Vrouw van een dominee 3, 1988-2011 – Zaandam, zorgen en zoeken

Na 8 jaar Korea en een halfjaar Bunschoten-Spakenburg werd het dus Zaanstad waar we ons vestigden. Een stedelijke omgeving, geen vrijgemaakt bolwerk-met-school en een praktische, voor ons gezin prima geschikte pastorie. De gemeenteleden die we ontmoet hadden tijdens de kennismakingsdag waren toegankelijk en we voelden ons op ons gemak. Waar beoordeel je uiteindelijk welke gemeente het wordt wanneer je er vijf hebt om uit te ‘kiezen’? Het is vleiend en geruststellend wanneer er meerdere gemeentes belangstelling tonen in jouw man, maar de gemeentes zijn ook weer zo divers dat je je afvraagt wat nu precies de reden is dat ze hem vragen?

We wisten wel vrij snel zeker dat we niet in een plattelandsgemeente passen zouden. We geloofden sterk in continuïteit. Als God je ergens voor heeft ingezet ligt het voor de hand die opgebouwde ervaring verder te gebruiken. We hadden allebei behoefte aan internationale contacten, studenten, cultuur en de uitdaging van een stedelijke omgeving. Niet dat Zaanstad aan al die behoeftes zou gaan voldoen, maar met Amsterdam vlakbij lag het meer voor de hand naar het Zaanse te gaan dan Dedemsvaart of Roden bijvoorbeeld. Zo hebben we er toen in elk geval over nagedacht. Nu vragen we ons wel af of we het belang van de kinderen niet zwaarder hadden moeten laten meewegen. Een grotere gemeente met meer kinderen, een school dichtbij…We hebben hen toen meegegeven dat het fijn is steun te geven aan een gemeente die kleiner was en die meer moest bikkelen. God zegent het wanneer je iets van jezelf weggeeft. Ik geloof dat nog steeds, maar ben wel voorzichtiger geworden in het kinderen daarin meenemen. Iets voor mezelf opgeven is één ding, maar in hoeverre mag ik iets weggeven wat niet van mij is? Ik ben daar niet uit. We hebben het onze kinderen niet makkelijk gemaakt in  de keus voor een (vrijgemaakte) school ver weg en al het reizen wat daar in meekwam.

Ondertussen was ik met alles bezig behalve met internationale contacten en cultuur. Ik heb al eens eerder een blog geschreven over mijn dramatische ervaringen met het huishouden gedurende mijn eerste jaren in Nederland. Dat drukte in z’n volle omvang op mijn schouders na jaren een hulp in huis gehad te hebben die er 3 á 4 dagen in de week was. Ze was lid van ons gezin. Ze deed de was, hield het huis schoon, zorgde voor de kinderen als ik weg moest (die waren gek op haar) en kookte af en toe. Ik had het op mijn manier toch nog druk genoeg (vond ik toen) met vier kinderen.

Pas terug in Nederland realiseerde ik me dat ik helemaal niets gewend was. Lees mijn blog over mijn grootste nachtmerrie, de altijd maar, in een eeuwige cyclus, groeiende aanwezigheid van was in huis. In vieze staat, in gewassen staat, nat; in gewassen staat, droog en ongevouwen; in gewassen staat, gevouwen maar een berg nog ongestreken en uiteindelijk in een staat dat het weer gedragen of gebruikt  kon worden. Meestal zat er zoveel tijd tussen de eerste en de laatste staat dat we vaak in een van de bergen moesten zoeken of iets toe was aan fatsoenlijke dracht. Ik verdronk erin.

Maar ik was nu wel de vrouw van een dominee-met-een-gemeente. Dat betekende dat ik dingen moest doen. Vond ik. Wat moest ik doen? Ik vond niet dat het iets met mijn uiterlijk te maken had. Dacht ik. Maar het schuurde wel van binnen, want ik vond dat ik maar met rare, niet-Nederlandse kleren rondliep. Ik vond ook dat ons huis er eigenlijk raar uitzag. Armoedig. Anders. Bij elkaar geraapt zooitje. Dat hadden we in Korea ook, maar wie gaf daar ook maar ene bal om? (Oh, de rust van het ontbreken van vergelijkingsmateriaal). Maar hier zat ik in een pastorie tussen de ouwe meubelen van iemand anders en ik had geen cent om uit te geven. Dat was allemaal gestoken in noodzakelijke, maar onaantrekkelijke dingen als elektrische apparaten en een auto.

Ik haatte mezelf natuurlijk dat ik zo bezig was met alleen maar zulke triviale zaken. Ik wilde geestelijk bezig zijn. Opbouwend. Positief. Er stond me iets voor de geest als ‘er voor iedereen zijn’, willen zorgen, steunen en helpen waar het maar nodig was.

Liefst niet thuis met de was.

Vrouw van een dominee 2, 1988-2011- De eerste gemeente

Het rare van domineesvrouw ‘zijn’ is dat het eigenlijk niks is. Bakkersvrouwen werken alle eeuwen door in de bakkerswinkel en boerinnen in de stal of op het land, maar wat doet een domineesvrouw? Dat is in ieder tijdperk anders. Vroeger vergezelde zij haar man vooral op bezoeken, ze ging zelf de gemeente in om goed te doen en soep te brengen bij armen. Vaak was ze ook een van de weinigen met een opleiding en leidde Bijbelstudies en dergelijke. Maar die tijden waren zelfs in 1988 al lang voorbij.

Toen ik ‘begon’ als domineesvrouw was ik 33 jaar en ik had geen flauw idee wat er eigenlijk van mij verwacht werd. Ik had geen rolmodel want we waren lang weg geweest en nog niet zo lang voor ons vertrek lid geworden van de kerk waarin echtgenoot predikant was geworden. Als kind herinner ik me weinig van de rol van de vrouw van de predikanten van mijn ouders. Dus wie of wat was ik nu geworden? Ik was het vanuit Korea wel enigszins gewend om gezien te worden vanwege het beroep van mijn man. Ik werd tenslotte ‘weledele vrouw van de geleerde(saamoniem)’ genoemd. Maar verder dan dat ging het niet. Af en toe mocht ik mee naar een etentje

Als onbeschreven blad zou ik dus starten. Waar? Dat werd nog een hele klus voor we onze bestemming wisten. Vijf gemeentes nodigden ons uit om kennis te maken. Harderwijk, Dedemsvaart, Zaanstad, Rozenburg en Roden. In iedere gemeente werden we verwacht om een dag door te brengen. Kennismaken met de kerkenraad. Kennismaken met de stad/het dorp/de regio en ’s avonds kennismaken met de gemeente. Wat ik me nog heel scherp herinner is dat ik iedere keer halverwege de dag barstende koppijn had en darmkrampen. Ik kan het nu makkelijk plaatsen (te veel indrukken, spanning) maar ik werd er toen steeds door overvallen en verweet het mezelf.

Omdat het de eerste gemeente na de Korea-periode zou zijn mochten we in plaats van drie er zes weken over nadenken. Waar wilden we heen? Waar riep God? Dat laatste vond ik moeilijk. Alle vijf gemeenten waren zonder predikant en kwamen daarom in aanmerking voor mijn gevoel. Hoewel de kleinere gemeentes wat ons betrof het wel meer nodig hadden om iemand van buiten te hebben. We keken ook naar praktische zaken. Passen we in het huis met z’n zessen? Ik was nog jong genoeg om op eventuele gezinsuitbreiding te hopen. Kunnen we na jaren stad wennen op het platteland? Dat soort vragen.

Een andere belangrijke vraag was die van de school. Het is 1988 en kinderen van de kerk gaan allemaal, met een uitzondering daar gelaten, naar de eigen scholen in Rotterdam, Groningen, Amersfoort of Zwolle. Onze oudste is een VWO kind. We leggen Amerikaanse/Koreaanse maatstaven aan wat betreft afstanden reizen en vertrouwen op de vele ouders die zeggen dat ver reizen naar school geen enkel probleem is. De kinderen raken snel gewend en maken huiswerk (of lol) in de trein. Ouders hebben er meer problemen mee, zegt men over het algemeen.

Dat geeft voor ons de doorslag om naar Noord-Holland te gaan. Een soort verzet tegen de gangbare trend, dat men wegtrekt uit steden waar geen eigen onderwijs is, om met duizenden op een kluitje rond de middelbare scholen te gaan zitten. Zo keken we er toen tegen aan. Heldhaftig. Later heb ik daar spijt van gekregen. Niet voor mezelf. Ik hoefde niet iedere dag in de trein of bus. Maar spijt voor onze oudste die dat reizen wél moeilijk vond. Heldhaftig zijn ten koste van anderen is makkelijk..

Mijn eerste ervaringen als domineesvrouw begon ik dus op te doen in het Zaanse. De eerste pastorie die ik bewoonde was die aan de Schepenlaan.

‘Als kippen zonder kop’ – Cobra-Dumas in Singermuseum Laren

Artistically I am still a child with a whole life ahead of me to discover and create.
I want something, but I won’t know what it is untill I succeed in doing it.
Alberto Giacometti

de HeusDie tekst van Giacometti (beeldhouwer 1902-1966) was 20 jaar geleden zeer van toepassing op het echtpaar De Heus, startende kunstverzamelaars. ‘We kochten als kippen zonder kop’, zeggen ze zelf, in een interview in NRC. Rijk geworden door de verkoop van veevoer, zochten ze een nuttige en leuke vrijetijdsbesteding voor de zaterdag. Geen golf, geen boot, daar hadden ze niet veel mee. Met vele, lege muren in hun nieuwe huis, leek het hun een goed idee wat (grote) schilderijen aan te schaffen. Zo maar, van de ene dag op de andere waren ze verkocht. De schilderijen in de galerie die ze bezochten, maar het echtpaar ook, aan moderne, eigentijdse, Nederlandse kunst.

Het eerste schilderij dat ze kochten was van een in Nederland wonende Russin, Masha Trebukova, een abstract schilderij. Familie en vrienden verklaarden hen voor gek. Maar ze lieten zich daar niet door weerhouden. Het was tenslotte hun huis. Inmiddels beschikken ze over een grote collectie schilderijen, beeldhouwwerken en plastieken. Abstract of figuratief, conceptueel of realistisch, het maakt niet uit: ‘Binnen 4 seconden weten we of het wat wordt’, leggen ze uit in de video die vertoond wordt bij de expositie Cobra – Dumas in het Singermuseum in Laren.

Jesus crucifix DumasCo-Westerik-Zwemmer-5-1969

links: Crucifix, Dumas-rechts: de Zwemmer, Co Westrik 

Na de eerste spontane aankopen vragen Henk en Victoria advies aan een kunstkenner. Tenslotte hebben ze er niet echt kaas van gegeten, realiseren ze zich. Wat begeleiding is wenselijk, want er gaat veel geld zitten in deze hobby. In de persoon van Deborah Campert (vrouw van Remco Campert) ondergaan ze een ‘cursus kunstkijken’. Een halfjaar niets kopen, alleen maar ieder zaterdagmiddag naar galerieën en musea om te kijken,kijken,kijken. De route is uitgestippeld door Deborah. Een goeie invulling van hun vrije zaterdag.

Vermakelijk, zoals ze samen vertellen hoe hun interesse uitgroeide tot een passie. Eén ding is duidelijk, ze moeten zeer vermogend zijn. Zoals een gemiddeld mens van een mooi shirt er soms twee koopt omdat ze zo goed passen en omdat je niet kunt kiezen tussen twee kleuren, zo koopt het echtpaar de Heus twee schilderijen, omdat ze allebei zo prachtig zijn. Leuk is dat ze overal gaan kijken, galerieën en ateliers, maar vooral ook bij eindexamen exposities van beginnende kunstenaars. Zo kochten ze een werk van Robert Zandvliet en zijn hem sindsdien blijven volgen. Zandvliet zoomt in op gewone, alledaagse onderwerpen, zoals een stoeptegel of een schelp en schildert er vervolgens monumentale werken van. Prachtig. Een zo uitvergroot voorwerp krijgt een heel ander karakter. Ik zag bijvoorbeeld een strand of boulevard langs de zee in plaats van twee stoeptegels langs grijs asfalt.

marlene dumas / naomi, 1995 / privatsammlung / © marlene dumas Appel Cobra

De verzameling van De Heus is enorm en zeer gevarieerd en afwisselend. Zoals ik al zei, minimal art, conceptuele kunst, figuratief, abstract, er is werkelijk van alles. En daarom heel plezierig en inspirerend om te bekijken.  De keuze van Henk en Victoria de Heus is vaak toegankelijk. Je snapt bijna onmiddellijk waarom ze tot een bepaalde keuze kwamen. Ik vond het opvallend dat er in hun verzameling geen cynische of schokkende (wel verrassende!) kunst voorkomt. Ik las in een recensie in het Reformatorisch Dagblad van 27 april jl. de reden: ‘Het echtpaar, beiden overtuigd christen en kerkelijk actief, licht toe: „Geloofservaringen zijn ook niet te omschrijven, toch ervaar je ze. Zo is het met kunst ook. Een kunstrecensent merkte op dat er een „religieuze lijn” in onze collectie zit. Zelf zien we dat niet zo. Maar het is waar dat we in de kerk hebben geleerd om het kwade zo veel mogelijk te vermijden en het goede te zoeken. Dat is wat we met onze kunst wel nastreven.”

Grappig is ook dat ze niet schromen om aan kunst hun eigen betekenis te geven. Het schilderij van Marlene Dumas van Naomi Campbell is voor hen vanaf moment één een schilderij van Naomi uit het Oude Testament, vertellen ze. Van Naomi Campbell hadden ze nog nooit gehoord. Heel vrijmoedig geven ze  hun eigen duiding aan de kunst die ze kopen en koesteren. Het maakt me blij om christenen te zien die serieus bezig zijn met eigentijdse kunst, iets wat nog niet heel gewoon is. We nemen als christenen toch vaak genoegen met het middelmatige, terwijl God de Schepper is van zoveel moois! Vooral kerkgebouwen kunnen zo zonder smaak en gevoel voor stijl zijn ingericht. Ik vind het inspirerend om de verzameling van deze christenen te bekijken, zoveel oog voor stijl en schoonheid. Dat hoeft niet per se duur te zijn. Genoeg beginnende kunstenaars, ook in de kerk, die een stimulans goed kunnen gebruiken!

De expositie is een aanrader!

Hoeden, dozen en verdriet

In Nederland gaan we na de begrafenis van een geliefde weer naar huis. Na de koffie en de cake en wat napraten. De achtergelaten bezittingen van de geliefde worden te zijner tijd verdeeld, wanneer we er aan toe zijn. Bij Blanca’s spullen liep het anders. Om verschillende redenen wilde mijn schoonvader dat haar kleding en sieraden nog dezelfde week zouden worden uitgezocht en opgeruimd. – Wanneer moet het anders, was zijn idee. – Nu zijn jullie er allemaal. De oudste dochter uit Californië, de jongste uit Summerville, de broers uit Nederland, Californië en New York, Massachussets;  kleinkinderen uit Nederland, Arkansas en New York.. Hoe vaak zouden we er weer allemaal samen zijn?

Zo begonnen we aan de zware, onwezenlijke klus. De kasten en laden openenen en alle kleding, hoeden, baretten en sieraden sorteren, uitzoeken en opruimen. Met het sterke gevoel iemands privé te schenden door rond te neuzen in haar spullen. Steeds weer drie stapels: weg – twijfel – behouden; waardevol – niet-waardevol,maar emotionele hechting – prullaria – Kringloop

Mijn schoonmoeder hield van sieraden. Dozijnen doosjes vol oorbellen, kettingen, ringen en broches. In iedere la, nog meer doosjes. Ze hield ook van kleding en van kleding bewaren. Ware vintage trokken we van de hangertjes. Dagenlang zijn we bezig geweest, onder leiding van gedecideerde oudste dochter Lark. Bergen vuilniszakken voor het Leger des Heils, stapels dierbare kleding voor de koffers van de negen vrouwen, spullen voor de zeven mannen en (slechts) een paar bijzondere voor Chris, haar man. Ging het allemaal zonder spanningen? Neen. De een is een doorpakker, hup, hup. De ander heeft tijd nodig, ‘ ‘laat nog even liggen’. Een eruptie hier, een stoomwolk daar, maar uiteindelijk was het klaar. Moeilijk, pijnlijk en onwezenlijk. Maar schoonvader was blij.

IMG_1628IMG_1621SAM_0590

Zondag na de begrafenis begon het bij mij te piepen en te schuren. Tot op dat moment was alles goed verlopen, terwijl ik geen grote groepen mens ben. Ik voelde me gedragen door gebeden. Ik draaide mee, luisterde, troostte, luisterde weer; lachte mee, herinnerde mee, zong mee; ruimde op, ruimde af, ruimde in, ruimde uit; zette eten klaar, waste af, praatte met die, omhelsde een ander. Maar mijn emoties zaten op slot. Ik had nog geen traan gelaten.

Die zondag kantelde er iets. Ik had slecht geslapen. We gingen naar de kerk (City Life Boston) en één van de liederen tijdens de dienst raakte me. Het eerste scheurtje in mijn survival-schil. Het bleef die dag wringen. Aan de laatste ronde van sieraden- en hoedenverdeling kon ik niet meedoen.IMAG1351 Ik ben gaan wandelen langs het water. De woontoren van mijn schoonouders staat aan de haven van Boston. Langs het water loopt een prachtig wandelpad van een paar kilometer. De dobberende boten, het geluid van krijsende meeuwen, de stapelwolken in de staalblauwe lucht, de zon, de gure wind, allemaal elementen die mij openen, rechtstreeks mijn ziel binnenkomen. Ik ben een watermens.

Ik dacht aan alle doosjes die door mijn handen waren gegaan. En ik realiseerde me dat  deze wandeling, dit alleen zijn met het water, me eindelijk bij het doosje bracht wat nog dicht zat, maar (knarsend en wel) open wilde. Ergens in een kamer van mijn ziel bewaar ik dat doosje met het verdriet om geliefden die al eerder stierven. Het verdriet om Blanca kon ik pas ervaren als dat deksel er af kwam.  Dat gaat meestal moeizaam, want de inhoud is  donker. Ik voelde echter aan mijn lijf dat het gebeuren moest.

Ik ben dus maar gaan zitten met het weidse uitzicht op het water en heb het ondergaan. Het verdriet om de geliefden die ik mis. Niet altijd bewust, maar wel op de achtergrond. Sommigen veel te jong gestorven. Het is uiteindelijk de pijn om de vergankelijkheid van het leven. De pijn omdat het altijd weer op sterven uitloopt. Op afscheid nemen en ‘afgesneden zijn’ (Vasalis). De schreeuw uit de diepte van psalm 130. Even geen uitzicht hebben op Pasen.

De zon verdween, ik kreeg het koud, het werd tijd om terug te gaan. En wat een weelde: thuis dochters om me te troosten! Mannen zijn kanjers, daar leun je op, maar soms stellen ze teveel vragen. Vrouwen, ‘mijn’ vrouwen vroegen niets. Twee paar armen om me heen. Even de tranen de vrije loop.

Toen was het weer goed. Het verdriet om Blanca had zich bij het andere verdriet gevoegd. Dat pijn doet. Maar ook zacht maakt en helpt om mee te voelen met anderen.

Een soort welriekend compost, zeg maar. Het maakt de grond van mijn bestaan vruchtbaar. Het is toch Pasen geworden.

…en Amour!

amourposterGezien: Amour
Regisseur: Michael Haneke. Amour, zijn vijfde Franse productie, leverde hem in Cannes zijn tweede Gouden Palm voor Beste Film op.
Waar: ’t Hoogt, Utrecht
Duur: 127 min.

Amour. Een aanrader, volgens velen. Ontroerend. Tranen. Met gespannen verwachting zat ik maandagavond in de zaal van ’ t Hoogt (leuk filmhuis in Utrecht!).

Kort het verhaal: Georges en Anne, een bejaard echtpaar dat in een mooi, statig appartement woont in Parijs. Ze zijn welgesteld, te zien aan de inrichting en de manier waarop Georges geld uitgeeft. Beiden zijn gepensioneerd in het muziekonderwijs. Eén van haar ex-leerlingen is inmiddels een beroemde pianist. Dochter en schoonzoon zijn musici en wonen in Londen, evenals de kleinzoons. Er is weinig contact. Anne krijgt een lichte attaque en door complicaties bij de operatie die volgt raakt ze halfzijdig verlamd en rolstoelgebonden. Een tweede beroerte treft haar die haar aan bed kluistert en het haar onmogelijk maakt te communiceren. Ze begint te dementeren. Georges heeft haar op enig moment moeten beloven dat hij haar niet naar een ziekenhuis of inrichting zal brengen. Hij verzorgt haar, ondanks protest van dochter en schoonzoon, tot het laatst thuis, geassisteerd door meer of minder capabele privé verpleegsters.

De kijker ziet een mooie, oudere, begaafde vrouw langzaam veranderen in een wrak dat niet meer kan praten of musiceren en volkomen afhankelijk wordt van anderen, inclusief botte verzorgers voor wie zij de zoveelste op een dag is. Een aanblik die een onbehaaglijk gevoel geeft. We kennen immers allemaal wel iemand in vergelijkbare omstandigheden. En ooit zal het voor jou zelf misschien ook zo zijn. Georges doet zijn uiterste best haar met liefde, waardigheid en respect te blijven behandelen. Na de eerste tegenslag oefenen ze samen om weer beter te leren lopen. Dan al zegt Anne, ik wil niet meer. Na de tweede beroerte oefenen ze samen om weer te leren praten en zingen. Hij kalmeert haar wanneer ze onrustig is en uren lang hetzelfde roept: pijn, pijn! Hij voedt haar, dringt erop aan dat ze blijft drinken en eten, kortom hij omringt haar met de best denkbare zorg en houdt zijn belofte: Anne wordt niet afgevoerd naar een verpleeghuis. Georges vindt een andere oplossing. De film begint met een scene waarin de brandweer die de met plakband afgeplakte flat openbreekt en daar een opgebaard lijk vindt, omringd door bloemen. Vervolgens ontwikkelt dan zich het verhaal. De film eindigt met de dochter die door een lege flat loopt.

Michael Haneke met de acteurs
Michael Haneke met de acteurs

De film boeide van begin tot einde. Het acteertalent van beide senioren Jean-Louis Trintignant (82) en Emmanuelle Rivax (86) is indrukwekkend. Zeker de rol van Anne, die van kwieke bejaarde verandert in een wrak na 2 beroertes, is ongelofelijk knap gespeeld. Met één hand en één been spelen die niet meer functioneren is nog tot daar aan toe , maar om te spreken met een half verlamd gezicht en de bewegingen van een aan een bed gekluisterde zo te volvoeren dat je geen moment twijfelt aan de authenticiteit van de zieke, is een enorme prestatie.

In het napraten worstelden echtgenoot en ik allebei met wat we nu voelden na het zien van de film. Eerlijk gezegd was de sterkste emotie die ik ervoer er een van irritatie. En daar schaamde ik me voor. Hoe kan dat nou? Als iedereen ontroerd is (de weinige medekijkers in de zaal waren zichtbaar tot tranen geroerd) wat mankeert er aan mij?

Het gaat hier toch om Amour? Iemand die zo zorgt voor zijn aftakelende vrouw doet dat uit liefde. Dat was duidelijk. Maar behalve die twee was er niemand. De dochter wordt op afstand gehouden, zowel door vader als moeder, die niet wil dat iemand haar ziet in haar invalide staat. De verzorgenden zijn ofwel ronduit liefdeloos of slechts professioneel zorgzaam. Anderen zoals de conciërge en zijn vrouw worden niet toegelaten hoewel ze dolgraag wat zouden willen betekenen voor de zieke vrouw die ze al zo lang kennen. Ze mogen boodschappen doen en stofzuigen, maar persoonlijk contact is uitgesloten. Er is sprake van een zelfgekozen isolement. Daarbinnen speelt zich de tragedie af. Er is weinig emotie, er wordt weinig gelachen of gehuild, er is nauwelijks aanraking.

De film zoomt in op de aftakeling en wat dit doet met de twee mensen. Er is weinig tot geen troost. Het is zoals het is. Perspectief ontbreekt, er is geen betekenis. Die boodschap past wel bij het werk van Michael Haneke begrijp ik uit wat ik lees op internet. Hij wil verwarren, levensvragen aan de orde stellen zonder met makkelijke antwoorden te komen.

Daarmee is de filmtitel tegelijk een vraag. Wat heb je nog aan liefde als de ontbinding komt? De kanalen waarlangs liefde zou kunnen stromen van familie, vrienden en buren worden dicht gestopt. De viering van wat het leven was nu het einde nadert, is ondenkbaar. Anne is egocentrisch in haar lijden. Het is haar lijden en zij zal het lijden zoals zij dat wil. Lijden dat ook een weg naar elkaar kan worden in méé-lijden, in méé-dragen, bestaat niet in haar wereld.

Daarmee is voor mij de film, ook al gaat die over liefde, een koele film en blijf ik achter met een soort boosheid. ‘Omhels je dochter, droog haar tranen, laat haar zorgen, laat je troosten door haar liefde!’ , denk ik steeds. “Bidt, leg je leven bij God neer, zoek troost bij Hem”. Gaat daar het lijden mee weg? Nee, maar het zoeken en ontvangen van troost en steun bij en van de ander kan een lijdenstijd wel transformeren tot een tijd van diepe betekenis en ontmoeting, zoals velen getuigen die dat zo hebben ervaren.

Het is Haneke gelukt om me te laten nadenken over liefde en over de betekenis van het lijden dat, zo ervaar ik de film, in zijn ogen geen diepere zin heeft. Toch is de (mantel)zorg van Georges voor Anne, als teken van hun liefde, een baken van trouw in een kille wereld van eenzame, alleen gelaten bejaarden. Eén vraag houdt me nog steeds bezig: Waar is Georges gebleven aan het eind van de film?

Meisjes uit Delhi en IJsselstein

Het oude jaar eindigde slecht in New Delhi, India. En het nieuwe jaar begon niet goed in IJsselstein. Twee plaatsen in de wereld. En twee meisjes, die beiden een gewelddadige dood stierven. Slechts twee van de duizenden slachtoffers van oorlog en geweld in onze wereld, in de laatste weken.

Maar de twee meisjes in IJsselstein en New Delhi kwamen voor mij even heel dichtbij. Het meisje in New Delhi, 23 jaar – door zes mannen op gruwelijke wijze verkracht en mishandeld, uit een bus gegooid, naakt, als een stuk vuil. En later aan haar verwondingen overleden. Hoe kon dit gebeuren? Het blijkt een gigantisch probleem in India, mannen die vinden dat vrouwen tot hun beschikking horen te staan, als het niet goedschiks is, dan kwaadschiks. Verkrachtingen zijn er aan de orde van de dag. En geklaagd wordt er nauwelijks, want er wordt toch niets aan gedaan. Mannen achten zich heer en meester en misbruiken hun macht, binnen en buiten het huwelijk. Vrouwen zijn letterlijk waardeloos en zeker als ze zich Westers gedragen, korte rokken dragen of jeans, vriendjes hebben, roken of gaan studeren, dan vragen ze er toch om verkracht te worden?

En dan Mirjam, 16 jaar, uit IJsselstein. Of Maryam, zoals haar Marokkaanse naam luidde. Niet verkracht, maar door messteken om het leven gekomen. Niet aangevallen door een vreemde, maar door haar moeder. Die, volgens de media, niet kon verdragen dat Mirjam er een zg. Westerse levensstijl op nahield. Ze rookte, dronk alcohol, ging naar feestjes en had een Nederlands vriendje. Er was altijd bonje thuis, volgens vriendinnen. Wat zich precies heeft afgespeeld? De ongetemde woede van de machteloosheid van een ouder is levensgevaarlijk, dat blijkt in elk geval.

Geweld. Geweld als lust, geweld uit woede.. Twee jonge vrouwen, meisjes nog.
Eén vermoord door brute, op seks beluste kerels, in de kolkende miljoenenstad New Delhi.  En de ander in een doorzonwoning, aan een achteraf straatje, in een klein stadje, mijn woonplaats, door de vrouw die haar 16 jaar geleden baarde, uit machteloze woede.

Het knaagt en schuurt. Het staat allemaal in zo’n schrille tegenstelling tot wat ik geloof dat God ons wil geven aan liefde, zuiverheid en goede regels.  Aan respect van mannen voor vrouwen en heilzame kuisheid. Aan liefde tussen ouders en kinderen, aan gehoorzaamheid en inschikkelijkheid. Aan Satan geen schijn van kans geven in lust en boosheid.

Zou Christus hier genezen kunnen? Helen, rechtmaken, wat zo verschrikkelijk krom is in culturen en gezinnen?  Hij belooft het stellig. Mensen hebben hem nodig, maar ook culturen. Westerse en niet- Westerse. Door berichten als deze komt de duisternis even heel dichtbij. Dan verlang ik er zo naar dat het Koninkrijk van Licht dat God op aarde brengt, nu al zichtbaar wordt.  Jezus liet zich doden op een even vreselijke manier, maar Hij overwon de dood!

Dat God zich mag ontfermen over alle slachtoffers van bruut geweld en Zijn Heilige Geest wil schenken aan onze ontwrichte wereld. In Hem is en blijft er Hoop!

Huis van Vrede

huisvanvredevrouwen

R. uit Iran overhandigt me gastvrij een bord met een vet gebakken ei. Of ik worstjes wil? Uh..nee bedankt, daar is mijn maag nog niet aan toe. Ik zit aan tafel met een Nederlandse vrouw uit Kanaleneiland met haar dochtertje van anderhalf, in een mooie kerstjurk. Naast haar een Indisch ogende jongen van een jaar of 8,9 met een groene snottebel. Mijn buurjongen, zegt de vrouw, hij komt mee naar de bijeenkomsten. En verder (behalve mijn echtgenoot) zit er dan R., politiek vluchteling uit Iran, mèt verblijfsvergunning. We eten een gezamenlijk kerstontbijt in Huis van Vrede, een geloofsgemeenschap op Kanaleneiland, een mooie wijk in Utrecht. Zo omschrijft de kerk zichzelf op haar blog huisvanvrede.org

Kanaleneiland, een mooie wijk? Dat is toch die wijk waar al die Marokkaanse jongeren je het leven onveilig maken? Daar is toch dat asbestschandaal pas geweest? Dat is toch die verpauperde Vogelaarwijk?

Ik geloof dat al die aannames wel een kern van waarheid in zich hebben. Het is een wijk waar je als vrouw, volgens mijn dochter die er werkt, soms hele rare woorden naar je hoofd geslingerd krijgt door jongetjes die nauwelijks uit de luiers zijn. Dat asbestschandaal was en is iets waar bewoners slachtoffer zijn van een woningbouwvereniging die zo min mogelijk geld wil uitgeven en dus de kantjes erbij afloopt. En de verpaupering is met het blote oog waar te nemen. Vooral in de wijken die op de lijst staan gesloopt te worden.

Maar vanmorgen zit ik aan de ontbijttafel in een nieuw gebouwde school, Hart van Noord, waar op zondagen Huis van Vrede samenkomt. Hier gaat het om mensen, om liefde, om relaties. En om Jezus. Daar wordt niet geheimzinnig over gedaan. Meneer Jezus, zoals een Marokkaans meisje hem, in antwoord op een vraag van de voorganger tijdens de overdenking, respectvol noemt.

Want na het ontbijt toveren vele handen de zaal om van eetcafé tot kerkzaal, met stoelen in rijen achter elkaar en ruimte voorin voor de voorganger en de muziek. Vandaag twee zangers en een celliste. We zingen wat liederen, ontvangen de zegen en alle kinderen mogen naar voren. Vandaag is de overdenking speciaal voor hen. Daar zitten ze dan. Wel dertig kids, uit alle stammen en talen. Chinese kinderen, Afrikaanse kinderen, blanke kinderen, kinderen uit het Nabije oosten, Turkije, Marokko, een zeer gemêleerd gezelschap.

Achterin komen er nog steeds mensen binnen voor het ontbijt. Er wordt zachtjes gekeuveld door de eters. Die zijn hier voor de gezelligheid en om hun kinderen mee laten doen. Zelf blijven de moeders achterin zitten. Maar de boodschap en de beamerplaatjes zijn overal hoor- en zichtbaar. De bevlogen voorganger communiceert de kerstboodschap helder en duidelijk: Het verdrietige lammetje dat gehoord had dat het geofferd moet worden, is blij als hij hoort dat iemand anders zich gaat offeren, zodat er geen dieren meer hoeven te sterven en alle mensen vergeven zijn en bij God mogen komen.huisvanvredekinderen

Na de bijeenkomst praat ik met Chinese vrouwen. Waar ze vandaan komen? Ze wonen al jaren in het A(siel) Z(oekers) C(entrum). Nieuw voor mij. Chinese asielzoekers. Ze zijn eenzaam, zitten opgesloten in kleine kamers, de gebruikelijke moeiten. Komen er wel mensen op bezoek soms, vraag ik aarzelend. Oh ja, mensen van de kerken doen heel veel en komen geregeld. Ik slaak een zucht van verlichting. Gelukkig wordt er naar hen omgezien.

Ik ben blij en dankbaar vanmorgen. Op Kanaleneiland. Vogelaarwijk, verpauperd en soms onveilig. Hier staat wel het Huis van Vrede. Jezus is er.

Nestgeur?

oostersorthodoxpinkster-dienst

Ze gaat graag mee. Om half tien haal ik haar op, mijn taalmaatje. Ze is gelovig, komt uit een Oosters-orthodoxe kerk en mist de kerkgang in Nederland. Ik heb aangeboden haar mee te nemen naar een kerk in de buurt van haar huis. Met de achterliggende gedachte: dan kan ze er zelf heen lopen, ze kan er mensen leren kennen die haar door de week ook kunnen steunen waar nodig. Want ze heeft het niet makkelijk. Financieel, sociaal, in haar huwelijk, ze is eenzaam en mist haar moeder in de opvoeding van haar kindje.

We gaan naar de Nieuw Testamentische Gemeente in mijn woonplaats. Een nogal weidse naam, maar ik ken er iemand die ik vertrouw en die ook bij de ChristenUnie betrokken is. Zelfs raadslid is geweest. Wie weet kan zij een rol spelen in de ‘aarding’ van mijn taalmaatje.

We worden vriendelijk welkom geheten in de verbouwde school. Iedereen is vriendelijk, er lopen mensen van allerlei leeftijden, etnische en sociale achtergronden. De straatkrant verkoper die altijd bij onze Jumbo staat komt naast me zitten en we maken even verder kennis. Hij herkent mij (oh, oh, was ik wel vriendelijk genoeg? Gelukkig koopt echtgenoot altijd de krant..). En hij blijkt uit hetzelfde land te komen als mijn taalmaatje. Ze babbelen wat. Hij is aardig en legt wat dingen uit.

De dienst start. Met aanbidding. Veel zingen, staan, geheven handen, de band, nou ja, al met al ook niet geheel onbekend in mijn eigen gereformeerde wereld. Wel wat langer, wat veel herhaling en tussendoor meer praten. Na een poosje kijk ik links naar mijn gaste die één stoel verder zit. Haar hoofd is gebogen en ze frunnikt wat aan haar broek. Ik voel dat ze niet op haar gemak is. Ik ruil van plaats met degene die naast haar zit en vraag haar hoe ze het vindt? ‘Dit is niet mijn kerk..het is vreemd’ zegt ze enigszins beteuterd. ‘Zoveel lawaai’. Ik heb een beetje meelij met haar. Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik voor het eerst een dienst bijwoonde in een Pinkstergemeente. Ik had het liefst direct de kerk verlaten. De persoonlijke emoties van de mensen om je heen voelen heel vervreemdend wanneer je daar niet aan gewend bent.

Na een poosje begint de preek. Een goede boodschap over Jezus die kwam om te dienen, niet om gediend te worden, hoewel Hij alle recht had daarvoor gekozen te hebben. De spreker is vlot van de tongriem gesneden, maakt grapjes en spreekt snel. Het ontgaat N. volledig. Haar Nederlands is niet goed genoeg. Ook de krantverkoper kan het niet volgen en leest de bijbel in zijn taal.

Na de dienst geeft N. aan dat ze het gevoel had dat ze God aan het verraden was door bij deze dienst te zijn. Het is niet wat ze wil. Ik leg haar uit dat het ook niet het soort dienst is waar ik me echt thuis voel, maar dat het belangrijkste voor God niet is welke vorm een dienst heeft, maar of er uit Zijn woord gesproken en gezongen wordt. Maar dat gaat er niet in bij haar. Zo ga je toch niet met God om? Mensen slaan geen kruis….de muziek is lawaaierig, mensen knielen niet. Ze mist eerbied. Tenminste, zoals die vorm krijgt in de Oosters orthodoxe traditie.

Welaan. Om haar een (steun)kring van mensen te bezorgen bedacht ik dat de Pinkstergemeente daar de meeste kans op bood. Maarrr..mijn plan dient bijgesteld.

Volgende keer maar de katholieke kerk bezoeken. Mijn eigen kerk bevindt zich helaas niet in mijn woonplaats. Het doet me wel al meer gemotiveerd raken met mijn mede stadsgenoten een (huis)gemeente te beginnen.

Alleen in de wereld?

Alex Vinkenoog met dochter – bron:ncrv

Ik zag een aantal dagen geleden een ontluisterende documentaire op de TV. Alleen in de wereld, gemaakt door Denise Janzée, Een verhaal over hoe het kinderen van zg. bekende Nederlanders is vergaan sinds zij opgroeiden in de zestiger jaren bij ouders die druk waren hun grenzeloze vrijheid te bevechten en ervan te genieten. Dolle Mina’s die voor vrije abortus streden, hippies die met hun naïeve flowerpower ideeën zich suf rookten aan hasjiesj. Ze experimenteerden met heroïne en LSD, waarvan de kwalijke gevolgen vele malen die van hasjiesj overtroffen. Je ziet het in de film aan de verwoeste gezichten van sommige vaders of moeders. En sommigen overleefden de drugs niet eens.

De ‘kinderen’, veertigers en vijftigers nu, vertellen over het bizarre leven dat ze leidden als kind. Gebrek aan aandacht, als peuter tussen mensen zitten die allemaal zo stoned waren dat ze niets meer beseften. Als vijfjarig jongetje uren alleen erop uit gaan met de tram omdat ouders toch niet merkten of hij er wel of niet was. De sterk wisselende contacten van de ouders. Dan weer die ‘vader’, dan weer die. Alles kon en alles mocht. Eén vrouw is moeite blijven houden met intimiteit omdat ze niet geleerd had wat het was. Haar moeder had seks waar ze bij was, er was geen enkele ontwikkeling van privacy, gezonde schaamte en intimiteit.

Het herinnerde me aan een andere documentaire die ik ooit zag, Communekind: opgroeien bij de Bhagwan, (Maroesja Perizonius). De maakster komt als zesjarig kind met haar moeder in een vrije Bhagwan commune in o.a. Amsterdam te wonen, in de ‘vrije’ jaren zestig. De vrijheid ging daar zo ver dat volwassen mannen  gewoon seks konden hebben met kinderen in de commune. ‘Waarom heb je me daar niet tegen beschermd?’ vraagt de dochter in de film aan haar moeder.

De ouders die geïnterviewd worden in de recente documentaire zijn nog zo stuitend vol van zichzelf dat je hart uitgaat naar de zoons en dochters. De zachtzinnige Alexander, zoon van Simon Vinkenoog, die nu een goeie vader voor zijn drie kinderen wil  zijn, wil uitleggen waarom hij zich verwaarloosd voelde als kind. Elke keer dat hij een zin begint kapt de laatste vrouw van zijn vader hem af met een loftuiting op haar goeroe Simon, die toch zó geweldig was. Alexander houdt wijselijk zijn mond.

Als je ergens duidelijk wil zien hoe wreed geloof in absolute vrijheid is, dan wel in dit soort beelden. Een vrouw die een psychiatrisch wrak is vanwege haar drugsgebruik, een vrouw die bazelt over hoe ‘verruimd’ haar hersenen zijn dank zij de LSD, een zoon die nog steeds zoekt naar geborgenheid en liefde, een dochter die nooit heeft kunnen genieten van lichamelijke aanraking, een zoon die vertelt hoe zijn broertje de waanzin niet overleefde en zelfmoord pleegde. Verdrietige, verdwaalde kinderen van losgeslagen en evenzeer verdwaalde ouders… De documentaire heeft een open einde. Het is een aanklacht. Maar ook een oproep tot begrenzing aan vrijheid. Maar hoe?

Vrijheid kan nooit een doel op zich zijn, dat blijkt wel. Vrijheid werkt alleen als middel tot een doel. Om te dienen, om lief te hebben. Wie geeft ons  leefregels die het leven doen opbloeien in plaats van ons leeg te zuigen en te verpletteren?

Ik nodig de hoofdpersonen in de documentaire (en ook mijzelf weer) uit, de lichte last van de leefregels van Jezus Christus op te nemen. Zijn belofte is: Kom achter mij aan en leef volgens mijn regels en Ik leid je naar Leven en Vrijheid in overvloed.

In weelde baden

‘Tachtig procent van de voorraden op de wereld wordt opgebruikt door twintig procent van de wereldbewoners. Of ik er nu voor mijn gevoel krap bij zit of niet. Ik behoor tot de rijkste groep mensen ter wereld’.

Auw..!Ik schoot rechtop in mijn stoel. Ik zat in de kerk en de opmerking kwam van de predikant in zijn preek. Het relativeerde onmiddellijk mijn kleine sores van onverwachte rekeningen, huurverhogingen en oplopende prijzen voor gas en licht. Genoeg, dreunde het door me heen. Ik heb méér dan genoeg. Drie maaltijden per dag (overvloedige), tussendoortjes, koffie, thee, een wijntje op zijn tijd en taart op mijn verjaardag. Ik hoor bij de “happy few”…!

Het kan me aanvliegen, al die miljoenen mensen met honger (870 miljoen mensen in Gods wereld gaan met honger naar bed) en gebrek. Volgens de website Time to Turn http://www.timetoturn.nl/downloads/armoede/ kunnen we zelf  zoveel meer doen voor een eerlijker wereld. Er gaat een roep uit van de armen op deze wereld, zegt Jacobus in hoofdstuk 5 van zijn brief in het NT, ‘U hebt op aarde in weelde gebaad ….en uzelf vetgemest’ . Hij spreekt de rijken aan en als vanzelf denk je, dat gaat niet over mij…Maar tijdens de preek schrok ik. Het gaat wel over mij. Ik hoor bij de twintig procent die het brood als het ware steelt uit de monden van miljoenen armen.

Hoe kan het anders? In Sophie (uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie ) las ik over een theorie voor een nieuwe economie, ontwikkeld door medewerkers van een denktank op Europees niveau van christendemocraten. Niet het kapitalisme (winst, winst en groei),  maar een ‘relationele economie’. ‘God wil goede relaties, tussen Hemzelf en de mensheid en tussen mensen onderling’. Ook in de economie zijn relaties en vertrouwen belangrijk. En in relaties gaat het om verantwoordelijkheid voor de ander en niet alleen om eigen belang. Recht doen aan mensen, ook in economisch verband, is waar het om draait in een door Gods gerechtigheid geïnspireerde maatschappij.

Ik ben geen econoom en kan zo’n theorie niet geheel beoordelen, maar mijn hart wordt er wel warm van. Ik hoor de adem van de Geest er in. De ander zoeken. Ons niet verrijken ten koste van de zwakke ander. Niet een ‘alsmaar méér’ economie, maar een economie van het ‘genoeg’.

Idealistisch? Nee, ik durf te geloven in de zegen van God wanneer personen en naties zich bekeren en gaan leven volgens Gods principes. Stel je voor, iedere 50 jaar kreeg een Israëliet zijn land terug, hoe arm en aan lager wal hij ook was geraakt. Een nieuwe kans. Het land was immers niet van hem of iemand anders? Het behoorde gewoon aan God (Leviticus 25). Rente vragen op een lening aan iemand die tot armoede was vervallen was ongeoorloofd. Griekenland en Spanje zouden er wel wat aan hebben! Om over landen in Afrika maar te zwijgen.

Die grootmoedigheid van God wil ik weerspiegelen in mijn eigen leven. En het vertrouwen dat Hij vroeg aan de Israëliet in het OT wil ik ontwikkelen in een leven zonder duizend en één vastigheden. Eenmaal in de zeven jaar moesten zij het land braak laten liggen. Als een oefening in vertrouwen. ‘Als je je afvraagt waar je van moet leven in het zevende jaar, als je niet mag zaaien en oogsten, bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is’ (Lev. 25:20-22).

Vertrouwen als geloofsdaad, als het lijkt dat je er alleen op achteruit zal gaan wanneer je anderen te hulp schiet. Eens kijken of hier iets van terug te vinden is in het nieuwe regeerakkoord.

Aangrijpende cijfers op deze pagina:
FAO-infographic-SOFI-2012-