Achter de glazen wand

De glazen wand

Tja, wat doet een mens wanneer de depressie toeslaat en een glazen wand doet neerdalen tussen jou en de rest van hemel en aarde? In het kader van doorbreken van taboes-rondom-psychische-problemen is wat volgt een kijkje in de binnenkant van een/mijn depressie. Ik zeg er eerlijk bij dat dit schrijven pas lukt als ik een beetje achterom kan kijken. Maar relativerend kijken helpt ook. Ik ben niet mijn depressie, ik knok met een depressie.

Dode vogeltjes en onkruid

Ik loop in de tuin en tel alle niet-bloeiende planten, alle dooie bladeren en ik zie bijzonder scherp hoe geen enkele plant eigenlijk op de goede plek staat. Die is aan het woekeren en deze staat in de weg. Deze staat in de schaduw en die teveel in de zon.
Dan zie ik alle niet-dode vogeltjes (zie voor uitleg de blog die ik erover schreef in 2016) tegelijk met het niet-onkruid. Ik zie dingen die er niet zijn. Of beter gezegd ik zie dingen niet die er wel zijn. Alles is als een negatief. Zwart-wit. Grijs-grauw. Ik ben er doodop van. Mijn brein lijdt aan bewustzijnsvernauwing. Verkokering.

Vervolgens ben ik lang bezig met alle schaduwen te lijf gaan die met een beschuldigende vinger mijn kant op wijzen. ‘Jij doet het weer helemaal fout, jij kunt helemaal niks!’ Weg wezen. Wie jullie ook zijn, jullie hebben hier niets te zoeken! Ik weet dat het de depressie is die schuldgevoelens opblaast en het gevoel van falen buiten proporties doet toenemen. Mijn brein is als de naald van een platenspeler die vastzit in een kras op de plaat.

Na al deze ‘handelingen’ wacht er een angstig, paniekerig, innerlijk kind op me. Dat kind maakt altijd een reusachtige groeispurt door tijdens een depressie. Het klaagt, het dreint, het raakt in paniek. En het stopt niet voor het gehoord wordt, erkend en getroost wordt. Het is zinloos om er ‘hou op’ tegen te roepen. Dan gaat het alleen maar harder dreinen. Ik (ja, ik ben er ook nog) moet het rustig toespreken, kalmeren, bevestigen en bemoedigen. Er een moeder voor zijn. Je snapt, ik heb er mijn handen vol aan.

Wat helpt?

Niets doen helpt, soms.
Slapen helpt, soms.
Zwemmen helpt, soms.
Wandelen helpt, soms.
Bidden helpt, soms
TV kijken helpt, soms

Je blijft zoeken naar manieren die gaatjes boren in de glazen wand. Methodes die het waterhoofd van het negatieve bewustzijn weer normale proporties doet aannemen. Wat je ziet en ervaart is niet de werkelijkheid, maar een zwarte perceptie, ingegeven door de depressie. Ik moet mezelf dus herinneren aan wie ik de meeste tijd gewoon ben. Adem inhouden en de golf over me heen laten gaan. Ik kom weer boven straks. Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen zo. Soms zijn er zaken waar je mee aan de gang moet. Die tijd is er geweest en ligt achter me. Daarin heb ik heel veel geleerd, nu komt het aan om toepassen.

Medicijnen

Rust, bewegen en een klankbord hebben zijn heilzame middelen. Iemand om af en toe de zware gedachtes te delen. Daar worden ze minder zwaar van en kun je soms ook weer even lachen om jezelf.

En ja, medicijnen. Ik was aan het afbouwen, opnieuw. Nu met extra motivatie omdat Paroxetine erom bekend staat (naast rode wijn) het probleem van het Restless Leg Syndrom te verergeren. Het is gelukt te minderen, maar helemaal zonder gaat niet lukken. Zoveel is wel duidelijk.

De meeste steun ontleen ik aan een tekst in de bijbel. In Handelingen 17 vers 4 staat: ‘In Hem (God) leven we, bewegen we en zijn we’. Gods hand reikt tot achter de glazen wand. Ik voel dat niet, maar dat is de werkelijkheid waarop ik mag vertrouwen. Mijn innerlijke kind vecht met verlatingsangst. De werkelijkheid van Gods belofte: ‘Ik zal jou niet verlaten’, is een stevige grond om op te staan voor mijn wiebelige benen.

Gisteren sprak ik iemand die me vroeg voor haar te bidden en ze beschreef sommige van de symptomen die ik hier noem. De binding en het begrip die je dan ervaart is als een geschenk. Het geeft het lijden van de depressie betekenis omdat je een ander kunt aanvoelen en daarmee tot troost bent. Elkaars lasten dragen noemt de Bijbel dat. En dat maakt die last toch lichter in plaats van zwaarder.

Deel je depressieve gevoelens voor ze te zwaar worden! Dat is een les die ik heb moeten leren en nog steeds leer. Voor mensen met suïcidale gedachten is dat letterlijk van levensbelang. Erover praten lost het probleem niet op, maar zoals het gezegde luidt: gedeelde smart is halve smart. Dat maakt het weer dragelijk en geeft nieuwe energie om aan de ziekte zelf te werken.

Hier nog wat links naar andere goeie blogs over depressie en psychische aandoeningen en het gebruik van medicijnen.

http://judithstoker.blogspot.com/2016/02/taboe-christen-antidepressiva.html

https://www.buzzfeed.com/alisoncaporimo/what-it-feels-like?utm_term=.bdAeLKrdb#.xhYEzeNWj

https://alloftheabove851591781.wordpress.com/tag/maak-van-depressie-geen-taboe/

Onkruid en de les van de stokroos

Hij is er weer. Mister Black Dog. Een combi van medicatie afbouwen, drukte, slechte nachten door de warmte en jawel, ik hoorde hem weer keffen. Altijd weer verbaast me de plotselinge verschijning van het beest. Hij zit verstopt achter een boom. Je loopt voorbij en zonder waarschuwing springt hij je in de nek en blijft daar zitten hijgen. 

Ik ga ‘gewoon’ slapen en voel het op me dalen bij het wakker worden. Een zware, beklemmende deken. Het dekbed vouw je terug bij het opstaan, maar deze deken schud je niet zo eenvoudig af. Je draagt hem mee als een terneerdrukkende, benauwende last.
En het ging zo goed! Dan komt de twijfel.
Ging het wel echt goed?
Natuurlijk was het echt!
Ja maar…
De kenmerkende vermoeiende, innerlijke dialogen waar mensen met psychische problemen meesters in zijn.  Wel waar, niet waar, toch wel, toch niet, enzovoort.
Kappen! wil ik schreeuwen als mijn driejarige kleinzoon, die dat woord geleerd heeft van zijn grote broer. Klep dicht!

Bewegen is het motto tegenwoordig. Sporten, fietsen, wandelen. Maar oh, de warmte…Ik zweet liters alleen al door in het huis wat noodzakelijke dingetjes te doen. Vroeg in de ochtend, zegt een opgewekte, energieke vriendin. Ach, lieverd, zeg ik, ik slaap vaak na een onderbroken nacht pas tegen vijf uur weer in. Ja, ik weet het.. in de avond dan maar. Ik beloof het maar weet ondertussen dat het me niet zal lukken. Of toch wel?

Werken in de tuin biedt altijd verademing. Helaas, door de hitte is er niet veel eer aan te behalen. Ik haal wat dooie bloemetjes van de armetierig bloeiende planten. Het gras is geel, de bosbessenstruik toont wat verdroogde besjes, die ik maar laat zitten voor de vogels als die ze nog pruimen. Zelfs de Hortensia’s, altijd oersterk, laten hun bladeren hangen en de bloemtrossen zijn verbleekt. Het past naadloos aan bij mijn stemming. De Fazantenbes – (Leycesteria formosa) die anders zo mooi staat te pronken is ook al schlemielig. De besjes zijn overrijp. Ze smaken wel heel lekker. Ah, daar haal ik toch weer een flard bemoediging uit de tuin. Schlemielig maar toch van waarde zijn. Niet alles is wat het lijkt.

In de achtertuin zie ik ook alleen maar niet-florerende planten en struiken. Ik weet dat het door de stemming komt. Die werkt als een filter. Bij mij zoomt alles in op onkruid, wat het niet goed doet en wat er ontbreekt. Ik loop langs een van de stokrozen en denk, somber, alweer die lelijke zuurstokroze bloemen. Schoorvoetend moet ik aan mezelf toegeven dat de Oost-Indische kers het best goed doet. Ik ben gek op die felle oranje-rode bloemen. De Lathyrus lijkt het ook wel beter dan anders te doen. Meer bloemen en steviger dan andere jaren. Iets begint een beetje door de dikke mistlaag heen te dringen. Ik voel het droge, gele, stoppelige gras onder mijn blote voeten en ruik de prikkelige geur van hooi. De droge aarde heeft een eigen aroma en er is geen slak te bekennen. En dan zie ik opeens dat de vorig jaar gezaaide stokroos bloeit. De hoop op een andere kleur dan roze had ik al opgegeven. Alles kleurt immers roze in deze tuin?
Deze is intens donkerrood! Ik kan weer (ok, een paar seconden dan) blij zijn. De verrassing van de mooie kleur is een teken van hoop voor mijn vale stemming.

Wie is er bang voor wiskunde?

Het is de titel van een nieuw verschenen boek van een leraar wiskunde, Gerardo Soto y Koelemeijer. 

Ik ben bang voor wiskunde. Al decennia. Ik kan wel zeggen dat wiskunde, in mijn tijd nog algebra en meetkunde geheten, mij vele nachtmerries bezorgde in de jaren 1967 -1969. Ik verraad daarbij direct mijn leeftijd maar dat was volgens mij al geen geheim meer.

In 1967 zit ik in klas zes van de School met de Bijbel in Rheden. We zijn een jaar daarvoor verhuisd van stedelijk Schiedam naar dit dorpje onder de Posbank in Gelderland. Mijn moeder brengt me de eerste dag naar school. Op mijn verzoek draagt ze haar zondagse jas en hoed. Ik was al vroeg gevoelig voor kleding. De jas is van donkerrode tweed met zwarte fluwelen kraag en daarbij een zwartfluwelen hoed. Ik kon mijn onzekerheid de baas door trots te zijn op mijn mooie moeder.

In groep zes heb ik mijn draai gevonden en presteer goed. Zonder cito’s krijgen we allemaal een schooladvies. Het mijne is HBS. Maar we moeten wel toelatingsexamen doen. Op een goeie dag in de zomervakantie fietsen we als groepje richting Arnhem. Naar het Christelijk Lyceum Arnhem alwaar de toets zal worden afgenomen. Het is spannend maar ik slaag zonder problemen. Dan vangt mijn middelbare schooltijd aan.

Ik ben een talenmens. Als kind al een lezer vind ik het op de HBS heerlijk om ingewijd te worden in nieuwe talen als Frans en Duits en mijn eigen taal verder uit te pluizen. Uiteraard mopper ik mee over naamvallen en werkwoorden, maar stiekem vind ik het leuk.

Minder blij ben ik met de vakken algebra en meetkunde. Of die al in de eerste klas werden gegeven weet ik niet meer. In mijn herinnering begon de kwelling vroeg en duurde eindeloos lang. Mijn hersenen konden op geen enkele manier de abstracte formules, berekeningen en vormen bevatten. En mijn wiskundeleraar kon op geen enkele manier de disfunctie van mijn hersenen bevatten en raakte geïrriteerd als ik het ‘nog steeds’ niet snapte.

Uren bracht ik door op mijn kamertje met mijn geduldige, lieve oudste broer die zijn uiterste best deed mij enig begrip bij te brengen. Na alle oefening, perste ik soms zowaar het juiste antwoord uit mijn vermoeide brein. Maar kwam ik dan de volgende dag op school en de leraar schreef de opdrachten voor een proefwerk op het bord, stond het huilen me nader dan het lachen. Het was een groot abracadabra voor me. Hoe stom een kind zich dan kan voelen, als iedereen om je heen ijverig zit te pennen en jij hebt geen idee zelfs waar te beginnen! Dat paniekgevoel graaft diep door in een kinderziel.

Uiteindelijk ben ik in de tweede klas blijven zitten met een twee en een drie voor de vakken. Ik mocht, vanwege de goede cijfers voor andere vakken wel verder naar de HAVO. Een toen nieuwe vorm van onderwijs waar op deze school een pilot voor werd gedaan. Ik was dolblij, Alles was beter dan nog een jaar die kwelling te moeten ondergaan.

Er is dus een boek geschreven over dit fenomeen. De angst voor wiskunde. En hoe die voor leerlingen is weg te nemen. Ik wist al langer dat onder die ijverig pennende klasgenoten van mij er heus wel meer waren die minder goed waren dan het leek. Hoe het hen is vergaan weet ik niet. Mij is de ervaring van falen op deze manier altijd bijgebleven. Een leraar die grapjes maakt over jouw ‘eigenwijsheid’ en gebrek aan hersenen slaat een deukje in het zelfvertrouwen.

Vandaar dat ik de publicatie van het boek toejuich. Laten vooral leraren wiskunde hun voordeel ermee doen. En ik ben blij dat ik niet de enige ben die bang is voor wiskunde.

N.a.v Wie is er bang voor wiskunde?
Auteur: Gerardo Soto y Koelemeijer
ISBN:9789462988392

De kleindochter en het zusje

Al dagen wachten we op de geboorte van een kleinkind. Moeder is uitgerekend maar de dame (we weten dat het een meisje is) heeft nog geen haast. De grapjes (rolbevestigend) vliegen door de ruimte van de familie-App en de onderlinge communicatie. ‘Zal je altijd zien met meisjes! Nog even dit, nog even dat, altijd te laat!’ Als ik grote broer van 7 uit school haal omdat de bevalling lijkt te beginnen, maar niet doorzet, verzinnen we welke make-up ze waarschijnlijk nog snel aan het opdoen is. We hebben lol samen. Lippenstift, poeder, parfum, ogenschaduw, en wat dies meer zij.

Thuis wachten het jongere broertje van bijna 3 en de andere oma. Die was al bij de aanstaande ouders, maar heeft zich nu even teruggetrokken bij ons. De jongens vermaken zich terwijl de oma’s om de minuut hun telefoons checken of er al iets gebeurd is. Leve het tijdperk van de WhatsApp. Moeder laten we met rust, maar ik mag met de aanstaande vader, zoonlief Appen. Hij staat het genadig toe dat er vanaf de achterste banken af en toe een wijs advies van de oma’s hun richting uitgeroepen wordt. Ondertussen halen ze gezellig hun eigen bevallingsverhalen op.

De (bijna) driejarige voelt dat er iets aan de hand is en wordt steeds drukker. Kleinzoon van 7 blijft er rustig onder. Terwijl er buiten met badmintonrackets en tuinfakkels oorlogje wordt gevoerd probeer ik iets te eten te bedenken dat de mannetjes ook lusten. Geen fans van warm eten heb ik daar aardig wat denkkracht voor nodig, en dan ook nog dit warme weer. Struikelend over de LEGO, Ipads en autootjes bedenk ik een maaltijd met pasta. Losse pasta, met vlees apart en de saus absoluut niet vermengd met beiden. De oudste eet zich moedig door de droge slierten spaghetti met erwtjes erbij. De jongste speelt, na felle weigering ook maar iets te proeven, verder met LEGO. Uiteindelijk wordt dat een boterham met smeerkaas. Ook goed.

Het is 19.00 uur en we hebben al even niets van het thuisfront gehoord. Beide jongens zitten achter een schermpje en ondertussen worden er door echtgenoot luchtbedden geregeld, want naar huis gaan zit er niet meer in. Het is warm. Het is licht. Er hangt spanning en opwinding in de lucht. Ga dan maar eens slapen als kind.

Om 19.30 uur ben ik zelf wel toe aan bed, dus ik neem het initiatief om een zekere beweging richting de slaapkamers in te zetten. Na een half uur liggen beide mannen op bed maar daar is ook alles mee gezegd. Maar slapen is een heel ander verhaal. Ik lig met de jongste in ons bed. Althans, na een minuut of tien krijg ik hem zover niet langer van de stoel op het bed te springen, maar om lekker te gaan liggen. Ik zing me een uur schor. Steeds zakken de oogjes half dicht, maar dat heerlijke moment van diepe ademhaling en slaap blijft uit. Ik weet dat de grote broer nog op zijn ipad zit (5 minuutjes had ik gezegd, maar geen horloge gegeven). Ik laat het los en geef me over en zet welgemoed een derde rondje van mijn slaapliedjes-medley in. Ondertussen app ik de andere oma of zij wil komen liggen. Misschien lukt het haar beter. De kleine heeft vaker bij haar geslapen.

Ze klimt in het bed naast de halfwakkere peuter en juist dan komt het verlossende bericht: geboren! De kleindochter is gearriveerd om 20.39 uur. Het is inmiddels 21.15. We barsten in gejubel uit en ik draag het net niet slapende, nu verbouwereerde kind naar beneden. ‘Je zusje is geboren!’ Met slaperige oogjes kijkt hij me vorsend aan. En knielt neer bij de LEGO. Boven ligt zijn broer in een diepe slaap. Wat ik ook probeer om hem wakker te maken zodat hij kan video bellen met zij ouders, het antwoord is snurk, smak, smak, en een draai naar de muur. Wachten tot morgen. Hij mag wat later naar school gelukkig.

Om 23.00 uur zijg ik neer op het inmiddels opgeblazen luchtbed in de woonkamer. Het huis is gevuld met mensen, alle kamers bezet. Wat een rijkdom om zoveel ruimte te hebben, bedenk ik, terwijl ik op het (bij beweging) nogal lawaaiige bed lig. En ik verwonder me dat zo’n minimensje van 7 pond zoveel teweeg kan brengen. Maar wat is ze kostbaar.

kamperen in de woonkamer

De volgende morgen hoor ik de oudste kleinzoon wakker worden en vertel hem dat er een verrassing is! Ik hoef hem niet te vertellen wat dat is. ‘Is het zusje er?!’ Pappa belt even later en ik hoor in de achtergrond het gesprek. Heel belangstellend, iets waar sommige volwassenen van kunnen leren, vraagt hij aan zijn moeder hoe het nu gaat, hoe de bevalling was en hoe het met de baby is. De driejarige kijkt ook even naar de baby en zijn enige, korte commentaar is: ze is dood. De twee broers spelen regelmatig schietspelletjes waarbij de een met gesloten ogen op de grond valt. Die is dan dood. Blijkbaar doet de baby met gesloten ogen hem daaraan denken. We lachen en zeggen nee hoor, ze slaapt! Dan komt het verhaal van het dochtertje van Jairus weer voorbij dat we gisteren lazen. Met zijn armpjes in de lucht gilt hij: ze leeft weer! Hallelujah!

 

Ontbijten voor we naar huis gaan

Na een tour de force om alles en iedereen weer schoon, aangekleed en klaar te krijgen voor de rit naar huis, staan we dan eindelijk oog in oog met het nieuwste wonder van de familie. De kleindochter en het zusje.

De kunst van het herdenken

Reunie’s

Amerikaanse scholen hebben een lange traditie van het organiseren van reünies. Iedere school, of het nu om de basis-, of de middelbare school gaat of om opleidingen die daarop volgen als universiteit of HBO, overal worden reünies gehouden, meestal tijdens de afstudeerceremonies van jongerejaars. En hoe langer geleden het afstuderen, des te uitgebreider de reünies. Op Harvard wordt de 25e reünie het meest uitgebreid gevierd.

25 jaar geleden maakte ik die mee van echtgenoot. In Cambridge, VS. De hele week was gevuld met een programma van lezingen, workshops, concerten en optredens en niet te vergeten: overvloedige lunches en diners, opgediend in grote tenten. Strak georganiseerd voor de meer dan 1500 afgestudeerden en aanhang. Een herinnering die me is bijgebleven is de eindeloze stoet bussen die ons naar het concertgebouw in Boston brachten om daar een concert bij te wonen. Het verkeer werd stil gelegd om de bussen te laten passeren. Mijn moment van bescheiden en gedeelde roem…Er werd nog net niet naar ons gezwaaid.

Ditmaal is de 50e reünie gaande. De leeftijd van de deelnemers is uiteraard een stuk hoger dan 25 jaar geleden maar er is nog steeds een behoorlijk grote groep  komen opdagen. Allemaal grijs geworden en door het leven getekend. Het is fantastisch om dan mensen gade te slaan die elkaar opeens weer herkennen. Echtgenoot ontmoette vandaag bijvoorbeeld twee vrouwen met wie hij niet alleen aan de universiteit studeerde maar ook mee op de basisschool had gezeten. En een aantal mannen met wie hij in het voetbalteam had gespeeld.

Voetbalmaatjes uit de jaren zestig

Memorial

Vandaag stond een herdenkingsdienst op het programma. Ook een traditie van deze groep alumni. Ieder vijf jaar wordt een samenkomst belegd waarin de overledenen van de jaren daarvoor worden herdacht. Zeer indrukwekkend. In de Harvard Memorial Church kwamen we samen en luisterden naar gebeden en een schriftlezing uit Jesaja 61. De namen van de overledenen werden een voor een voorgelezen door aanwezigen en aansluitend luidde de kerkklok en werd er een aantal minuten stilte gehouden. (Natuurlijk gingen er twee telefoons af, juist tijdens die stilte…)

Harvard Memorial Church

Gedichten en gebeden
Een van de voorgelezen gedichten dat me ontroerde was het onderstaande:

We Remember Them by Sylvan Kamens & Rabbi Jack Riemer

At the rising sun and at its going down; We remember them.
At the blowing of the wind and in the chill of winter; We remember them.
At the opening of the buds and in the rebirth of spring; We remember them.
At the blueness of the skies and in the warmth of summer; We remember them.
At the rustling of the leaves and in the beauty of the autumn; We remember them.
At the beginning of the year and when it ends; We remember them.
As long as we live, they too will live, for they are now a part of us as We remember them.

When we are weary and in need of strength; We remember them.
When we are lost and sick at heart; We remember them.
When we have decisions that are difficult to make; We remember them.
When we have joy we crave to share; We remember them.
When we have achievements that are based on theirs; We remember them.
For as long as we live, they too will live, for they are now a part of us as, We remember them.

Vervolgens werd een Kaddisj Yatom (Joods gebed voor de doden) gelezen. Joodse mannen (ongeveer 20% van de aanwezigen) haalden hun keppel uit hun binnenzak, zette die op en baden hardop mee. Mijn buurman eveneens. Een wat verdrietige man die me eerder al vertelde dat zijn goede vrienden onder zijn jaargenoten al overleden waren. Later las ik wat na over wat Kaddisj is eigenlijk. Opvallend is dat er in het gebed voor overledenen niet gesproken wordt over doden. God is immers een God van de levenden? Voor Hem is niemand dood. Kaddisj bidden is Zijn grote Naam prijzen.

Kaddisj

Moge zijn grote naam verheven en geheiligd worden
in de wereld die hij geschapen heeft naar zijn wil.
Moge zijn koninkrijk erkend worden in uw leven en in uw dagen
en in het leven van het gehele huis van Israël,
weldra en spoedig.
Zegt nu: Amen

Moge zijn grote naam gezegend zijn nu en voor altijd.
Gezegend, geprezen, gevierd, en hoog en hoger steeds verheven
Verheerlijkt, gehuldigd en bejubeld worde de naam van de Heilige,
gezegend zij hij
hoog boven iedere zegening, elk lied,
lof en troost die op de wereld gezegd wordt.
Zegt nu: Amen

Moge er veel vrede uit de hemel komen en leven!
Over ons en over heel Israël.
Zegt nu: Amen

Hij die vrede maakt in zijn hoge sferen,
zal ook vrede maken voor ons en voor geheel Israël
Zegt nu: Amen

Hier een filmpje waar een Rabbi het Kaddisj uitzingt tijdens de herdenking van de terroristenaanval in New York, in 2001

Voorbeeld ter navolging

Een overheersende gedachte na deze ervaring was bij mij dat we in Nederland, in de kringen waarin ik opgroeide, een schreeuwend gebrek hebben aan rituelen om onze geliefde doden te gedenken. Het gemis te benoemen. Het lezen van het gedicht “We remember them” bracht tranen in mijn ogen. Ik herinner me mijn geliefden ook! Als de zon schijnt en als het regent, als ik bezig ben in de tuin en als ik in de natuur wandel. Als ik lees en als ik schrijf. Vooral als ik schrijf. En ik prijs God ook voor al het moois dat ze in mijn leven brachten. Voor de herinneringen, de uitdagingen die hun karakters soms meebrachten. Voor hun lach en hun humor. Voor de pijn die ze deelden met me.

Hoe mooi zou het zijn om vormen te vinden (er zijn er al veel) om die gedachtenis een keer in de zoveel tijd uit te spreken. Als ik hier ben gaan we altijd naar het graf van mijn schoonmoeder, met mijn schoonvader. We leggen bloemen neer en praten over wie ze was, wat ze voor ons betekende. Dat is goed voor ons, maar ook zo goed voor mijn schoonvader die haar pijnlijk mist. Haar noemen is heilzaam. Maar ik ga zelden naar het graf van mijn eigen moeder. Het gaat er niet om dat ik geloof dat ze daar nog is natuurlijk. Het gaat om een vorm, een punt waar je even de focus op die persoon richt en de gedachtenis aan zijn of haar leven eert.

Een wandeling met een les

De lucht is staalblauw. De lentetooi van de bomen waar we tussen lopen is tegen die achtergrond nog feller, zinderend groen. Het bospad slingert en komt uit op een open plek. Er staat een eenvoudig monument met daarop de geschiedenis van wat zich hier afspeelde. Onder mijn voeten zanderige grond, bedekt met naalden en bladeren van de vorige herfst. Het ruikt zo sterk naar bos, oude grond en nieuwe bloei dat het me de adem beneemt.

monument Den Treek

Toch, deze open plek, nu vol nieuwe groei en aanplant, blijkt een dodengrond. Precies op deze plek staan op  16 oktober 1942 vijftien mannen. Tussen de 30 en de 50 jaar.  Het is dan rond de 13 graden, normaal voor de tijd van het jaar. Heel af en toe laat de zon zich zien. Die dag is het droog maar de dagen ervoor was er regen gevallen. Ik ruik de geur van het vochtige bos.

We staan op een plek in het bos op het landgoed Den Treek-Henschoten. Een groot landgoed tussen Woudenberg en Amersfoort in particulier bezit van de familie de Beaufort. Prachtig gebied om te wandelen, fietsen of paardrijden. We lopen er zaterdagmiddag, Bevrijdingsdag, en genieten van de natuur. We stuiten op een bord dat verwijst naar een monument even verderop. We volgen de aanwijzing en arriveren op de stille, open plek. En op dat moment krijgt de omgeving een andere lading. Hier zijn mensen bruut vermoord. Hier hebben mensen voor het laatst de doordringende bosgeur ingeademd, de vogels horen zingen, modderige bosgrond geroken toen ze erdoor heen werden gejaagd, op weg naar hun dood.

Ik hoor de honden blaffen, de schreeuwende bevelen, het geluid van vrachtwagens die de gevangenen afleveren. Ik zie de gezichten van die vijftien mannen. Angst, ongeloof, gelatenheid? Twaalf verzetsmensen en drie gijzelaars lees ik op het bord bij het monument. Als vergeldingsactie voor het verzet tegen de Nazi’s worden ze hier vermoord.

Eerst komt er een vrachtauto uit kamp Amersfoort. De mannen stappen uit en worden opgewacht door dertig Duitse soldaten. Ze worden direct gefusilleerd. Vervolgens arriveert de tweede truck met de rest van de gevangenen. Voor hen moet het nog afschuwelijker zijn geweest. Als er nog onzekerheid was over het doel van de reis dan is die bij aankomst direct verdwenen. Er liggen zes lijken. Het is onafwendbaar, de dood is nog maar een paar seconden van hen verwijdert. Ook deze mannen worden onmiddellijk doodgeschoten. En ter plekke begraven. Na de oorlog wordt het massagraf gevonden en krijgen de mannen, na identificatie aan de hand van gevonden persoonlijke spullen, alsnog een waardige begrafenis. Op deze site is het hele verhaal te lezen.

Opgehaald uit kamp Amersfoort (politieke gevangenen) en st. Michielsgestel, waar gijzelaars uit het hele land waren geïnterneerd. (Waaronder ook mijn opa, van moederskant. Actief in politiek en maatschappelijke organisaties in Schiedam is hij met vele anderen op 4 mei 1942 om zes uur ’s ochtends van zijn bed gelicht en nog dezelfde dag naar st. Michielsgestel gebracht. Vanuit dit kamp worden in augustus en later dus, op 16 oktober, in totaal zes mensen doodgeschoten).

Mijn grootvader heeft in de periode dat hij geïnterneerd zat in St. Michielsgestel een dagboekje bijgehouden. Ik kreeg daaruit de indruk dat het daar wel meeviel. Men had relatief veel vrijheid om de dagen door te brengen zoals men wilde. Er werd van alles georganiseerd door de gevangenen aan lezingen en muziek. Maar in augustus werden de eersten opgehaald om vermoord te worden. Toen bleek dat het de Duitsers menens was. En nu met dit verhaal van deze executies realiseer ik me dat er een enorme spanning en onzekerheid geheerst moet hebben.

Ik zal nog een blog wijden aan mijn herinneringen over deze ervaring van mijn grootvader. Ik heb hem helaas niet gekend, maar veel gehoord in de verhalen over hem van mijn moeder.

20180506_212139
Handschrift van mijn grootvader, een bladzijde uit het dagboekje
20180506_212105
Tekening van mijn grootvader gemaakt door mede-kampgenoot
20180506_212029
Rechts mijn grootvader, Jacob van Katwijk.

Hier is een uitzending te zien van Andere Tijden over het gijzelaarskamp st.Michelsgestel

De stilte, lawaai en de tuin

Stilte

Er is niets waar ik zo gelukkig van word als een stille morgen. De klok in de keuken tikt, de deur naar de tuin staat open en op de achtergrond klinken de geluiden van buiten. Vogels die blij zijn met het lenteweer, een stem in de verte van iemand die in de tuin zit. Een klusser die af en toe de stilte verbreekt met gehamer. Een deur die dichtklapt en de startende motor van een vertrekkende auto. Soms verpest de klusser de rust door iets met een elektrische machine te doen, de gesel van de nieuwbouwwijken. Maar als hij klaar is klinkt de stilte nog doordringender. Mijn lijf ontspant voelbaar. Ik drink het zwijgen van de motor in als verkoelend water.

Lawaai

Alleen de ochtenden kennen deze sfeer voor mij. In de wijk waar ik woon zijn de middagen drukker en meer gevuld met geluiden. Vooral met het geluid van wat ik al een gesel van de Nederlandse wijken noemde, met haar dicht op elkaar gebouwde rijtjeshuizen, de elektrische machines. Iedere klus wordt tegenwoordig uitgevoerd door apparaten met een bulk decibellen waar je niet goed van wordt. In de postzegeltuinen worden de bladeren met een blazer weg getrompetterd, de tegels gezandstraald met een hels kabaal, de heggetjes met veel lawaai geknipt, het hout voor de kachels in de tuin met veel elektrisch geweld in stukken gezaagd. Het onkruid verbrand met een soort vlammenwerper en om het af te maken al het schuurwerk met schuurmachines die een geluid produceren als van een leger muggen met een megafoon.

De onkruidwieder, maar dan wat groter 🙂

Het is niet anders. Zelfs wij hebben ons ertoe verlaagd een snoei-apparaat aan te schaffen om onze als een monster groeiende Hedera in bedwang te houden. Maar ik voel me altijd lichtelijk schuldig over het geluid dat dit ding produceert.

De tuin

Dat brengt me op een ander fenomeen van de rijtjeshuizen. De aparte gewaarwording dat je soms op minder dan twee meter afstand van elkaar buiten zit en toch, gescheiden door een flinterdunne heg of schutting, een soort van privé creëert. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog steeds niet de juiste houding heb kunnen ontwikkelen. Misschien omdat ik hoog-gevoelig ben, maar ik ben mij zo bewust van de mensen die vlak naast me zitten dat ik niet echt ontspannen kan. In mij is voortdurend een tweestrijd gaande: zal ik even goeiemorgen zeggen? Zal ik even erkennen dat ik weet dat ze er zitten? Feit is dat noch de linker- noch de rechterburen dat ooit doen. Blijkbaar is dat niet de gewoonte dus. Na zeven jaar heb ik me erbij neergelegd. Maar ongemakkelijk blijft het. Ik ben als een soort oermens die graag wil weten dat de omgeving veilig is. Als aan beide kanten mensen buiten zitten zit ik liever binnen…zo raar is dat.

Wat is eigenlijk normale tuin-etiquette?

Maart

Maart was een drukke en intensieve maand. Niet alleen lijkt iedereen in mijn familie jarig te zijn (waaronder ikzelf en echtgenoot), het was ook nog verkiezingscampagne! Voor het eerst van mijn leven stond ik op een lijst voor de gemeenteraad. Niet dat ik nu verkiesbaar was, want nummer vier, en dat is, in de plaats waar ik woon, voor de ChristenUnie een onbereikbare droom. Het ging in de campagne dus om een goeie enkele zetel. En dan tellen alle stemmen. Dat zie je maar in de plaatsen waar na de verkiezingen nog hertellingen plaats vonden, met 1 stem verschil kon je een restzetel winnen of aan je neus voorbij zien gaan.

Campagne activiteit 

Campagne voeren is wel uit je comfortzone stappen merk ik. Ik ben niet goed in (mezelf) verkopen en dat moet je toch wel kunnen als je in een campagne zit. Maar gaandeweg kreeg ik er lol in. Opnieuw door te werken op mijn eigen manier. In het klein, met de mensen die ik ken en in mijn directe omgeving. Ik ben echt overtuigd ChristenUnie lid. Kan me vinden in de waarden van de partij en dat helpt bij het anderen enthousiast maken.

Maar politiek blijft lastig. Je kunt idealen hebben, ideeën en plannen, maar de praktijk is zo weerbarstig. Compromissen sluiten is onvermijdelijk. Ieder standpunt ligt genuanceerder dan simpel ja of nee. Ik merkte dat toen ik de kieswijzer invulde van onze gemeente. Ik kwam tot mijn grote schrik uit bij de lokale partij! Toen ik mijn antwoorden vergeleek met de standpunten van de plaatselijke CU begreep ik wel waarom. De kieswijzer dwingt tot ja of nee. Terwijl de CU hele genuanceerde posities inneemt. Populistische partijen kunnen niet zoveel met nuances. Gedwongen tot ja/nee keuzes kwam ik dus toch uit bij die partij die totaal niet mijn ideeën vertegenwoordigt.

ChristenUnielunch met Taalmaatjes

Het leukst tijdens de campagne vond ik de lunch met een aantal van mijn taalvriendinnen uit verschillende landen. Ik had wat campagnemateriaal in huis gehaald en de lijsttrekker was er. De dames mochten allemaal stemmen, sommigen voor het eerst. Een Somalische zei dat ze stemmen leuk vond en altijd (ze was al 11 jaar in Nederland) meedeed. Een Syrische dame stemde voorheen PvdA, omdat Wouter Bos ervoor gezorgd had dat ze met haar gezin weg kon uit Ter Apel. Een dame uit Taiwan stemde VVD, want dat stemde haar Nederlandse man. Zo persoonlijk ligt een stem dus. Dit keer gingen ze allemaal voor mij stemmen 🙂

Helpen bij NLDoet

Als Denk in onze stad was geweest zou die weleens aardig wat stemmen hebben kunnen krijgen. Hoewel er ook weer veel negatieve gevoelens zijn over de Turks/Marokkaanse gemeenschap waar mijn taalmaatjes tussen wonen. Drugs, overlast door jongeren, de klacht is vaak hetzelfde. Dus in hoeverre zo’n Turks islamitische partij dan stemmen wint onder moslims uit andere landen?

Ik had trouwens voor de lunch kippensoep met linzen gemaakt, maar vergeten om halal kip te kopen. Twee vrouwen sloegen de soep over. Volgende keer op tijd langs de toko. De Syrische, ook moslima, deed er niet moeilijk over en vond dat de twee Somalische dames gewoon de soep van Margreet moesten eten. Voordat er ruzie ontstond gauw het onderwerp verandert.

We kregen 120 extra stemmen dit keer. In alle wijken een stel meer. Toch mooi als je beseft dat de PvdA nu kleiner is dan de ChristenUnie hier.

Moeten dan alle dominee’s naar het Noorden?

Overspannen woningmarkt

Ik lees in het nieuws dat de woningmarkt overspannen aan het raken is. Huizen worden verkocht boven de vraagprijs. De honderdduizenden euro’s vliegen je om de oren. Mijn vrienden hebben als huizenbezitters al heel wat meegemaakt. Prijzen die daalden, weer opliepen, door de jaren heen waren er steeds weer pieken en dalen. Wie voor langere termijn kocht kon dat allemaal aanzien vanaf de bank (de luie) en hoefde zich weinig zorgen maken. Veel van deze ouderen hebben nu een huis wat hypotheekvrij is. Of met kleine hypotheken voor verbouwingen. Dat zijn goeie investeringen geweest. En ik gun het hun van harte!

Maar voor wie niet voor lange termijn iets kocht, of helemaal niets kocht zijn de tijden zuurder. Want de huren stijgen en de huizen die je huurt voor hoge prijzen slinken. Ik zag vandaag een advertentie voorbij komen voor een appartement in de plaats waar ik woon, voor 700 euro. Wat krijg je voor die som geld? Een studio van van dertig vierkante meters. Dertig vierkante meter! Dat is schandalig vind ik. Maar een student zal het er zo voor neertellen. Schaarste en vraag doen de prijzen stijgen.

Een middengroep

Ik ga geen blog schrijven over de woningmarkt. Nou ja, een beetje wel dus. Het gaat me om een groep in onze samenleving die vanwege hun beroep geen huis hebben kunnen kopen en nu in toenemende mate met toch enigszins zure gebakken peren zitten (om maar wat beeldspraken door elkaar heen te gebruiken). Het gaat om predikanten. Ik kan niet voor alle predikanten spreken. Zeker niet voor de jongere omdat die weer in in heel andere situatie zitten, soms wel met eigen huis. Maar ik weet dat ik zeker voor een aantal spreek. Namelijk voor gepensioneerde predikanten. Tot die groep behoort echtgenoot.

Het Traktement, bron van vergissingen

Ga ik een zielig verhaal ophangen? Alsjeblieft niet. Wel wil ik een realistisch verhaal vertellen. Waarom? Omdat er over deze groep misverstanden bestaan die tot onbegrip leiden en daarom tot een soort isolement.
Over wat voor misverstanden heb ik het dan? Bijvoorbeeld deze, dat ze toch altijd gratis gewoond hebben in een pastorie, zo’n mooi groot pand? Of dat ze toch een hoog salaris hadden? Dat is publiek bekend want een keer per jaar wordt namelijk de begroting van de kerk besproken, in een vergadering van de gemeente, en dan staat er een enorm hoog bedrag op die begroting met daarachter “salaris predikant”. Geen huur en zo’n salaris? Wie wil dat niet?

Nou, zo zat (zit) het dus niet. ‘Vrij wonen’ werd bijvoorbeeld al lang geleden door de belastingdienst afgeschaft. Er moet dus altijd een percentage huur betaald. En dat kan ook niet (ver) beneden de waarde van het pand. Je kunt dus bijvoorbeeld niet voor 200 euro per maand wonen in een pand dat 300.00 waard is.  Ten tweede verzon de belastingdienst in de jaren negentig dat de waarde van het het pand (de dienstwoning) mee ging tellen in de inkomsten van de bewoner.

Vraag me niet hoe dat technisch zat. Ik weet alleen dat het betekende dat er op een gegeven moment alweer meer belasting betaald moest worden. Meer belasting van dat zg.’hoge’ bedrag dat op de begroting stond. Een soort bedrag dat ik zelf als ‘gewone’ werknemer ( ik werkte een aantal jaren part-time als secretaresse) nooit op mijn salarisstrookje zag. Wat ik zag aan het einde van de maand waren bruto en netto bedragen, maar wat op die kerkelijke begroting stond was een totaalbedrag waar alle premies, en alle verdere verplichtingen aan de Nederlandse staat nog vanaf moesten. En aangezien Nederland een uiterst goed ingericht systeem heeft, waar we allemaal de vruchten van plukken, slonk dat hoge bedrag na alle afdrachten als een berg spinazie in heet water.

Ongunstige positie, belastingtechnisch

Beweer ik nu dat die predikanten dus arme sloebers waren? Nee, natuurlijk niet. Het waren gewoon leraren zeg maar, (zoals een docent op de middelbare school), die alleen wel veel meer uren moesten draaien voor hun inkomsten. Om de zes, zeven jaar verhuisden en dan nog het gekke dat (in de kerken waar wij lid van zijn)  ‘leraren’ voor een kleine klas minder salaris krijgen dan leraren die een grote klas hebben. Maar goed, da’s een ander verhaal. Het voordeel van de positie van een ‘echte’ leraar is weer dat die een gewone werknemer is. Zo niet de predikant. De belastingdienst heeft beslist dat de predikant een zelfstandig ondernemer is. Zo moet de arme man een winst-en-verliesrekening bijhouden. Ook schafte de belastingdienst alle aftrekposten af. Voor studeerkamer en zo. Oh ja een pc mocht je nog afschrijven in drie jaar. Maar dan was alle welwillendheid afgelopen. Nou ja, het leek er in onze tijd op alsof iedere nieuwe belastingregeling in het nadeel van predikanten uitviel. Goed. Er zit vast geen opzet achter. Vervelend was het wel.

De beruchte vrije sector

Nu is het zo dat predikanten vanwege het tijdelijke van hun beroep cq woonplaats meestal geen eigen huis hebben gekocht/kunnen kopen. Wanneer dus het pensioen aanbreekt moet er gezocht worden naar een onderkomen in de huursector. Op zich niets mis mee, ware het niet dat die sector zeer prijzig is geworden. Sociale huurwoningen (tot 750) zijn uitgesloten. Kopen eveneens. Hypotheekverstrekkers zijn niet scheutig voor deze mensen. Tenzij hun vrouwen werken, maar dat is meestal niet (meer) het geval en zeker niet fulltime. Wellicht een tip voor de volgende generatie! Koop op tijd! Als het kan.

Zo kom je dus noodgedwongen terecht in de vrije sector. En we weten het allemaal, tussen de sociale huur en de hoge huur ontbreekt het middensegment. De huur begint dus meestal bij de 850 -1000. Waar je ook zoekt. En dan heb ik het niet over villa’s. Maar gewoon over driekamer appartementen. Projectontwikkelaars hebben dat marktsegment volledig ingepikt. Van Groningen of Zwolle naar Assen of Amersfoort overal start de vrije sector boven de 850 euro voor een redelijke ruimte. En voor huizen van een middenhuur bestaan lange wachtlijsten.
Dat betekent dus dat bij een normale teruggang in salaris bij het pensioen (70%) de bizar hoge huur een onevenredig grote hap uit de inkomsten neemt.

Een andere situatie

En wat dan nog? De reden dat ik dit zo uitgebreid vertel is dat er naar mijn inschatting weinig inzicht is in de impact van dit aspect van de economische omstandigheden van gepensioneerde predikanten. Opnieuw ik spreek niet voor iedereen en wie eindelijk geniet van een Zwitser Leven, het zij je gegund. Maar dat is niet het geval voor degenen die ik ken en ik vang uit mijn omgeving genoeg signalen op. De hoge woonlasten van deze groep pensionado’s  zijn bij veel mensen niet bekend.  Bij vrienden, eveneens gepensioneerde leeftijdgenoten, creëert de (bijna) afbetaalde hypotheek ruimte voor andere zaken.  Wie nog studerende kinderen had in de tijd dat er van vrijgemaakte predikanten werd verwacht dat ze naar gereformeerd onderwijs gingen, soms ver van huis, weet dat er voor een eenverdiener met een groter gezin van sparen in die periode weinig kwam. Wie dat wel lukte: Chapeau! Maar bij ons slokten trein- en busabonnementen de guldens op als gulzige biggen. Om nog maar niet te spreken van het vervangen van de eindeloos gestolen stationsfietsen…Vaak was er aan het einde van het salaris nog een stuk maand over, om met Loesje te spreken.

De hoge huren in de vrije sector

Voordat dit nu op een klaagzang gaat lijken, nog dit. Het gaat me erom bewustzijn te kweken voor een groep die na hun pensionering vooral door de hoge huren het niet makkelijk heeft. En ik denk vaak ongezien. Goed dat de overheid meer aandacht heeft voor de middeninkomens en de middenhuur. En dat ChristenUnie en SGP het onrecht aankaarten dat eenverdieners zoveel meer belasting moeten betalen.

Ik denk dat we maar naar Delfzijl gaan verhuizen. Daar is nog wel iets te vinden dat betaalbaar is. Of in Ernstheem.

flatje in Delfzijl
Ernstheem

Ik zie de bui al hangen

Het was maar een korte uitzending. Laat op de avond, dus ik had hem bewaard voor later op ‘uitzending gemist’. Het was een aflevering van Kruispunt over depressie. Een interview met Antoine Bodar, priester en kunsthistoricus, over zijn depressieve periodes en Marjolein van Kooten. De laatste is een vrouw, schrijfster en (psychiatrisch)cabaretier, die van haar ziekte haar beroep heeft gemaakt.

Haar angststoornis is onderwerp van haar theatervoorstelling waar ze met van alles de draak steekt. Humor als wapen tegen psychische aandoeningen. Dat spreekt me zeer aan. Lachen is helend. De ziekte is al erg genoeg maar zelfs als je middenin een donkere periode zit is het mogelijk om te lachen, hoe paradoxaal dat ook klinkt. Echte humor is immers een lach in een traan?

Bodar ontroerde me. Kwetsbaar en open over hele duistere fasen in zijn leven. Suicidaal en zonder enige levenslust. Voor wie het kent bijna moeilijk om aan te horen omdat het zo herkenbaar is. Ik besefte zelf weer even hoe ver weg ik geweest ben. Marjolein van Kooten verwoordde het heel goed, dat dwaze verschijnsel van je slecht voelen en denken dat het altijd zo was en nooit meer goed zal komen. En vervolgens in een goeie periode je niet meer te kunnen voorstellen hoe het was toen het zo donker was. Alsof je in twee dimensies leeft. Daarom noemt zij haar theatershow ‘Ik zie de bui al hangen’. In goede periodes begin je je op een bepaald moment toch zorgen te maken. Dit duurt nu al zo lang…dat kan niet zo blijven, toch? Ik ga zelf momenteel door een hele goeie periode en het bekijken van een programma als Kruispunt kan dat knagend gevoel losmaken.

De humor van Marjolein geeft verlichting. En de woorden van Bodar. Voor een gelovige is het bestaan van God en je leven in de glans van Zijn liefde te mogen zien (niet voelen altijd) een reden om door te zetten. Bodar zegt: Om fier te zijn.