Hit or shit?

http://nlpop.blog.nl/alternatief/2013/08/05/hit-of-shit-lukas-batteau-dance-for-the-dead-video

Ik maak reclame voor niets en niemand maar voor deze zanger, mijn favoriete singer-songwriter (na David uit de Bijbel) toch een uitzondering. Klik op de link en luister naar zijn single en STEM vervolgens: hit or shit (excusez le mot)

Hij is ook te vinden op  iTunes
Kijk even op de volgende link
http://www.lukasbatteau.com/music/

Tot slot:

Foto in de krant – Familie dynamiek

paenkinderen1954

En dan staat opeens deze foto in de krant. Mijn zus heeft hem ingestuurd naar de rubriek Dierbare foto’s van het Nederlands Dagblad. Daar wordt aan de hand van een foto, die een lezer instuurt, een kort verhaal verteld over de foto. Wie staan erop, waarom, wanneer en wat betekent de foto voor degene die hem op stuurde? Een leuke rubriek, die ik eerder ook aantrof in NRC Handelsblad. Ik hou van geschiedenis, van zwart-wit foto’s en van familieverhalen.

Maar dan staat er dus op een goede dag een zwart-wit foto van mijn eigen kleine geschiedenis in de krant. Ik zie een jonge, best charmante vader, gehurkt in zijn zwembroek, met vier kinderen in zwemkleding om hem heen. Mijn zusjes Loes en Thea en mijn broers Ed en Jacques. Twee donkere koppies, de meisjes en twee helblonde, de jongens. Mijn oudste broer Ed is een jaar of 9, mijn broer Jacques een jochie van 3. Mijn zus Loes, links voor, is 8 en Thea met haar arm door die van mijn vader, is dan een jaar of 5 of 6. Achter hen liggen de duinen en een leeg, uitgestrekt strand. Is het Ouddorp? Of Katwijk? Rockanje misschien? Geliefde vakantiebestemmingen uit die tijd.

Ik kijk naar die jonge gezichten van mijn broers en zussen en ben ontroerd. Waar zie je sterker een beeld van onbevangen vertrouwen in de wereld, dan in de gezichten van jonge kinderen? De toekomst ligt open, alles kan nog gebeuren. En veel verder dan de volgende duik in zee, een zandkasteel of ijsje denken ze hier nog niet. Het is vakantie en die waren altijd heerlijk, volgens mijn zus in het begeleidend artikeltje. Mijn vader was er voor de kinderen, op het strand spelen, badmintonnen, in de golven springen. Hij had net zoveel plezier als de kinderen, strandmens in hart en nieren als hij was.

Wie maakte de foto? Zou het mijn moeder geweest zijn? Het kan haast niet anders, maar ik kan me het toch eigenlijk niet voorstellen. Mijn moeder was atechnisch, hield niet van apparaten en liet fotograferen aan mijn vader over. Ik zie het zwarte kodakkastje nog voor me. Je keek er van bovenaf in en hield het op buikhoogte vast. Verrassend mooie foto’s maakte hij er mee, al duurde het poseren erg lang. Aan het gezicht van een van de zusjes te zien duurde deze sessie misschien ook lang. Ze heeft er geen zin (meer) in en wordt door mijn vader min of meer in een houtgreep vastgehouden: nog even!

Er ontbreekt natuurlijk iemand op de foto. Dat ben ik. Was mijn moeder zwanger van mij? Het is hier zomer 1954 waarschijnlijk. Ik ben van maart ’55, dus in een zeer pril stadium aanwezig. Mijn moeder wist het misschien nog niet eens. Het verhaal gaat dat ze naar de dokter ging omdat ze zich al een tijd niet lekker voelde. Ze meende al een jaar of twee in de overgang te zijn omdat ze niet meer menstrueerde. Dus het laatste wat ze verwachtte was de mededeling van de arts dat ze zwanger was van de vijfde. En die was al minstens drie maanden op weg. Wellicht is dit de zomer waarin ze meende dat er een makkelijker bestaan was aangebroken zonder luiers en huilende baby’s.

Vandaar dat ik misschien bij deze foto het gevoel krijg er niet bij te horen. Het gezin is af. Klaar. Ontspannen op vakantie. Het volgende jaar zal er een dik, nog onberekenbaar, veel aandacht nodig hebbend, flessen drinkend zusje bijgekomen zijn. Verstoorde ik het evenwicht? Waar zou ik staan op deze foto als ik er bij geweest was? Waarschijnlijk waar nu mijn stralende broertje op mijn vader leunt. Hij zou dan vervolgens staan waar mijn zus in de klemgreep van mijn vader hangt. En zij? Opeens groot zou ze naast oudere zus of broer geplaatst zijn. Of weg gerend omdat ze er geen zin meer in had. De positie die ze voor haar gevoel altijd heeft gehad in ons gezin: ergens tussenin, er niet bij horend. Zij kan zich niet herinneren wat de impact van mijn komst was. Mijn andere zus kan ik het niet meer vragen, ze stierf in 1992. Mijn broers moet ik nog maar eens om een reactie vragen.

Familie dynamiek. Boeiend, fascinerend en niet te onderschatten qua invloed.

Vrouw van een dominee 5, Sommige perikelen

Echtgenoot preekt op verschillende plaatsen in Nederland. Ik vergezel hem af en toe. Niet vaak, omdat ik het eigenlijk lastig vind in ‘vreemde’ gemeentes alleen binnen te komen en weg te gaan. Dat werkt ongeveer zo.

Voor aanvang van de dienst kom ik binnen in de hal van de kerk waar nog maar enkele mensen zijn. We zijn vroeg vanwege instructies die echtgenoot voorafgaand aan de dienst zal krijgen. Ik sta en bedenk wat ik ga doen. Blijven staan? Twintig minuten is lang. De aanwezige kerkleden zijn druk met voorbereidingen maken voor koffie, bezig met techniek en geluid. Ik drentel wat rond en bekijk de muren op zoek naar iets leesbaars. Een poster, een prikbord. Hoopvol zoek ik nog een boekentafel, een uitstekend middel om onopvallend toch zeker een kwartier door te kunnen brengen. Tevergeefs. Het prikbord ontbreekt ook. Dat is dus snel klaar.

Ik neem een beker koffie, maak een praatje met de koffieschenker en drentel verder. Ik kan natuurlijk iemand aanspreken, maar ik heb eigenlijk geen zin in kletsen. Goed, niet praten dan. Wil ik dat iemand mij aanspreekt? Ja, want dan gaat de tijd sneller en nee, ik wil niet zielig gevonden worden of zo.  En opnieuw, vertel ik mezelf, ik heb niet zo’n zin in een praatje.

Ik sta nu in dubio. In de kerkzaal gaan zitten, rond blijven drentelen, naar de WC gaan (ik hoef niet) of even naar buiten. Ik besluit aan deze overvloed van keuzes er één toe te voegen: gaan zitten op de koele bank in de hal, een beetje uit het zicht. Maar dan moet ik  wel een neutrale blik hebben. Niet een blik van zieligheid (kijk die vrouw daar eens alleen zitten), maar ook geen chagrijnige blik (geen wonder dat dat mens daar alleen zit). Neutraal dus. Ik trek een soort plooi met mijn lippen tussen een glimlach en een pruillip. Een soort Mona Lisa expressie. Maar al snel voel ik me een zombie. Ook geen succes.

Inmiddels zijn er nauwelijks 5 minuten voorbij. Een echtpaar dat zich bij de voordeur heeft opgesteld, duidelijk in afwachting van familie of vrienden, kijkt in mijn richting. Help, straks komen ze hier naast me zitten en moet ik van alles vragen van mezelf. Ik sta op en gooi mijn plastic bekertje weg. Dat is weer even een wandelingetje.

Zucht. Enigszins vroeg, ga ik dan toch maar in de kerkzaal zitten.

Afzwemmen – of hoe we allemaal een jaar ouder werden

afzwemmen KrisHij mag als eerste beginnen met het moeilijkste onderdeel van het A diploma voor zwemmen: duiken, onder water door een gat zwemmen en dan verder met de schoolslag, één baan heen en een baan terug. En geen kinderbaantje, nee een normale grote mensen baan van 25 meter.

Kleinzoon Kris kan niet wachten om te beginnen,stralend loopt hij in de rij van twintig kinderen het zwembad binnen met de stevige bad juffen en de badmeester van wie hij had leren zwemmen. Eén, twee in de maat. Korte uitleg, de meneer van de zwembond wordt voorgesteld (Kris babbelt vrolijk onder alles door) en zijn naam werd afgeroepen.

Daar staat hij met zijn stevige lijfje, armen naar voren in de duikhouding. En weg is hij. Door het gat, proest naar boven en verder zwemmen. In de schoolslag dus, het onderdeel waarvoor hij een week lang (iedere dag anderhalf uur) extra had moeten oefenen vanwege een griepaanval. We kijken met spanning toe, gaat hij het redden? Zeer geconcentreerd maakt hij de bewegingen: strekken,buigen, strekken..langzaam, maar zeker zwemt hij zijn baantje.

25 meter zwemmen duurt best lang voor een jongetje van 1.10 m. Na driekwart baan verslapt even onze aandacht. De mannen (vader en opa)  raken in gesprek, de vrouwen (moeder en twee oma’s) kijken met aandacht maar wisselen ondertussen de laatste nieuwtjes uit.

Kris tikte aan en begint aan de terugtocht. Neus in de lucht, kin net boven water, zwemt hij dapper het eindeloos lijkende parcours. Er zwemmen kinderen van zijn leeftijd zo iel en klein dat ik ze nog geen drie zou schatten, allemaal met grote inspanning bezig zich te kwalificeren als geoefend zwemmer.

Opeens: Kris begint een afwijking naar rechts te vertonen en komt in aanraking met de lijn die daar hangt. Eerst lijkt het een toevallige botsing, maar al gauw zien we een benauwd gezichtje, bloep, bloep, net boven het water uitkomen. Het gaat niet goed…Hij hangt aan de lijn. Een schreeuw van de badmeester: Kris, in het midden zwemmen!

Het mannetje doet een verwoede poging maar vlucht naar de lijn terug. Er is iets. Buikpijn, zegt zijn moeder, met een van spanning dichtgeknepen keel. Ze kan het weten, want dat is steeds het probleem bij het zwemmen geweest, Kris slikt te veel water door en krijgt vervolgens buikpijn.

Het ventje wordt uit het water gehesen en door één van de bad juffen apart genomen. Met een straffe hand onder zijn kin en een vinger al zwaaiend onder zijn neus spreekt ze hem streng toe. Met zijn vijven van ellende door de tribunevloer zakkend kijken wij toe, we willen allemaal tegelijk schreeuwen laat onze lieveling met rust! Hij kán niet meer!

Maar als een volleerde topsporter na een ferme peptalk met zijn trainer, staat Kris weer op, al ja knikkend en begeeft zich naar het water. Terwijl naast mij een navelstreng knapt, springt hij vol goede moed erin en begint opnieuw aan het eindeloos lange zwemtraject. De zenuwen gieren ons door de gezamenlijke kelen, het huilen staat ons nader dan het lachen en grote broer Niek durft haast niet te kijken. Hoe loopt dit af?

Hij zwemt het hele lange stuk overnieuw, met succes. Het zweet druipt van onze gezichten. Kris is zich van geen spanning bewust en begint welgemoed aan de volgende opdrachten. Borstcrawl, rugcrawl, drijven,watertrappelen, sterretje vormen op je buik, op je rug, het gaat maar door. Maar hij slaagt met glans voor alle onderdelen. En eindelijk is het dan zover: uit handen van de badmeester en -juffen ontvangt hij zijn A diploma!

We hebben allemaal de rest van de dag nodig om weer bij te komen. Behalve Kris. Die is helemaal happy met zijn cadeaus en de buikpijn is weer over. ‘Ja’, zegt hij ‘had je niet gezien dat ik moest overgeven tijdens het rugzwemmen?’

Nee, Kris, als we dat ook nog hadden moeten zien, weet ik niet of we het overleefd hadden. Die aanblik is ons bespaard.

Vrouw van een dominee 4, 1988-2011 – Eerste ervaringen

Zaandam.Evangelisch-Lutherse_Maartenkerk.13_sept.2009.02

In november 1988 verhuisden we naar de pastorie in Zaandam. Echtgenoot werd bevestigd als predikant in de mooie, 18e eeuwse Lutherse Kerk-met-zand-op-de-vloer, met een hele stoet gasten aanwezig in de dienst. Het kerkgebouw werd gehuurd door de vrijgemaakt-gereformeerden in die tijd. Mijn schoonouders kwamen over uit Amerika, mijn moeder (vader was in 1986 overleden) was er bij, dolblij  ons eindelijk in de buurt te hebben. Mijn broers en zussen waren er, met aanhang, neefjes, nichtje, een aantal goeie vrienden. Het was een grote groep. Iemand zei: er waren nog nooit zoveel gasten aanwezig geweest bij de bevestiging van een predikant. Ik voelde onmiddellijk de (zeer waarschijnlijk onbedoelde) correctie: dit is overdreven, dit hoort niet …De gevoeligheid die me in de komende decennia vaak parten zou spelen: niet weten hoe het precies hoort. Of je je daar veel van aantrekt ligt aan het soort karakter wat je hebt. Mijn karakter maakte dat ik meestal gewoon wilde behoren bij de groep. Tot op zekere hoogte dan. Waar dat aan lag? Dat onzekere gevoel? Ik denk gedeeltelijk aan het terugkeren uit het buitenland na een langere periode en zoeken naar hoe de (kerkelijke) cultuur ook alweer in elkaar steekt.

Ik kwam ook ‘terug’ in een kerkelijke gemeenschap waarin ik niet was opgegroeid. Dat vergt enige achtergrond informatie.

Mijn achtergrond was wel vrijgemaakt-gereformeerd, maar mijn roots lagen in de groep die later de Nederlands Gereformeerde Kerk zou vormen. Mijn ouders waren overtuigde aanhangers van ds. Vonk, van wie mijn broers en zussen allemaal catechisatie kregen. In Schiedam, mijn geboortestad. Er heerste in ons gezin een soort anti-kerkse sfeer. Redelijk relaxed over dingen als op zondag een ijsje kopen (nou, in de vakantie dan). Ik ben de jongste en heb duidelijk vrijere herinneringen dan mijn broers en zussen. Mijn ouders waren in de loop van de tijd makkelijker geworden. In de vrijgemaakte kerk vond in de jaren zestig en zeventig een kerkelijke strijd plaats, die uiteindelijk tot een scheuring leidde. De inhoud van de hele kerkstrijd ging aan mij voorbij, ik was er te jong voor. Maar de sterk gepolariseerde sfeer in de kerken maakte dat je als kind automatisch, als door osmose, ook koos: voor of tegen.

Om een lang verhaal iets korter te maken, na als oudere tiener een tijd zonder kerk te hebben doorgebracht kwam ik door echtgenoot, na een korte omweg, terecht in de vrijgemaakte kerk (binnen verband, zoals het toen nog heette). In de kerk die ik als kind altijd gekarakteriseerd had horen worden als: stijf, liefdeloos, alleen maar geïnteresseerd in regels en wat dies meer zij. Het was dus een hele stap om daar nu lid te zijn. Mijn ervaring was heel anders dan me van te voren werd voorgespiegeld. Uiteraard, want het was een karikatuur, zoals er over de andere kant ook karikaturen bestonden.

Wat heeft dit nu voor gevolgen gehad voor mijn eerste ervaringen als vrouw van een dominee in een vrijgemaakte kerk? Ik denk dat het mij aan de ene kant wat rebels maakte: ik ben niet stijf en ouderwets en ik heb in de hele wereld, buiten de vrijgemaakte kerk, kinderen van God ontmoet die allemaal een eigen wijze van kerk-zijn beoefenen. Maar het maakte ook onzeker. Wat kan ik verwachten? Wat moet ik doen om over te komen, om erbij te horen, met behoud van mijn ervaringen en overtuigingen?

Want ik zag wel een taak liggen voor me in de gemeente. Betrokken zijn, meedoen, zieken bezoeken, mensen helpen. Mijn rolmodel was een vriendin uit Korea. Mensen uit de gemeente daar noemden haar een engel. Dat leek mij ook fijn. Wie wil er nou geen engel genoemd worden?

Kikker en fietsen

Ik ben aan het fietsen geslagen. Wie mij kennen weten dat ik liever lui dan moe ben en, áls ik dan moet bewegen, wandelen prefereer. Fietsen heb ik mijn hele leven gedaan. Naar en van school (waarbij de wind altijd draaide in mijn nadeel onder schooltijd. Heen wind tegen, terug wind tegen..). Naar de winkels, naar de kerk, naar mijn werk. Het valt me dus zwaar fietsen als iets te zien dat ontspanning brengt. Het is een noodzakelijk kwaad, laten we zeggen. Functioneel, handig, beter dan de auto, maar meer ook niet. Behalve misschien dan op windstille dagen

Edoch, nu de zwarte hond mij weer achtervolgt zocht ik naar een manier om flink te bewegen. Tenslotte schreeuwt iedere krantenpagina mij tegenwoordig toe dat bewegen de goeie therapie is. Ik liet me meeslepen door echtgenoot die een ware wielrenner is. En zowaar, na een uur of zo fietsen begon ik me beter te voelen. Het gemaal in mijn hoofd vermindert, ik voel me lekkerder en het beklijft langer dan het ene uur of wat.

Ik zit dus nu in de Kikker gaat Fietsen modus. Zelfs de wind houdt me niet tegen. Hoe meer wind des te meer beweging, dus minder gemaal.

Alles onveilig – Maarten van Aes, gedichten

alles onveiligAls een goede bekende (Maarten van Aes, synoniem voor ds. Simon van de Lugt; waarom eigenlijk een synoniem?) een gedichtenbundel publiceert ben ik natuurlijk zeer benieuwd naar de inhoud. De schrijver kennende verwachtte ik geen versjes. Ik was dan ook onder de indruk van de diepte van de gedichten. En de kracht. Ik ben geen literatuurexpert, dus ik beoordeel wat ik lees puur op mijn eigen intuïtie en gevoel.

Mijn gevoel na het lezen van de bundel was enigszins ontregeld. De gedichten zijn donker, kruipen onder je huid: De aarde is een heikele plek om te wonen. Er is dreiging, en gebrokenheid. Er heerst dood, verval, het stormt er en voor je het weet ligt er een boomstam over je pad of kraakt een houten mast in tweeën…Je bent je leven niet zeker. En de mens is zo kwetsbaar en beklagenswaardig in zijn demente ouderdom. (twee ontroerende gedichten, ik citeer er één)

De gedichten zijn heel beeldend. Je hoort het krijsen van de meeuwen in de snoeiharde storm, de wolken jagen langs de hemel. Je ziet de verwarde bejaarden schuifelen in het verpleeghuis, je ruikt het bloed bij de eerste hulp, je word meegenomen in de verbijstering en wanhoop van slachtoffers van rampen.

Ik moest even een rondje stad doen, gewone aardse dingen als de Hema en de Blokker, om de gedichten te laten bezinken. Ze maakten echt iets los bij me. Nu ben ik gevoelig voor het donkere en het gebrokene. Wil daar ook niet voor weg lopen. Het valt inderdaad niet mee op aarde. En het is er zeker onveilig. Daar vloeit ons intense verlangen naar geborgenheid uit voort. En het is te gemakkelijk om bij grote levensvragen of -verdriet te snel te roepen: Maar God maakt alles goed! Soms moet je de pijn ervaren. Dat lees ik in de gedichten. Soms wat al te cryptisch naar mijn smaak. Maar wel met succes.

De moeite van het lezen en herlezen zeker waard!

Men heeft zijn das de broekband ingestoken.
Hij glimlacht op pantoffels,schuifelt langs de wand.
Hij streelt de stalen klink, voelt met zijn vale hand
de deur op slot. Straks wordt er ingebroken.

Hij wacht, want dat is met hem afgesproken.
Zijn plaats is in de hoek, vlakbij de plastic plant.
Hij weigert de tablet, hier zit hij voor het vaderland

op wacht. Hij weet, straks wordt er ingebroken.

Dan voelen de bewoners de aarde trillen.
Vrachtwagens komen aan, of zijn het bussen?
Dit is verzet. Hij roept zijn wapenbroeder,
hij hoort zijn naam. Wat zou hij anders willen
dan nu naar buiten gaan, de zuster kussen,
en dan de stad in, thee drinken bij zijn moeder?

°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°

Alles onveilig – gedichten
Maarten van Aes
2013 Uitgeverij Aspect
ISBN 978-94-6153-306-7
NUR 306

Vrouw van een dominee 3, 1988-2011 – Zaandam, zorgen en zoeken

Na 8 jaar Korea en een halfjaar Bunschoten-Spakenburg werd het dus Zaanstad waar we ons vestigden. Een stedelijke omgeving, geen vrijgemaakt bolwerk-met-school en een praktische, voor ons gezin prima geschikte pastorie. De gemeenteleden die we ontmoet hadden tijdens de kennismakingsdag waren toegankelijk en we voelden ons op ons gemak. Waar beoordeel je uiteindelijk welke gemeente het wordt wanneer je er vijf hebt om uit te ‘kiezen’? Het is vleiend en geruststellend wanneer er meerdere gemeentes belangstelling tonen in jouw man, maar de gemeentes zijn ook weer zo divers dat je je afvraagt wat nu precies de reden is dat ze hem vragen?

We wisten wel vrij snel zeker dat we niet in een plattelandsgemeente passen zouden. We geloofden sterk in continuïteit. Als God je ergens voor heeft ingezet ligt het voor de hand die opgebouwde ervaring verder te gebruiken. We hadden allebei behoefte aan internationale contacten, studenten, cultuur en de uitdaging van een stedelijke omgeving. Niet dat Zaanstad aan al die behoeftes zou gaan voldoen, maar met Amsterdam vlakbij lag het meer voor de hand naar het Zaanse te gaan dan Dedemsvaart of Roden bijvoorbeeld. Zo hebben we er toen in elk geval over nagedacht. Nu vragen we ons wel af of we het belang van de kinderen niet zwaarder hadden moeten laten meewegen. Een grotere gemeente met meer kinderen, een school dichtbij…We hebben hen toen meegegeven dat het fijn is steun te geven aan een gemeente die kleiner was en die meer moest bikkelen. God zegent het wanneer je iets van jezelf weggeeft. Ik geloof dat nog steeds, maar ben wel voorzichtiger geworden in het kinderen daarin meenemen. Iets voor mezelf opgeven is één ding, maar in hoeverre mag ik iets weggeven wat niet van mij is? Ik ben daar niet uit. We hebben het onze kinderen niet makkelijk gemaakt in  de keus voor een (vrijgemaakte) school ver weg en al het reizen wat daar in meekwam.

Ondertussen was ik met alles bezig behalve met internationale contacten en cultuur. Ik heb al eens eerder een blog geschreven over mijn dramatische ervaringen met het huishouden gedurende mijn eerste jaren in Nederland. Dat drukte in z’n volle omvang op mijn schouders na jaren een hulp in huis gehad te hebben die er 3 á 4 dagen in de week was. Ze was lid van ons gezin. Ze deed de was, hield het huis schoon, zorgde voor de kinderen als ik weg moest (die waren gek op haar) en kookte af en toe. Ik had het op mijn manier toch nog druk genoeg (vond ik toen) met vier kinderen.

Pas terug in Nederland realiseerde ik me dat ik helemaal niets gewend was. Lees mijn blog over mijn grootste nachtmerrie, de altijd maar, in een eeuwige cyclus, groeiende aanwezigheid van was in huis. In vieze staat, in gewassen staat, nat; in gewassen staat, droog en ongevouwen; in gewassen staat, gevouwen maar een berg nog ongestreken en uiteindelijk in een staat dat het weer gedragen of gebruikt  kon worden. Meestal zat er zoveel tijd tussen de eerste en de laatste staat dat we vaak in een van de bergen moesten zoeken of iets toe was aan fatsoenlijke dracht. Ik verdronk erin.

Maar ik was nu wel de vrouw van een dominee-met-een-gemeente. Dat betekende dat ik dingen moest doen. Vond ik. Wat moest ik doen? Ik vond niet dat het iets met mijn uiterlijk te maken had. Dacht ik. Maar het schuurde wel van binnen, want ik vond dat ik maar met rare, niet-Nederlandse kleren rondliep. Ik vond ook dat ons huis er eigenlijk raar uitzag. Armoedig. Anders. Bij elkaar geraapt zooitje. Dat hadden we in Korea ook, maar wie gaf daar ook maar ene bal om? (Oh, de rust van het ontbreken van vergelijkingsmateriaal). Maar hier zat ik in een pastorie tussen de ouwe meubelen van iemand anders en ik had geen cent om uit te geven. Dat was allemaal gestoken in noodzakelijke, maar onaantrekkelijke dingen als elektrische apparaten en een auto.

Ik haatte mezelf natuurlijk dat ik zo bezig was met alleen maar zulke triviale zaken. Ik wilde geestelijk bezig zijn. Opbouwend. Positief. Er stond me iets voor de geest als ‘er voor iedereen zijn’, willen zorgen, steunen en helpen waar het maar nodig was.

Liefst niet thuis met de was.

Vrouw van een dominee 2, 1988-2011- De eerste gemeente

Het rare van domineesvrouw ‘zijn’ is dat het eigenlijk niks is. Bakkersvrouwen werken alle eeuwen door in de bakkerswinkel en boerinnen in de stal of op het land, maar wat doet een domineesvrouw? Dat is in ieder tijdperk anders. Vroeger vergezelde zij haar man vooral op bezoeken, ze ging zelf de gemeente in om goed te doen en soep te brengen bij armen. Vaak was ze ook een van de weinigen met een opleiding en leidde Bijbelstudies en dergelijke. Maar die tijden waren zelfs in 1988 al lang voorbij.

Toen ik ‘begon’ als domineesvrouw was ik 33 jaar en ik had geen flauw idee wat er eigenlijk van mij verwacht werd. Ik had geen rolmodel want we waren lang weg geweest en nog niet zo lang voor ons vertrek lid geworden van de kerk waarin echtgenoot predikant was geworden. Als kind herinner ik me weinig van de rol van de vrouw van de predikanten van mijn ouders. Dus wie of wat was ik nu geworden? Ik was het vanuit Korea wel enigszins gewend om gezien te worden vanwege het beroep van mijn man. Ik werd tenslotte ‘weledele vrouw van de geleerde(saamoniem)’ genoemd. Maar verder dan dat ging het niet. Af en toe mocht ik mee naar een etentje

Als onbeschreven blad zou ik dus starten. Waar? Dat werd nog een hele klus voor we onze bestemming wisten. Vijf gemeentes nodigden ons uit om kennis te maken. Harderwijk, Dedemsvaart, Zaanstad, Rozenburg en Roden. In iedere gemeente werden we verwacht om een dag door te brengen. Kennismaken met de kerkenraad. Kennismaken met de stad/het dorp/de regio en ’s avonds kennismaken met de gemeente. Wat ik me nog heel scherp herinner is dat ik iedere keer halverwege de dag barstende koppijn had en darmkrampen. Ik kan het nu makkelijk plaatsen (te veel indrukken, spanning) maar ik werd er toen steeds door overvallen en verweet het mezelf.

Omdat het de eerste gemeente na de Korea-periode zou zijn mochten we in plaats van drie er zes weken over nadenken. Waar wilden we heen? Waar riep God? Dat laatste vond ik moeilijk. Alle vijf gemeenten waren zonder predikant en kwamen daarom in aanmerking voor mijn gevoel. Hoewel de kleinere gemeentes wat ons betrof het wel meer nodig hadden om iemand van buiten te hebben. We keken ook naar praktische zaken. Passen we in het huis met z’n zessen? Ik was nog jong genoeg om op eventuele gezinsuitbreiding te hopen. Kunnen we na jaren stad wennen op het platteland? Dat soort vragen.

Een andere belangrijke vraag was die van de school. Het is 1988 en kinderen van de kerk gaan allemaal, met een uitzondering daar gelaten, naar de eigen scholen in Rotterdam, Groningen, Amersfoort of Zwolle. Onze oudste is een VWO kind. We leggen Amerikaanse/Koreaanse maatstaven aan wat betreft afstanden reizen en vertrouwen op de vele ouders die zeggen dat ver reizen naar school geen enkel probleem is. De kinderen raken snel gewend en maken huiswerk (of lol) in de trein. Ouders hebben er meer problemen mee, zegt men over het algemeen.

Dat geeft voor ons de doorslag om naar Noord-Holland te gaan. Een soort verzet tegen de gangbare trend, dat men wegtrekt uit steden waar geen eigen onderwijs is, om met duizenden op een kluitje rond de middelbare scholen te gaan zitten. Zo keken we er toen tegen aan. Heldhaftig. Later heb ik daar spijt van gekregen. Niet voor mezelf. Ik hoefde niet iedere dag in de trein of bus. Maar spijt voor onze oudste die dat reizen wél moeilijk vond. Heldhaftig zijn ten koste van anderen is makkelijk..

Mijn eerste ervaringen als domineesvrouw begon ik dus op te doen in het Zaanse. De eerste pastorie die ik bewoonde was die aan de Schepenlaan.

Vrouw van een dominee 1 1988-2011 – Het Begin

De vraag komt regelmatig voorbij: hoe kijk je terug op je leven als vrouw van een dominee? Het leven in de pastorie, zoals het ook vaak genoemd wordt. Het leek me leuk er een serie blogs aan te wijden. Dat leven begint voor mij pas in 1988, nadat wij acht jaar in het buitenland gewoond hebben als gezin.

via Plazilla, Ragasto

In de afgelopen dagen hoorde ik het vaak op de radio: waar was je op de avond dat Nederland het EK voetbal won? Nou, ik weet het nog goed:Vers uit het buitenland, op een bovenetage, achter een joekel van een TV, in Bunschoten. Eindelijk konden we een Nederlandse voetbalwedstrijd volgen.

Het Begin
Het is mei 1988. Onze tijd in het buitenland zit erop. Vanuit het Aziatische Zuid-Korea verhuis ik met ons gezin in mei naar Nederland terug. We zijn ruim acht jaar weg geweest. In 1980 vertrokken we als studentengezinnetje met twee kleintjes (een dochter van drie jaar en een zoon van drie maanden) naar een onbekende bestemming in het Verre Oosten. Het enige dat we toen zeker wisten was dat mijn echtgenoot als docent zou gaan werken aan een theologische opleiding in Busan, de meest zuidelijke havenstad in Zuid-Korea, samen met een collega. De aanstaande collega was al een aantal jaren predikant en verlaat zijn gemeente in Leiden om samen met vrouw en kinderen naar dezelfde stad te vertrekken als wij. Hun kinderen waren nog jonger dan de onze. Twee jongens, één van twee jaar en één van tien maanden. We troffen elkaar in 1980, ergens in januari op het vliegveld in Tokio om van daaruit verder te vliegen naar Busan. En aan een avontuur te beginnen dat ons leven voor altijd zou veranderen. (momenteel ,2024, ben ik een serie aan het schrijven over onze tijd in Zuid Korea. De eerste kun je hier vinden)

Acht jaar later keren wij terug naar Nederland. Nu met vier kinderen. Onze oudste is twaalf en klaar voor de middelbare school. Er is, behalve een internaat, geen geschikte school voor haar in Zuid-Korea. Tijd om terug te gaan dus. De kinderen zijn respectievelijk twaalf, acht en vier jaar. En we hebben een meisje geadopteerd dat inmiddels elf is. Opnieuw is onze uiteindelijke bestemming onbekend. Er is een tijdelijk verblijf geregeld in Bunschoten-Spakenburg. Van daaruit zullen we werken aan een nieuwe invulling van ons leven. Het ligt voor de hand dat echtgenoot zich beroepbaar zal stellen als predikant. Maar de eerste maand is hij er nog niet.

Busan Photos

This photo of Busan is courtesy of TripAdvisor

Bunschoten-Spakenburg

Vanuit de miljoenenstad Busan zit ik dan opeens alleen, met de vier kinderen, op een etagewoning in Bunschoten, met onder ons de RABO bank. Met meubels, bedden, dekens, linnengoed en servies van de zolders van vriendelijke mensen. Nu allemaal tóp-vintage, toen lichtelijk deprimerend en ouderwets. Maar met wat plantjes, een paar prulletjes die ik in de koffer mee had kunnen nemen en een dosis humor, is het ook wel weer gezellig te maken. Echtgenoot moet in Busan examens afronden en zou half juni komen.

Het schoolseizoen is nog niet afgelopen. Dat is ook een van de redenen waarom we eerder zijn gekomen. De oudste wil wat wennen voordat ze in het diepe van de middelbare school springt. Uit een privéklasje van acht leerlingen overstappen naar een grote school als de Guido de Brès in Amersfoort is wel erg drastisch. Maar wennen als buitenlands kind in de hoogste klas van een basisschool, waarin de kinderen elkaar al vanaf de kleuterleeftijd kennen, is ook niet eenvoudig. We zien er anders uit (mode is zo landgebonden), onze kinderen spreken goed Nederlands, maar met een (Engels) accent dat de Bunschotense kinderen maar raar vinden (Kak!). (Ze hadden natuurlijk nooit hun eigen rare accent gehoord). Echt veilig voelt de oudste zich niet. Maar er is geen keus. Dit is de school, hier wonen we nu tijdelijk en vanaf hier begint het nieuwe leven.

We fietsen door de weilanden rondom Bunschoten en genieten. Fietsen was in Busan nauwelijks een optie. Geen fietspaden, chaotisch verkeer en veel te heuvelachtig. We kopen lekker patatjes-mèt op de markt, krijgen kilo’s haring, kijken het WK voetbal, genieten van series op televisie die we kunnen verstaan en volgen (maar niet A-team, we waren toch wat wereldvreemd geworden en ik vond het te gewelddadig..). De eerste weken overweegt het vakantiegevoel. Hoewel het tussen de middag heen en weer racen, om (vier!) kinderen van school te halen en weer terug te brengen na de lunch, mij al snel de keel uithangt. Vooral omdat de kleuterschool een half uur eerder uit is dan de groepen 4 t/m 8. Ik ben dat helemaal niet gewend en heb het gevoel dat mijn dag in honderd stukjes gesneden is. Wachten bij de schoolpoort waar niemand me aanspreekt vind ik ook een opgave.

Ondertussen moet er van alles geregeld. Er is geen wasmachine. Ik moet financiële regelingen aanpassen omdat we ons weer in Nederland vestigen (vergeet niet, dit is het pré-digitale tijdperk! Alles moet persoonlijk en/of schriftelijk gedaan worden. In november van 1988 sluit Nederland zich als tweede land aan op het internet. Alleen nog voor wetenschappers en militaire doeleinden). Verzekeringen moeten veranderd. De container met onze spullen arriveert en moet door de douane geloodst (= formulieren invullen), fietsen moeten aangeschaft, de kinderen willen weer op sport, op muziek (te laat in het seizoen, nieuw voor mij, in Zuid-Korea werkt het anders). Het vakantiegevoel wordt langzamerhand overstemd door een gevoel van vervreemding. Bij de Postbank (zo heette die toen nog) staan mensen een soort kaartje door een apparaatje te schuiven waarna ze een nummer intoetsen voor ze geld krijgen. Ik heb de ontwikkeling gemist en sta verlegen te hannesen. Terwijl ik in Busan precies mijn weg wist.

Ik ben niet terug in mijn eigen land. Ik ben (te)lang weg geweest en mijn land is veranderd. En ik ben zelf veranderd. Bij alles denk ik: in Korea deden we dat zus of zo…Eerst zeg ik dat nog hardop, maar de glazige blik in de ogen van de anderen maakt dat ik dat al snel inslik.

Dit is Nederland. En hier blijven we wonen.