Reflections on the Feast of St. Francis

Bron: Reflections on the Feast of St. Francis

Dit is een blogpost van de website Spiritual Friendship, een beweging van christelijke celibataire homofielen (m/v).  Celibatair leven zien zij als hun opdracht vanuit de bijbel. Maar wie celibatair leeft heeft diepe vriendschappen nodig. Vriendschappen die uitstijgen boven het samen eten of naar de film gaan.

Ron Belgau, de schrijver van deze blog is katholiek en in het bijzonder geinspireerd door Franciscus van Assisi.

De moeite van het lezen waard!

Spondylodiscitis – Verslag van een vreemde aandoening III, slot

Mijn tweede blog eindigde ik met de opmerking dat ik heimwee had naar het ziekenhuis, de eerste week thuis. Ik voelde me er een beetje schuldig over. Wat is er nu fijner om thuis te zijn? Dat bleek een normatieve gedachte. Want ik vond het niet echt fijn. Ik voelde me onveilig. Ik miste het vaste ritme van de ziekenhuisdagen waardoor die eigenlijk snel voorbij gingen. Ik miste het permanente gezelschap van mensen om me heen, die er gewoon waren. Weliswaar bezig met hun eigen ziekte en pijn, maar dat maakte ook dat we een soort lotsverbondenheid hadden. Of we nu met elkaar praatten of niet. Er was geluid, leven, er werd constant heen en weer gelopen, ik werd niet alleen gelaten. Soms was dat irritant, als ik wilde dutten en de rest van de zaal opeens een geanimeerde conversatie meende te moeten hebben. Maar meestal had het iets troostends en het leidde af.

Hoe ik dus ook verlangde naar toestemming om naar huis te mogen, na die 17 dagen was het toch flink wennen.  Maar de artsen achtten het veilig genoeg. Het bezinksel in mijn bloed was dusdanig gezakt dat de infectie overwonnen leek. Een voorraad antibioticapillen mee en thuis weer verder opknappen en aansterken. Een voordeel: Ik was nu wel van de infuus-kwelling af.

Thuis was het stil. Mijn ziek-zijn kwam meer op me af, ik voelde het sterker, omdat een ziekenhuis is ingericht op gemak voor zieken en een huis juist niet. Traplopen, mini-wc’s, smalle gang en donkere nachten. Als ik slecht sliep liep ik in het ziekenhuis over de verlichte gangen waar altijd wel iemand anders liep te strompelen. In elk geval was er de (altijd vriendelijke) verpleging. Thuis moest ik naast mijn bed lopen met de rollator, niet echt handig. Twee meter heen, twee meter terug. En zo zacht mogelijk om de slaap van een vermoeide echtgenooot niet te verstoren.

Thuis werd er door echtgenoot uiterst lief en toegewijd voor mij gezorgd. Waar ik het meest naar uitgekeken had, was mijn eigen bed. Wat een teleurstelling toen het niet lekker bleek te liggen. Met mijn gevoelig-pijnlijke achterkant leek ik in een putje te zakken. Maar aan de andere kant,  ieder bed voelt waarschijnlijk zacht na het stevige ziekenhuisbed waarin ik comfortabel had gelegen. Vooral de electrische bediening van het bed was fantastisch. Die ontbreekt thuis, dus werd er meer van mijn verslapte spieren gevraagd, die protesteerden. Maar die ook hoognodig weer aan de slag moesten.

Toen het leven na een week weer wat gewoner werd kwam de tweede overgang. Het afbouwen van de zware pijnstillers. Keurig volgens het schemaatje gedaan, in zes dagen. Waar ik helemaal niet op was voorbereid waren de ‘afkickverschijnselen’. Ik had dat aaanvankelijk ook niet door, tot een vriendin het suggereerde en het later werd bevestigd. Ik was drie dagen meer dan ellendig. Misselijk, braken, raar hoofd en een algeheel gevoel van malaise. Bij alles biggelden de tranen me over de wangen. Dat overkomt een mens dus wanneer je stopt met  zware, op morfine gebaseerde pijnstillers. Geen wonder dat ik het zo fijn vond in het ziekenhuis! Mijn vriendin: Er zit ook een pretstofje in. En opeens knalt de werkelijkheid na weken weer onversluierd en onverzacht binnen. Dankbaar dat de medicijnen bestaan, maar afbouwen was minder.

Ook dat slijt weer. Na drie dagen voelde ik me hersteld en mijn lichaam begon werkelijk vooruitgang te maken. Ik liep alweer buiten, zonder rollator. De pijn was duidelijk minder, en ik kreeg weer trek in eten! Van alles was er weer een eerste keer. Naar buiten, verder lopen, een keer naar de stad in de auto en een kop koffie drinken, geen bezoek ontvangen, maar bij iemand langs. Allemaal mijlpalen. Met fysio en langzaam opbouwen van conditie en energie ga ik er weer langzaam bijhoren: het gewone leven. En wat is dat eigenlijk bijzonder, dat doodgewone leven…

Tot zover mijn blogs over het verloop van het ziekteproces Spondylodiscitis. 

Spondylodiscitis – Verslag van een vreemde aandoening II

Ik wilde mijn koffiekopje neerzetten, op bezoek bij iemand en mijn rug ging op slot. Voorzichtig aan, het lijkt wel spit, meer dacht ik niet.  Op de fiets terug naar huis voelde het niet echt goed. Met voorzichtige bewegingen stap ik af, zet mijn fiets weg en loop naar binnen. In de loop van de dag word ik stijver en krijg meer pijn, dus ik slik mijn eerste simpele paracetamollen. Het helpt niet veel en op den duur ga ik toch maar liggen. Even die zere rug ontlasten. Maar ja, iedere rugpijnlijder weet dat, als het fout zit, er eigenlijk geen enkele houding meer is waarin je lekker zit, staat of ligt.

De volgende dag bellen we even met de huisarts omdat de pijn inmiddels verhevigd is en onze huis-tuin en keukenpijnstillers geen soelaas meer bieden. Ik kom in het spit-protocol. Diclofenac en paracetamol met codeine en dergelijke. Ik slik met nieuwe hoop. Een dag later komt de vervanger van onze huisarts even een kijkje nemen, op echtgenoot’s aandringen, die de zaak niet vertrouwt en lichtelijk radeloos is van mijn pijn. Veel anders dan nog wat sterkere pijnstillers kan ze ook niet aanbieden. ‘Spit is erg pijnlijk, even doorbijten’. Ja, dokter. Bedankt.

Dat spit pijnlijk is weet ik uit ervaring, maar dit, deze wee-achtige krampen heb ik nog nooit meegemaakt. Ze snijden me de adem af. ’s Nachts bellen we met een arts van de huisartsenpost en die krabt zich ook achter de oren. Hij suggereert dat de spit op mijn lange rugspieren is gaan zitten, wat vervolgens de krampen veroorzaakt. Het kan mij allemaal niet schelen, ik wil alleen maar van de rotpijn af en van de krampen die in mijn rug schieten als ik maar wijs naar iets. Naar de WC  is geen optie meer. We halen luiers in huis. Ik ben al zover heen dat ik dat alleen maar als opluchting ervaar!

We tobben het weekend nog door. Dinsdagochtend komt onze eigen huisarts. Kim heeft namelijk in de ochtend mijn temperatuur opgenomen en die blijkt 38.4.  Bij spit denk je niet aan koorts, dus we hadden nog niet eerder aan temperaturen gedacht. Het verontrust ons niet direct, maar als de arts het hoort onderneemt ze actie en belt een ambulance.

Ik herinner me vaag dat er ambulanceverplegers de kamer binnenkomen, maar hoe ik de trap af, in de ambulance terecht ben gekomen, is verdwenen uit mijn geheugen. Gelukkig maar, denk ik. Of misschien hebben ze me wel een spuitje gegeven, Ik weet het niet meer. Evenals het verblijf op de Eerste Hulp, foto’s die daar genomen zijn, MRI-onderzoeken, bloedprikken, enzovoorts, alles is een zwart gat.

Mijn eerste herinnering is het bed in St.Antonius Utrecht waarin ik door de eindeloos lange gangen naar mijn plek wordt gereden, in de hoek, bij het raam (zonder uitzicht). Uit de onderzoeken is gebleken dat ik de aandoening met die lange naam heb. Via een infuuus in de arm krijg ik de eerste zak antibiotica toegediend en een dikke dosis pijnstillers. Eindelijk kan ik slapen!

Ik schrijf zo uitvoerig omdat de aandoening zeldzaam is en het verloop dus anders was geweest (eerder ziekenhuis+antibiotica=minder pijn) als ik mijn temperatuur had bijgehouden. Misschien heeft iemand er wat aan in de toekomst!

Mijn volgende blog voor het laatst over spondylodiscitis. Over het ziekenhuis nog wat en de weken erna. Afkicken van morfine bijvoorbeeld!

 

Spondylodiscitis – Verslag van een vreemde aandoening 1

Iedere dag schone lakens op mijn bed vergoedt veel voor mij. Wanneer ik, hangend in mijn ‘walker’, bijgestaan door een zorgzame verpleegkundige, gedoucht had en ik weer uitgeput in mijn verschoonde ziekenhuisbed neerzeeg, voelde ik me als terug in mijn kindertijd. Veilig, schoon, verzorgd, vertroeteld, ondanks lichamelijk ongemak.

Ooit had ik ziekte van Pfeiffer, als negenjarige. In de jaren zestig werd Pfeiffer nog behandeld met strikte bedrust en een vetvrij dieet. Ik lag zes weken plat op een bed dat in de voorkamer thuis, voor het raam was geplaatst. Als ik ’s ochtends beneden kwam, had mijn moeder mijn overdagbed weer strak opgemaakt en lag de deken teruggeslagen, met een boek of tijdschrift op mijn kussen. Mijn moeder verzorgde me als een prinses.

Nu ben ik zestig en hetzelfde gevoel overvalt me. Dat kind woont altijd in me.

Ik lag enkele weken in het ziekenhuis met spondylodiscitis. Nooit van gehoord? Voel je niet dom. Ik ook niet en velen met mij. Het is een bacteriele infektie in een tussenwervel van de wervelkolom. Enige symptoom in mijn geval: hevige pijn in de onderrug, die overging in krampen (als weeen!) door de hele rug en wat koorts. Aanvankelijk leek het spit, maar de arts vertrouwde het niet vanwege de koorts. Ik belandde in het ziekenhuis voor de juiste diagnose en dat bleek maar goed ook. Enige behandeling voor de aandoening is antibiotica, zes weken lang, bij voorkeur intraveneus. En goeie pijnstilling. Nou, die kreeg ik. Een dag of tien heb ik me Puff the Magic Dragon gevoeld door alle morfinepillen.

De antibiotica sloeg aan en na 2,5 week werd ik ontslagen met een grote voorraad pillen om die thuis verder in te nemen. Via de mond. En dat heeft zo zijn voor- en nadelen. Minder voor de maag, maar beter voor mijn  bloedvaten.

Ik heb in mijn medisch dossier inmiddels een aantekening ‘ moeilijk prikbaar’ staan, ‘direct doorsturen naar anesthesie’.  Nadeel daarvan is dat een enkele verpleegkundige het dan juist een uitdaging vindt om alsnog zelf te experimenteren. Maar de meesten volgden de instructie op: ‘ Ja, op anesthesie ruiken ze gewoon waar goeie vaten zitten.’ En dat klopte als een bus. In no time zat dan het infuus weer op een goeie plek en had ik weer even een reisje door het ziekenhuis gemaakt in mijn bed. Altijd trouw heen en weer gereden door twee vrijwilligers. Geweldig, zoveel vrijwilligers er in dat ziekenhuis (St. Anthonius,Utrecht) werken!

Assertiviteit om de prikzusters te weigeren me aan te raken heb ik nog niet voldoende ontwikkeld. Een van de kamergenoten die ik had (in 17 dagen heb ik er heel wat voorbij zien komen..), was een MS patient die af en toe voor een prednison kuur kwam. Ze had de ziekte al 25 jaar, dus heel veel ervaring met de medische wereld. Dat kon ik goed merken aan haar gedrag. Ze wist heel goed wat ze wel en niet wilde van de verpleegkundigen, die dat ook respecteerden. Ook zij was moeilijk prikbaar, maar ze liet zich niet ‘uitproberen’.

Een ziekenhuis is een wereld op zichzelf. Een soort paralel universum waarin je verkeert. Vreemd genoeg had ik de eerste week thuis heimwee.

Allerlei bezoek

Ik heb nogal wat bezoek gehad in de laatste weken. Leuke en minder leuke bezoekers.

Om met de laatste te beginnen, opeens was daar de Black Dog! Onverwacht en natuurlijk altijd onwelkom. Ik vroeg hem wat hij ineens kwam doen, waarom en dat er geen enkele goede reden voor zijn bezoek was. Maar Black Dogs, zoals de mijne, houden er totaal niet van ondervraagd te worden. Hij gaat dan gewoon harder blaffen, zodat ik nauwelijks mezelf nog verstaan kan. Goed, er zat niets anders op dan hem maar te accepteren.

Ondertussen blijf ik natuurlijk stiekum wel vragen stellen, (alsof hij dat niet merkt). En juist van die vragen wordt een mens weer helemaal gek. Bij alles wat ik doe vraag ik me af: doe ik dit uit de juiste motivatie of doe ik dit om die stomme hond maar koest te houden? En moet ik die hond niet confronteren, ook al bijt hij misschien,  in plaats van op mijn tenen langs hem heen te sluipen?

Nou ja, dat gaat dan de hele dag zo’n beetje door. Hoe meer ik mezelf verwijt dat de aanwezigheid van het Beest aan mezelf te danken heb, hoe nadrukkelijker ik die dreigende aanwezigheid ook voel. Geen leuk bezoek dus. De ervaring leert dat acceptatie de beste weg is. Geef het beest een plekje, niet teveel aandacht, gewoon een beetje en hij trekt zich terug. Soms met de staart tussen zijn benen.

Dat was het minder leuke bezoek. Een ander minder leuk bezoek bestond uit drie schattige veldmuisjes, die een overvloed aan keutels – als – hagelslag achterlieten in de keuken. Met pijn in ons hart, bij gebrek aan huiskat, toch maar een paar vallen gekocht. Die bleken effectief en afdoende. Maar niet leuk. Vooral echtgenoot die de dode muisjes naar buiten bracht voelde zich er niet senang bij. Maar wat doe je eraan? Ik heb nog een keer door de keuken heen en weer gerend met een pan en deksel, om er eentje te vangen, zodat ik die bij de sloot kon achterlaten. Zonder resultaat. De laatste heeft echtgenoot opgezogen met de stofzuiger, met hetzelfde doel voor ogen. Maar ook dat mocht niet baten. Drie muizen op bezoek dus en levenloos afgevoerd.

Het leuke bezoek was van dr. Henry (Hendrik) Krabbendam. Echtgenoot had hem op een synode van de Orthodox Presbyterian Church in de VS ontmoet, onlangs. In 1935 geboren in Rotterdam en vertrokken als student naar Canada. Daar zijn vrouw ontmoet en sindsdien in verschillende plaatsen predikant geweest. In Canada en in de VS. Zijn naam deed een belletje bij me rinkelen. Mijn overgrootmoeder heette namelijk Maria Catharina Krabbendam. Zij trouwde met Jan van Katwijk. Hun zoon Jacob zou mijn opa van moeders kant worden, Jacob van Katwijk. Het zou leuk zijn om te zien of de families iets met elkaar te maken hadden.

En ja hoor, mijn betovergrootvader Gerard Krabbendam had een broer Johannes. Henry is een nazaat van Johannes. Die was, gezien het leeftijdsverschil van 20 jaar tussen ons, dan waarschijnlijk zijn overgrootvader. Kijk, dat vind ik leuke bezoekjes! Van genealogie krijg ik op den duur hoofdpijn, maar het is zo ontzettend leuk om te doen.

https://instagram.com/p/5lrqq0tEYMc_9-PpFeHgCBopZ6edZTPqxMQ7A0/

En last but not least: voor zes weken logeert hier onze lieve kat Charlie! Zijn huidige baasjes zijn aan het verhuizen en dat vinden poezen erg verwarrend en vervelend. Dus mag hij weer even in zijn oude omgeving logeren. Hopelijk verdrijft zijn bezoek alle verdere muizen en wie weet jaagt hij mijn Hond ook wel de stuipen op het lijf!

Seks verkoopt niet

Interessant onderzoek wijst uit dat producten die geadverteerd worden met seksueel getinte beelden of tekst niet goed verkopen. Integendeel, ze verkopen mínder goed ! We zijn met z’n allen preutser geworden, volgens communicatiewetenschapper Arie den Boon, die men interviewde op Radio 1. Tien jaar geleden adverteerde Karwei nog met kerels op een catwalk met ontbloot bovenlijf en gillende vrouwen aan hun voeten; nu hebben ze tenminste een t-shirt aan. Het blijft natuurlijk een stomme reclame, maar goed, het geeft aan dat bloot minder gewaardeerd wordt dan even terug.

Ik vind dat wel een interessante ontwikkeling moet ik zeggen. Ik heb de jaren zestig en zeventig meegemaakt waarin het motto min of meer was: hoe bloter, hoe beter! Nu zijn de meeste blootaanbidders 60 of 70+. Af en toe zie je ze volleyballen op het naaktstrand, bij Scheveningen of zo. Niet echt een aantrekkelijk gezicht.

Ik vond het dus wel tijd om iets anders in dat verband aan de kaak te stellen: de vunzige seksreckames in ons huis-aan-huis blad. Ik hou van plaatselijke krantjes. Je leert er van alles. Over de plaatselijke politiek, over de culturele happenings, de bestemmingsplannen die ter inzage liggen (hele spannende lectuur) en wat dies meer zij. Mijn huidige vrijwilligersbaan heb ik ook via het Sufferdje gevonden.

Nuttig dus. Waar ik afhaak is bij de ‘contactadvertenties’. Opeens beland ik, van min of meer onschuldige, vrolijke, interessante informatie in een zwoele poel van heet hijgende, zich in allerlei bochten wringende dames die ‘alles’ doen thuis, je hoeft alleen maar dit of dat nummer te bellen. Echt afstotelijk vind ik. En wat doen die advertenties in mijn huis-aan-huisblad? Heb ik daarom gevraagd?

Een brief dus maar naar de redactie. Waarom plaatsen jullie dit soort gore dingen in het krantje ? Het past toch totaal niet bij de inhoud én de doelgroep van zo’n krantje?

De redacteur reageerde snel (lof!). Hij was er ook niet blij mee. Maar de directeur van Wegener zag het anders: Kijk eerst maar hoeveel klachten je krijgt. Dan kunnen we altijd nog het beleid aanpassen.

Hierbij dus de raad aan iedereen die zich ergert aan vunzige advertenties: laat het weten. Directeuren hebben zelf blijkbaar geen visie. Die reageren alleen op vraag en aanbod. Maar laat ik het onderzoek nog maar een keer aanhalen: seks verkoopt niet!

 

Biafra

Wie weet nog waar ‘Biafra’ over ging? Ik was een jaar of twaalf toen dit woord een betekenis voor me kreeg. Het stond gelijk aan hongersnood. Kinderen met een Biafrabuikje, zo praatten we erover. Dat was dan een kind met zo’n  gezwollen buikje, terwijl de rest van het lichaam letterlijk vel over been was. Armen en benen als luciferhoutjes. En de buik dik van hongeroedeem.

Meer dan honger en de daarmee gepaard gaande ellende kan ik me niet herinneren. Welk conflict er speelde, waarom er hongersnood was, dat is me toen ontgaan. Afrika, Biafra, hongersnood, het was een trits die bij elkaar hoorde. Het was zeker aanleiding voor vaders en moeders toen, die ook de oorlog hier en de hongerwinter hadden meegemaakt sterk aan te dringen op het leeg eten van je bord. Voedsel was kostbaar, en niet alleen in termen van geld.

Nu was mijn moeder een softie. Hongerwinter of Biafra, ik hoefde geen dingen te eten die ik niet lekker vond en dat was veel, zal ik eerlijk bekennen. Maar dit terzijde.

Ik was dus een jonge tiener toen er een conflict uitbrak in Nigeria. Ik weet nu waar het over ging omdat ik net de roman van Chimamanda Ngozi Adichie heb gelezen: Half of a Yellow Sun. Het conflict begon met de afslachting  van de uit het Oosten van Nigeria afkomstige Igbo, door de noordelijke, Hausa-sprekende stam.  Er waren meer bevolkingsgroepen destijds, maar het conflict begon tussen deze groepen. De Igbo scheidden zich af en stichtten de onafhankelijke republiek Biafra. Tussen de troepen van de regering van centraal Nigeria en het in alle haast opgerichte leger van Biafra woedde er 2,5 jaar oorlog. Voedsel kwam mondjesmaat binnen en uiteindelijk stierven 1 miljoen als gevolg van de oorlog en van de honger. Nigeria nam het land weer in.

Dit is de geschiedenis die Adichie beschrijft in haar roman. Een onthutsende, aangrijpende roman. De wreedheid, de vervreemding tussen volken die eerst samenleven, de liefde en de moed van mensen die vechten voor een (onbereikbaar) ideaal, het menselijke verhaal van de (in Londen opgeleide) zussen Olanne en Kainene met hun partners, de houseboy Ugwu, hun vlucht, hun strijd om in leven te blijven, het is een adembenemend mooi geschreven verhaal. Het brengt de duizenden verhalen van vluchtelingen van nu dichtbij.

Adichie is zelf nazaat van Biafranen, haar beide grootvaders stierven in de oorlog die duurde van 1967 – 1970. Ze heeft de verhalen gehoord van familie en vrienden en de geschiedenis verwerkt in een fictief verhaal.

Wat bijna niet genoemd wordt is dat de strijd begon als een gevolg van (politieke) spanningen tussen de islamitische Hausa en de christelijke Igbo. Speelde het religieuze motief geen rol nog? De christelijke identiteit van de Igbo komt in deze roman slechts heel zijdelings ter sprake. De invloed van het animisme lijkt sterker aanwezig.

Een aanrader voor wie wel wat aankan. Ook Americana van dezelfde schrijfster is meer dan de moeite waard.

Logeren

Samen tekenen
Samen tekenen

‘Je moet niet steeds met een nieuwe bladzijde beginnen, dat is verspilling!’, zegt kleinzoon Kris van zeven tegen zijn neefje Noah van vier. Ze zitten samen aan onze tafel te tekenen en te knippen en plakken.

Noah knipt en plakt
Noah knipt en plakt

Noah tekent met stift een opzetje (sinds we NEMO bezochten, satelieten), maar beslist dan al snel dat het niet helemaal is wat hij wil en gaat door naar de volgende, blanke pagina in zijn schetsboek.

Hij kijkt grote neef Kris met glazige ogen aan en vraagt dan: ‘Wat is verspelling, Kris?’ Ik zie dat hij enigszins onder de indruk is, maar niet helemaal zeker waarvan.

‘Nou’, zegt Kris, ‘dat is wanneer je teveel papier gebruikt, want papier wordt van bomen gemaakt en als jij steeds een nieuwe bladzijde neemt dan moeten er weer bomen worden omgehakt. Dus dat is verspilling want bomen hebben we nodig om te ademen.’

Noah kijkt ernstig. ‘Oh ja’, zegt hij aarzelend. Meestal niet om een antwoord verlegen, is dit nu even het enige dat hij bedenken kan. Hier worden feiten verkondigd die helemaal nieuw zijn voor hem. Dat zijn witte papier ooit een groene boom is geweest lijkt haast niet te geloven. Maar als zijn grote neef het zegt dan moet het wel zo zijn. Hij kijkt naar zijn schetsboek. Hoe gaan we dit oplossen, zie ik hem denken.

‘Je kunt ook de achterkant van je bladzijde gebruiken, of een ander stukje ervan. Je hoeft heus niet steeds een nieuwe te nemen’, onderwijst Kris hem. ‘Ja’, zegt Noah. En kijkt naar zijn papier dat drijft van de lijm en bezaaid is met uitgeknipte vormen van gekleurd vouwpapier. Is er ergens nog een gaatje waar hij een nieuwe tekening kan maken? Hij slaat de bladzijde om en ziet dat het papier doorweekt is.

‘De volgende tekening ga ik ook op de achterkant doen, goed Kris? Dan ga ik niet meer verspellen!’

Kris kijkt mijn richting uit, met een blik van ‘wat is hij schattig, hè oma?’

En vredig gaan ze weer verder.