jij ons ook wat vertellen?’ Kris, nooit op zijn mondje gevallen antwoord: ‘heb ik soms mijn vinger opgestoken, dan? Als ik niet mijn vinger opsteek heb ik ook niet iets te vertellen, toch.’ Tja, je wilt je presenteren in de groep of niet….

Niek had een moeilijke dag gisteren tijdens de verjaardag van zijn jongere broertje. Al die aandacht, al die cadeaus…het gaat allemaal aan jouw neus voorbij. Maar na verloop van tijd knapte hij weer op, zeker nadat zijn pappa met hem was gaan tennissen buiten. Ook  Niek’s rapport was goed. Hij tennist, speelt piano bij een hele strenge juf…en knutselt zich drie keer in de rondte. Met zijn elastieken vingers knipt en snijdt en plakt en vouwt en bouwt hij dat het een lieve lust is. Later wil hij robots leren bouwen. Een veelbelovende tak van sport als je het mij vraagt.

Noah (bìjna 2) is volop de wereld aan het ontdekken. Vrolijk, ondernemend, nieuwsgierig (ís dat, oma? oma, dóe je?) en is al net zo’n (duplo)lego fanaat als zijn neefjes.

Prachtig om steeds weer vanaf zero die ontwikkeling te zien van geest en lichaam. Van volkomen afhankelijk babietjes, liggend in een wiegje, tot lopen, spreken, denken en een eigen persoonlijkheid.

Bron van vreugde.

 

Tussen IJsselstein en Schiedam

Ik weet het, ik ben er achter!

De allereerste keer dat ik in IJsselstein kwam wist ik het al: hier kom ik te wonen. Maar waarom? Er waren allerlei redenen, maar daarin onderscheidde IJsselstein zich niet van andere leuke stadjes. (Ik wist toen nog niet van het huis met prachtig uitzicht waarin we uiteindelijk kwamen te wonen). Nee, het was een onmiddellijke, onverklaarbare en instinctieve ervaring. Hier hoor ik, hier voel ik me thuis. Hoe kwam ik toch aan dat gevoel?

Nu weet ik waarom. Het heeft met Schiedam te maken. Schiedam is mijn geboortestad. Maar niet alleen die van mij.  Generaties en geslachten Sonnevelden en van Katwijken komen er vandaan. Vanaf minstens de 17e eeuw wonen en werken ze er.

Behalve die familiegenen is er nog iets wat bijna wel in het DNA van alle Schiedammers moet zitten: jenever. Schiedam is nu nog bekend in de hele wereld vanwege Ketel 1. Maar in de 18e en 19e eeuw stikte het in de stad van jeneverstokerijen. Het vervaardigen van jenever was een van de voornaamste bronnen van werkgelegenheid. Van de zakkendragers (met graan), de tonnenmakers, de brandersknechten die het vuur in de stokerijen dag en nacht brandende moesten houden, de flessenblazers, tot aan de hoge directeuren.

Nu terug naar IJsselstein. Tussen Schiedam en IJsselstein stroomt jenever. Grote delen van en rondom IJsselstein werden in de 19e eeuw opgekocht door twee directeuren van jeneverstokerijen uit Schiedam! Van het geld van de verkochte stokerijen, kochten ze in deze buurt landerijen en polders.

Ik róók het. De eerste keer dat ik hier was. Dat Schiedamse geurtje. En ik voelde me thuis. Zoals ik me thuis voel zo gauw ik mensen die met een Schiedams accent spreken, om me heen hoor.

Ik ben dus niet voor niets lid geworden van de Historische Vereniging IJsselstein! Mijn onverklaarbare band met dit stadje is door een artikel in hun blad duidelijk geworden…

Nestgeur?

oostersorthodoxpinkster-dienst

Ze gaat graag mee. Om half tien haal ik haar op, mijn taalmaatje. Ze is gelovig, komt uit een Oosters-orthodoxe kerk en mist de kerkgang in Nederland. Ik heb aangeboden haar mee te nemen naar een kerk in de buurt van haar huis. Met de achterliggende gedachte: dan kan ze er zelf heen lopen, ze kan er mensen leren kennen die haar door de week ook kunnen steunen waar nodig. Want ze heeft het niet makkelijk. Financieel, sociaal, in haar huwelijk, ze is eenzaam en mist haar moeder in de opvoeding van haar kindje.

We gaan naar de Nieuw Testamentische Gemeente in mijn woonplaats. Een nogal weidse naam, maar ik ken er iemand die ik vertrouw en die ook bij de ChristenUnie betrokken is. Zelfs raadslid is geweest. Wie weet kan zij een rol spelen in de ‘aarding’ van mijn taalmaatje.

We worden vriendelijk welkom geheten in de verbouwde school. Iedereen is vriendelijk, er lopen mensen van allerlei leeftijden, etnische en sociale achtergronden. De straatkrant verkoper die altijd bij onze Jumbo staat komt naast me zitten en we maken even verder kennis. Hij herkent mij (oh, oh, was ik wel vriendelijk genoeg? Gelukkig koopt echtgenoot altijd de krant..). En hij blijkt uit hetzelfde land te komen als mijn taalmaatje. Ze babbelen wat. Hij is aardig en legt wat dingen uit.

De dienst start. Met aanbidding. Veel zingen, staan, geheven handen, de band, nou ja, al met al ook niet geheel onbekend in mijn eigen gereformeerde wereld. Wel wat langer, wat veel herhaling en tussendoor meer praten. Na een poosje kijk ik links naar mijn gaste die één stoel verder zit. Haar hoofd is gebogen en ze frunnikt wat aan haar broek. Ik voel dat ze niet op haar gemak is. Ik ruil van plaats met degene die naast haar zit en vraag haar hoe ze het vindt? ‘Dit is niet mijn kerk..het is vreemd’ zegt ze enigszins beteuterd. ‘Zoveel lawaai’. Ik heb een beetje meelij met haar. Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik voor het eerst een dienst bijwoonde in een Pinkstergemeente. Ik had het liefst direct de kerk verlaten. De persoonlijke emoties van de mensen om je heen voelen heel vervreemdend wanneer je daar niet aan gewend bent.

Na een poosje begint de preek. Een goede boodschap over Jezus die kwam om te dienen, niet om gediend te worden, hoewel Hij alle recht had daarvoor gekozen te hebben. De spreker is vlot van de tongriem gesneden, maakt grapjes en spreekt snel. Het ontgaat N. volledig. Haar Nederlands is niet goed genoeg. Ook de krantverkoper kan het niet volgen en leest de bijbel in zijn taal.

Na de dienst geeft N. aan dat ze het gevoel had dat ze God aan het verraden was door bij deze dienst te zijn. Het is niet wat ze wil. Ik leg haar uit dat het ook niet het soort dienst is waar ik me echt thuis voel, maar dat het belangrijkste voor God niet is welke vorm een dienst heeft, maar of er uit Zijn woord gesproken en gezongen wordt. Maar dat gaat er niet in bij haar. Zo ga je toch niet met God om? Mensen slaan geen kruis….de muziek is lawaaierig, mensen knielen niet. Ze mist eerbied. Tenminste, zoals die vorm krijgt in de Oosters orthodoxe traditie.

Welaan. Om haar een (steun)kring van mensen te bezorgen bedacht ik dat de Pinkstergemeente daar de meeste kans op bood. Maarrr..mijn plan dient bijgesteld.

Volgende keer maar de katholieke kerk bezoeken. Mijn eigen kerk bevindt zich helaas niet in mijn woonplaats. Het doet me wel al meer gemotiveerd raken met mijn mede stadsgenoten een (huis)gemeente te beginnen.

Alles goed?

´Alles goed?´ Hoe vaak wordt het je niet gevraagd door willekeurig wie. Op straat, door de buurman, door kennissen, door collega’s. ´Ja hoor, alles goed´, roep je dan flink. Hoe het ervan binnen ook uit ziet soms. ´Prima! ’t Zonnetje schijnt, toch?´ Ondertussen ben je misschien wel zo depressief als een deur!

Net weer een stukje gelezen van een goede bekende die na de dood van haar kindje de vraag niet meer kan horen. Hoe bedoel je ‘alles goed’? Hoe kan nu ook maar één moment alles goed zijn, wanneer jouw kindje in een grafje ligt, in plaats van in het warme wiegje dat jij had klaar gemaakt?

Of,
Wanneer je weet dat de ziekte waaraan je lijdt niet meer over gaat?

Wanneer je kind verslaafd is aan drugs en van kwaad tot erger kom?

Wanneer je geliefde man of vrouw niet meer bij je is?

Wanneer je alleen door het leven moet gaan, terwijl je diep verlangt naar een partner?

Ik kan de lijst aanvullen met tientalle andere situaties, ieder voege de hare of zijne toe.

Ik pleit ervoor nooit meer te zeggen ´gaat het goed?’ Maar om een open vraag te stellen, zodat de ander, als die wil en de gelegenheid er is, ook kan vertellen hoe het echt is.

´Hoe gaat het met je?´ Met ruimte voor een antwoord. Want iedereen die je ontmoet voert zijn of haar eigen strijd.  Dan kunnen we die maar beter delen, toch?

Alleen in de wereld?

Alex Vinkenoog met dochter – bron:ncrv

Ik zag een aantal dagen geleden een ontluisterende documentaire op de TV. Alleen in de wereld, gemaakt door Denise Janzée, Een verhaal over hoe het kinderen van zg. bekende Nederlanders is vergaan sinds zij opgroeiden in de zestiger jaren bij ouders die druk waren hun grenzeloze vrijheid te bevechten en ervan te genieten. Dolle Mina’s die voor vrije abortus streden, hippies die met hun naïeve flowerpower ideeën zich suf rookten aan hasjiesj. Ze experimenteerden met heroïne en LSD, waarvan de kwalijke gevolgen vele malen die van hasjiesj overtroffen. Je ziet het in de film aan de verwoeste gezichten van sommige vaders of moeders. En sommigen overleefden de drugs niet eens.

De ‘kinderen’, veertigers en vijftigers nu, vertellen over het bizarre leven dat ze leidden als kind. Gebrek aan aandacht, als peuter tussen mensen zitten die allemaal zo stoned waren dat ze niets meer beseften. Als vijfjarig jongetje uren alleen erop uit gaan met de tram omdat ouders toch niet merkten of hij er wel of niet was. De sterk wisselende contacten van de ouders. Dan weer die ‘vader’, dan weer die. Alles kon en alles mocht. Eén vrouw is moeite blijven houden met intimiteit omdat ze niet geleerd had wat het was. Haar moeder had seks waar ze bij was, er was geen enkele ontwikkeling van privacy, gezonde schaamte en intimiteit.

Het herinnerde me aan een andere documentaire die ik ooit zag, Communekind: opgroeien bij de Bhagwan, (Maroesja Perizonius). De maakster komt als zesjarig kind met haar moeder in een vrije Bhagwan commune in o.a. Amsterdam te wonen, in de ‘vrije’ jaren zestig. De vrijheid ging daar zo ver dat volwassen mannen  gewoon seks konden hebben met kinderen in de commune. ‘Waarom heb je me daar niet tegen beschermd?’ vraagt de dochter in de film aan haar moeder.

De ouders die geïnterviewd worden in de recente documentaire zijn nog zo stuitend vol van zichzelf dat je hart uitgaat naar de zoons en dochters. De zachtzinnige Alexander, zoon van Simon Vinkenoog, die nu een goeie vader voor zijn drie kinderen wil  zijn, wil uitleggen waarom hij zich verwaarloosd voelde als kind. Elke keer dat hij een zin begint kapt de laatste vrouw van zijn vader hem af met een loftuiting op haar goeroe Simon, die toch zó geweldig was. Alexander houdt wijselijk zijn mond.

Als je ergens duidelijk wil zien hoe wreed geloof in absolute vrijheid is, dan wel in dit soort beelden. Een vrouw die een psychiatrisch wrak is vanwege haar drugsgebruik, een vrouw die bazelt over hoe ‘verruimd’ haar hersenen zijn dank zij de LSD, een zoon die nog steeds zoekt naar geborgenheid en liefde, een dochter die nooit heeft kunnen genieten van lichamelijke aanraking, een zoon die vertelt hoe zijn broertje de waanzin niet overleefde en zelfmoord pleegde. Verdrietige, verdwaalde kinderen van losgeslagen en evenzeer verdwaalde ouders… De documentaire heeft een open einde. Het is een aanklacht. Maar ook een oproep tot begrenzing aan vrijheid. Maar hoe?

Vrijheid kan nooit een doel op zich zijn, dat blijkt wel. Vrijheid werkt alleen als middel tot een doel. Om te dienen, om lief te hebben. Wie geeft ons  leefregels die het leven doen opbloeien in plaats van ons leeg te zuigen en te verpletteren?

Ik nodig de hoofdpersonen in de documentaire (en ook mijzelf weer) uit, de lichte last van de leefregels van Jezus Christus op te nemen. Zijn belofte is: Kom achter mij aan en leef volgens mijn regels en Ik leid je naar Leven en Vrijheid in overvloed.

Alles is al gezegd?

Vreemd hoe het menselijk brein werkt, of misschien is dit wel exclusief hoe het mijne werkt. Er zijn weken dat ik wel drie blogs per dag kan schrijven, maar me, om mijn lezers niet te overvoeren, inhoud.

En dan zijn er weken dat ik geen enkele blog produceer. Is er dan niets om over te schrijven? Vast wel, maar bij alles denk ik, wat heb ik nog toe te voegen aan het eindeloze geschrijf op internet? Een zeker gezond relativisme overheerst dan. Alles is al gezegd, er is niets nieuws onder de zon, zoals een illustere ‘blogger’ onder de naam Prediker, eeuwen voor mij al schreef. Wie is er geïnteresseerd in de capriolen van mijn kleinkids? Wie in mijn gedachtespinsels over lief en leed in het dagelijks leven? En zo mompel ik dan een poosje somber voor mij heen, op de bank, achter de geraniums.

Maar, na eens flink in de tuin gewroet te hebben (altijd goed voor hersteld contact met wezenlijke dingen) bedacht ik, dat er toch mensen zijn die mijn blog lezen. Ik heb zelfs statistieken om aan te tonen hoeveel en meer nog, wat ze het leukst vinden. Al tijden staat mijn blog over de Woudenbergboys ‘Legotime in Woudenberg‘ op nummer één. Gevolgd door mijn blog over pensioen voor dominees. Geef dit iets weer van mijn eigen prioriteiten?

Na deze kortstondige peiling keerde het zelfvertrouwen enigszins terug. Ik zal weer eens een sappige blog schrijven over het wel en wee van de kleinzoons. Desnoods zuig ik ‘m uit mijn duim om weer op gang te komen. Maar dat zal niet nodig zijn.

Het begin is er weer. Ik voeg weliswaar niets nieuws toe, maar wel iets unieks.

Het ‘schone’ virus en nostalgie

Ik lijd aan een milde vorm van smetvrees. Voordat iedereen schrikt zal ik het wat positiever formuleren: ik heb een grote behoefte aan een schone omgeving. Ik had een schone moeder. Niet dat ze 24/7 aan het poetsen was, maar ze was wel schoon. Ze had een routine die ze tot op hoge leeftijd volgde: ’s ochtends ‘werken’, vervolgens de middagboterham, dan een korte dut. Daarna boodschappen doen en dán (pas nadat de kinderen de deur uit waren)  een uurtje ontspanning. In haar geval, lezen of oer-moeilijke cryptogrammen oplossen. Toen we allemaal nog thuis woonden kwam de ontspanning pas na negen uur. Na het sokken stoppen en elastiek rijgen in de ontelbare onderbroeken.

In mijn kinderjaren kwam op vrijdag altijd de onovertroffen werkster, juffrouw Boenders. (Ja, zo heette ze echt). Ze was overigens getrouwd met meneer Boenders, dus het ‘juffrouw’ was nog een laatste verwijzing naar de Nederlandse standenmaatschappij, waarin ‘lagere’ klassen zich geen mevrouw lieten noemen, denk ik. Juffrouw Boenders was een klein, gerimpeld, hardwerkend vrouwtje. Ze had zelf geen kinderen en ze was gek op mij. Ik was nog thuis (3 jaar) toen ze bij mijn moeder kwam werken en ik heb veel herinneringen aan haar en de uren die ze werkend doorbracht.

De geur van meubelwas en koperpoets (mijn moeder hield van koper), de koude tocht omdat alles open moest, de fascinerende bewegingen van het uitslaan van een stofdoek of een zeem (iedere week de ramen zemen!). Het holle geluid van de mattenklopper op tapijt dat werd uitgeklopt. En ik raakte  besmet door het voldane gevoel dat moeder en juffrouw Boenders uitwasemden als alles weer op z’n plek stond. Schoon, glimmend en stofvrij.

Mijn moeder hield zelfs, tot op enkele jaren voor haar sterven, de gewoonte vol om ’s ochtends ‘werkkleding’ te dragen. Daarin kon ze niet naar buiten eigenlijk, vond ze. En er bezoek in ontvangen kon helemaal niet. Als ik haar wel eens verraste was dat meestal het eerste wat ze uitriep: Maar ik loop nog in mijn werkkleding! Ik zag slechts een keurig geklede oude dame, maar voor haar gevoel liep ze er ‘onverzorgd’ bij.

Een schone, nette, gedisciplineerde moeder dus. Voor wie gezelligheid overigens heel belangrijk was. Poetsen deed ze als we weg waren op school. Als we thuis waren was het ´klaar´. Zogenaamd, want met vijf kinderen was er constant werk aan de winkel.

Naast deze schone moeder was ik ook nog eens belast met een hele schone vader, die ook nog eens uiterst opgeruimd was. Overal keurige stapeltjes, gesorteerd en wel. Uiterst schoon op zichzelf. Ik zie hem nog altijd na z’n middag- of ´na-het-eten´-dut, uitgebreid zich wassend bij de wasbak. Of de vaat spoelend, zo grondig dat afwassen in mijn ogen bijna overbodig leek. En in de tuin hadden vallende herfstblaadjes geen schijn van kans. Desnoods met stoffer en blik werden ze onverbiddelijk verwijderd van het gras. Mijn vader hield van opgeruimd en netjes. Ik ben dus van beide kanten besmet.

Nu is het probleem dat ik wel graag wíl dat mijn omgeving schoon is, maar dat ik geen zin heb in de inspanningen die het vergt om zover te komen. Ik ben namelijk ook enigszins lui in aanleg. Mijn moeder vroeg zich altijd af van wie ik dat toch had. Het rommelige en vooral het knoeien en wild rond ´spatten en sproeien´ met koken. ‘Bourgondisch’ vond ze dat. En het leek wel een beetje op mijn oma Sonneveld, die ook graag kookte en wat minder netjes was. (Alle mindere kwaliteiten kwamen van de Sonneveld kant van de familie, als ik mijn moeder moest geloven, haha)

Hoe dan ook, er bestaat dus een waar spanningsveld in mijn leven tussen schoon willen zijn, maar geen zin hebben in poetsen.

Al mijn hele leven zoek ik naar slimme, weinig inspanning vereisende oplossingen. (jammer dat de kinderen de deur uit zijn) maar als puntje bij paaltje komt is er geen ontkomen aan: emmers, soppen en zweten.

Ik heb het dan vooral over WC’s en badkamers (haren in het putje!), gevolgd door keukens en vloeren. Ik hoop altijd dat één keer goed zuigen en soppen afdoende is, maar de ellende is dat het nooit ophoudt. Voordat je het weet is er al weer (ruim) een week voorbij en heb ik niks gedaan in mijn huis. Ik zie de bacteriën zweven, verbeeld me dat ik ziek word, alles plakt en de stofpluizen en poezenharen vliegen me om de oren. Er móet weer iets gebeuren, dat is duidelijk, maar heeft het werkelijk zin? Haalt mijn sopdoek de bacteriën echt weg of is het maar een illusie?

Zuchtend haal ik de emmers maar weer tevoorschijn. In mijn werkkleding. En in tegenstelling tot ooit mijn moeder, kan ik daar echt niemand in ontvangen.

In weelde baden

‘Tachtig procent van de voorraden op de wereld wordt opgebruikt door twintig procent van de wereldbewoners. Of ik er nu voor mijn gevoel krap bij zit of niet. Ik behoor tot de rijkste groep mensen ter wereld’.

Auw..!Ik schoot rechtop in mijn stoel. Ik zat in de kerk en de opmerking kwam van de predikant in zijn preek. Het relativeerde onmiddellijk mijn kleine sores van onverwachte rekeningen, huurverhogingen en oplopende prijzen voor gas en licht. Genoeg, dreunde het door me heen. Ik heb méér dan genoeg. Drie maaltijden per dag (overvloedige), tussendoortjes, koffie, thee, een wijntje op zijn tijd en taart op mijn verjaardag. Ik hoor bij de “happy few”…!

Het kan me aanvliegen, al die miljoenen mensen met honger (870 miljoen mensen in Gods wereld gaan met honger naar bed) en gebrek. Volgens de website Time to Turn http://www.timetoturn.nl/downloads/armoede/ kunnen we zelf  zoveel meer doen voor een eerlijker wereld. Er gaat een roep uit van de armen op deze wereld, zegt Jacobus in hoofdstuk 5 van zijn brief in het NT, ‘U hebt op aarde in weelde gebaad ….en uzelf vetgemest’ . Hij spreekt de rijken aan en als vanzelf denk je, dat gaat niet over mij…Maar tijdens de preek schrok ik. Het gaat wel over mij. Ik hoor bij de twintig procent die het brood als het ware steelt uit de monden van miljoenen armen.

Hoe kan het anders? In Sophie (uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie ) las ik over een theorie voor een nieuwe economie, ontwikkeld door medewerkers van een denktank op Europees niveau van christendemocraten. Niet het kapitalisme (winst, winst en groei),  maar een ‘relationele economie’. ‘God wil goede relaties, tussen Hemzelf en de mensheid en tussen mensen onderling’. Ook in de economie zijn relaties en vertrouwen belangrijk. En in relaties gaat het om verantwoordelijkheid voor de ander en niet alleen om eigen belang. Recht doen aan mensen, ook in economisch verband, is waar het om draait in een door Gods gerechtigheid geïnspireerde maatschappij.

Ik ben geen econoom en kan zo’n theorie niet geheel beoordelen, maar mijn hart wordt er wel warm van. Ik hoor de adem van de Geest er in. De ander zoeken. Ons niet verrijken ten koste van de zwakke ander. Niet een ‘alsmaar méér’ economie, maar een economie van het ‘genoeg’.

Idealistisch? Nee, ik durf te geloven in de zegen van God wanneer personen en naties zich bekeren en gaan leven volgens Gods principes. Stel je voor, iedere 50 jaar kreeg een Israëliet zijn land terug, hoe arm en aan lager wal hij ook was geraakt. Een nieuwe kans. Het land was immers niet van hem of iemand anders? Het behoorde gewoon aan God (Leviticus 25). Rente vragen op een lening aan iemand die tot armoede was vervallen was ongeoorloofd. Griekenland en Spanje zouden er wel wat aan hebben! Om over landen in Afrika maar te zwijgen.

Die grootmoedigheid van God wil ik weerspiegelen in mijn eigen leven. En het vertrouwen dat Hij vroeg aan de Israëliet in het OT wil ik ontwikkelen in een leven zonder duizend en één vastigheden. Eenmaal in de zeven jaar moesten zij het land braak laten liggen. Als een oefening in vertrouwen. ‘Als je je afvraagt waar je van moet leven in het zevende jaar, als je niet mag zaaien en oogsten, bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is’ (Lev. 25:20-22).

Vertrouwen als geloofsdaad, als het lijkt dat je er alleen op achteruit zal gaan wanneer je anderen te hulp schiet. Eens kijken of hier iets van terug te vinden is in het nieuwe regeerakkoord.

Aangrijpende cijfers op deze pagina:
FAO-infographic-SOFI-2012-